Elegant handboek

 

VIA De Camino naar Santiago de Compostela

 

Een reisverslag van een fietstocht © 1998

 

Dit verslag is een  een dagboek van een intense beleving van een unieke tocht die ik in 1998 ondernomen heb. Het is de internet-versie, dus zonder toevoeging van layout-technische aspecten en/of fotomateriaal.

Het maakt onderdeel uit van mijn website waarin ik mijn fietstocht vanaf de Noordkaap tot Gibraltar beschrijf.

Op 21 juni 2003 heb ik voor een goed doel 7707 km gefietst vanaf de Noordkaap, via de Jutlandroute door Denemarken, de Camino vanaf Haarlem tot Santiago de Compostela, om vervolgens via Portugal (Lissabon / Faro) naar Gibraltar.  Die tocht startte dus vanaf het meest Noordelijke puntje van Europa en eindigde op het (nagenoeg) Zuidelijkst puntje van Europa, in Gibraltar.

Bezoek ook mijn website www.home.versatel.nl/vankaaptotkaap voor meer info!

 

 

Wil je een ingebonden, met foto’s geïllustreerd exemplaar van dit dagboek?

Neem dan even via Email contact met mij op: ruudstolte@zonnet.nl

 

 

 


 

Waarom fietsen naar Santiago de Compostela ?

 

Een vraag die me wel duizend keer gesteld is. Want: hoe kom je er toe om een dergelijke tocht te willen ondernemen? Het antwoord is eigenlijk heel simpel.

Twee keer eerder ben ik vanuit Villach (Oostenrijk) teruggefietst naar Uithoorn, mijn woonplaats. De eerste keer was in 1995 en de laatste in 1996. Lange afstandsfietsen en fietsvakantie is min of meer een hobby geworden. In 1997 kon ik vanwege een polsoperatie geen fietsvakantie houden. Toch blijft het bloed kruipen waar het niet gaan kan. Ik wil niet opnieuw op de fiets vanuit Oostenrijk, maar heb plannen voor een andere tocht. Maar welke? Er zijn vele mogelijkheden binnen Europa. Zo heb ik mijn oog laten vallen op een beschreven route naar Rome (1600 kilometer). Ik word ook  geattendeerd op de Camino de Santiago. Het is één van de vroegchristelijke pelgrimroutes en loopt tot Santiago de Compostela, aan de noordwest kant van Spanje, ongeveer 250 kilometer boven Portugal. Vanuit Amsterdam bedraagt de totale afstand ongeveer 2500 kilometer. Ik zoek documentatie materiaal en word ‘gegrepen’ door Santiago de Compostela. Waarom? Bij de bibliotheek haal ik wat video-materiaal en via het Spaans verkeersbureau krijg ik wat boekjes toegestuurd. Mijn gegevensverzameling, maar ook mijn belangstelling groeit.

Naast Jeruzalem en Rome mocht Santiago de Compostela zich reeds in de vroege middeleeuwen in een uitgebreide belangstelling verheugen. De eerste pelgrims verschenen in 830 en vanaf de tiende eeuw hebben honderdduizenden Europeanen de tocht naar Jacobsstad gemaakt. De armen te voet, de enkele rijken te paard. Ieder hoopte getooid met het herkenningsteken, de Jacobsschelp,  ooit terug te keren van deze lange tocht. Voor de één was het een boetetocht na een misdaad, om een gunst af te smeken of een religieuze beleving, voor de ander een kennismaking met andere culturen of gewoon de zucht naar avontuur.

Allen hadden echter een gemeenschappelijk doel voor ogen, waarvoor soms jarenlang van doorzetten nodig was: het graf van Sint Jacob. Volgens de legende is de apostel Sint Jacob rond het jaar 44 in Jeruzalem onthoofd. Zijn volgelingen brachten zijn lichaam in een bootje zonder roer en door de stroming gedreven aan land in Iria Flavia, het huidige Padrôn. Verder landinwaarts hebben zij hem begraven.

Pas eeuwen hierna, in 813, werd de kluizenaar Pelayo in een droom gewezen op het vergeten graf. De heuvel waarin het graf werd gevonden, was ‘s nachts op bijzondere wijze door de sterren verlicht. Zo is de naam ‘Compostela’ ontstaan, afgeleid van het Latijnse 'Campus Stellae' (=veld van sterren). Later is daar een kerk gebouwd, de voorloper van de huidige imposante kathedraal van Santiago. Het nieuws verspreidde zich en steeds meer bezoekers kwamen hier de apostel vereren.

De pelgrimage kwam op gang. De pelgrims waren voor een ieder herkenbaar gekleed; ze droegen een zware mantel (pélerine) tegen de wind en regen, op het hoofd een hoed met brede rand en een lange stok in de hand om de wolven of andere wilde dieren van zich af te houden. Aan hun gordel hing een bedelzak of broodtas ('scarpe') en een  leren  veldfles.  Als  herkenbaar symbool droegen zij de Jacobsschelp. Keizer Karel de Grote behoorde reeds tot de vroege pelgrims en verbleef enkele jaren in Santiago aan de uiterste grens van zijn enorme rijk.


De orde van Benedictijnen stichtte kloosters langs de Camino.  Zij  boden  onderdak  en verzorging  aan de  pelgrims.  De gebouwen die hiervoor bestemd zijn heten in Spanje 'hospitales' en in Frankrijk 'hospices'. 

De  route  kreeg  grote bekendheid in Europa. Historici hebben berekend  dat in de middeleeuwen ongeveer 10%  van  de  mannelijke bevolking  de  pelgrimstocht  heeft ondernomen. Ik raak steeds meer gefascineerd door Santiago de Compostela.

Vanuit heel Europa komen de pelgrimswegen ten zuiden van de Pyreneeën bijeen. Ook vanuit Nederland loopt een route, zelfs verbonden met Scandinavië. Zo zijn Haarlem en Leiden twee bekende pleistersteden, op één dag lopen van elkaar. Er loopt ook een route via Maastricht, Aken, via de Ardennen, schuin door Frankrijk naar de Pyreneeën. Uit diverse beschrijvingen blijkt dat er een fietsroute is, die nagenoeg dezelfde route is, zoals de oude Camino oorspronkelijk heeft gelopen.

Déze tocht wil ik ondernemen. Maar: ook weer alleen? Ik spreek de talen niet. Wie zou er mee willen gaan? En ook nog wel zo’n eind? In mijn omgeving vind ik niemand die dit avontuur aandurft. Velen hebben wel van Santiago de Compostela gehoord, maar er naartoe op de fiets? Alleen durf ik het toch niet aan. Lang heb ik de gedachten, dat het wel een droom van mij zal blijven…..

Medio april 1997 ontvang ik als abonnee het maandblad FIETS. Mijn vrouw Hannie attendeert me op een heel kleine advertentie: ‘ pelgrim (42), zoekt fietsmaatje naar santiago de compostela, april 1998’, gevolgd door een telefoonnummer.

De volgende dag bel ik het telefoonnummer. De advertentie is geplaatst door Thom Verkerk uit Valkenswaard. Telefonisch vertellen wij elkaar in het kort over de eigen bedoelingen om naar Santiago te gaan. Thom en ik spreken af om elkaar eens te ontmoeten. Dat gebeurt medio mei 1997.

We vragen elkaar heel zakelijk uit: wat zijn jouw eigen wensen om deze tocht te ondernemen. Daarnaast wordt met elkaar besproken: de financiële consequenties, fietscapaciteiten, overnachtings- mogelijkheden, de gewenste route en de maand van vertrek. Onze individuele behoeften liggen dicht bij elkaar. Het klikt tussen ons. Thom belooft mij binnen één week terug te bellen, want hij heeft meerdere reacties op zijn advertentie gekregen. Na een paar dagen belt Thom: uit alle kandidaten wil hij het liefst met mij deze tocht ondernemen. Ik stem toe. WE GAAN!

Ondanks dat het in de tijd nog een eind weg is, word ik sindsdien steeds meer geconfronteerd met ‘de pelgrimstocht’. Bij de fietsvakantiewinkel in Woerden haal ik allerlei informatie. Ik lees er wat reisverhalen en koop er ook het benodigde kaartmateriaal. Daarna zijn Thom en ik een paar keer bij elkaar gekomen om wat zaken met elkaar af te spreken. Ook de wederzijdse echtgenoten hebben kennis gemaakt. Meer en meer worden de details over onze reis ingevuld.

Voor de bepaling van onze fietsroute kiezen we zeker niet voor de makkelijkste. Ten zuiden van de Pyreneeën komen alle pelgrimswegen bijeen in het plaatsje Puente la Reina. Om daar naar toe te rijden zijn een aantal alternatieven.

