Rudolf Otto: Het heilige
3e druk, Amsterdam 2002
vertaling: Jo Dippel, & Daniël Mok
© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam ISBN 90-807300-1-7
|
|
|
|
17. HET HISTORISCH OPTREDEN VAN DE RELIGIE
Pas op grond
van zulke
veronderstellingen
wordt ook de
ontstaansgeschiedenis
en de verdere
ontwikkeling
van de religie
voor ons
begrijpelijk.
Het moet worden
beaamd, dat er
aan het begin
van de
godsdiensthistorische
ontwikkeling
zekere vreemde
dingen zijn.
Deze lijken
zeer weinig op
wat wij
tegenwoordig
onder religie
verstaan. Die
haar als een
soort voorhof
voorafgaan en
later nog diep
op haar
inwerken. Zaken
als dodengeloof
en dodendienst,
zielenverering,
tovenarij,
sprookje en
mythe, verering
van
natuurvoorwerpen,
al of niet
verschrikkelijk,
wonderlijk,
schadelijk of
nuttig, het
zonderlinge
idee van de
'macht'
(orenda),
fetisjisme en
totemisme,
dier- en
plantenverering,
demonisme en
polydemonisme.
In al deze
dingen, hoe
verschillend ze
ook van elkaar
zijn, en hoe
ver zij ook
afstaan van
werkelijke
religie, spookt
toch voelbaar
al een zeer
grijpbaar
gemeenschappelijk
en wel een
numineus
moment, en
daardoor
(daardoor
alléén) vormen
zij een voorhof
van de religie.
Zij zijn
hieruit
oorspronkelijk
niet
voortgekomen
maar hebben
wellicht een
nog
voorafgaande
trap, waarop ze
niets anders
waren dan enkel
'natuurlijke'
producten van
een primitieve
fantasie uit de
naïeve oertijd.
Maar deze
krijgen dan een
inslag van een
duidelijke
eigen soort, en
daardoor worden
ze dan tot het
voorhof van de
godsdienstgeschiedenis.
Deze maakt ze
pas tot vaste
structuren en
verleent ze die
geweldige macht
over het
gemoed, waarvan
de geschiedenis
overal
getuigenis
aflegt.
Proberen wij nu
deze inslag te
pakken te
krijgen en in
zijn ondeelbare
numineuze aard
te leren
kennen.
Jakob zegt in
Genesis 28:17:
Hoe
ontzagwekkend
is deze plaats!
Dit is niet
anders dan een
huis van
Elohim.
Dit citaat is
godsdienstpsychologisch
zeer leerzaam,
namelijk als
een duidelijk
voorbeeld van
het zo juist
genoemde. De
eerste zin van
het vers geeft
klaarblijkelijk
de
gemoedsindruk
zelf, in de nog
niet door de
reflexie
heengekomen
onmiddellijkheid,
nog zonder alle
zelfontwikkeling
en
zelfverduidelijking
van het gevoel.
Deze zin bevat
niets anders
dan de
numineuze
oerhuivering.
En zo'n
oerhuivering
als een nog
totaal
inexpliciet
(onverklaarbaar)
gevoel was
ongetwijfeld in
vele gevallen
voldoende, om
heilige
plaatsen te
kenmerken en
tot plekken van
eerbiedige
vreze, ja van
zich
ontwikkelende
eredienst te
maken. Dit ook
zonder dat men
er verder
noodzakelijk
toe overging
deze indruk van
het
huiveringwekkende
op te lossen in
de voorstelling
van een
concreet numen
dat daar
huisde, zonder
dat het numen
een nomen
kreeg. Of
zonder dat het
nomen meer werd
dan een enkel
pronomen. De
tweede zin van
Jakob geeft
echter dan niet
meer de
oerbeleving
zelf aan, maar
de
gereflecteerde
en concrete
uitleg en
betekenis
ervan.
Ook de
uitdrukking in
onze taal: 'het
spookt hier',
is leerzaam.
Deze
uitdrukking
heeft eigenlijk
nog geheel geen
echt onderwerp,
zij vertelt
tenminste
helemaal niets
over dat 'het'
dat spookt. De
concrete
voorstellingen
van onze
volksmythologie
van spook,
geestverschijning,
dodengeest of
ziel zitten er
op zich zelf
genomen nog
niet in. De zin
is veeleer
slechts zuiver
een uitdrukking
van het
ijzingwekkende
gevoel dat er
nu juist mee
begint, in een
eerste
aanduiding de
voorstelling
van een
numineus iets
in 't algemeen,
van een hier
niet thuis
horende
werkelijkheid,
uit zich zelf
los te maken.
