Rudolf Otto: Het heilige
3e druk, Amsterdam 2002
vertaling: Jo Dippel, & Daniël Mok
© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam ISBN 90-807300-1-7
|
|
|
|
15. ONTWIKKELINGEN
Zijn diepte en
zijn verdieping
mag echter geen
vertroebeling
of
verslechtering
van het
godsbegrip
worden. Want
zonder de
rationele,
vooral zonder
de duidelijke
ethische
momenten, zou
het heilige
niet het
heilige van het
christendom,
met name van
het
protestantisme
zijn. Naar de
volle klank van
het woord
'heilig', zoals
wij het
voornamelijk in
het Nieuwe
Testament
vinden en zoals
het nu
uitsluitend
voor ons
religieus
taalgevoel is
vastgelegd, is
het heilige
immers niet
meer enkel het
numineuze in
het algemeen.
Ook niet het
numineuze op de
hoogste
ontwikkelingstrap,
maar altijd het
volkomen van
rationele,
doelbewuste,
persoonlijke en
zedelijke
momenten
doordrongene en
verzadigde. En
in de zin van
deze verbinding
houden wij de
uitdrukking
voor het
vervolg vast en
zullen wij haar
gebruiken.
Louter om de
historische
ontwikkeling
duidelijk te
begrijpen,
stellen wij ons
nog even het
volgende helder
voor ogen.
Datgene, wat
het primitieve
religieuze
gevoel het
eerst opneemt
in een soort
van demonische
vrees, wat zich
dan verder
ontvouwt,
verheft en
veredelt, is
van huis uit
niet, of nog
niet iets, dat
rationeel en
ethisch is. Het
is iets dat
apart en
irrationeel is,
waarop het
gemoed met de
beschreven
bijzondere
gevoelsreflexen
op een
eigenaardige
wijze reageert.
En de ervaring
van dit moment
maakt, ook
afgezien van de
reeds op vroege
ontwikkelingstrappen
inzettende
rationalisering
en
moralisering,
in zichzelf
een
ontwikkelingsgang
door.
(Zulke trappen,
zuiver binnen
het numineuze
zelf, hebben
wij
bijvoorbeeld
ten aanzien van
het
mysterium-moment
ervan ontmoet
als het mirum,
het paradoxon
en het
antinomische.)
De 'demonische
vrees', die
zelf velerlei
ontwikkelingstrappen
doorloopt,
verheft zich op
de trap van de
vreze der goden
en de vreze
Gods. Het
daimonion
(demonische)
wordt dan tot
theion
(het
goddelijke). De
vrees wordt
vroomheid. De
verstrooide en
verward
opflitsende
gevoelens
worden
religio.
Het afgrijzen
wordt een
heilige
huivering. De
relatieve
gevoelens van
afhankelijkheid
en geluk in het
numen worden
absolute. De
valse
overeenstemmingen
en verbindingen
worden
losgelaten of
weggedrongen.
Het numen wordt
tot God en
godheid. Hier
hoort dan de
benaming
kadosj,
sanctus,
hagios,
heilig bij. En
wel in de
eerste en meest
onmiddellijke
betekenis van
deze
uitdrukkingen
als het loutere
en absolute
numineuze. Deze
voorlopig
zuiver op het
terrein van het
irrationele
zich
voltrekkende
ontwikkeling is
het eerste en
voornaamste
moment, dat
moet worden
nagegaan door
de
godsdienstgeschiedenis
en de algemene
godsdienstpsychologie.