Spelthema’s:
Vaardigheden
Thema
Vormen
|
1) Individueel spelen |
Zie overzicht * |
Zie overzicht * |
|
2) Individueel scoren |
Zie overzicht * |
Zie overzicht * |
|
3) Individueel en samenspelend scoren |
Zie overzicht * |
Zie overzicht * |
|
4) individueel en samenspelend passeren en scoren |
n.v.t. |
n.v. |
|
5) Het uitspelen van de tegenpartij en vervolgens tot
scoren komen |
Enkelspelen (1:1), Dubbelspelen (2:2) |
Zie overzicht * |
* à
Overzicht van het programma betreffende thema’s, spelvaardigheden en
spelvormen
In elke les staan een of meerdere
spelthema’s centraal.
Ensceneringthema’s
|
Rollen |
Kern
1 |
Kern
2 |
Kern
3 |
Keuze |
|
Speler Scheidsrechter Mede-coach teller |
X X X |
X X X X |
X X |
|
|
Observator van scheidsrechter Observator van individuele speler Coach van jezelf of een medespeler |
|
X X X |
X X X |
|
|
Tijdwaarnemer |
X |
X |
X |
|
|
Observator van een persoon Coach van een persoon |
|
|
X X |
|
|
Ontwerper van spelvormen, -regels en/of lessen/trainingen |
|
|
|
X |
Ensceneringsthema’s zijn
thema’s waarin leerlingen andere rollen leren vervullen dat de rol van beweger
Evaluatievorm:
Badmintontoernooi,
intern in de klas. De eerste jaren organiseer ik een toernooi voor de
leerlingen, later moeten ze dat zelf realiseren als ze daar in staat toe zijn.
Dat zal zijn in de bovenbouw van de basisschool.
Iedere leerling van een klas
krijgt tijdens het toernooi in ieder geval een spelbeoordeling. Hij of zij
krijgt dan een beoordeling waarbij gekozen kan worden uit drie niveau’s.
Tevens krijgen de kinderen waar
dat op van toepassing is een beoordeling op ensceneringtaken. Dit gaat wederom
uit drie niveau’s.
û
Product
of proces: het verloop van de les en de leeropbrengst
Er wordt zowel op het product als
het proces geëvalueerd. Dit komt naar voren in de gesprekken met de leerlingen.
Er wordt na de les altijd ook geëvalueerd en daar komen zaken naar voren die
verder gebruikt kunnen worden.
û
Proces
of product van programma uitvoering inclusief het lesgeefgedrag en resultaat.
Hier vindt vooral een
productevaluatie plaats. Daarin laten we de bewegingsdoelen nadrukkelijk naar
voren komen.
Actief leren: Actief leren is de rode draad in
deze module. Om de leerlingen de
kans te geven om actief te leren,
is het belangrijk dat een docent daar de kans toe geeft en dat hij activerend
onderwijst. Dit houdt in dat leerlingen meer en meer betrokken worden in en bij
de les. Dat niet alleen maar reproduceren wordt gevraagd, maar ook bijvoorbeeld
ontwerpen. Het begint al met meer vragenderwijs lesgeven, waardoor de leerlingen
meer betrokken worden bij de les.Dat is erg moeilijk, je geeft een beetje uit
handen. Je geeft leerlingen de kans om ook antwoord te geven. De hele klas
krijgt een kans doordat je iedereen laat nadenken. Zo zit probleem gestuurd
onderwijzen in elkaar. Je laat leerlingen een probleem ervaren, dan los je het
samen met hen op, en ze passen het toe. Daarom actief leren erg nauw verbonden
met probleemgestuurd onderwijzen. Allereerst een schema over activerend
onderwijzen:
|
Van begrijpen
via integreren
naar toepassen |
||
|
Inzichtelijk leren door het leren van principes. |
1) Individueel verantwoorden of waarderen en koppelen aan vergelijkbare
kennis en vaardigheden.* 2) Samenwerkend leren. |
Beschikken over: 1) Voldoende bewegings(onderwijs)-vaardigheden 2) Uitvoeren van meerdere rollen ** 3) Omgaan met schema’s vuistregels en werkpatronen. |
|
Van (docent)afhankelijk leren naar meer zelfsturend leren
oplossen van problemen c.q. leren invullen van uitdagingen. |
||
*
Het aangeven van verbanden tussen leergebieden
** Rollen als lesgever,
begeleider, maar ook helper, coach, scheidsrechter, organisator.
De leerlingen gaan schema’s,
werkpatronen en vuistregels leren om zelf meer zelfstandig te werken.
Daarvoor moet een leerlingen niet
alleen het bewegen weten, maar ook de achtergronden. Dan weet hij ook volgden
(werkpatronen), daardoor is hij in staat om anderen ook beter te maken