Rudolf Otto: Het heilige

3e druk, Amsterdam 2002

vertaling: Jo Dippel, & Daniël Mok

© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam ISBN 90-807300-1-7

 

 

 

 

11. UITDRUKKINGSMIDDELEN VAN HET NUMINEUZE

a. Directe

Het is voor de opheldering van het wezen van het numineuze nuttig, dat men zich er op bezint, hoe het zich uiterlijk uitdrukt, en hoe het van ziel tot ziel wordt doorgegeven en overgedragen. Weliswaar laat het zich niet in eigenlijke zin 'overdragen': het is niet 'leerbaar', slechts wekbaar 'uit de geest'. Men beweert soms hetzelfde van de religie in 't algemeen in haar gehele omvang. Ten onrechte. In haar is meer veel te leren, d.w.z. in begrippen over te leveren en ook in schoolonderwijs over te brengen. Evenwel juist niet haar achter- en ondergrond. Deze kan slechts aangeraakt, verlevendigd en opgewekt worden. En dit wel het minst enkel door woorden, maar op dezelfde wijze als ook anders stemming en gevoel worden overgebracht. Door na te voelen en zich in te voelen in wat zich voordoet in de ziel van een ander. In een plechtige houding, in gebaar, in toon van stem, in gelaatsuitdrukking, in het doen uitkomen van het wonderlijk groot belang der zaak, in de plechtige ernst en vroomheid van de biddende gemeente leeft meer daarvan, dan in al de woorden en negatieve benamingen, die wij er zelf voor hebben gevonden. Deze geven immers nooit het voorwerp positief aan. Ze helpen slechts in zoverre, als ze een voorwerp in 't algemeen willen aanduiden, en dit tegelijk tegenover een ander stellen, waarvan het is te onderscheiden en waar het boven uitrijst. Bijvoorbeeld: het onzichtbare, het eeuwige (= het boventijdelijke), het bovennatuurlijke, het bovenwereldlijke. Of ze zijn eenvoudig ideogrammen voor de specifieke gevoelsinhouden die men dan zelf tevoren moet hebben gehad om ze te kunnen verstaan. Verreweg het 'beste middel zijn 'heilige' situaties zelf of haar weergave in aanschouwelijke schildering. Wie niet gewaar wordt wat het numineuze is, wanneer hij Jesaja 6 leest, die helpt geen spel en zang en woord. In theorie en leer, ja zelfs in de prediking is er, wanneer men haar niet hoort, gewoonlijk niets van te bemerken, terwijl het gesprokene er geheel van kan zijn doordrenkt. Geen bestanddeel der religie heeft de viva vox (levend woord) en de levende leiding van de gemeenschap en de persoonlijke samenhang zozeer nodig als dit. Heinrich von Suso (1295-1366, Zwitsers dominicaans mysticus) zegt van zo'n overbrengen:

'Eén ding behoort men te weten: Zo ongelijk het is, als men een zoet snarenspel zelf hoort klinken in zoetheid, in vergelijking daarmee, dat men ervan hoort spreken, evenzo ongelijk zijn de woorden, die in loutere genade worden ontvangen en uit een levend hart door een levende mond uitvloeien, in vergelijking met dezelfde woorden, wanneer ze op het dode perkament komen Want zo verkillen zij, ik weet niet hoe, en verbleken, als de afgeplukte rozen. Want de liefelijke wijs die boven alles het hart roert, sterft dan weg. En in de dorheid van het dorre hart worden ze ontvangen.'