Rudolf Otto: Het heilige
3e druk, Amsterdam 2002
vertaling: Jo Dippel, & Daniël Mok
© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam ISBN 90-807300-1-7
|
|
|
|
21. DIVINATIE IN HET OUDSTE CHRISTENDOM
Wij hebben in
het vorige
hoofdstuk over
één
tekortkoming in
Schleiermachers
divinatieleer
gesproken en
dit behandeld.
Maar we
schreven over
twee
tekortkomingen.
Schleiermacher
weet de
divinatie
tegenover
wereld en
geschiedenis
zeer warm en
aanschouwelijk
te schilderen.
Maar hij is
heel zuinig met
zijn
aanduidingen.
Hij is zeker
niet uitvoerig
en ook niet al
te duidelijk
over welk
object haar het
meest waardig
en gunstig is:
de geschiedenis
van de religie
in het algemeen
en van de
bijbelse in het
bijzonder, en
van de laatste
haar hoogtepunt
dat wordt
bereikt in
Christus zelf.
Wel brengt
Schleiermacher
in zijn
slotrede
christendom en
Christus
nadrukkelijk en
serieus ter
sprake. Maar
Christus is
hier toch
slechts een
subject der
divinatie, niet
haar eigenlijk
object. En dat
blijft zo in
zijn latere
Glaubenslehre.
Ook hier gaat
de betekenis
van Christus
wezenlijk
daarin op, dat
hij 'ons
opneemt in de
kracht en
zaligheid van
zijn
godsbewustzijn'.
Een hoogst
waardevolle
gedachte die
echter niet
reikt tot de
belangrijkste
waarde die
Christus'
gemeente hem
terecht
toekent. Dat
Christus zelf
het heilige
in verschijning
is. Met andere
woorden: dat
hij diegene is,
in wiens
levensroeping,
leven en zijn
wij spontaan
het zich
openbarende
heer en
meesterschap
van de godheid
waarnemen en
aanvoelen. Want
voor de
christen is de
vraag van
belang, of er
een divinatie,
een
onmiddellijk en
direct
ingrijpen van
het heilige in
de verschijning
mogelijk is. Of
wij het kunnen
waarnemen en
aanvoelen in de
persoon en het
levenswerk van
Christus, dat
wil zeggen, of
het heilige
zelfstandig kan
worden beleefd
in hem en of er
dus een
werkelijke
openbaring van
het heilige kan
worden
waargenomen.