 

Er loopt een relatief vlakke route via de westzijde. Die gaat via Antwerpen, Compiegne, Tours en Bordeaux. Een wat moeilijkere, bergachtige route gaat via Maastricht, Aken, langs de Ardennen naar Montmedy, de bedevaartsoorden Vezelay, Rocamadour, langs het Centraal Massief naar Brive en St. Orolon de Marie. Wij kiezen voor deze route, die wij schatten op iets meer dan 2500 kilometer.

Ook mijn directe omgeving raakt door mijn virus van Santiago geïnfecteerd. Tot ik door collega Jaap den Butter  gevraagd word of ik mij laat sponsoren. Nee, dat was nog niet in mij opgekomen. Zowel Thom als ik betalen onze eigen reiskosten. Wat Jaap bedoelt, is mij te laten sponsoren voor een goed doel: het Stichting Ronald McDonald Kinderfonds. Deze stichting verleent aan ouders van zeer ernstig zieke kinderen onderdak in één van de naast het ziekenhuis gelegen opvanghuizen. De stichting is uitsluitend van donaties afhankelijk. Jaap stelt voor om ons te laten sponsoren voor één cent per afgelegde kilometer. Oftewel: 2500 kilometer maal één cent, 25 gulden per sponsor.  Ik vind het een uitstekend idee en bespreek dit met Thom. Hij is ook direct gemotiveerd en zal vanuit Valkenswaard een actie opzetten. Ik zal dit vanuit Uithoorn doen. Het blijkt achteraf een onderschatte bezigheid: er zit heel veel administratie aan verbonden. Onze actie melden wij begin oktober aan bij het Stichting Ronald McDonald Kinderfonds. Ook openen wij een aparte rekening, uitsluitend voor deze sponsor actie.

Het grootste probleem blijkt om vooraf de terugreis te regelen. De meest luxe variant, per vliegtuig is een kostbare zaak. Eén keer overstappen in Madrid of Barcelona en de kosten: ongeveer 1400 gulden per persoon. Per trein is ook mogelijk, maar voor ons geen alternatief. Eén keer per dag rijdt er een aparte goederentrein vanuit Spanje naar de Franse Pyreneeën. Daar wordt de fiets overgeladen, maar niet in de TGV. Daar mag geen fiets in. In ieder geval moet de fiets in Parijs nogmaals overgeladen worden en als bijzonderheid geld: de fiets niet op slot mag staan. Ondanks dat de fiets verzekerd is, heeft deze manier van transporteren een grote kans dat je je fiets toch kwijt zal raken. Per touringcar blijkt ook niet mogelijk. Touroperators laten niet toe, dat onder in de bus een fiets wordt meegenomen. Zelfs niet door een maatschappij die twee keer per week per bus de hele route aflegt.

Uiteindelijk komen we terecht bij maatschappij SAIA. Ook deze touroperator rijdt twee keer per week vanuit Santiago de Compostela naar Nederland en laat wél toe, dat een fiets in de bagageruimte wordt meegenomen. De kosten zijn voor een enkele reis een kleine 350 gulden. Begin februari hebben we voor deze reisvariant geboekt.

Thom heeft voor ons beiden via de Jacobshoeve te Vessem geloofsbrieven (‘Credencial’) ontvangen. Hiermee wordt, meestal bij kerken / refugio’s, een stempel gevraagd die overeenkomt met de stad, ter bevestiging dat pelgrim de doortocht heeft gemaakt. Aan het eind wordt in Santiago de Compostela een Compestelana (‘Postelaat’) in ontvangst genomen. Een officieel certificaat van de geestelijkheid, als bewijs dat men de reis te voet, te paard of per fiets volbracht heeft.

Om praktische redenen besluiten we om onze fietstocht niet begin, maar uit te stellen tot eind april 1998. Uiteindelijk word als vertrekdatum zondag, 26 april 1998 vastgesteld. Vanwege de nodige publiciteit zullen wij om exact 11.00 uur vanaf de Dam in Amsterdam vertrekken.

Ter voorbereiding op deze megatocht rijd ik de nodig trainingskilometers. Iedere gelegenheid pak ik aan. In het weekeind rijd ik tochten van rond de 100 kilometer. Ook voor training rijd ik éénmaal volledig bepakt naar Hattem en de volgende dag weer terug. Half april heb ik een kleine 1300 kilometer ‘in de benen zitten’. 

In onze voorbereiding nemen Thom en ik nog onze lijst door van de spullen, die we mee moeten nemen. We stemmen alles op elkaar af. Sommige zaken zijn dubbel: zoals plakmateriaal en reparatiemateriaal voor de fiets. In ieder geval kocht ik een dikke NOMAND slaapzak  (geschikt tot –6 graden, gewicht 1.5 kilogram) en een zichzelf opblazend slaapmatje. Eerdere ervaringen met een ‘gewoon’ slaapmatje waren niet zo positief. Ook heb ik waterdichte fietstassen aangeschaft (AGU Aquarius). Omdat velen mij een regenpak afraadden heb ik een goede poncho gekocht. Ook heb ik een benzinebrander aangeschaft, om in geval van nood ons eigen eten te kunnen koken.

En hoe dichter de datum van vertrek naderbij komt, des te meer wordt het een verwezenlijking van een langgekoesterde wens, die in vervulling gaat komen. Nog één week voor ons vertrek is het koud, guur weer. Geregeld zijn er nog sneeuwbuien, maar gelukkig is er geen nachtvorst meer.

In dit reisverslag beschrijf ik mijn persoonlijke belevingen van deze wel zeer bijzondere en unieke tocht.

 

 


DAG 1

De hele nacht heb ik liggen woelen. Ik val wel snel in slaap, maar ben vaak wakker. Om kwart over vier schrik ik wakker. Mijn vrouw Hannie slaapt rustig naast me. Ik kijk sla mijn handen achter het hoofd en kijk naar het plafond: vandaag gaat het beginnen. Ik doezel af en toe nog wat weg, maar om kwart voor zeven ga ik er uit. Ik douche mezelf en trek de wielren kleding aan.

Over mijn trui doe ik het SNS-shirt aan. SNS is één van onze sponsors ten behoeve van de Stichting Ronald McDonald Kindertehuizen. Alles gaat vrij relaxed. Ik check de tassen. Eigenlijk valt er niets na te kijken, want dat heb ik al dertig keer gedaan! Volgens mij ontbreekt niets meer aan de bagage. Rond half negen is iedereen wakker. Met z'n viertjes drinken we een kop koffie en eten een broodje. Voor mijn gevoel heerst er een gespannen, vreemde sfeer. Iedereen weet wat er gaat gebeuren, maar er wordt niet over gesproken. We doen 'gewoon'.

Langzamerhand ga ik de tassen naar de auto brengen. Als ik buiten kom is er recht voor ons huis met een paal een bord in de grond geslagen "SANTIAGO DE COMPOSTELA - 2500 km". Een geintje van buurman Ton. Er is niemand die mijn lol meemaakt. Ik vind het een uniek cadeautje! De Twinny Load is snel op de trekhaak van de Nissan gemonteerd.

De vier tassen, de slaapzak en de tent zijn in de kofferruimte van de auto verdwenen. De fiets is binnen een oogwenk op de Twinny Load vastgemaakt. Net voordat ik in de auto wil stappen,  komen de buren Ton, Ida en Paul aan. Ze wensen me veel succes. Het afscheid is kort. Als enige zwaaien zij ons van het verlaten binnenterrein uit.

Het is stil in de auto. Onze oudste zoon Rob zegt helemaal niets. De enige die honderduit praat, is onze jongste zoon Peter. Z'n mond staat niet stil! We rijden nu naar de Bestevaerstraat in Amsterdam. Daar hebben Thom en ik afgesproken bij zijn schoonmoeder. Dat is ons 'tussenstation', als vertrekpunt naar de Dam.

Rond kwart over tien rijden we de Bestevaerstraat in. Wel via een omweg. Uiteindelijk zien we op de hoek Bestevaerstraat / Jan van Galenstraat Thom staan. Hij wenkt ons. Hannie keert de auto en stopt bij Thom. Aan de kant van de weg laad ik de fiets af en monteer de tassen, tent en slaapzak. Thom loopt ons vooruit en wijst ons de weg naar zijn schoonmoeder. Ik loop met de fiets de lift in en stal de fiets op de galerij. Binnen drinken we een kop koffie.

Eindelijk is het half elf. We gaan weg. De familieleden die ons uitzwaaien, rijden op eigen gelegenheid naar de Dam. Wij rijden op de fiets. De brug over de Kostverlorenvaart gaat vlak voor ons open. Het geeft me de gelegenheid om even wat spulletjes beter op mijn fiets te installeren. Via de Marnixstraat en Rozengracht komen we rond kwart voor elf aan op de Dam.

