Rudolf Otto: Het heilige
3e druk, Amsterdam 2002
vertaling: Jo Dippel, & Daniël Mok
© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam ISBN 90-807300-1-7
|
|
|
|
23. HET RELIGIEUZE A-PRIORI EN DE GESCHIEDENIS
Het onderscheid
tussen het
heilige als een
categorie van
de redelijke
geest a-priori
en het heilige
in de
verschijning
brengt ons nu
eindelijk op
het ons bekende
verschil tussen
innerlijke en
uiterlijke,
algemene en
bijzondere
openbaring,
waarmee het
geheel één is,
en op de
relatie tussen
'rede' en
'geschiedenis'.
Elke religie,
die meer wil
zijn dan puur
traditiegeloof
en
autoriteitsgeloof,
die veeleer,
zoals meer dan
alle andere
religies
voornamelijk
het christendom
doet, streeft
naar
overtuiging,
naar een eigen
persoonlijk
innerlijk
overtuigd
worden, dat wil
zeggen naar een
eigen
innerlijke
kennis der
waarheid, moet
kennisprincipes
veronderstellen,
volgens welke
die kennis als
ware kennis
wordt erkend.
(Het getuigenis
uit zulke
principes is
het
testimonium
spiritus sancti
internum
(de innerlijke
getuigenis van
de Heilige
Geest), waarvan
reeds sprake
was. En wel
ditzelf -
rechtstreeks -,
want als het
dat niet was,
zou je voor de
kennis van het
testimonium
spiritus sancti
als ware kennis
nog eens weer
een ander
testimonium
spiritus sancti
nodig hebben,
en zo door tot
in het
oneindige.)
Deze principes
echter moeten
principes
a-priori zijn,
die geen
ervaring en
geen
'geschiedenis'
kan geven. Het
klinkt wel
stichtelijk,
wanneer je
zegt, ze worden
door de griffel
van de Heilige
Geest 'in de
geschiedenis'
ons in 't
hart
geschreven,
maar dat heeft
weinig zin.
Want hoe weet
degene, die dit
zegt, dat het
de griffel van
de Heilige
Geest was
die zo schreef,
en niet die van
een
zwendelgeest of
die van de
massapsychologische
fantasie! Hij
matigt zich dan
toch maar zelf
aan, de
ductus
(schriftlijn)
van deze
griffel, het
handschrift van
de geest uit
andere
handschriften
te kunnen
ontdekken, en
dus
onafhankelijk
van de
'geschiedenis'
een idee
a-priori te
hebben over
datgene, wat
des geestes is.