Rudolf Otto: Het heilige

3e druk, Amsterdam 2002

vertaling: Jo Dippel, & Daniël Mok

© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam ISBN 90-807300-1-7

 

 

 

Rudolf Otto over de islam

Geen religie is zo predestinatiaans gezind als de islam. Het bijzondere van de islam ligt echter juist hierin, dat de rationele en ook de ethische kant van het godsbegrip van begin af aan nooit tot zo vaste en duidelijke uitdrukking is gekomen als bijvoorbeeld in het jodendom of christendom. Het numineuze in Allah is zonder meer zwaarwegend. Men verwijt de islam, dat de zedelijke eis hier het karakter van het 'toevallige' draagt en slechts geldigheid heeft door het 'toevallig' besluit der godheid. Dit verwijt is juist. De kwestie heeft echter niets te maken met 'toeval'. Zij moet veeleer worden verklaard uit het feit, dat het numineus-irrationele in Allah veel sterker is dan het rationele in hem; dat het dus door het rationele, in dit geval door het morele, nog niet voldoende is geschematiseerd en getemperd, zoals dat in het christendom is gebeurd. En juist daaruit moet ook worden verklaard, wat men gewoonlijk de fanatieke trek van deze religie noemt. Sterk bewogen, 'ijverend' gevoel van het numen, zonder de tempering door de rationele momenten: dat is nu juist het wezen van het echte fanatisme, voor zover men dit woord niet in zijn huidige geseculariseerde, triviale, maar in zijn oorspronkelijke betekenis gebruikt die niet in het algemeen hartstocht en hartstochtelijk handhaven, maar de hartstochtelijkheid van de numineuze 'ijver' op het oog heeft.
Met het bovenstaande is ook een waardeoordeel uitgesproken over de predestinatiegedachte. Zij is als zodanig de poging tot begripmatige uitdrukking van iets, dat in de grond der zaak niet in begrippen kan worden uitgelegd. Als geheimzinnige aanwijzing, als ideogrammatische verwijzing naar een niet anders dan oorspronkelijke verhouding tussen schepper en schepsel die tegelijk volkomen a-theoretisch is en op die grond niet in het gebied van rationele theorieën over de wil, en zijn eventuele vrijheid of onvrijheid getrokken kunnen worden, als verwijzing naar een punt dat in het oneindige ligt, is zij totaal onontbeerlijk en heeft zij haar volle recht.
Maar dit recht wordt weldra tot summa injuria (grootste onrecht), wanneer men het enkel aanwijzende karakter van het woord miskent en dit in plaats ervan als ideogram als eigenlijk begrip opvat, dat theoretisch kan worden verwerkt. Dan wordt de predestinatie voor een rationele religie, als het christendom is, beslist verderfelijk en onverdraaglijk, hoezeer je ook probeert haar door ontwijkingmanoeuvres onschadelijk te maken.