PAUSELIJKE ZOUAVEN UIT DE LIEMERS

door Wim Hollander

De geschiedenis

In de eerste helft van de 19de eeuw ontstond in het verbrokkelde Italië een sterk nationaal bewustzijn, dat tot uiting kwam in een streven naar staatkundige eenheid van het land. Dit betekende een gevaar voor de onafhankelijkheid van de Kerkelijke Staat, waarvan de Paus het hoofd was en dat het midden van Italië besloeg.

Victor Emanuel II, koning van Sardinië, veroverde in 1860 een gedeelte van het Pauselijk gebied. Sicilië en Zuid-Italië sloten zich na een succesvolle expeditie van de vrijheidsheld Garibaldi hierbij aan. Zo ontstond het Koninkrijk Italië met Turijn als voorlopige hoofdstad. Paus Pius IX behield met steun van Frankrijk nog slechts Rome met omgeving, het zogenaamde 'Patrimonium Petri'. Hij begreep dat hij een sterker leger nodig had om zijn grondgebied te verdedigen. Daarom richtte de Paus een oproep tot de rooms-katholieke jongeren in de wereld om hem te hulp te komen.

Onder leiding van de Franse generaal Lamoricière werd het 'Regiment der Pauselijke Zouaven' opgericht, waarin vrijwilligers uit diverse landen dienst namen. Zouaven waren oorspronkelijk Kabylse soldaten die de lijfwacht van de Berbervorsten in Noord-Afrika vormden. Zij werden in dienst van het Franse leger genomen en vormden daarin een keurkorps. Hun klederdracht was geheel afwijkend van de overige soldaten. Pauselijke zouaven waren aanvankelijk Franse en Belgische vrijwilligers, die bij Castel Fidardo in 1860 werden verslagen. Met o.a. 3000 Nederlandse zouaven streden de Zouaven met meer succes vanaf de gevechten bij Monte-Libretti en Mentana tot de val van Rome in 1870. Bij Monte-Libretti slaagden op 13 oktober 1867 89 Zouaven erin na verwoede gevechten van man tegen man 1200 Garibaldisten op de vlucht te jagen. Daarbij sneuvelden 16 Zouaven waarvan de helft Nederlanders. Onder hen was de boomlange Pieter de Jong uit Lutjebroek, die in zijn vaderland legendarische bekendheid kreeg. Bij Mentana, een dorp noordoostelijk van Rome, werden op 3 november 1867 de Garibaldisten door de Zouaven verpletterend verslagen.

Toen in 1870 de Franse troepen als gevolg van de Frans-Duitse oorlog wegtrokken uit Rome, bezette het Italiaanse leger het overgebleven gedeelte van de Kerkelijk Staat, De eenheid van Italië met Rome als hoofdstad was een feit. De Paus trok zich als vrijwillige gevangene terug in het Vaticaan. Deze situatie duurde voort tot 1929 toen door het Verdrag van Lateranen Vaticaanstad als een souvereine staat werd erkend.

Na de val van Rome in 1870 keerden de Zouaven terug naar hun woonplaatsen, teleurgesteld en vol frustraties. Nederlandse Zouaven verloren door hun militaire dienstneming bij een 'vreemde' mogendheid het Nederlandse staatsburgerschap. Pas in 1947 werd aan de Zouaven officieel het Nederlanderschap teruggegeven. Een posthuum eerherstel, want de laatste Nederlandse Zouaaf was in 1946 overleden.

Na hun terugkeer richtten de Zouaven broederschappen of bonden op, die in de beginperiode tot doel hadden om klaar te staan, wanneer de Paus nogmaals een beroep op hen zou doen. Later zetten oud-zouaven zich in om elkaar te steunen en activiteiten te ondernemen op kerkelijk en sociaal gebied.

