Rudolf Otto: Het heilige
3e druk, Amsterdam 2002
vertaling: Jo Dippel, & Daniël Mok
© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam ISBN 90-807300-1-7
|
|
|
|
9. HET SANCTUM ALS NUMINEUZE WAARDE
(Momenten van het numineuze VI)
Het augustum
A. Wij hebben
boven het
zeldzaam diepe
antwoord van de
ziel
aangetroffen op
het beleefde
numineuze. Wij
noemden het
'creatuurgevoel',
omdat het
bestaat uit
gevoelens van
verzinken,
klein- en
nietsworden.
Daarbij moet
altijd in het
oog worden
gehouden, dat
deze
uitdrukkingen
als zodanig het
werkelijk
bedoelde niet
precies
treffen, maar
slechts in de
richting ervan
wijzen:
Sumpta sunt
vocabula, ut
intelligi
aliquatenus
posset, quod
comprehendi non
poterat,
zegt Hugo van
St. Victor
('Deze woorden
hebben wij
gekozen, zodat
men enigszins
zou kunnen
voelen, wat
niet kan worden
begrepen').
Want dit klein-
en nietsworden
is weer heel
iets anders,
dan wanneer een
mens op ander
terrein zich
zijn
'natuurlijke'
geringheid,
zwakheid of
afhankelijkheid
bewust wordt.
Het kenmerk van
een bepaalde
depreciatie van
mijzelf, om zo
te zeggen over
mijn
werkelijkheid,
over mijn
bestaan zelf,
is aansluitend
waar te nemen.
Daar komt nog
een andere
depreciatie
langszij, die
iedereen kent
en die slechts
hoeft te worden
aangegeven. Pas
met de
uiteenzetting
hiervan komen
wij tot de
eigenlijke kern
van onze
opdracht:
'Ik ben een man
van onreine
lippen en
woon in het
midden van een
onrein
volk,'
'Heer, ga uit
van mij, want
ik ben een
zondig
mens.'
Zo spreken Jesaja en Petrus wanneer het numineuze hun ontmoet en voelbaar wordt. In deze beide uitspraken moet het onmiddellijk spontane opvallen, het bijna instinctieve van dit zichzelf depreciërend gevoelsantwoord, dat hier niet op grond van een overweging of een of andere regel plaatsvindt, maar dat als het ware ontvlamt als een onmiddellijk en onwillekeurige reflexbeweging van de ziel. Dat deze zo onmiddellijk, niet pas door bezinning op begane overtredingen ontstane, veeleer met het gevoel van het numen zonder meer gegevene, zichzelf tezamen met zijn volk en eigenlijk samen met al het bestaande tegenover het numineuze depreciërende gevoelsuitbarstingen niet eenvoudig en waarschijnlijk aanvankelijk in het geheel geen morele depreciaties betekenen, is onmiddellijk aan te voelen. Ze zijn volstrekt niet het gevoel van een overtreding van de ethische norm, hoezeer en hoe vanzelfsprekend ze deze ook daarin betrekken, waar er zodanig een aanwezig is. Ze zijn veeleer het gevoel van de volkomen profaniteit.
* Over het onderscheid tussen subjectieve en objectieve waarde vergelijk R. Otto: West-östliche Mystik, p. 265, en het opstel Wert, Wurde und Recht in Zeitschrift für Theologie und Kirche, 1931.
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |