Rudolf Otto: Het heilige

3e druk, Amsterdam 2002

vertaling: Jo Dippel, & Daniël Mok

© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam ISBN 90-807300-1-7

 

 

 

A. Contrastharmonie

Om aan deze tweede aantrekkende kant van het numineuze recht te willen doen, moeten wij aan het boven behandelde mysterium tremendum toevoegen, dat het tegelijk een absoluut fascinans is. _n in dit tegelijk oneindig huiveringwekkende en oneindig bewonderingwekkende heeft het mysterium zijn eigen positieve dubbele inhoud, die zich aan het gevoel bekend maakt. Deze contrastharmonie in de inhoud, d.i. in het wat en hoe van het mysterie, dat wij hier trachten te beschrijven en toch niet kunnen beschrijven, laat zich door een analogie uit een niet tot de religie, maar tot de esthetica behorend gebied, van verre aanduiden. Deze analogie geeft echter slechts een bleke weerschijn van ons feit, en is bovendien zelf heel moeilijk te ontleden. Het is het verhevene. Men vult het negatieve begrip van het 'bovenwereldlijke' graag en dikwijls met deze wel vertrouwde gevoelsinhoud, verklaart ook wel juist Gods bovenwereldlijkheid met zijn 'verhevenheid', en dat is als analogische aanduiding ook wel geoorloofd. Maar als men het ernstig en letterlijk bedoelde, zou het een fout zijn. Religieuze gevoelens zijn geen esthetische. Het 'verhevene' behoort immers naast het 'schone' nog tot de esthetica, hoezeer het ook van het schone verschillend is. Anderzijds zijn gevoelsovereenkomsten tussen het verhevene en het numineuze gemakkelijk begrijpelijk te maken. Vooreerst: ook het 'verhevene' is - om met Kant te spreken - een 'onuitpakbaar' begrip. Men kan wel enige algemeen 'rationele' kenmerken verzamelen, die overeenstemmend terugkeren, zodra wij een object verheven noemen: bijvoorbeeld dat het 'dynamisch' of 'mathematisch' dat wil zeggen door uitingen van kracht of ruimtelijke grootheid de grenzen van ons begripsvermogen nadert en ze dreigt te overschrijden. Maar dat is klaarblijkelijk slechts een voorwaarde, niet echter de kern van de verheven indruk. Iets buitensporig groots is nog niet verheven. Het begrip zelf blijft niet ontleedbaar, er kleeft iets geheimzinnigs aan, en dat heeft het met het numineuze gemeen. Daar komt dan in de tweede plaats bij, dat ook bij het verhevene dat eigenaardige dubbelmoment voorkomt van een aanvankelijk afwerende en tegelijkertijd toch weer uitzonderlijk aantrekkende indruk op het gemoed. Het maakt deemoedig en verheft tegelijk, het bakent het gevoel af en heft het boven zichzelf uit. Het roept enerzijds een gevoel te voorschijn, dat gelijkenis heeft met vrees en anderzijds stemt het gelukkig. Zo hecht het gevoel van het verhevene zich door overeenkomst nauw aan het begrip van het numineuze en leent het zich ertoe, om dit 'op te wekken', als ook om er door opgewekt te worden, erin 'over te gaan', als ook dit weer in zich te laten overgaan en te doen verklinken.