Rudolf Otto: Het heilige

3e druk, Amsterdam 2002

vertaling: Jo Dippel, & Daniël Mok

© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam ISBN 90-807300-1-7

 

 

 

20. HET HEILIGE IN DE WAARNEMING

Het zijn twee verschillende dingen: geloven in een werkelijkheid die buiten de dagelijkse beslommeringen ligt en het beleven van deze boven de zintuiglijke ervaring liggende werkelijkheid. Over het heilige ideeën te hebben of het als iets dat werkt, zich beweegt en actief te voorschijn treedt ook gewaar te worden en te beluisteren. Dat ook het tweede mogelijk is, dat niet alleen de innerlijke stem, het religieuze geweten, de zacht fluisterende geest in het hart, het gevoel, het vermoeden en het verlangen van het heilige getuigt. Maar dat je het ook kan ontmoeten in bijzondere gebeurtenissen, voorvallen, personen en daadwerkelijke getuigenissen van zelfopenbaring. Dat er naast de innerlijke openbaring in de geest een uiterlijke openbaring van het goddelijke is, is een fundamentele overtuiging in alle religies en van de religie in het algemeen. Zulke daadwerkelijke getuigenissen, zulke verschijningen van het heilige in voelbare zelfopenbaring noemt men in de taal van de religie 'tekenen'. Als teken heeft reeds vanaf de tijd der primitiefste religie steeds gegolden alles, wat in staat was, het gevoel van het heilige in de mens levend te maken, het op te wekken en tot activiteit te brengen. Al die momenten en omstandigheden, waarvan boven sprake was: het vreselijke, het verhevene, het overmachtige, het opvallende en frapperende, en heel in het bijzonder het onbegrepen-geheimzinnige, dat tot portentum (wonderbaarlijke gebeurtenissen en dingen) en miraculum (wonder) wordt. Al deze dingen echter, zo zagen wij, waren geen tekenen in de echte zin, maar slechts gelegenheidsoorzaken voor het religieuze gevoel om uit zichzelf in beweging te komen. En de oorzaak lag in het moment van de pure gelijkenis tussen al deze factoren en het heilige. Dat zij als werkelijke verschijningen van het heilige zelf werden uitgelegd, was een verwisseling van de categorie van het heilige met iets, dat er slechts uiterlijk mee overeenkwam. Het was echter nog niet een echte anamnesis (herinnering), een echte herkenning van het heilige zelf in zijn verschijning. Daarom worden ze op hogere ontwikkelingstrappen en in een gezuiverd religieus oordeel ook weer afgestoten. En geheel of ten dele als ontoereikend of als onmiskenbaar minderwaardig geëlimineerd. - Wij vinden een daarmee nauwkeurig parallel proces op een ander terrein van de beoordeling, namelijk op het gebied van de smaak. Ook in een nog niet ontwikkelde smaakvermogen leeft al een gevoel of een voorgevoel van het lekkere die uit een reeds a-priori bezeten onduidelijk begrip daarvan moet voortkomen. Want anders zou het er helemaal niet kunnen zijn. De nog ruwe smaak wendt nu het nog duistere schoonheidsbegrip allereerst als het ware 'bij vergissing' aan. Echter nog niet uit ware en juiste anamnesis, terwijl het dingen als fraai beschouwt, die dat helemaal niet zijn. Het principe echter van de - nog verkeerde - toepassing bestaat ook hier in bepaalde momenten, die ten onrechte als mooi worden beoordeeld. Momenten, die nauwkeurige of verder weg liggende overeenkomsten met het mooie bevatten. Als de smaak dan meer ontwikkeld wordt, stoot hij ook hier met sterke antipathie alles af, wat alleen op het mooie lijkt, zonder dat het zelf echt mooi is. Hij wordt in staat gesteld om zuiver te zien en te oordelen. Oftewel dié uiterlijkheid te waarderen, waaraan juist datgene als werkelijk 'verschijnt', waarvan hij innerlijk een idee, te weten een maatstaf heeft.

 

Schleiermachers grote ontdekking lijdt aan twee tekortkomingen. Enerzijds daaraan, dat hij voetstoots en naïef dit divinatievermogen voor een algemeen vermogen houdt. Het is echter niet eens algemeen in die zin, dat het als noodzakelijk bij ieder religieus overtuigd mens kan worden verondersteld. Wel heeft Schleiermacher daarin helemaal gelijk, dat hij het rekent tot de vermogens van de redelijke geest. Ja, dat hij het zelfs beschouwt als het diepste en wezenlijkste van die geest. En in die zin kan het ook een algemeen menselijk moment genoemd worden, omdat wij mens juist definiëren als redelijke 'geest'. Wat echter algemeen menselijk is, wordt nog helemaal niet algemeen en door ieder mens afzonderlijk in actu (in verwerkelijking) bezeten. Het komt zeer vaak slechts voor in de vorm van bijzondere begaafdheid en uitrusting van enkele begenadigden. En in zijn uiteenzetting over het wezen en de taak der 'bemiddelaars' in zijn eerste rede geeft Schleiermacher zelf voortreffelijke aanwijzingen voor de juiste verhouding van deze dingen. Slechts divinatorische naturen hebben dit divinatievermogen in actu. Niet de mens in het algemeen, zoals het rationalisme meent, of de ongedifferentieerde massa van gelijksoortige zich onderling in wisselwerking bevindende subjecten, zoals de massapsychologie denkt, zijn de ontvangers en de dragers van de indrukken van het bovenwereldlijke. Het zijn steeds de bevoorrechten, de uitverkorenen.

 

Van dit veel lagere niveau afgezien hebben wij dan toch zo precies als het maar kan, wat Schleiermacher op het oog heeft: 'waarnemingen en gevoelens', weliswaar niet van iets goddelijks, maar van iets numineus in natuur en geschiedenis, en wel zo levendig mogelijk voltrokken door een divinatorische natuur. De divinatie voltrekt zich hier inderdaad precies zoals wij boven hebben aangeduid, namelijk overeenkomstig een geheel niet aanwijsbaar principe. Want hoeveel voorbeelden Goethe ook geeft: wat het demonische eigenlijk is, waaraan hij het voelt en waaraan hij het herkent in deze bonte in zichzelf tegenstrijdige uitingen, kan hij niet aangeven. Het is zo helder als wat, dat hij daarbij enkel door gevoel wordt geleid. Oftewel door een duister principe a-priori.