Verantwoording bij Vormen van religieuze ervaring, Amsterdam 2003
Niet zonder schroom neem ik mijn plaats in op deze katheder tegenover dit geleerde gehoor. Voor ons, Amerikanen, is de ervaring onderwezen te worden door Europeanen, hetzij mondeling, hetzij door middel van hun boeken, geenszins ongewoon. Aan mijn eigen Harvard universiteit gaat er geen winter voorbij zonder een oogst aan voordrachten van Schotse, Engelse, Franse of Duitse wetenschappers, die wij hebben overgehaald de oceaan over te steken om ons toe te spreken of die wij hebben weten te strikken op het moment dat zij in ons land waren. Voor ons is het de gewoonste zaak ter wereld dat wij luisteren als Europeanen spreken.* De tegenovergestelde gewoonte, dat wij spreken terwijl de Europeanen luisteren, hebben wij ons nog niet eigen gemaakt. Wie dit avontuur voor het eerst aangaat heeft het gevoel zich te moeten verontschuldigen voor zo’n brutale daad. Dat moet in het bijzonder het geval zijn op de naar Amerikaans veronderstelling zo heilige grond als die van Edinburgh. De roem van de leerstoel in de wijsbegeerte aan deze universiteit maakte op mij al vroeg diepe indruk. De Essays in Philosophy van professor Fraser, toen juist verschenen, was mijn eerste boek op filosofisch gebied, en ik herinner mij nog heel goed het diepe ontzag dat mij overkwam bij het lezen van de beschrijving van Sir William Hamiltons collegezaal. Hamiltons voordrachten waren de eerste filosofische geschriften die ik begon te bestuderen, en daarna verdiepte ik mij in Dugald Stewart en Thomas Brown. Zulke jeugdige gevoelens van ontzag verlies je nooit helemaal. Ik moet bekennen dat het feit dat mijn nederige persoon nu uit mijn inheemse wildernis bevorderd is tot tijdelijk officieel personage hier, en daardoor tot collega is gemaakt van deze illustere namen, zowel het karakter van een droom heeft als van werkelijkheid.
Toen ik deze eervolle benoeming ontving wist ik dat ik die niet kon afwijzen. Ook de academische loopbaan heeft zekere heroïsche verplichtingen, dus sta ik hier zonder verder excuus. Laat ik alleen zeggen te hopen dat de stroom, nu deze hier en in Aberdeen, van west naar oost is gaan vloeien, die richting zal behouden. Ik hoop dat vele van mijn landgenoten in de loop der jaren zullen worden uitgenodigd voordrachten te houden op Schotse universiteiten, in uitwisseling met Schotten om in de Verenigde Staten colleges te geven Ik hoop dat onze mensen in al deze hogere zaken als één volk zullen worden. En dat het karakteristieke filosofische temperament, net als het karakteristieke politieke temperament dat met onze Engelse taal samenhangt, hoe langer hoe meer verbreid zal raken over de wereld en daar zijn invloed zal doen gelden.'
Bovenstaande tekst is in de vertaling (Vormen van religieuze ervaring) niet opgenomen. In plaats daarvan is de Preface, die niet in eerdere Nederlandse uitgaven voorkwam, in de Abraxas-uitgave (in vertaling uiteraard) wél opgenomen.
This book would never have been written had I not been honoured with an appointment as Gifford Lecturer on Natural Religion at the University of Edinburgh. In casting about me for subjects of the two courses of ten lectures each for which I thus became responsible, it seemed to me that the first course might well be a descriptive one on' Man's Religious Appetites,' and the second a metaphysical one on 'Their Satisfaction through Philosophy.' But the unexpected growth of the psychological matter as I came to write it out has resulted in the second subject being postponed entirely, and the description of man's religious constitution now fills the twenty lectures. In Lecture XX I have suggested rather than stated my own philosophic conclusions, and the reader who desires immediately to know them should turn to pages 511-519, and to the ' Postscript' of the book. I hope to be able at some later day to express them in more explicit form.
In my belief that a large acquaintance with particulars often makes us wiser than the possession of abstract formulas, however deep, I have loaded the lectures with concrete examples, and I have chosen these among the extremer expressions of the religious temperament. To some readers I may consequently seem, before they get beyond the middle of the book, to offer a caricature of the subject. Such convulsions of piety, they will say, are not sane. If, however, they will have the patience to read to the end, I believe that this unfavourable impression will disappear; for I there combine the religious impulses with other principles of common sense which serve as correctives of exaggeration, and allow the individual reader to draw as moderate conclusions as he will.
My thanks for help in writing these lectures are due to Edwin D. Starbuck, of Stanford University, who made over to me his large collection of manuscript material; to Henry W. Rankin, of East Northfield, a friend unseen but proved, to whom I owe precious information; to Theodore Flournoy, of Geneva, to Canning Schiller, of Oxford, and to my colleague Benjamin Rand, for documents; to my colleague Dickinson S. Miller, and to my friends, Thomas Wren Ward, of New York, and Wincenty Lutoslawski, late of Cracow, for important suggestions and advice. Finally, to conversations with the lamented Thomas Davidson and to the use of his books, at Glenmore, above Keene Valley, I owe more obligations than I can well express.