Het valt te
betreuren, dat
wij voor
'spoken' geen
hoogstaander en
algemener woord
hebben, en dat
wij door dit
woord meteen op
het gebied van
de bijgelovige,
onzuivere
vertakkingen
van het
numineus gevoel
afdwalen.
De naturalistische psychologen zien hier en in andere gevallen een feit over het hoofd, of ze verdonkeremanen een feit, dat minstens toch psychologisch interessant zou zijn en dat ze bij scherpere zelfwaarneming in zich zelf zouden kunnen opmerken: namelijk het innerlijk getuigenis in eigen hart voor zekere religieuze ideeën, dat beslist bij de naïeve mensen weer robuuster is dan bij de meer ontwikkelde medemens, dat echter ook menigeen uit de laatste groep in zich zou kunnen herkennen, wanneer hij eens rustig en objectief zich bijvoorbeeld zijn eigen catechisatie-uren wilde herinneren. Waarvoor het gemoed dan getuigenis aflegt, dat kan het zelf onder gunstige omstandigheden uit zich zelf voor de dag brengen. - De primitieve monotheïsten verwaarlozen anderzijds dit feit evenzeer. Want zo de genoemde verschijnselen op niets anders zouden berusten dan op historische overleveringen en donkere herinneringen aan een historische oeropenbaring, dan zou dit getuigenis, dat van binnen uit komt, met dit moment van innerlijke affirmatie er evenmin zijn.
* Andrew Lang
verdedigde de
zogenaamde
etnologische
theorie,
volgens welke
de sprookjes
bij
verschillende
volken
onafhankelijk
van elkaar
ontstaan zouden
zijn. Hun
overeenstemming
in structuur en
motieven zou
dan uit
overeenkomst
van mentaliteit
te verklaren
zijn.
Andrew Lang:
Myth, Ritual
and Religion,
1899; The
making of
Religion,
1902; Magic
and Religion,
1901.
P. W. Schmidt:
Grundlinien
einer
Vergleichung
der Religionen
und Mytho1ogien
der
austronesischen
Völker,
1910.
Bij dit hoofdstuk in zijn geheel vergelijke men het voortreffelijke stuk in Nathan Söderblom, Das Werden des Gottesglaubens uit 1926:
Er kan werkelijke vroomheid zijn zonder een ontwikkeld godsgeloof en cultus. Maar er is geen vroomheid die deze naam verdient, zonder de voorstelling van het heilige. - Hoe belangrijk ook het godsgeloof naast de godsverering voor de religie is, toch is er, zoals ik al vaak heb benadrukt, een nog betekenisvoller criterium voor het wezen van de religie, namelijk het onderscheid tussen heilig en profaan.
Ook zou ik
willen vragen
het artikel van
Alfred
Vierkandt,
Das Heilige in
den primitiven
Religionen,
in het
tijdschrift
Die Dioskuren,
1922 te
vergelijken.
Een meer
verheugende
bevestiging
door de
vakwetenschap
kon de
uiteenzettingen
van dit
hoofdstuk niet
ten deel
vallen, als
door dit
onderzoek is
gebeurd.
Ik verheug mij
over het
belangrijke
werk van de
indoloog en
godsdiensthistoricus
J. W. Hauer:
Die Religionen,
ihr Werden, ihr
Sinn, ihre
Wahrheit;
Das
religiöse
Erlebnis auf
den unteren
Stufen uit
1923. Hierin
vind ik ook een
bevestiging van
de fundamentele
opvattingen die
ik hierboven
heb
uiteengezet,
terug.
Voor het
ontstaan van
het
zielengeloof
vergelijke men
het artikel van
Schmalenbach:
Die
Entstehung des
Seelenbegriffs
in Logos
uit 1927.
Voor de 10e
perikoop van
dit hoofdstuk
vgl. in
Gottheit und
Gottheiten
der alten Ariër
(1932)
het op p. 16
e.v. het over
de rubra-type
gezegde in het
bijzonder 4:
Entsprong eines
rudra aus
numinosem
Gegenwartsgefühl.
Verder Das
Gefühl des
Überweltlichen,
hoofdstuk VI:
Konig
Varona, het
ontstaan van
een God.
|
|