Dr. J. Linschoten:

Op weg naar een fenomenologische psychologie;

de psychologie van William James, Utrecht 1959

A mere bare fraud is just what our
Western common sense will never
believe the phenomenal world to be.

W. James, Talks to teachers
 

E. Husserl & W. James

De Principles of Psychology van William James geldt als een klassiek werk. Het mag waar zijn dat slechts enkele jonge psychologen het werk van begin tot einde hebben gelezen - volgens Allport geldt dit zelfs voor de Amerikaanse psychologen -, zij die het wel lazen zijn het eens met John Dewey: wat men ook op grond van nieuwere ontwikkelingen en van onze meer gedifferentieerde kennis over de inhoud ervan denkt, het werk is even klassiek als Locke's Essay of Hume's Treatise. Het is een origineel werk. Wanneer James het de psychologische kennis aan het einde van Ý de negentiende eeuw samenvat, doet hij dat in een geheel eigen stijl en in een oorspronkelijke visie die beide de tijdsgebondenheid van zijn concrete gegevens verre overschrijden. De hele rijkdom van de beschrijvingen en inzichten, opgetast in de 1400 bladzijden van de Principles systematisch uit te werken en te verduidelijken, was echter een onuitvoerbare opgave. Temeer omdat James zo geboeid is geweest door de verschijnselen die hij met zeldzame levendigheid schildert, dat hij nooit tot de ontwikkeling van een methodisch streng bepaald systeem kwam. Zijn aard en opvattingen verzetten zich daar trouwens tegen. Systematiek was in zijn ogen een intellectualistisch dwangbuis, een kunstig, maar ook kunstmatig vangnet waarin je vergeefs probeert de wisselende verschijnselen vast te houden. Geen wonder dat hij regelmatig, wanneer hij een probleem tot oplossing brengt, midden in een paradox belandt, zoals Allport zegt. Maar in een productieve paradox. Want wanneer in het onsystematische van zijn denken een zwakheid ligt, is deze tevens een symptoom van de kracht van zijn positie. Tot uitdrukking komt dit in de woorden waarmee hij Bergson, met wie hij na 1902 correspondeerde, karakteriseert: 'Dat hij ons geen gesloten systeem geeft, zal natuurlijk fataal voor hem zijn in intellectualistische ogen. Hij roept alleen op en nodigt uit; maar eerst annuleert hij het intellectualistisch veto, zodat wij nu met de werkelijkheid mee kunnen gaan met een wijsgerig geweten dat nooit tevoren geheel onbelast was'.

Het had ook omgekeerd kunnen zijn. Want James heeft in de Franse wijsgeer niet alleen een geestverwant gezien, maar in zijn schets van Bergson ook zichzelf getekend. Het kan ons dan ook niet verwonderen, dat Bergson op zijn beurt schrijft, dat een samenvatting van James' colleges één centrale gedachte op de voorgrond brengt: de noodzaak, de begrippen, de simpele logica, en tenslotte de werkwijze te overschrijden van een te systematische filosofie die het geheel van alle dingen voorop stelt. Noemde James niet een van zijn boeken: A pluralistic universe?

Veelvormig en meervoudig zijn ook de beginselen van zijn psychologie, die innerlijke tegenspraken niet ontwijkt wanneer het erom gaat de onmiddellijke beleving te verwoorden en in verband te brengen met de natuurwetenschappelijk georiÎnteerde kennis van lichamelijke verschijnselen.

Paradoxaal is deze psychologie ook in de meest letterlijke betekenis van het woord: ongewoon, ingaand tegen datgene wat men in de psychologie gewend is. Een man komt aan het woord die zich door zijn omvangrijke kennis van psychologische systemen niet heeft laten vastleggen, maar onophoudelijk is blijven zoeken naar de beste wijze, het eigene van de psychologie tot uitdrukking te brengen.

Meer dan eens brengt dit hem in de nabijheid van een fenomenologische psychologie. In de eigen terminologie van James: zijn psychologie is het onderwerp, de topic van beschouwingen. Maar de behandeling beperkt zich niet tot een zuiver commentaar; als context werd de fenomenologie gekozen. Deze context bepaalt de betekenis waarin James voor ons zal verschijnen.

Dit is geen willekeurige interpretatie; de psychologie van James opent de weg naar een fenomenologische psychologie, al wordt deze weg ook weer herhaaldelijk opgebroken.

Het verdient in dit verband onze aandacht dat Husserl, naar aanleiding van een eigen college over psychologie, in zijn dagboek zegt: 'James' Psychologie, von der ich nur einiges und ganz weniges lesen konnte, gab einige Blitze. Ich sah, wie ein k¸hner und originelIer Mann sich durch keine Tradition binden liess und, was er schaute, wirklich festzuhalten und zu beschreiben suchte. Eswar wohl dies er Einfluss nicht ohne Bedeutung fiir michÖ'. Later noemt hij James de enige die het verschijnsel van de horizon bemerkte; een term die zoals wij zullen zien in de fenomenologie een belangrijke functie heeft. Ook tegenover A. Metzger liet Husserl zich in Freiburg gunstig over James uit. Ten onrechte meent Metzger echter dat James' psychologisme en empirisme Husserl zouden hinderen. Husserl sprak zich daarover immers ondubbelzinnig uit. Zijn het verwantschappen op detailpunten? Pas een grondiger studie zal kunnen uitmaken, welke feitelijke invloed James op de ontwikkeling van Husserl's denken uitoefende. Ook zonder kennis van de feitelijke verbanden is het onmiskenbaar dat er een fundamentele verwantschap tussen beide denkers bestaat.

 

J. Linschoten, Geschiedenis der psychologie; in de 3e druk van M. J. Langeveld (ed.), Inleiding in de psychologie.

G. W. Allport, The productive paradoxes of William James

J. Dewey, The principles

W. James, A pluralistic universe. New York 1928

H. Bergson, crits et paroles. Paris, 1957

E. Husserl, Personliche Aufzeichnungen, 1956

E. Husserl, Die Krisis der europliischen Wissenschaften. Den Haag 1954

A. Metzger, William James and the crisis of philosophy, New York 1942

E. Husserl, Logische Untermchungen, Halle 1901: 'Öwie wenig James' geniale Beobachtungen auf dern Gebiet der descriptiven Psychologie der Vorstellungserlebnisse zum Psychologismus zwingen, ersieht man aus der vorliegenden Schrift. Denn die Forderungen, die ich diesern ausgezeichneten Forscher in der descriptiven Analyse verdanke, haben meine Loslsung vom psychologistischen Standpunkte nur begunstigt', Halle 1922

In Husserl's persoonlijke bibliotheek bleken de meeste andere zelfstandige publikaties van James aanwezig. Op de verkorte uitgave van de psychologie na vertonen deze geen sporen van bestudering. Van twee overdrukken die James Husserl toezond, vertoont The knowing of things together zulke sporen wel, A world of pure experience niet.