HARVARD
UNIVERSITY,
March 1902
*) In dit verband wijzen wij op een tekst van Rudolf Otto, als ten geleide gepubliceerd in een Duitse uitgavevan Rufus Jones over de Quakers en die wij integraal hebben gepubliceerd in onze uitgave Quakers, triomf en tragiek van het geweten (2005):
'Uit Amerika, het land - zoals wij menen - van pragmatisme, psychologisme, behaviorisme en nog meer ismes die ons soms wat vreemd en koud van over de oceaan komen aanwaaien, horen we hier in dit boek een stem die ons vertrouwd en innig in de oren klinkt; een stem van een volledig ander Amerika dan dat wij gewoonlijk kennen. En deze groet zal ik met een hartelijke tegengroet beantwoorden.
[...]
Ik beantwoord deze quakergroet vanaf de andere kant van de oceaan met een hartelijk welkom!'
De vierde druk
van Vormen
van religieuze
ervaring is
gebaseerd op de
geautoriseerde
Engelse uitgave
van 1902 en was
daarmee de
eerste complete
uitgave in het
Nederlandse
taalgebied.
Voetnoten zijn
veelal in de
tekst geplaatst
en sommige, die
in eerdere
Nederlandse
uitgaven niet
waren opgenomen
wegens hun
vermeende
betrekkelijke
waarde voor een
algemeen
lezerspubliek,
zijn onvertaald
gelaten. Hier
en daar zijn
biografische
notities en
voetnoten
aangevuld of
ingelast.
Bij het samenstellen van de biografische notie op bladzijde 393 is o.a. dankbaar gebruik gemaakt van de Inleiding die drs. G. J. Overduin (psych. drs.) schreef bij de eerste Nederlandse druk uit 1963 en die ook was opgenomen in de herdruk van 1995 (zie Index). Geraadpleegd is tevens Op weg naar een fenomenologische psychologie; De psychologie van William James van Dr. J. Linschoten, Utrecht 1959 en William James: De Hoofdsom van de Psychologie; Een selectie uit de Principles of Psychology, samengesteld door drs. Douwe Draaisma, Amsterdam 1992.
De paragraafindeling uit de inhoudsopgave is in onze Nederlandse vertaling genummerd en doorgevoerd in het tekstgedeelte om de navigatie binnen het boek te vergemakkelijken. Om die reden is de uitgave ook voorzien van sprekende kopregels.
|
|
|
|
Vijfde herziene druk € 27,50
400
pagina's
- genaaid
gebrocheerd Fenomenologische klassieken deel 3 ‘Abraxas is een zich «fenomenologisch» noemende uitgeverij, die zich ook met aandacht voor andere klassieken verdienstelijk maakt. –
Zowel
Het
heilige
van
Rudolf
Otto als
de
Varieties
van
William
James
zijn zo
schitterend
geschreven
en hebben
zo’n
impact
gehad op
het
denken
over
religie,
dat zij
in dit
verband
in de
meest
eigenlijke
betekenis
van het
woord
klassiek
geacht
mogen
worden.’
Uitgeverij
Abraxas
|
|---|
Het verdriet van de kosmopoliet
'Niet zonder
schroom neem ik
mijn plaats in
op deze
katheder
tegenover dit
geleerde
gehoor. Voor
ons,
Amerikanen, is
de ervaring
onderwezen te
worden door
Europeanen,
hetzij
mondeling,
hetzij door
middel van hun
boeken,
geenszins
ongewoon. Aan
mijn eigen
universiteit,
die van
Harvard, gaat
geen winter
voorbij die
niet zijn oogst
oplevert aan
voordrachten
van Schotse,
Engelse, Franse
of Duitse
vertegenwoordigers
van de
wetenschappen
of de letteren
van hun
geboorteland,
die wij ertoe
hebben bewogen
de oceaan over
te steken om
ons toe te
spreken. Voor
ons is het de
natuurlijkste
zaak van de
wereld dat wij
luisteren,
wanneer de
Europeanen
spreken.''
Het is al weer
even geleden
dat William
James dit beeld
van de
verhouding
tussen Europa
en Amerika
opriep: in
1902. Hij was
uitgenodigd in
Edinburg de
prestigieuze
Gifford-Lectures
te geven. Door
die gevoelens
van schroom zat
wel een wolkje
ironie gemengd.
In 1902 was al
een
verschuiving in
die verhouding
op gang
gekomen, in een
richting die
ons de
voorstelling
van een
Harvard-gemeenschap
die aan de
lippen hangt
van Schotse,
Franse en
Duitse
geleerden laat
herkennen als
iets uit een
voorbije tijd.
William James
had zelf zijn
vorming
gekregen in een
tijd dat
wetenschap en
filosofie een
Europese
oriëntatie
hadden. Zijn
talen had hij
leren spreken
van Franse en
Duitse
gouvernantes.
Tijdens
studiereizen
bracht James
veel tijd door
in Europa. Zo
raakte hij
vertrouwd met
verschillende
wetenschappelijke
culturen en hij
verwierf die
vertrouwdheid
van binnenuit,
omdat hij de
talen van die
tradities
sprak.
Misschien heeft
deze zwerflust
meegebracht dat
zijn werk later
zo'n weldadig
relativerend
karakter kreeg.
De reiziger
komt te weten
dat het elders
anders is. Met
William James
was het
werkelijk, met
een titel van
Bram de Swaan,
'het lied
van de
kosmopoliet'.
Zijn werk heeft
het vrolijke,
panoramische,
open karakter
van iemand die
meer van de
wereld heeft
gezien.
Dit zijn de
openingszinnen
van de oratie
die Douwe
Draaisma op 18
oktober 2005
heeft
uitgesproken
bij de
aanvaarding van
het bijzonder
hoogleraarschap
geschiedenis
van de
cognitieve
psychologie aan
de
Rijksuniversiteit
Groningen.
www.douwedraaisma.nl