Het is er druk. Er staan bekenden, die ik niet verwachtte: mijn maatje Gerry en zijn vrouw Ans, maar ook hun dochter Anita met haar vriend. Ook studiegenoot Joanke Tito met haar man! Er worden heel wat foto's van ons gemaakt. Veel voorbijgangers blijven nieuwsgierig staan kijken wat die twee mannen wel aan het doen zijn. Wij doen niets, gewoon even poseren!

Het is trouwens veel sneller 11 uur dan ik dacht. Heel kort en eigenlijk ook veel te snel neem ik afscheid van mijn dierbaren. Joanke drukt me iets in de hand. Niemand ziet het. Ik moet haar beloven dat ik het pakketje pas zal bekijken als het moeilijk wordt en écht niet meer gaat.

Rob en Peter geef ik beiden een zoen. Hannie kijkt me na de afscheidskus héél indringend aan (of was dat maar een gevoel van me?). Ik wil niet toegeven om emotioneel te worden. Ik wil toch naar Santiago de Compostela? Hier heb ik toch zo lang naar toegeleefd? Nou dan!

Hannie heeft ook 'geregeld' dat er een motorrijder klaar staat om ons te gidsen. Klokslag 11 uur stappen we op de fiets. Het verkeer wordt door de motoragent stopgezet. Onder begeleiding van zwaailicht en sirene rijden we weg. Ik kijk nog even om en zwaai achteromkijkend naar mijn dierbaren.

Op de Dam komt net tramlijn 25 langs. De tram stopt en bestuurder belt langdurig. Hoe is het mogelijk: mijn vriend Chris is de trambestuurder en hij vouwt zijn beide handen naast zijn hoofd ineen, steekt daarna z'n duimen omhoog wenst ons op die manier veel succes.

Over de vrije trambaan gaat het richting Muntplein. De motorrijder rijdt veel sneller dan wij. Halverwege raken Thom en ik ook nog even met de fietssturen in elkaar, wat bijna een valpartij oplevert.

Op het Weteringcircuit gaat de motorrijder ons voor, richting Ferdinand Bolstraat. Het verkeer wordt voor ons stopgezet. Thom en ik rijden rechtdoor, terwijl de motorrijder linksaf slaat en tegelijkertijd afscheid van ons neemt.

Voor mijn gevoel is het nu stil. Thom en ik zijn vanaf dit moment alleen en gaan nu echt op weg naar Santiago de Compostela in Spanje. Op de hoek Ferdinand Bolstraat / Ceintuurbaan staan we voor het stoplicht te wachten. Thom en ik drukken elkaar de hand. We wensen elkaar veel succes toe en hopen op een goede afloop van deze monstertocht.

We rijden over de Rijnstraat. Het is een drukte van belang. Veel publiek loopt langs de stalletjes van de bazaar. In de kerk op de hoek bij de Lekstraat willen wij onze eerste stempel halen. De kerkdienst is nog aan de gang. Aan de achterzijde komen we bij het parochiehuis. De koster wil ons wel aan een stempel helpen. Of één van ons mee wil lopen. Thom gaat mee. Het duurt vrij lang voordat hij terug is. De koster blijft maar met ons kletsen. Hij vindt Santiago een mooi reisdoel, maar de poolcirkel is volgens hem veel mooier. Daar gaat hij vaak naar toe.  We komen niet van hem af: hij blijft maar doorpraten. De stempel die we uiteindelijk van de koster ontvangen is van de THOMASKERK.

Onder het viaduct van de Kennedylaan zien we opnieuw Chris, die net uit zijn tramlijn 25 stapt. Thom en ik stoppen heel even en praten heel kort met hem. We gaan verder. Langs de Amstel gaan we richting Ouderkerk. Langs de mij bekende route gaan we door Abcoude, richting Loenen.

Net over de brug over het Amsterdam Rijnkanaal stoppen we voor onze eerste break. In een bushokje eten en drinken we wat. Na een klein half uur rijden we door.

Langs Loenen en Utrecht gaan we naar Bunnik. We gaan langs een familielid van Thom, oom Roel en krijgen er wat te eten en te drinken. Oom Roel is een gezellige man, die ons veel vraagt. De soep is na een uurtje echt op en we gaan verder op pad.

De wind waait sterk en we hebben hem recht op kop. We praten veel onderweg en rijden langs de kastelenroute richting Wijk bij Duurstede. De pont komt er net aan en we kunnen meteen er oprijden. Langs de rivier rijden we over de dijk. In de laatste 15 kilometer begin ik mijn benen een beetje te voelen. De wind begint zijn tol te eisen.

Toch bereiken we rond 17.00 uur Tiel en komen bij het huis van schoonzus Dora en zwager Rini. Daar zullen wij onze eerste nacht doorbrengen. Dora heeft een gigantische pan spaghetti én macaroni gemaakt. Het gaat er best in. We scheppen wel drie keer op!

We praten nog wat na en rond 22.00 uur gaan we naar zolder, onze slaapplaats. Ik val snel in slaap maar word door Bobby, de hond wakker gemaakt. Ineens staat hij op de zolder en is nieuwsgierig aan het snuffelen. Ik heb vergeten het kinderhekje af te sluiten.... Ik val weer snel in slaap.

DAG:  98.4       MAX:  34.0       TIJD: 4.46        GEMIDDELD: 20.6


 


DAG 2

Het blijkt, dat Rini vroeg op moet staan. Dat had hij ook gezegd, maar hij had er niet bij verteld, dat het om half vier is. De boiler staat vlak boven onze hoofden en maakt ons wakker met een gigantisch geborrel, geklepper en geratel. Ik slaap wel weer snel in, maar krijg een paar keer een por van Thom, die naast me op de grond ligt. Kennelijk omdat ik wat snurkte.

Rond half acht staan we op. Het slaapmatje is snel opgevouwen. Het is buiten in ieder geval droog weer. Het ziet er wel dreigend en wat heiig uit. We eten een boterham en maken ons weer op voor de reis. Onze fietsen trekken we uit het veel te kleine schuurtje.

Gisteren bleek al dat mijn teller iets afwijkt met die van Thom. In plaats van dat ik op de fietscomputer de wielomtrek aanpas, druk ik abusievelijk op de reset-knop. De teller staat weer op nul. Nou ja, dan maar helemaal vanaf niets beginnen....

Om kwart voor negen rijden we weg. Neefje Roy rijdt ons voor en loodst ons Tiel uit. Hij brengt ons naar de pont bij Wamel. Roy rijdt weer terug en wij wachten op de pont. Het is nogal guur weer, vooral zo aan het water. Het duurt ook gigantisch lang, voordat onze oversteek mogelijkheid er aan komt. Aan de overzijde rijden we langs de oever van de Waal. Het gaat lekker met een lichte wind in de rug. We kletsen veel onderweg en houden goed het tempo erin. Thom kent vanaf hier goed de weg. Probleemloos rijden we langs Dreumel, Rossum en Hedel. Het is een uur of half elf als wij Den Bosch binnen rijden. Wij gaan het kantoor van de PNEM binnen, het werk van Thom. Daar krijgen wij veel reacties van spontane collega's van Thom. Eén collega van hem vraagt wel honderduit naar onze reis. Het is net elf uur als wij weer verder gaan.

Thom kiest voor een wat rustiger route, die wel wat omrijdt. Via Sint Michielsgestel en Gemonde rijden we richting Liempde. Het weer wordt steeds mooier en op een gegeven moment gaat zelfs de lange broek uit. Het begint wel wat harder te waaien, maar we kunnen de teller op ruim 21 kilometer per uur houden. Ik moet er wel wat moeite voor doen om het tempo vol te houden. Thom gaat het ogenschijnlijk wat makkelijker af.

Nabij Best staan we stil bij een stoplicht. Een wat oudere man op de fiets komt naast ons staan. Aanvankelijk zegt hij niets, maar als we al weer verder rijden, horen we achter ons wat gehijg. Hij probeert ons in te halen. Hij herkent de Jacobsschelp op onze tassen en vraagt ons of wij op weg zijn naar Santiago! Het verbaast mij, dat we nu al iemand tegen kwamen, die het pelgrimsteken herkent. Vlak bij Eindhoven begint het wat te spetteren, maar we houden het redelijk droog. In ieder geval geen regenjacks aan, of zo.

Laat in de middag komen we in Valkenswaard aan. De chauffeur van een voorbijrijdende brandweerauto herkent Thom en claxonneert. Bij de kerk halen wij onze tweede stempel. Nauwelijks zijn we bij Thom's huis, of  het begint gigantisch te hozen! Wat een mazzel dat we op tijd binnen zijn ! De hele middag en avond komen er vrienden en kennissen van Thom langs om ons succes te wensen. Elly maakt stamppot andijvie (met een bal gehakt) voor ons klaar.

Het is rond 22.00 uur als ik plat ga. Ik ben toch wel moe. Buiten is het droog en de weersvoorspelling is redelijk, met wat kans op een regenbui.

DAG:  85.17     MAX:  34.2       TIJD 4.25          GEMIDDELD: 19.2        TOTAAL:  193.5


 


DAG 3

Thom klopt rond half acht op mijn kamerdeur. Ik was al wakker, maar lig nog gewoon in mijn slaapzak. Op ons gemak gaan we ontbijten en de tassen van de fiets inpakken en opladen. Elly had nog wat extra krentenbollen voor ons gekocht. De bidons worden gevuld en rond kwart voor negen rijden we weg. We worden uitgezwaaid door Elly, Simone en een kleine 20-tal buurtbewoners.

In ieder geval moeten we langs Roermond om daar langs een voormalige werkplek van Thom te gaan. Ook daar collega's (en sponsors) van hem, die ons succes willen wensen.

Om de drukte wat te ontlopen, rijden we richting Weert. Langs Baexum rijden we richting Roermond, waar wij rond half twaalf aankomen.

We parkeren onze fietsen voor het gigantische gebouw. De ontvangst van Thom’s collega’s is heel lauw. Er is weinig response. We zijn er ook vrij snel klaar: al om 12 uur zitten we op de fiets, richting Maastricht.

Het zonnetje komt er af en toe door. Het is nu een graad of veertien en we hebben een lichte wind op de kop. Thom past zijn tempo aan mij aan. Toch kunnen we een gemiddelde van 21, 22 kilometer per uur blijven rijden. Ik merk dat ik te weinig eet en drink. Vooral eten: Thom eet wel het drievoudige van wat ik eet!

Voorbij Sittard krijgen we de eerste heuvel. De afdaling bij Beek gaat heel vlot. Onder aan de rotonde moeten we de weg vragen, maar na wat zoeken komen we toch weer op de route. Tegen half vier rijden we Maastricht binnen. Het is inmiddels lekker warm geworden. Langs de oever van de Maas kleden we ons uit (althans: de lange broek en trui).

Ik stel voor om nog even naar het centrum te rijden om een foto te maken voor de kerk op het Vrijthof. Na een kleine omweg komen we op een hartstikke leeg plein. Wat een tegenvaller! Bij een bank halen we bij de flappentap nog even wat Nederlands geld voor de camping voor vannacht. Thom weet de weg naar Eijsden, onze volgende doel. Het is tevens ons einddoel voor vandaag, want in Eijsden is de camping. We blijven oostelijk van de Maas rijden.

'De weg verandert Thom, klopt dat?' 'Dat hoort zo', zegt hij.  Ongemerkt blijken we België binnen te rijden. We rijden een brug over en vragen een oude man de weg naar Eijsden. Hij verstaat geen Nederlands. Eijsden? Aha, Eijsdén ! Met handen en voeten legt hij ons uit, dat Eijsden aan de overkant van de Maas ligt en dat we een stuk door moeten rijden om daarna weer terug te rijden.... Kortom, een kilometer of twaalf weer terug naar Nederland.

Eijsden is een heel klein plaatsje. In de pastorie willen we een stempel halen. Helaas is er niemand, alles is dicht. Dan maar naar de camping. De camping ligt in een heuvelachtig terrein, waar geen vlak stukje te ontdekken is. Het gras is doorweekt. Drijfnat. Het is een grote baggertroep. Een campinggast vertelt dat we het treffen: het is vandaag de eerste redelijk mooie dag!  Het heeft de afgelopen week alleen maar gehoosd.

Tijdens het opzetten van de tent begint het te gieten en te onweren. Het is gelukkig maar van korte duur. Snel even douchen. In de douchecabine blijk ik in mijn haast vanwege de opkomende regenbui allerlei spullen uit de tent vergeten mee te nemen. Terug om het douchemuntje te halen. In tweede instantie blijken we alle twee onze shampoo vergeten te zijn. Weer terug.

In het camping-restaurant kunnen we gelukkig wat eten. Vanwege het nog zeer prille campingseizoen blijkt het een karige keuze: uitsluitend pannenkoeken. Voor twee heel dunne pannenkoeken betaal ik 20 gulden.

Dan maar snel naar bed. Ik voel me moe en val snel in slaap.

DAG:  124.1     MAX:  47.0       TIJD 6.49          GEMIDDELD: 19.2        TOTAAL:  317.6

 


DAG 4

Ik word om half acht wakker. De camping is nog heel stil. Als ik de rits van de tent opendoe, zie ik een stralend blauwe lucht. De bestelde broodjes zullen pas tussen half negen en negen uur bij de campingwinkel geleverd worden, dus we kunnen rustig aandoen. De tent ruim ik vast leeg. De tent is drijfnat. Op ons gemak laden we de fietsen op. We halen het brood, eten nog wat en rijden pas om half tien van de camping.

Het eerste stuk van onze route is louter afdaling. Al na een paar kilometer merk ik, dat de structuur van de wegen iets verandert. Er zijn geen fietspaden meer en het asfalt zit vol met gaten. Logisch, denk ik. We rijden België binnen! Na een kilometer of tien gaan we linksaf richting 's Gravenvoeren. De eerste heuvels komen er aan. Het zijn van die korte, steile heuvels. Een paar kilometer klimmen en dan weer heel kort dalen. Thom rijdt bij iedere klim bij me weg. Ik probeer hem bij te houden, maar gaandeweg merk ik, dat het  onbegonnen werk is. Ik wil wel, maar kan hem gewoon niet bijhouden. Toch wil ik me niet kapot rijden en probeer zoveel mogelijk mijn eigen tempo vast te houden. Na een lange afdaling komen we onder spoor van Limbourg. Daar gaan we eerst even wat eten en drinken. Het is redelijk weer, zodat we buiten op het terrasje gaan zitten. We drinken een kopje koffie en doen even later op de tegenovergelegen markt wat inkopen. Daar kopen we kaas, bananen en wat vleeswaren. Als we weer in het zadel gaan, krijgen we meteen een heel steile klim voor de kiezen. Niet erg lang, een kilometer of twee, maar goed genoeg om bijna te moeten gaan lopen. Ik kan gelukkig in het zadel blijven.

Het blijft de hele dag klimmen en dalen. Ik ervaar het als een martelgang. Veel blijven eten en drinken is het devies. Ik houd me er aan. In de richting van Stoumont krijgen we weer een pittige klim voor de kiezen. Het wordt naar 525 meter hoogte klimmen. Tijdens de afdaling masseer ik mijn dijbenen en schudt ze wat los. Even voorbij het spoor bij Stoumont ontdekken we twee kleine campings. Het is er vol met caravans. Even staan we te overleggen. Stoppen we of rijden we door? We kiezen voor het laatste. Tenslotte is het nog redelijk vroeg in de middag. Na een tijdje komen we in Lierneux aan. Volgens de routebeschrijving moet hier een camping zijn. Bij navraag blijkt dat hier geen camping is. Of een paar kilometer terugrijden of mogelijk doorrijden naar Joubiéval. Opnieuw kiezen voor het laatste. Het zijn nog zeven loodzware kilometers. Uiteindelijk zien we aan de linkerzijde de camping. Het is even wat omrijden. Via het lange grindpad rijden we in de richting van de receptie. Het is doodstil op de camping. Je hoort en ziet niemand. Er staan louter wat caravans, maar die maken geen bewoonde indruk. Dat klopt ook, want de camping is gesloten. Het seizoen is nog niet begonnen. Juist op dat moment komt een wat oudere man uit het campinghuis. Het is de camping-eigenaar. In wat gebroken Frans / Nederlands legt hij ons uit, dat de camping nog gesloten is. Maar voor ons maakt hij wel even een uitzondering. Voor 20 gulden per persoon mogen wij ons tentje neerzetten. We doen het en kopen bij hem een flesje bier.

De tenten zijn snel opgezet. We staan redelijk dicht bij een grote weg, die behoorlijk wat herrie maakt. In het campinghuis ga ik snel onder de douche. Buiten begint het al wat kouder te worden. Eigenlijk hebben we geen alternatief om ergens te gaan eten, dus maken we voor het eerst een noodrantsoentje klaar. Het smaakt best. Ik bel nog even naar huis en krijg Hannie aan de lijn. Omdat ik maar weinig Belgisch geld bij me heb, houd ik het gesprek kort en zakelijk: het gaat goed met me, alleen mijn benen doen gigantisch zeer. Het begint inmiddels al donker te worden. Ik kruip doodmoe in mijn slaapzak en val heel snel in slaap.

