Rudolf Otto Het heilige

3e druk, Amsterdam 2002

vertaling: Jo Dippel, bewerking: Daniël Mok

© Uitgeverij Abraxas, Amsterdam

 

 

 


 

 

 

 

 

In de bundel Een wijze uit het westen (Amsterdam, 2001) wordt melding gemaakt van een facsimile-uitgave naar de 1e druk van Rudolf Otto, Het heilige. Deze druk uit 1928 is vertaald door ds. Jo Dippel met de 'onwaardeerbare hulp van Prof. Dr. G. v.d. Leeuw'. In 1963 is deze vertaling herzien door dr. Oene Noordenbos.
De derde druk is herzien door Daniël Mok naar de eerste en tweede druk. Er is gebruik gemaakt van diverse Duitse drukken en de Engelse vertaling waarover Rudolf Otto in 1923 schreef: 'An English critic has said that "the translation is much better than the original"; and to this I have nothing to object'.

Doordat is afgezien van de facsimile-uitgave kon de herziene vertaling van Noordenbos wederom worden herzien en worden opgedeeld in de volgorde van de zorgvuldige 1e druk.
Voetnoten en bronvermeldingen zijn hier en daar verbeterd en uitgebreid en zijn veelal tussen () in de tekst geplaatst. Deze derde druk is dus een optelsom van de eerste en tweede druk met een verbeterde uitkomst.

Het heilige of Das Heilige wordt in brede kringen gewaardeerd en is van vele kanten bezien en beoordeeld. Doordat Het Heilige wordt gewaardeerd dwars door alle godsdiensten en levensovertuigingen heen. Katholieken als Antoine Bodar en Jeroen Witkam, maar ook vrijdenkers als Harry Mulisch en Theun de Vries lieten hun licht schijnen over wat zij noemden 'De duistere gangen van de Duitse filosofie'. Psychiaters als Tolsma, Langeveld en Rümke werden er door geïnspireerd.
Vrijdenkers als Vestdijk en Sierksma vonden het opvallend dat er blijkbaar een Otto voor nodig was om het heilige te ontdekken.

Het heilige is zeer aanbevelingswaardig voor mensen die vanuit een joods-christelijk-humanistische achtergrond hun wortels met deze cultuur willen verstevigen om daarmee vooral hun religieus gevoelsleven te versterken.
Juist omdat Otto niet schroomt om de duistere aspecten van de menselijke geest een plaats te geven naast het Hoogstverhevene is de afglans van zijn woorden des te helderder voor zijn lezers. Met een fijnzinnige precisie legt Otto schilsgewijs het raadsel van ons bestaan bloot door met een loupe en een groots inlevingsvermogen het hoogste gedachtegoed van de religieuze beleving als juweeltjes te laten schitteren. Het christendom van Otto is diep verankerd in de joodse geloofstraditie. De verzoeningsgedachten van Jezus worden op een weegschaal gewogen en overtuigend goedgekeurd.
Bewonderend en verwonderd citeert Otto ruimhartig uit de heilige teksten van andere culturen en religies. Hij weet een beeld te schetsen dat het denken even tot zwijgen brengt en ruimte geeft aan een lichte huivering in een goddelijke stilte met, misschien iets minder ver, maar nog steeds oneindig ver het Onnoembare waarmee je via duistere mollengangen en verheven gelijkgestemdheid in verbinding staat.