Zouaven uit de Liemers

Vooral in de maanden vlak na de roemrijke gevechten van Monte Libretti en Mentana in 1867, gingen katholieke jongemannen met honderden tegelijk als vrijwilligers met de wekelijkse konvooien op weg naar Italië, hetgeen in die tijd een hele onderneming was. Weinigen gingen voor het avontuur; de meesten beantwoordden eenvoudigweg de vurige oproep van hun toen zeer geliefde paus. Uit geheel Europa gingen de jonge katholieke mannen naar Italië om dienst te nemen in het regiment van de pauselijke zouaven. Maar ze kwamen ook uit Canada, de Verenigde Staten en de Nederlandse Antillen.

Van een twintigtal Zouaven is bekend dat zij uit de Liemers kwamen. Ze waren daar geboren of hadden daar gewoond.

Hierna volgen de wetenswaardigheden van deze Liemerse zouaven, voor zover het mogelijk was om deze te achterhalen.

Van de zes uit Didam afkomstige Zouaven weten we het meest van Johannes Aaldering. Hij was aldaar geboren op 28 augustus 1840 als zoon van schoenmaker Arnoldus Aaldering en Johanna Sesing. Jan was landarbeider van beroep. Hij meldde zich in februari 1863 bij de Zouaven en ondertekende zijn contract met een kruisje. Hij diende de paus van 5 maart 1863 tot 12 maart 1865. Na zijn terugkeer verbleef hij enige tijd in Didam, maar vertrok toen naar Beinum bij Angerlo waar hij bij de landbouwer A. Kraaijvanger werkte. Nog binnen het jaar vertrok hij alweer en nu werd de landbouwer Bernd Goris in Aerdt zijn nieuwe werkgever. Op 3 mei 1875 trouwde Jan in de gemeente Herwen & Aerdt met de in Elten wonende dienstbode Jacoba Kruitwagen. Zij was geboren te Zevenaar op 20 maart 1847 als dochter van Johannes Henricus Kruitwagen, van beroep klompenmaker en van wijlen diens huisvrouw Johanna Giesen. Het echtpaar woonde aanvankelijk op de Houberg onder Elten, waar op 20 maart 1876 hun dochter Johanna Maria werd geboren. Op 1 april 1877 vestigde het gezin zich in Zevenaar waar nog twee kinderen werden geboren, namelijk Arnoldus Hendrik (* 08-05-1877) en Hendrikus Franciscus (* 06-02-1880). Jacoba Kruitwagen overleed te Zevenaar op 21 april 1905. Jan overleefde haar bijna dertien jaar en sloot zijn ogen op 1 januari 1918.

Johannes Herbers was geboren te Didam op 11 mei 1844 als zoon van de ongehuwde Henriëtte Herbers. Jan was woonachtig in Didam toen hij gehoor gaf aan de oproep van de Paus. Gezien zijn onwettige afkomst kreeg hij voor de zekerheid van de Amsterdamse pater De Kruijf een aanbevelingsbrief mee. Op 29 januari 1869 trad hij te Rome in dienst bij de Zouaven en maakte precies twee jaar vol tot 29 januari 1871.

Johannes Theodorus ten Oever, geboren te Didam op 30 oktober 1843 als zoon van de commies J.T. Ten Oever en Jacqueline W. Sanders. In november 1857 vertrok het gezin, dat toen in Westervoort woonde, naar te Lobith. Aldaar overleden vrij kort na elkaar de beide ouders op 5 september 1858 en 24 april 1860. Waar de kinderen toen gebleven zijn staat helaas niet genoteerd in het Bevolkingsregister. Volgens andere gegevens vertrok Jan Theo, die werkloos was, op 10 november 1867 naar Oudenbosch om zich voor het pauselijke leger te melden. Op 11 december 1867 trad Jan Theo ten Oever in dienst. Toen hij in Rome aankwam waren de grote gevechten tegen de Garibaldisten al achter de rug. Hij diende ruim twee jaar tot 31 december 1869.

Johannes Reinders, geboren te Didam op 29 december 1845.