DAG:  101.5     TIJD 6.21          GEMIDDELD: 15.9        MAX:  57.3       TOTAAL:  419.1

 

 

DAG 5

 


Tjonge, wat was het koud vannacht. Een paar keer werd ik wakker. Niet alleen de kou aan mijn hoofd maar vooral vanwege de pijn aan mijn benen. Als ik mijn benen strek, doet dat enorm pijn. Gewoon vanwege de overbelasting, denk ik. Het is zeven uur als ik op sta. Het is koud en enorm mistig buiten. Het zicht is niet meer dan een meter of vijftig. De tent is door- en door nat. Bij het inpakken sla ik de tent een paar keer uit om maar zo min mogelijk water mee te hoeven slepen. Een tafeltje om wat te gaan eten is snel gevonden. Thom is een muesli-eter. Ik probeer het ook. De brander gaat aan en ik maak een noodrantsoentje muesli. De muesli valt me zwaar tegen. Niet om te eten. De smaak gaat wel, maar als ik het in mijn mond steek, drink ik onbewust eerst de melk er uit. Wat in de mond overblijft is een droge bal met muesli, wat nauwelijks weg te krijgen is. Bij Thom niet. Hij eet bijna de hele tweepersoons maaltijd. Hij vindt het heerlijk!

Rond kwart voor negen rijden we van de camping weg. Langs de slagbomen en meteen weer op de route. We krijgen meteen een heel pittige klim, richting Montleban. Thom rijdt snel bij me weg. Ik kan hem niet bijhouden. Onderweg eet en drink ik tegen heug en meug. Ik heb nauwelijks honger, maar verplicht mezelf om te eten. Het is hier een schitterende natuur. Bij Cetteru rijden we door het bos en aan het eind gaan we naar links. De klim in. Het is een beste klim van een paar kilometer! Thom is al snel uit het zicht verdwenen. In mijn eigen tempo kom ik boven.

Thom heeft ergens langs de kant van de weg een stoeltje gevonden en heeft die voor mij geïnstalleerd. Kan ik even uitrusten. Dat doe ik dan ook. Terwijl Thom met een van de lokale bewoners een babbeltje staat te maken, zit ik op het stoeltje een banaan te eten. Tjonge, wat doen mijn benen zeer! Na een kwartiertje gaan we weer verder. Gelukkig een vrij lange afdaling. Het klimmen en dalen blijft maar doorgaan. Gelukkig gaat het in de loop van de dag met mijn benen steeds beter. Ze doen niet meer zo'n pijn. Wellicht omdat er niet meer zo zwaar geklommen hoeft te worden. Ik weet mijn tempo zo aan te passen dat ik net uit de pijngrens blijf. Wel voel ik af en toe mijn rechterknie.

Na Michamps worden de heuvel wat minder steil. Wel langer, maar dat vind ik niet zo erg. In Bourcy halen we in de supermarkt wat eten en drinken. Melk, kaas, brood, spaghetti, boter en wat bananen. Licht glooiend komen we in Bastogne aan. Op een parkeerplaats langs de doorgaande route stoppen we. Midden op de parkeerplaats staat een geschutskoepel van een tank uit de Tweede Wereldoorlog. Schuin links van ons zien we het Museum van het Ardennen offensief.

Ik steek de brander aan en kook wat spaghetti. Droge spaghetti, want we hebben er niets bij. Alleen wat boter. Het is te eten, maar zeker geen culinaire hoogstand. We blijven er een half uurtje zitten. Het zonnetje doet ons goed. Na een klein kwartiertje bereiken we het centrum van Bastogne. Op een plein vinden we een VVV-kantoortje. Daar halen we maar onze stempel, denken we. Want al onze eerdere inspanningen om bij een lokale pastorie iets te halen, liepen op niets uit. Alle pastorieën zijn gesloten, maar gelukkig is de VVV van Bastogne open. De vriendelijke dame antwoordt ons in het Frans, maar als ze merkt dat wij Hollanders zijn, spreekt zijn ons in gebrekkig Nederlands toe. Ze geeft een stempel in de geloofsbrief en wijst ons de weg hoe wij weer op de route komen.

Schuin het plein oversteken en weer een beetje klimmen. De route valt mee. Het weer is goed om te fietsen. Het is een graad of veertien, de zon schijnt af en toe tussen de wolken en we hebben een lichte wind in de rug. Bij Remoiville raken we even van de route, wat ons een paar kilometer omrijden kost. Naar Sure is het een steile afdaling van 12 %. We rijden een stukje langs de snelweg en gaan richting Lescheret.

Op een klein landweggetje komen we voor het eerst een paar fietsvakantiegangers tegen. Twee jonge vrouwen zitten in de kant van de weg een broodje te eten. Omdat Thom ver voorop rijdt, is hij eerder bij hen dan ik. Zodoende heeft hij het gesprek al aangeknoopt. Zij zijn met de trein naar Luik gereden en zijn nu een weekje aan het rondtoeren. De zware fietstassen verraden dat zij heel veel spullen bij zich hebben. Ook zij volgen de route van het groene boekje: dezelfde route die wij volgen. Het gesprek duurt maar heel kort. Wij gaan verder. De heuvels blijven, maar ik wen er steeds meer aan. Ik rijd gewoon mijn eigen tempo.

We naderen ongemerkt al meer en meer de Franse grens. Nog voordat we een klim ingaan, ziet Thom aan de rechterzijde een fietsenwinkel. Thom stopt om voor ‘de zekerheid’ toch maar wat extra remblokjes te kopen. Zeker als we de afdaling in de Pyreneeën zullen krijgen. Als we de winkel verlaten, kijkt Thom zijn fiets na. Het blijkt, dat de achterremblokjes van zijn fiets al behoorlijk ingesleten zijn. Al die tijd heeft hij met een aanlopend remblokje gereden ! Hilariteit, natuurlijk. Ik lach een beetje als een boer met kiespijn, want het houdt dus eigenlijk in, dat mijn fietsmaatje nóg sneller kan rijden !!!

Bij Léglise stoppen we bij de kerk. Even de pastoor zoeken. Weer vergeefs. Langzamerhand beginnen we de moed te verliezen om 'gewoon' bij een kerk even een stempeltje voor onze geloofsbrief te halen. Nog een kleine 15 kilometer en dan hebben we het wel weer gehad voor vandaag. Het einddoel is Jamoigne. De weg is nu wat vlakker. In Rossignol halen we op de hoek bij een slagerij nog wat ham. Eén grote dikke plak, voor de spaghetti. De bank is gesloten en de flappentapper werkt niet. Langs een kanaaltje vinden we de camping. We melden ons bij de receptie. Het is vrij druk. Er wordt een soort kermis opgebouwd. Gelukkig is het voor een feest wat morgenavond gaat beginnen. Wij zullen er dus geen last van hebben. In de kantine eerst een klein biertje. Nadat we de tent opgezet hebben gaan we douchen.

Ook gaan de fietskleren in de wasmachine en de droger. De wasmachine gaat niet helemaal zoals wij dachten. Iets is er fout in de programmering gegaan, want in plaats van één, hebben we twee muntjes nodig. De droger is ook niet helemaal goed ingesteld. De kleren komen er maar een beetje droger uit, dan ze er in gegaan zijn.

Terug bij de tent gaat weer de vlam onder de brander. Spaghetti met fijngesneden ham. Het is gewoon lekker! Na het eten drinken we in het bargedeelte een lekker biertje, een DUVEL. Dat hebben we wel verdiend, vind ik. Aan een klein tafeltje gaan we meteen het dagboek bijwerken. Het is al bijna negen uur. Het Belgisch geld is opgemaakt (nee, niet aan het bier). Ik bel morgen wel naar huis. Terwijl ik het dagboek bijwerk denk ik aan thuis.

Het is nu al weer de vijfde dag en ik begin ze al een beetje te missen. Nou, niet écht missen, maar gewoon... Waren ze er maar bij, meedelen in mijn plezier! Het is half tien en ik ga naar mijn matras. Het gaat goed met me. De pijn in mijn benen is bijna verdwenen en we liggen redelijk goed op schema.

Nog maar dertig kilometer en dan zijn we al in Frankrijk!

DAG:   98.7      TIJD 5.50          GEMIDDELD: 16.8        MAX:  54.5       TOTAAL:  517.8

 

 


DAG 6

Ik heb goed geslapen. Ik ben wel een paar keer wakker geworden. Telkens keek ik op mijn horloge om me maar niet te verslapen (...!). Om zeven uur sta ik op. Thom slaapt nog. De tent klappert. Het waait best. Als ik de tent openrits, zie ik dat het nog nevelig donker is. In ieder geval geen zon te zien. Na het wassen 'kraken' we een bankje bij een leegstaande caravan. We eten wat brood met leverpastei en kaas. Het begint een beetje een vaststaand ritueel te worden: zeven uur op en rond half negen rijden we weg.

Even buiten de camping bel ik van mijn laatste 20 Belgische Francs naar huis. Heel kort. 'Ik hou van je. Het gaat goed met ons.' Op Hannie´s vraag of deze rit zwaarder is dan de rit naar Oostenrijk kan ik haar niet meer antwoorden. De verbinding wordt verbroken, omdat mijn geld op is.

