Rudolf Otto: Het heilige

3e druk, Amsterdam 2002

vertaling: Jo Dippel, & Daniël Mok

© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam ISBN 90-807300-1-7

 

 

 

18. DE MOMENTEN VAN HET 'RUWE'

Onafleidbaarheid en a-prioriteit zijn echter ook beslist kenmerkend voor die primitieve en ruwe rudimentaire gewaarwordingen van 'demonische vrees', die aan 'het begin van de godsdienstgeschiedenis en de godsdiensthistorische ontwikkeling staat. Religie begint bij zich zelf, en, is dan ook al werkzaam in de aan haar voorafgaande sfeer van het mythische en demonische. Het primitieve, het ruwe ligt hier slechts in de volgende omstandigheden:

a. Het ligt in het slechts geleidelijk en na elkaar zich voltrekkend opduiken en ontwaken van de afzonderlijke momenten van het numineuze. Want slechts geleidelijk en aan een keten van zeer langzaam na elkaar optredende prikkels onthult het zijn volle inhoud. Waar nu het geheel nog niet aanwezig is, daar hebben de afzonderlijk ontwaakte aanvangs- en deelmomenten van nature iets bizars, onbegrepens, ja vaak verwrongens over zich. Dit geldt in het bijzonder voor dat religieuze moment, dat naar het schijnt, over het geheel het eerste is geweest, dat in het menselijk gemoed is wakker geworden: namelijk de demonische vrees. Op zich zelf en afzonderlijk genomen moet het er natuurlijk veeleer uitzien als het tegendeel van religie dan als religie zelf. Neem nu de begeleidende momenten ervan afzonderlijk. Dan lijkt het veeleer op een vreselijke autosuggestie, of op een soort massapsychologische nachtmerrie, dan op iets dat met religie heeft te maken. Louter spookgestalten van een ziekelijke, aan een soort vervolgingswaan lijdende elementaire fantasie lijken de wezens te zijn, waarmee we hier te maken hebben. Dan kun je begrijpen, dat menig onderzoeker in volle ernst kon suggereren dat de religie eens met duivelsdienst was begonnen. En dat de duivel in de grond der zaak ouder was dan God. - Aan dit trapsgewijze na elkaar ontwaken van de afzonderlijke kanten en momenten van het numineuze ligt het ook, dat de indeling van de godsdiensten naar genus (groep) en species (soort) zo moeilijk is en bij ieder die er zich aan waagt, steeds weer anders uitvalt. Want wat hier moet worden ingedeeld, verhoudt zich meestal helemaal niet als de onderscheiden species binnen hetzelfde genus. Dus niet overeenkomstig de gezichtspunten van een analytische eenheid, maar als de momenten van een kunstmatige eenheid. Het is alsof een grote vis pas slechts bij gedeelten boven de watervlakte begint zichtbaar te worden en alsof men nu zou willen proberen, de rugwelving en de staartspits en het waterstralen opspuitende kopstuk naar species en genus te classificeren. In plaats van de aard van het beestje zo te begrijpen, dat je ze op hun plaats en in hun samenhang als geledingen van één geheel opvat, dat je eerst zelf moet hebben begrepen, voor men de delen ervan begrijpt.


God kan men niet begrijpen en men voelt hem toch - zegt Luther in een van zijn tafelredes en Plotinus zegt precies zo:

Hoe zullen wij ervan spreken, wanneer wij het niet vatten? Welnu, als het zich aan ons (begripmatig) kennen onttrekt, hoeft het ons daarom niet helemaal te ontgaan. Wij begrijpen het dusdanig, dat wij er weliswaar (ideogrammatisch) over spreken, maar het zelf niet (adequaat) kunnen benoemen. Toch verhindert ons niets het te bezitten. Al kunnen wij het ook niet uitspreken. Zoals de bezielde en verrukte mensen weliswaar weten, dat ze iets hogers in zich dragen, zonder echter (in begrippen) te weten, wat het is. Zij halen uit datgene, wat hen in ontroering en opwinding heeft gebracht, een (gevoels-) indruk van het ontroerende zelf. Precies daaraan gelijk is ook onze verhouding tot het Ene. Wanneer wij ons hiertoe verheffen met hulp van de zuivere geest, dan voelen wij enz.
Een oud-Indiaas woord zegt:

na aham manye suveda iti
no na veda iti veda ca.

Ik bedoel niet: 'Ik ken Hem wel'. Maar ik bedoel ook niet: 'Ik ken Hem niet'.