Rudolf Otto: Het heilige
3e druk, Amsterdam 2002
vertaling: Jo Dippel, & Daniël Mok
© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam ISBN 90-807300-1-7
|
|
|
|
19. HET HEILIGE ALS CATEGORIE A-PRIORI
deel II
1. Zo zijn dus zowel de rationele als de irrationele momenten van de samengestelde categorie 'heilig' momenten a-priori. En de laatste zijn het in dezelfde mate als de eerste. Religie speelt geen leentjebuur, niet bij telos (doel) en niet bij ethos (zedelijkheid/ethiek), en leeft evenmin van postulaten (veronderstellingen). En ook het irrationele in haar heeft eigen zelfstandige wortels in de verborgen diepten van de geest. Hetzelfde geldt echter ten slotte in de derde plaats van de verbinding der momenten van het rationele en irrationele in de religie, van de innerlijke noodzakelijkheid van hun saamhorigheid. Godsdienstgeschiedenissen vertellen wel met een zekere vanzelfsprekendheid van de geleidelijke intergratie van deze momenten, het proces van 'ethisering van het goddelijke'. En inderdaad is dit proces voor het gevoel iets zo vanzelfsprekends, dat het de innerlijke noodzakelijkheid ervan glashelder vindt. Maar het innerlijk glasheldere van dit proces is nu juist een probleem, dat wij helemaal niet kunnen oplossen, zonder de aanvaarding van een donkere 'kunstmatige kennis a-priori' van de wezenlijke noodzakelijke saamhorigheid van deze momenten. Want logisch noodzakelijk is ze immers helemaal niet. Hoe zou nu uit het nog 'ruwe' halfdemonische karakter van een maangod of zonnegod of uit dat van een spookachtig plaatselijk numen logisch volgen, dat het een beschermer van de eed, van de waarachtigheid, van de geldigheid van verdragen, van de gastvrijheid, van de heiligheid en het huwelijk, van stam- en familieplichten, verder een geluk of ongeluk beschikkende, in de wensen van de stam belangstellende, voor zijn welzijn zorgende, zijn lot en zijn geschiedenis besturende God wordt. Waar komt toch dat meest verrassende feit der godsdienstgeschiedenis vandaan dat wezens die, zo lijkt het, oorspronkelijk uit huivering en verschrikking geboren zijn, goden worden. Wezens, tot wie men bidt, aan wie men zijn leed en geluk toevertrouwt. In wie men de oorsprong en bekrachtiging van rede, wet, recht en wettelijke voorschriften ziet, en dit alles steeds zo, dat, waar zulke ideeën één keer zijn opgewekt, het altijd tegelijk als de eenvoudigste, meest glasheldere vanzelfsprekendheid begrepen wordt dat het zo is. Socrates zegt in Plato's Staat, boek 2, aan het slot:
Want God is eenvoudig, is waar in daad en woord, Hij verandert niet en bedriegt niemand.
En Adeimantos antwoordt hem: 'Nu je het zegt, wordt het ook mij helemaal duidelijk.'
Het meest
leerzame in dit
opzicht zijn
bij Luther de
plaatsen over
het geloof,
waar dit
beschreven
wordt als een
eigensoortig
kenvermogen
voor het
verstaan van de
goddelijke
waarheid. En
waar het als
zodanig
tegenover de
'natuurlijke'
krachten van
het verstand
wordt gesteld,
net als de
'geest'. Het
geloof is hier
gelijk aan de
synteresis
(goddelijke
vonk in de
mens) van de
kennistheorie
van de
mystieken, aan
de 'inwendige
leraar' van
Augustinus, en
het inwaarts
licht van
de Quakers, die
weliswaar
'boven alle
verstand' maar
toch een
a-priori in ons
zelf zijn.
(Lees hierover
in Rudolf
Otto's
Schweigender
Dienst,
vertaald in
Een wijze uit
het westen,
p. 258.)
Een passage die
bijzonder
opvalt is de
volgende uit
Luthers
Tischreden:
Omnium hominum menubus impressa est divinitus notitia Dei. Quod sit Deus, omnes homines sine ulla artium et disciplinarum cognitione sola natura duce sciunt, et omnium hominum mentibus hoc divinitus impressum est. Nulla unquam fuit tam fera gens et immanis, quae non crediderit, esse divinitatem quandam, quae omnia creavit. Itaque Paulus inquit: Invisibilia Dei a creatura mundi per ea, quae facta sunt, intellecta, conspiciuntur, sempiterna ejus virtus et divinitas. Quare omnes ethnici sciverunt esse Deum, quantumvis fuerunt Epicurei, quanturnvis contenderunt non esse Deum. Non in eo, quod negant esse Deum, simul confessi sunt esse Deum? Nemo enim negare id potest, quod nescit Quare, etsi quidam per omnem vitam in maximis versati sunt flagitiis et sceleribus et non aliter omnino vixerunt, ac si nullus esset Deus, tamen nunquam conscientiarn ex animis potuerunt eicere testantem et affirmantem, quod sit Deus. Et quamvis illa conscientia pravis et perversis opinionibus ad tempus oppressa fuit, redit tamen et convincit eos in extremo vitae spiritu.
Das Gefühl des Überweltlichen, hoofdstuk III, Religionskundliche und theologische Aussagen.