Zijn ouders waren Hendrikus Reijnders en Maria Willemsen. Op 6 mei 1867 liet hij zich te Brussel inschrijven voor het pauselijke leger. Op 11 mei 1867 werd hij ingelijfd. Jan Reijnders maakte de zwaar bevochten triomf op de Garibaldisten bij Mentana mee op 3 november 1867 en werd daarvoor met een medaille beloond. Na zijn verplichte diensttijd keerde hij via Amsterdam terug naar Didam, maar vond geen rust. Hij vertrok eerst naar Duiven, waar hij zich op 14 oktober 1869 liet uitschrijven met als bestemming Rome. Maar uit niets blijkt dat hij bij de Zouaven is teruggekeerd.

Martinus Roding was geboren te Didam op 27 februari 1840 als zoon van Hendrikus Roding en Johanna Janssen. Op 25 maart 1862 vertrok Martin naar Wehl om daar als boerenknecht te werken. Kennelijk is hij van daar uit bij de Zouaven gegaan, want volgens zijn recruteringsblad bevond hij zich op 1 mei 1863 in Brussel. Hij werd op 6 mei 1863 ingelijfd en na de verplichte twee jaar tekende hij nog een half jaar bij. Zijn eervol ontslag volgde op 19 november 1865.

Johannes Schut was geboren te Didam op 5 juni 1850 als zoon van het echtpaar Albert Schut en Lambertina Coenen. Toen Jan twaalf jaar oud was overleden in december 1862 kort na elkaar zijn ouders. Een maand later verhuisde Jan naar Angeren en werkte daar als bakkersknecht. Hoewel pas zeventien jaar wilde hij ook bij de Zouaven. Met een toestemmingsbrief van zijn voogd vertrok hij op 23 januari 1868 vanuit Oudenbosch naar Rome. Jan diende de paus van 29 januari 1868 tot 29 januari 1870 en maakte dus het massale ontslag van de nog overgebleven Zouaven niet mee.

Tot de uit Doesburg afkomstige Zouaven behoorde Henricus Johannes Vitus van de Bosch, aldaar geboren op 5 maart 1839 als zoon van de in de Ooipoortstraat wonende winkelier Johannes Bernardus van den Bosch (* Doesburg 1794) en Henrica Winanda Bremer. In 1862 overleed zijn vader en op 8 september 1863 werd Hendrik van de Bosch uitgeschreven naar Brussel. Hij werd ingelijfd als Pauselijk zouaaf op 24 maart 1866 en nam deel aan de veldtocht van 1867. Hij werd onderscheiden met het Mentanakruis. Op 21 mei 1868 werd hij overgeplaatst naar de 'sappeurs'. Hendrik werd op 6 maart 1870 uit de pauselijke dienst ontslagen. Na terugkeer in Nederland verbleef hij omstreeks 1886 in Harderwijk. Van daar uit vestigde hij zich in april 1886 weer in de gemeente Doesburg. Hij trok in bij zijn oom Hendrik Jan van de Bosch in de Kloosterstraat. Op 26 mei 1887 verhuisde Hendrik echter naar Angerlo.

Volgens gegevens uit het Zouavenmuseum te Oudenbosch kwam uit Doesburg ook Bernard Cavadino, aldaar geboren op 2 februari 1837. In de matriculelijst van Morel komt de naam echter niet voor, ook niet op andere lijsten. Inderdaad werd op 2 februari 1837 in Doesburg Bernardus Cavadino geboren als zoon van de handelaar in granen Joseph Cavadino (* Doesburg 1794) en diens vrouw Dorothea Gerritsen (* Drempt 1799). Toen Bernard 14 jaar was, verhuisde het gezin, inmiddels bestaande uit acht personen, naar Kleef. Verder is niets van hem bekend.

Theodorus Johannes Gerhardus Dellemijn, geboren te Doesburg op 30 april 1843, was Pauselijk zouaaf van 9 juli 1868 tot 9 juli 1870. Volgens de matriculelijst van Morel was echter Zutphen zijn geboorteplaats. Dit klopt ook, want hoewel hij in Doesburg woonde, was Zutphen zijn geboorteplaats.

