Rudolf Otto: Het heilige
3e druk, Amsterdam 2002
vertaling: Jo Dippel, & Daniël Mok
© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam ISBN 90-807300-1-7
|
|
|
|
14. HET NUMINEUZE BIJ LUTHER
1. In het
katholicisme
leeft het
gevoel van het
numineuze
buitengewoon
sterk in de
cultus, in de
sacramentele
symboliek, in
de apocriefe
vormen van het
wondergeloof en
de legende. In
de paradoxen en
mysteriën van
het dogma, in
de
platonisch-plotinische
en dionysische
inslag van zijn
ideeënontwikkeling.
In de plechtige
verhevenheid
van kerken en
gebruiken en
vooral in de
nauwe voeling
der vroomheid
met de mystiek.
Ook hier al
veel minder, en
op grond van
reeds genoemde
oorzaken, in
zijn officiële
leerstelsels.
Vooral sedert
de grote
'moderni'
Aristoteles en
de
aristotelische
wetenschapsmethode
met de kerkleer
verbonden en
door haar de
platonische
vervingen, had
hier een sterke
rationalisering
plaats. Waarmee
evenwel de
praktijk en het
gevoelsleven
geen gelijke
tred hielden en
er evenmin bij
pasten. Wat
hier met elkaar
in conflict
kwam als
'platonisme' en
'aristotelisme'
en de lang
aanhoudende
oppositie tegen
de moderni, is
voor een
aanzienlijk
deel niet
anders dan de
worsteling
tussen de
irrationele en
de rationele
momenten der
christelijke
religie. (Ook
in Luthers
protesten tegen
Aristoteles en
de theologos
modernos werkt
dezelfde
antithese
duidelijk
herkenbaar
mee.) Men kende
Plato zelf
slechts zeer
onvoldoende en
verklaarde hem
met behulp van
Augustinus,
Plotinus,
Proclus, de
Arabische
filosofen en
Dionysius. En
toch werd men
door een zuiver
gevoel geleid,
toen de
stemmingstegenstelling
zich aan de
namen 'Plato'
en
'Aristoteles'
als haar
parolen
(leuzen)
verbond. Wel
had Plato zelf
krachtig
meegewerkt om
de religie te
rationaliseren.
Volgens zijn
filosofie
was de godheid
identiek met de
idee van het
goede en dus
geheel een
rationeel
begrip
geworden. Het
meest
kenmerkende in
Plato's
denkwijze is
toch eigenlijk,
dat filosofie
en wetenschap
hem te eng
zijn, om het
geheel van het
menselijk
gemoedsleven te
omvatten.
Eigenlijk heeft
hij helemaal
geen
godsdienst-'filosofie'.
Hij begrijpt
het religieuze
met geheel
andere middelen
dan die van het
begripmatige
denken,
namelijk met de
ideogrammen der
mythe, door het
enthousiasme,
door de eros en
door de mania.
En hij ziet af
van de poging
om het
religieuze
object met de
objecten der
episteme, dat
wil zeggen van
de ratio, in
één
kennissysteem
te brengen.
Daardoor wordt
dat object voor
hem niet
minder, maar
veeleer groter.
En tegelijk
wordt het
geheel
irrationele van
het object
juist zo bij
hem zeldzaam
levend tot
gevoel
gebracht. En
niet slechts
tot gevoel,
maar ook tot
uitdrukking.
Dat God boven
alle rede is,
en niet slechts
als de
onbegrijpelijke,
maar ook als de
ongrijpbare
heeft nooit
iemand zo
beslist
uitgesproken
als deze
meester van het
denken:
Moeilijk is
het de Schepper
te vinden, en
onmogelijk dat
wie hem vond
hem aan allen
verkondigde.
- zegt hij
(Timaeus 5, 28
c).
Ook de latere mystici kennen deze tonen wel. Zo zegt Johannes van het Kruis:
Terwijl deze
goddelijke
bespiegeling de
ziel met geweld
aanvalt, opdat
zij haar
bedwinge, voelt
deze zo'n pijn
in haar
zwakheid, dat
haar als het
ware alle
kracht en adem
ontsnapt,
terwijl de zin
en de geest,
alsof ze zich
onder een
onmetelijke en
duistere last
bevonden, zo
erg lijden en
als het ware
met zo'n
dodelijke angst
samengedrukt
worden, dat de
ziel het
sterven als een
verzachting en
verkwikking zou
kiezen.
(Johannes a
Cruce,
Aufsteigung des
Berges Carmel,
Duits van
Modertus, 1671,
p. 461 e.v.)
En verder:
De vierde soort pijn wordt in de ziel veroorzaakt door de majesteit en heerlijkheid Gods.
En eindelijk:
Daarom vernietigt, verbrijzelt en verdrinkt hij haar zo zeer in een diepe duisternis, dat zij bespeurt hoe zij versmolten en met het oog op haar armzaligheid door een gruwelijke dood des geestes wordt vernietigd. Juist alsof ze moet ondervinden, dat zij door een zeer wild dier opgeslokt en in zijn donkere maag verteerd wordt.
Zeer levendig
wordt het
irrationeel-geduchte,
ja het
demonische van
het numineuze
ook in onze
mystiek bij
Jakob Böhme.
Hoezeer Böhme
ook de motieven
van de oudere
mystiek weer
opvat, evenzeer
onderscheidt
hij toch toch
van haar in
zijn speculatie
en theosofie
(poging om met
fantastische
middelen een
wetenschap van
God en het
goddelijke te
vormen).
Hij wil met
behulp van deze
God zelf
opbouwen en
begrijpen, en
uit Hem weer de
wereld. Dat
wilde Eckehart
ook. Ook voor
Böhme is het
uitgangspunt
van alle
speculatie de
oergrond, nog
beter de
ongrond, het
bovenbegripsmatige
en
onuitsprekelijke.
Maar dit is
voor hem niet
Zijn en
boven-Zijn,
maar drang en
wil. Niet
goedheid en
over-goedheid,
maar een
irrationele
indifferentie
en identiteit
van het goede
en boze, waarin
de
mogelijkheden
tot beide
moeten worden
gevonden, tot
het goede
evenzeer als
tot het boze,
en daarmee
tegelijk tot de
dubbele
gedaante der
godheid zelf
als goedheid en
liefde
enerzijds en
als
grimmigheid
en boosheid
anderzijds.Want
de lutherse
orthodoxie
heeft aan het
numineuze in
het christelijk
godsbegrip geen
recht gedaan.
De heiligheid
en de toorn
Gods beperkte
zij door haar
moralistische
uitleg. Reeds
van Johann
Gerhardt af nam
zij de
apatheialeer
weer op. Aan de
cultus onttrok
zij meer en
meer de
eigenlijk
contemplatieve,
specifiek
'vrome'
momenten. Het
begripsmatige
en het
doctrinaire,
het ideaal van
de 'leer' was
veel sterker
dan het
onuitsprekelijke,
en het alleen
maar in het
gevoel levende
der vrome
stemming. De
kerk werd
school. Haar
mededelingen
bereikten het
gemoed
inderdaad meer
en meer louter
door de
smalle spleet
van het
verstand,
zoals Tyrrell
het treffend
uitdrukt.
Het zal de taak
zijn van de
christelijke
cultus, van de
christelijke
verkondiging en
van de
christelijke
geloofsleer
voor het
rationele in de
christelijke
godsidee steeds
op de
ondergrond van
haar
irrationele
momenten zorg
te dragen om op
deze wijze zijn
diepte te
waarborgen.