Rudolf Otto: Het heilige

3e druk, Amsterdam 2002

vertaling: Jo Dippel, & Daniël Mok

© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam ISBN 90-807300-1-7

 

 

 

 

12. HET NUMINEUZE IN HET OUDE TESTAMENT

Natuurlijk leven de 'irrationele en numineuze gevoelens in alle religies, maar wij vinden ze toch vooral in de Semitische en bovenal in de bijbelse. Het mysterieuze leeft en beweegt zich hier sterk in de voorstellingen van demonen en engelen. Waardoor deze wereld als van het 'gans andere' is omgeven, overschaduwd en bewoond. Het wordt machtig in de verwachting van het einde en het ideaal van het Godsrijk, dat met het natuurlijke ten dele als het in de tijd toekomstige, ten dele als het eeuwige contrasteert, altijd echter als het louter wonderbare en 'gans andere'. En het komt tot uitdrukking in de natuur van Jahweh en Elohim, die ook de 'hemelse Vader' van Jezus is en als zodanig zijn Jahweh-aard niet verliest, maar 'vervult'.
1. De lagere trap van het numineuze gevoel als demonische vrees is reeds bij de profeten en psalmisten allang overwonnen. Maar hier en daar voorkomende herinneringen eraan, vooral in de oude verhaalliteratuur, ontbreken toch ook niet. Het verhaal van Exodus 4, 26, hoe Jahweh in zijn 'orge' bij nacht Mozes overvalt en hem naar het leven staat, draagt nog sterk dit karakter. Op ons maakt het een bijna spookachtige indruk. En van het standpunt ener meer ontwikkelde vroomheid krijgen deze en dergelijke verhalen gemakkelijk de schijn, alsof hier nog helemaal geen religie is, maar slechts préreligie, gewone demonenvrees of iets dergelijks. Toch is hierbij een misverstand in 't spel. 'Gewone demonische vrees' zou betrekking hebben op een 'demon' in de enge zin van het woord, die ongeveer overeenkomt met kobold, kwelduivel of boze geest, en daarmee dus precies het tegenovergestelde is van het theîon (goddelijke). Zo'n demon is echter niet een doorgangspunt of een schakel geweest in de ontwikkeling van religieus gevoel, evenmin als het 'spook'. Hij is, net als deze, een apocriefe dégénéré van de fantasievormen van het numineuze gevoel. Van zo'n demon is echter de 'daimon' in een veel meer algemene zin te onderscheiden, die zelf nog wel geen god, nog veel minder echter een tegen-god, maar een 'voor-god' is, een nog gebonden, ingehouden lagere trap van het numen, waaruit langzamerhand een 'god' in 'hogere verschijningsvorm is gegroeid. Herinneringen aan deze trap hebben wij voor ons in die verhalen.
En verder: om de werkelijke verhoudingen hier te verstaan, kan tweeërlei aanduiding helpen. In de eerste plaats de verwijzing naar wat in het hoofdstuk over de indirecte uitdrukkingsmiddelen van het numineuze werd gezegd over de geschiktheid van het vreselijke in 't algemeen om het numineuze gevoel aan te trekken en uit te drukken. In de tweede plaats echter het volgende. Een sterk muzikaal aangelegd mens kan, zolang hij nog groen en beginner is, zalig verrukt zijn door het geluid van een doedelzak of een draaiorgel. Beide gaat hij misschien onuitstaanbaar vinden, wanneer hij zich muzikaal ontwikkelt. Bezint hij zich echter als meer ontwikkelde op het kwalitatieve van zijn vroegere en zijn tegenwoordige ondervindingen, dan moet hij bemerken, dat in beide toch één en dezelfde kant van zijn gevoelsleven werkzaam was en dat hij bij zijn klimmen tot hoger muzikale ontwikkeling niet slechts een 'sprong in het andere' heeft gemaakt. Maar dat er zich een proces afspeelde, dat wij ontwikkeling of rijping noemen, zonder dat hij in staat is over de wijze daarvan veel te vertellen.

Toen wij het einde van de brug bereikt hadden, was het bijna windstil. Hoog boven ons was de hemel blauwgroen en van beklemmende helderheid. Achter ons, als een groot open graf lag de Ennobaai.
De Heer van leven en dood zweefde over de wateren in stille majesteit.
Wij voelden Hem, zoals men zijn hand voelt. En de oude man en ik knielden neer voor het open graf en voor Hem.

Waarom knielden zij? Waarom moesten zij knielen? Voor een cycloon en een blind natuurgeweld, ja ook voor de zonder meer Almachtige knielt men niet. Maar voor het algeheel onbegrepene, open-verborgen geheimenis knielt men neer met getrooste ziel, gevoelend, Hoe het is, en tevens, dat het gelijk heeft.

Van uit de verte komt ook Thomas Carlyle tot een dergelijke ervaring, wanneer hij zegt:
Schouw, als ge ogen of ziel hebt, in dat grote, kustenloze rijk van het onbegrijpelijke, in het hart van zijn razende verwarringen en dolle maalstroom des tijds. ligt daarin dan niet zwijgend en eeuwig een al-gerechtigheid, een al-schoonheid, de enige werkelijkheid en tenslotte heersende macht van het geheel?
Alleen valt op, dat hij, in plaats van het 'onbegrijpelijke' zijn mirum te laten behouden, 'dit toch weer 'begrijpelijk' wil maken, wanneer althans 'al-gerechtigheid', 'al-schoonheid', 'geheel' hier niet eigenlijk staan als cijfers voor de 'onbegrepen' waarden van het Illustere en het Augustum.

Nog vele andere trekken van het numineuze gevoel zouden in het Oude Testament kunnen worden aangewezen. Maar iemand anders, die zestienhonderd jaar geleden in dezelfde geest als wij 'over het irrationele' schreef, heeft ze reeds voortreffelijk verzameld. Dat is Chrysostomus. Wij zullen hem later ontmoeten en er hier niet op vooruitlopen. De momenten van het mirum echter zullen wij in bijzonder sterke karakterisering ontmoeten bij Luther in de ideeën, die wij bij hem de 'Jobgedachten' noemen.