Theodorus was de oudste zoon van de zilversmid Bernard Dellemijn (* Zutphen 1818) en Berendine Siebelink (* Zutphen 1816). In 1845 vestigde het gezin zich in de Korte Kerkstraat te Doesburg. Op 13 november ging Theodorus naar Leiden en kwam in 1863 terug. Na zijn diensttijd bij de Zouaven kwam hij op 14 november 1872 uit Den Helder, om eind december 1872 weer daarheen terug te keren. Hij was gehuwd met Anna Carolina Maria Absil. Op 2 januari 1877 werd Theodorus weer ingeschreven in het Bevolkingsregister van Doesburg, echter zonder echtgenote, terwijl zijn zoontje Bernardus Dellemijn (* Den Helder 1873) zich vanuit Rotterdam bij hem voegde. Laatstgenoemde werd op 22 augustus 1885 uitgeschreven naar Apeldoorn. Theodorus Dellemijn overleed te Amsterdam op 7 oktober 1920.

Volgens de lijst uitgegeven door Langenhuysen te Amsterdam in 1870 kwam uit Doesburg ook een zekere Bernardus Jansen. In de matriculelijst van Morel komt voor Verhardus Jansen, geboren te Amsterdam op 13 oktober 1843. Hij was Pauselijk zouaaf van 24 februari 1866 tot 1 maart 1868. Hij sloot op 13 december 1869 een nieuwe verbintenis en diende tot de val van Rome op 20 september 1870. De andere persoon is Bernardus Jansen, geboren te Utrecht op 16 november 1845. Hij was Pauselijk zouaaf van 10 november 1869 tot de val van Rome op 20 september 1870. Van beide personen is echter in het archief van de stad Doesburg niets te vinden. In die tijd woonde er in Doesburg maar één rooms-katholieke Bernardus Janssen, namelijk de bierbrouwersknecht Bernardus Janssen, aldaar geboren op 19 september 1847. Hij trouwde op 28 juni 1773 met Helena van Elferen (* Nijmegen 1845). Uit niets blijkt echter dat hij bij de Zouaven heeft gediend.

Duiven telde slechts één zouaaf, namelijk Wilhelmus Antonius Greven, aldaar geboren op 17 januari 1834 als zoon van de arbeider Gradus Greven (* Angerlo 1809) en Maria Linthorst (* Wehl 1802). Dit gezin, dat in de Nieuwgraaf woonde, telde zes kinderen, waarvan Willem de derde was. Willem werd pauselijk zouaaf op 18 februari 1867 en nam deel aan de veldtocht in dat jaar, waarvoor hij de Mentanamedaille ontving. Hij overleed in het Militaire Hospitaal in Rome op 6 september 1868. Het is niet bekend of zijn dood verband hield met een opgelopen verwonding dan wel ziekte. Van Willem Greven zijn een aantal brieven bewaard gebleven (zie bijlagen).

Uit Pannerden kwamen twee man. Allereerst Everardus Dominicus Groenen. Hij was in Pannerden geboren op 4 augustus 1844 als zoon van de opzichter van Waterstaat Pieter Groenen en Petronella Boschman. Evert hield van avontuur en ging op 21 maart 1868 bij de Zouaven. Hij diende echter maar korte tijd en werd op bevel van de Pauselijke minister ontslagen wat zou kunnen duiden op wangedrag. Hij keerde terug naar Pannerden en overleed daar ongehuwd en zonder beroep op donderdag 16 december 1869.

De andere zouaaf kwam uit de bekende burgemeestersfamilie Robbers. Hendrik Theodoor Peter Robbers, was een zoon van de toenmalige burgemeester van Pannerden en Herwen & Aerdt Antoon Robbers en diens echtgenote Hendrika Theodora van den Hoogen.