Het zijn een paar korte klimmen, maar we rijden door een schitterend bos (het foret d'Orval). Tijdens een korte afdaling rijden we langs de muur van de abdij. Aan de voorzijde van het gebouw stoppen we even. Een schitterende abdij, die nog steeds in gebruik is. Nadat we ons bij de receptie gemeld hebben, vragen we de portier om een stempel. We kunnen kiezen uit verschillende soorten stempels.

De man lijkt blij dat hij eindelijk weer kan praten met een paar vreemdelingen. Hij kletst ons de oren van het hoofd. Eigenlijk komen we haast niet weg. Bij de receptie neemt hij voor ons album nog even een foto.

Hij waarschuwt ons voor een vals plat dat ons nog te wachten staat. Hij probeerde zelfs een paar Nederlandse woorden, maar uiteindelijk kunnen we toch bij hem weg.

We rijden inderdaad een vals plat van een kilometer of tien. Bij Limes moeten we de hoofdrijbaan verlaten om rechtsaf te gaan in de richting van Avioth, de Franse grens. De klim begint vrij rustig, maar het laatste stuk is toch behoorlijk steil. We komen zelfs langs een piepklein douane kantoortje met een daarbij behorend 'soldatenhuisje'. In de klim worden we door een oudere vrouw aangemoedigd: 'Tres dur, c'est ne pas?'. Thom is al weer snel bij me weg en wacht boven aan de beklimming op mij.

We rijden door naar Avioth. Een vreemd gevoel overvalt me. Al in Frankrijk. Het lijkt of we ik weet niet hoever al van huis zijn. In Avioth belt Thom naar huis. Hij moet langs de kerk een stukje omhoog fietsen, want daar is de enige telefooncel. Ik wacht wel beneden. In een bushokje. Ik eet ondertussen een LIGAkoekje en drink wat. Na een paar minuten verschijnt Thom weer en we gaan verder op pad.

We moeten boodschappen doen. Het is vandaag de 1e mei en bewoners waarschuwen ons dat de winkels vanmiddag gesloten zijn. In Thonelle zijn geen winkels, ondanks dat dit wel in onze routebeschrijving staat. Het wordt doorrijden naar Montmedy. Mont Medy, spel ik in gedachten. Mont betekent berg….

Klopt. Op een splitsing kunnen we kiezen tussen beneden langs (de oorspronkelijke route) of boven langs, richting Montmedy.

Een keuze hebben we niet. We hebben boodschappen nodig, dus het wordt klimmen geblazen. Een lange, gestage klim. Uiteindelijk komen we in Montmedy aan. We vragen naar de plaatselijke supermarkt. Het heeft geen zin, want alles is vandaag gesloten. Bewoners reageren verbaasd: natuurlijk is alles dicht. Het is toch de eerste mei? Ik kan er niet eens boos om worden.

We zoeken de route op en nemen eerst een steile afdaling van 13%. Beneden komen we toch redelijk snel weer op de route. Het is een provinciale weg die we over een kilometer of wat volgen. Het verkeer raast vrij dicht langs ons heen. Ik vind het niet gevaarlijk. Toch moeten we nog wat te eten hebben.

De dichtstbijzijnde redelijk grote stad is Stenay. In Baalon vragen we naar een supermarkt. Die is er niet, dus moeten we toch in Stenay zijn. Het is wel zeker 7 kilometer omrijden, maar we hebben geen keus. Ik begin gewoon wat honger te krijgen. Stenay ligt boven op een heuvel (hoe kan het anders). Als we de stad binnenrijden, zien we dat het een drukte van jewelste is. Het lijkt wel of de hele provincie hier verzameld is. Er is een grote markt met wel duizenden bezoekers. De fietsen worden op een rotonde geparkeerd en Thom gaat de markt op om wat brood te kopen. Het duurt nogal, maar uiteindelijk verschijnt hij met twee stokbroden en twee appelgebakjes. Op een stoeprand peuzelen we de lekkernij op. Plotseling valt Thom's fiets om. Gelukkig is er niets beschadigd.

Na een stief kwartiertje gaan we weer op pad. Thom vindt snel de route. Bij Mouzay gaan we over wat rustiger wegen rijden. Op een landweggetje stoppen we opnieuw en eten nu wat brood met kaas en leverpastei. Het weer ziet er erg dreigend donker uit. Na een lange afdaling komen we in Lion de Dun. Het begint aanvankelijk te motregenen, maar dat houdt snel op. Het begint te regenen. Vlak voor de klim stoppen we in een bushokje. Ik haal vast de poncho te voorschijn en eet ondertussen een stroopwafel. Thom heeft inmiddels bij de aanliggende huizen contact gekregen met een lokale bewoonster. Hij komt niet van haar af. Ze is ongeveer 1.60 meter groot, weegt ongeveer 85 kilo en heeft maar één boventand. Wat Thom ook probeert, hij komt niet van haar los. Even later komt zelfs opa naar buiten. Gekscherend vraag ik Thom of hij kan regelen dat wij bij haar kunnen overnachten…. Ik slaap wel op zolder! De Franse vrouw heeft geen idee, waarom wij zo’n lol hebben.

Tijdens ons oponthoud komen er twee in rode poncho's geklede fietsers voorbij. Alleen achtertassen en een rugzak hebben ze bij zich. Ze groeten, maar ik versta ze niet. Het lijken Nederlanders, gok ik. We zijn ze tijdens het rijden niet meer tegengekomen. Ongeveer een half uur wachten we in het bushokje. We kleden ons echt om. In de poncho dus.

De klim naar Dun-dur-Meuse wordt een natte bedoening. Samen besluiten we om door te rijden tot Varennes, nog een kleine 22 kilometer. Thom baalt zicht- en hoorbaar van de regen. Ik heb er wat minder last van. De twee stokbroden boven op de achterbagage worden snel broodpap. Ik houd de moed er in. Het is niet echt prettig rijden, maar het valt me niet echt zwaar. Blik op oneindig, verstand op nul en gewoon doortrappen. Het gaat me redelijk af. De pijn in mijn benen voel ik niet meer en ik kan Thom ook in een klimmetje redelijk bijhouden.

We trappen nu gemiddeld rond de 24 kilometer per uur. Thom wil niet naar een camping. Het is veel te nat. Maar in Varenne is geen gite-de-hotel. Het is inmiddels droog geworden en we rijden dan toch maar de municipal op. De camping heeft wel bezoekers, maar de receptie is gesloten. We zetten gewoon de tent op. De campingbezoekers zijn bezig de caravans opnieuw te plaatsen. Het wordt een cirkel. Er komen steeds meer bezoekers, die elkaar hartelijk, maar vooral luidruchtig begroeten.

Na het douchen gaan we het dorp in. Er is geen bank waar we kunnen pinnen. De winkels zijn dicht. Als we weer terug op de camping zijn, komt de campingbeheerster langs. Het vorstelijke bedrag van 27 FF (een kleine 5 gulden per persoon) moeten we betalen. De eerste bank is pas op een kleine 50 kilometer verderop, zegt de beheerster. Thom heeft geen Frans geld bij zich. Om nu weer een noodrantsoen aan te slaan, lijkt ons geen goed idee. Dan maar weer terug naar het dorp. Er is één restaurant en die gaat pas om 19.00 uur open. Weer terug op de camping schrijf ik het dagboek bij. Om kwart over zeven gaan we weer naar het dorp. We bestellen in een restaurant een goed diner. Nauwelijks zitten we aan tafel, als de deur opengaat en de twee fietsers van de middag binnenkomen! Ze stellen zich voor als Ben en Gert.

Het zijn twee zwagers, ongeveer 65 jaar oud en komen uit Tilburg. 'Wij zullen maar niet vertellen waar wij helemaal naar toe gaan', zegt Gert. Hij wacht even. 'Naar Santiago de Compostela', zegt hij hoopvol. 'Wij ook', is het redelijk korte antwoord. Aan tafel wisselen we veel ervaringen uit. Zij zijn al anderhalve week onderweg en hopen er rond 16 juni aan te komen.

Ik betaal na afloop het eten met een creditcard en bel rond half tien nog even naar huis. Ik bel collect call. Dat bevalt prima. Beter dan telkens een telefoonkaart te moeten kopen. Uiteindelijk moet ik de rekening toch zelf betalen, nietwaar? Ik vertel Hannie waar we zijn en maak onze plannen voor morgen bekend. Peter zit tijdens het telefoongesprek mee te luisteren. Op een moment, dat Hannie's gesprek even stil valt, komt hij ertussen: 'Pap, je moet maar weer snel naar huis komen, hoor.'

Onze tenten staan vrij dicht bij de douche cabines. De kleding hangen wij in de ruimte om te drogen. In de tent werk ik bij een zaklampje mijn dagboek bij. Het is kwart over tien als ik definitief onder zeil ga. Ik voel me niet moe, maar moet veel gapen.