Hendrik zag het levenslicht aan de Rijndijk te Pannerden op 22 februari 1848. In 1853 kreeg zijn vader eervol ontslag als burgemeester en begaf zich in Arnhem in de wijnhandel. Het bekende wijnhuis Robbers & Van den Hoogen aan de Velperweg bestaat nog. Hendrik werd Pauselijk Zouaaf op 11 september 1870 en nam deel aan de verdediging van Rome in september van dat jaar. Na terugkeer in Nederland ging hij ook in de wijnhandel en trouwde met Anna M. Jurgens (+ Arnhem 1895). Hendrik overleed te Arnhem op 9 oktober 1900.

Het dorp Wehl telde ook twee Zouaven, namelijk Bernardus Verheij, die aldaar het levenslicht zag op 1 maart 1842 als zoon van de dagloner Gerhardus Verheij (* Bergh 1812) en Hendrika Herfkens (* Wehl 1818). Hij nam op 1 februari 1863 vrijwillig dienst bij het Pauselijk leger en diende tot 12 maart 1865, waarna het eervol ontslag volgde. Hij keerde op 20 maart 1865 terug in Wehl.

Frederik Gerhardus Josephus Wilhelmus Werlingshoff, geboren te Wehl op 3 april 1837 als zoon van de commies rijksbelasting Johannes Adam Werlingshoff (Delft 1797 - Wehl 1870) en Sibilla W.R. Maijer (1805 Laren Pr - Wehl 1868). Gerhardus, die van beroep pruikenmaker was, diende bij de Zouaven van 27 januari 1861 tot zijn eervol ontslag op 16 januari 1863. Daarna keerde hij terug naar Wehl. Hij meldde zich voor de tweede maal voor het Pauselijk leger en diende nu van 1 februari 1863 tot 1 oktober 1870. Hij vocht mee in de strijd van 1867 te Montana, alsmede tijdens het beleg van Rome in 1870. Na zij terugkeer verbleef hij nog korte tijd in Wehl en verhuisde toen naar Beesterzwaag in Friesland. Daar is het spoor bijster geraakt. Op de lijst van huwelijken van Friesland van 1870-1920 komt hij echter niet voor.

Een geboortige Westervoortse Zouaaf was Frederik Huygens, geboren op 23 februari 1842. Hij was een zoon van schoenmaker Herman Huygens (* Groessen 1811) en Johanna Aleida Beuker (* Duiven 1813). Freek diende als Pauselijk zouaaf van 11 december 1867 tot 31 december 1869. Na terugkeer uit Rome werd hij landbouwer en woonde aan de Rijndijk te Westervoort, waar hij op 11 februari 1911 overleed. Hij was gehuwd met Wilhelmina Theodora Weijenberg, in 1848 te Westervoort geboren. Zij leefde nog in 1930.

Tot slot nog zes zouaven uit Zevenaar. De oudste was Wouter Johannes Josephus Gussenhoven of Gustenhoven. Hij was geboren op 14 juni 1837 als zoon van de uit Bergen op Zoom afkomstige zadelmaker Joseph Adriaan Gustenhoven en Theodora Schut. Toen Jantje vier jaar oud was verhuisde het gezin naar Arnhem. Walter Gussenhoven diende bij het Pauselijk leger van 24 januari 1861 tot 1 februari 1863.

Everardus Reinerus Engelen was geboren te Zevenaar op 11 december 1850. Zijn ouders waren de arbeidslieden Hendricus Engelen (* Pannerden 1798), en Geertruida Boers (* Griethausen 1807). Evert was een nakomertje, want toen hij werd geboren, telde het gezin reeds een zoon van 16 jaar en twee dochters van respectievelijk 15 en 13 jaar. Toen Evert vijf jaar was overleed zijn vader op 11 oktober 1856. Enige maanden eerder was reeds zijn oudste broer Jan gestorven. Deze overleed tijdens zijn militaire diensttijd in het hospitaal in Arnhem. Evert ging op 14-jarige leeftijd het huis en werd uitgeschreven naar Rees (Pr). Hij keerde op 18 januari 1868 terug. In 1869 verhuisde zijn moeder naar Millingen achter Emmerich.

Evert was slechts korte tijd Zouaaf. Hij nam dienst op 19 mei 1870 en werd na de val van Rome op 20 september 1870 eervol ontslagen. Na terugkeer in zijn vaderland overleed hij nog hetzelfde jaar te Nijmegen op 23 oktober 1870 om 07.00 uur.

De wieg van Johannes Jansen stond in Olburgen in de gemeente Steenderen, waar hij op 13 maart 1850 het levenslicht aanschouwde, als zoon van Bernardus Jansen en Hendrica Wissink. Na zijn ontslag bij de Zouaven en terugkeer in Nederland verbleef hij als arbeider te Oberhausen. Hij was toen gehuwd met de Zevenaarse Wilhelmina Derksen (* 09-04-1850). In Oberhausen werd in 1874 hun eerste zoon Bernardus geboren. Op 31 januari 1876 vestigde het gezin zich in Zevenaar, komende uit Rheden. De overige zeven kinderen werden in Zevenaar geboren. Jan Jansen overleed te Zevenaar op 4 februari 1927. Er wonen nog steeds nazaten van hem in Zevenaar.

Gerhardus Menting was wel een echte Zevenaarder. Hij was daar geboren op 25 oktober 1845 als zoon van de arbeider Gerhardus Menting en Engelina Elsiabeth Klabbers. Hij oefende het eerzame ambacht van bakkersknecht uit. Op 15 mei 1863 kwam hij in dienst van bakker Van Luenen. Hij bleef daar tot zijn vertrek naar Nijmegen op 30 april 1866. Op 2 december 1866 nam hij dienst bij het Pauselijk leger en maakte de veldtocht van 1867 mee. Op 31 december 1868 kreeg hij eervol ontslag, maar tekende op 17 september 1860 voor een nieuwe periode. Gerard Menting maakte het beleg van Rome mee en werd op 20 september 1870 voorgoed ontslagen. De meegekregen onderscheiding was de Mentana-medaille. Hij keerde op 2 januari 1871 terug naar Zevenaar en werkte als bakkersknecht bij Gerrit Steijgerwalt. Op 3 mei 1872 vertrok hij naar Rheden.

Johannes Theodorus Reijnders was geboren op 16 mei 1846 als zoon van schrijnwerker-winkelier Antoon Reijnders en Maria Hetterscheid (* 1826 Emmerich). Jan werd timmerman in het bedrijf van zijn vader, die echter op 11 april 1862 overleed. Hij werd Pauselijk zouaaf op 5 januari 1868 en eervol ontslagen na de val van Rome op 7 juli 1870. Op 13 juli 1870 keerde hij terug in Zevenaar. Op 21 oktober 1872 ging hij naar Amsterdam, maar keerde op 21 maart 1873 terug. In het Bevolkingsregister van 1880-1890 komt hij echter niet meer voor. Zijn spoor loopt zo dood.

De laatste 'Liemerse' zouaaf is Hermanus Hendrikus Uffing, geboren te Zevenaar op 12 juli 1845. Hij was een zoon van Hermanus Hendrikus Uffing en Maria Geertruida Beldman. Herman hij was timmerman van beroep. Zijn diensttijd bij de Zouaven liep van 18 januari 1868 tot 27 januari 1870. Vrij kort na terugkeer in Zevenaar overleed hij in het oudershuis op maandag 18 juli 1870 om 18.00 uur.

Hier eindigt de korte beschrijving van de zouaven en de Liemerse inbreng daarin. Tijdens de zoektocht in de Liemerse archieven werden enkele brieven gevonden van Zouaven die daarin hun reis naar Italië en hun lotgevallen aldaar beschreven.

(zie verder oorspronkelijke versie)