Morgen nog een klein stukje tot aan Chalons-sur-Marne. Nog een grove 70 kilometer.

DAG:   88.3      TIJD 5.06          GEMIDDELD: 17.2        MAX:  65.5       TOTAAL:  606.1

 


DAG 7

 


Ik kom moeilijk in slaap. Ik draai me vaak om, maar kan de slaap niet vatten. Ik hoor de kerkklok nog twaalf uur slaan. Af en toe doezel ik weg, maar kom toch niet goed in slaap. Om kwart over drie word ik wakker van de regen. Ik droom veel. Ik droom dat het niet goed met me gaat, ik haal Santiago niet. Ik droom over honkbal, over de meest gekke dingen. Om zeven uur ben ik wakker en ga me vast wassen en aankleden. Het regent nog steeds. Thom slaap nog. Ik ruim het wasgoed uit de douche cabines op. Thom wordt maar niet wakker. Ik moet hem wel vier keer roepen, voordat ik antwoord krijg dat hij wakker is. Onder het afdakje bij de douche cabines maak ik een noodrantsoen muesli warm. Ik krijg het maar moeilijk weg. Thom niet.

We rijden rond negen uur van de camping. Het is inmiddels een beetje minder gaan regenen. Eerst een klim naar het plaatselijke postkantoor. Thom wil een Eurocheque inwisselen om wat Frans geld op voorraad te hebben. Vergeefs. De cheques worden niet geaccepteerd. Dan maar weer terug naar het dorp. Bij de bakker halen we wat brood, chocolade, pasta en een Mars voor onderweg. Weer dezelfde route terug, dus weer de klim.

Boven aan de heuvel komen we Ben en Gert tegen. Ze waren net een boterhammetje aan het oppeuzelen. Als verontschuldiging zeggen ze, dat in het hotel geen ontbijt geserveerd wordt. Ik geloof dat niet. Terwijl zij bij het Amerikaans monument uit de Eerste Wereldoorlog blijven staan, nemen wij afscheid van hen en gaan op pad.

De daaropvolgende klim is lang, maar niet steil. We rijden door een prachtig natuurgebied. Thom neemt weer een behoorlijke voorsprong. Ik zie hem niet meer. Ik draai mijn eigen tempo. In de afdaling doe ik mijn beenbescherming af. Dit zijn een soort gamaschen tegen het opspattend regenwater. De afdaling duurt lekker lang. Zonder te hoeven trappen kom ik makkelijk over de 30 kilometer per uur. De afdaling is ruim 4 kilometer. Beneden wacht Thom op me en we rijden weer samen op.

Door wat uitgestorven dorpjes rijden we in de motregen. De poncho hoeft nog niet om, maar echt prettig rijden is het niet. De weg loopt glooiend door geweldig grote koolzaadvelden en opkomend graan. De wind waait best. Inmiddels regent het af en toe. Door het plaatsje Hans komen we in Somme-Bionne. Het is een lange, rechte weg met aan beide zijden dunne, jonge boompjes.

De westenwind hebben we recht op kop. Het drukt wel het tempo, maar niet ons humeur. Zo vlak rijdend, zijn Thom en ik redelijk van gelijk niveau (althans Thom rijdt niet van me weg). Thom bestudeert de kaart en ziet dat er een kortere weg is tussen Somme-Bionne en la Croix-en-Champagne. Terwijl Thom nog op de kaart staat te kijken, rijd ik alvast de weg in. Onder het spoorwegviaduct is het nog steeds een asfaltweg. Ik wenk Thom. 'Kom maar', gebaar ik hem. Om geen tijd te verliezen, rijd ik vast door. Thom gebaart dat hij eraan komt en dat ik vast door kan rijden. Na een kilometer of drie houdt de asfaltweg op en wordt langzamerhand een onverharde weg.

Er zitten eerst nog wel wat klinkers tussen, maar het wordt steeds meer een verharde kleiweg. Teruggaan? Nee, teruggaan komt niet in ons woordenboek voor. Thom is inmiddels aangesloten. Gezamenlijk rijden we voorzichtig verder. De weg is glooiend.

In de kommen van de heuvels staan enorme plassen op de weg. Nou, weg... Het mag  geen naam meer hebben. Het is een baggerpad waar we zwoegend doorheen rijden. De fietsen zien er niet meer uit. Van die zandgele, plakkerige klei komt over de banden, het frame, de ketting en de remblokken. Ik rijd voorop. In een kom probeer ik uit een geul te rijden. Alleen het voorwiel wil, maar het achterwiel blijft nog even in de geul rijden. Het is precies genoeg om goed onderuit te gaan. SPLETS! Geen gevaarlijke val, want ik kan vrij gemakkelijk uit de klik-pedalen komen en weet naar links weg te rollen. 'Wat doe jij nou?' hoor ik achter me. Verschrikkelijk, wat zie ik er uit. Mijn kleding, de tassen, mijn fiets: één baggerbende. Mijn achteruitkijk spiegeltje ben ik kwijt en vind ik niet meer terug. De fiets en de bagage zagen er al niet meer uit, maar nu zit écht alles onder de klei. Na een kort oponthoud lopen we door de bagger en na een kleine 500 meter kunnen we weer voorzichtig fietsen. Het gaat, maar tjonge wat zie ik er uit, ik lijk wel een fietsende zwerver !

Inmiddels begint het weer te regenen. Het maakt mijn aanblik alleen maar armoediger. In La Croix-en-Champagne komen we weer op een asfaltweg en zitten weer op de reguliere route. In het eerstvolgende dorp stoppen we. We vinden een afdakje in St.Remy-sur-Bussy. Ik stook de brander op en maak wat instantkoffie. Thom smeert het brood. Het regent best. Een hond blaft de hele tijd, maar komt niet dichterbij. Onder het afdak wordt het gewoon heen en weer lopen, want een gelegenheid om te zitten is er niet. Lokale bewoners spreken ons aan. Thom doet het woord. Ik begrijp er niet zoveel van.

Ons drinken is bijna op en Thom vraagt bij een woonhuis om wat water. Een hele fles mineraalwater wordt ons aangeboden, die we dankbaar accepteren. Het hoost inmiddels. Langer wachten heeft  niet zoveel zin. Poncho om en maar weer rijden. Na Bussy-le-Chateau rijden we in puur zuidelijke richting naar Courtissois. We rijden eerst over het viaduct over de autosnelweg (de A4) en kruisen even later de N3. Na een paar kilometer komen we in L'Epine. Het dorp heeft een prachtige kathedraal.  Samen hebben we zin om wat te drinken en zoeken een restaurantje. De fiets wordt gestald. We doen de poncho over de hele fiets, zodat vooral het zadel een beetje droog blijft. Binnen drinken we een bakkie koffie en worden weer wat warmer. We blijven er een kwartiertje.

Als we weer naar buiten komen, staat de eigenaresse van de aanliggende antiekwinkel ons al op te wachten. Ik versta er niet veel van, maar begrijp wel degelijk dat ze enorm loopt te mopperen op Thom. Waarom hij zijn fiets tegen haar 'etalage' geplaatst heeft. Dat kost klanten! Thom verontschuldigt zich eerst, maar ze blijft gewoon doormopperen. Thom doet wat je volgens mij het best kan doen in zo'n geval: gewoon je spullen inpakken, niets terug zeggen en wegrijden.

We zoeken de route. Het is even wat omrijden, maar we komen weer op de route. Een grote groep soldaten is op patrouille. Thom knijpt in zijn 'eenden-bel'. Het rare kwaakgeluid roept evenzo vreemde reacties bij de soldaten op.

We zitten gezellig te kletsen als we (achteraf gezien) een afslag missen. Eigenlijk hadden we bij Milette linksaf gemoeten, maar we zijn gewoon rechtdoor gereden. Ik denk, dat we zeker zes kilometer te ver gereden hebben. We rijden weer terug en komen weer op de route naar Chalons-sur-Marne. Ik zeg tegen Thom dat ik al eerder in deze stad geweest ben, maar in de stad gekomen herken ik  niets. Eerst zoeken we dan maar een bank om wat geld op te nemen.

Thom wil het liefst niet in de tent slapen. Tenslotte is alles nog nat van vanmorgen. We rijden door het centrum naar de kathedraal. Daar halen we een stempel voor onze geloofsbrief. Door het winkelcentrum rijden we naar de plaatselijke VVV. De VVV-er wijst ons de weg naar een hotelletje. Eindelijk daar aangekomen, blijkt dat het hotel gesloten is. Dan maar naar de nabij gelegen jeugdherberg. Vol. In het voorbijrijden stoppen we bij de supermarkt en kopen de inmiddels gebruikelijke zaken: melk, sinaasappelen, spaghetti, brood. We halen er ook wat ratatouille bij en verwennen ons zelf met een flesje goedkope wijn. Moet kunnen, vinden we. Inmiddels is het droog geworden.

Ik praat een beetje op Thom in en uiteindelijk gaat hij akkoord dat we een camping opzoeken. De camping wordt gevonden. Het is een 5 sterren municipal. Het is er niet druk. Voor ons beiden betalen we 75 FF. Bij het inschrijven komt een grote Opel Senator met een behoorlijke caravan erachter de camping oprijden. Een Nederlander. In het receptiegebouwtje komt hij tijdens het inschrijven naast ons staan. Hij merkt dat wij ook Nederlanders zijn en beklaagt zich over de voor hem verschrikkelijk hoge prijzen, die ze op deze camping vragen. We gaan er niet op in. Wat een ge-eikel, denken wij.

De natte tenten zetten we op en het begint... weer te regenen. Na het douchen gaan we meteen de was doen. Dat is mogelijk omdat er een wasmachine en wasdroger beschikbaar zijn. Ondertussen zoeken we een afdakje. Daar gaat de brander aan en ik kook de spaghetti met ratatouille. Thom kent ratatouille niet. Vanwege het taalgebruik noemt hij het maar gemakshalve trappatoni-saus. Probleem. Ik heb wel een Leatherman multifunctioneel mes bij me, maar daar zit geen kurkentrekker op. Thom gaat op pad en gaat naar 'onze' Nederlandse vriend. Thom legt uit dat wij een probleem hebben: geen kurkentrekker. Onze vriend belaagt zich dat hij ook een probleem heeft: hij heeft het afwasborsteltje vergeten....(!)  We eten onder het afdakje onze avondmaaltijd. Het is maar goed dat weinigen ons gezien hebben. Ik geloof, dat het er best armoedig uitgezien moet hebben. Na een korte speurtocht ontdekken we een verwarmde TV-kamer. Daar eten we ons eten maar op. De fles wijn is snel soldaat. We halen de kleding uit de wasdroger, maar ook nu is de kleding niet goed droog. Mijn sokken zijn niet schoon geworden en verdwijnen is de afvalbak. Omdat er toch weinig campinggasten zijn, hangen we ons wasgoed in de TV-zaal te drogen op.  Ook de schoenen zetten we bij de verwarming. Het is inmiddels al bijna 21.00 uur. Ik bel naar huis, maar krijg geen verbinding. Dan morgen nog maar even proberen. In de lekker warme TV-zaal werken wij beiden ons dagboek bij. Het is er behoorlijk warm (of is het de wijn die toeslaat?) Ik overdenk de dag. Ik ben niet echt moe. Mijn benen doen geen pijn meer en ook mijn rechterknie voel ik niet meer. Wel mijn rechterhand en polsgewricht. Morgen wat meer het opzetstuur gebruiken om het gewricht wat te ontzien.

Thom en ik pakken de kaart en nemen (zoals elke avond) de route voor de volgende dag nog even door. Nu hebben we de hele kaart van Frankrijk voor ons liggen. Onze gemiddelde dagetappe is niet groter dan drie vingerdiktes. Zo verder redenerend, maken we een grove schatting van het aantal dagen, die we nog door Frankrijk moeten rijden. Ik schrik een beetje. Dat ziet er niet zo goed uit! Want als we zo doorgaan, is een rustdag uit den boze. Het aantal kilometers is véél meer dan onze inschatting. Ik vraag me af wij onze planning wel kunnen halen ! Het is ruim half tien als we naar de tent gaan. Het regent weer. We zien wel wat het morgen wordt. Doel is in ieder geval Troyes.

DAG:   85.6      TIJD 5.22          GEMIDDELD: 15.8        MAX:  39.0       TOTAAL:  691.7


 


DAG 8

Ik heb vannacht slecht geslapen. Vaak moest ik denken aan dat we veel sneller moeten rijden om ons doel te kunnen halen. We hebben tijdnood, we moeten opschieten. Het wordt buffelen, afzien. Vannacht ben ik vaak wakker geworden. Het is koud geweest en het heeft behoorlijk geregend. Om precies 7 uur ben ik wakker en kleed me in de tent aan. Het regent nog steeds. Ik maak Thom wakker. Meteen nadat hij wakker is, hoor ik hem op het weer vloeken. Snel pakken we alles in. In 'onze' TV-zaal is het nog steeds lekker warm. Ik krijg de muesli niet weg en probeer het ook niet. Ik eet gewoon weer ouderwets brood. Thom niet. Hij blijft trouw aan het bruine spul met warme melk. Vlak voordat we vertrekken bel ik vanuit de telefooncel nog even naar huis. Opnieuw krijg ik geen verbinding. Rond kwart voor negen rijden we van de camping weg. Een Nederlandse toeriste wenst ons een goede reis toe. Tjonge, wat is het koud vanmorgen. Het is steenkoud. We zitten snel op de route (op de Ruelle de St Jaques). De wind is sterk, maar we hebben de wind in de rug. Het wordt langzamerhand droger. Althans, het regent wat minder.

Na een kleine vier kilometer komen we Gert en Ben aan de kant van de weg tegen, juist voordat we de afslag D4 nemen. Op de routebeschrijving staat D2, dus ze waren kennelijk met elkaar aan het overleggen. Omdat wij groetend voorbij rijden, is dat voor hen het teken dat dit waarschijnlijk de goede weg is. Op ruime afstand volgen zij ons. Bij Ecury rijden we langs een klein vliegveld voor sportvliegtuigjes. Het is het begin van een lange rit langs lange, onoverzichtelijke, gigantisch eindeloze velden. Allemachtig, wat een velden. Kilometers lang. Oneindig. Waar je ook kijkt: geen mens, geen huis, geen auto's te zien. Thom en ik speculeren wat het als pelgrim (maar dan te voet) moet betekenen. Het houdt in, dat je heden ten dage wel twee dagen geen mens tegen zou kunnen komen.

In het uitgestorven, kleine plaatsje St Quinten komen we een rijdende bakker tegen. We stoppen en kopen wat brood. Daarnaast kopen we ieder een caramel puddingbroodje en eten het meteen op. Langs Dommartin-Lettrée rijden we rechtdoor en komen bij de kruising met de N4. Het drukke verkeer raast voorbij. Vanzelfsprekend rijden we rechtdoor, althans we houden schuin links aan. Het gaat bijna verkeerd. We moeten een kleine vijftig meter eerst naar rechts om dan weer rechtdoor in de richting van Poivres te rijden. Gelukkig merken we het op tijd. Het is er erg stil en de weg is licht glooiend. We rijden door velden en rijden dwars door een militair terrein. Door Trouans naderen we Dousnon. Het is een vrij lange klim, met een dito afdaling. We rijden door L'Huitre. Daar tref ik eindelijk een telefooncel, die werkt. Ik bel naar huis en krijg Hannie aan de lijn. Het blijkt, dat zij gisteren naar schoonzus Anneke en zwager Erik geweest is. Nu bel ik haar wakker, maar ze vindt het niet erg. Alles gaat thuis naar wens. Ik vertel haar waar we zijn. Ik spreek af dat ik haar morgen opnieuw zal bellen.

We stappen weer op de fiets en gaan richting Montsuzain. Mont Suzain? Mont, berg?

Ja. Een berg. Een lange klim. Een heel lange klim. Tijdens de klim merk ik dat er een tik in het crankstel van mijn fiets zit. Het wordt alleen maar erger, lijkt het. Aan de top stoppen we even om wat eten en drinken. Thom kijkt mijn fiets na. Het kan geen kwaad, zegt hij. Er zit geen speling in het crankstel. Ik vertrouw op Thom. In de afdaling kruisen we voor de tweede keer de autosnelweg.

Het is dalen en klimmen in de richting van Luyéres. Op een kruising stoppen we even om wat foto's te maken. We zitten nu al redelijk in de buurt van Troyes. Na de foto's gaan we meteen klimmen in de richting van Montmoret. Mont Moret? Weer een berg?

Ja, maar gelukkig een kleine berg. In de beklimming worden we ingehaald door een bromfiets-autootje. Thom bedenkt zich niet. Hij trekt aan zijn stuur, staat bovenop de pedalen en al krakend van de kracht op zijn materiaal gaat hij in de achtervolging. Hij haalt het autootje bijna in. Ondertussen zie ik dat hij al ruim een kilometer voorsprong op mij heeft. We kruisen opnieuw de snelweg en krijgen een hele lange afdaling in de richting van Troyes.

Langs een elektriciteitsmaatschappij rijden we Troyes binnen. Het is nog steeds erg koud. Een thermometer wijst precies 10 graden aan. Als we de stad binnenrijden, overleggen we eerst met elkaar. Opnieuw in de tent? Nee, die is nog drijfnat. Het ziet er ook niet uit dat die op tijd zal drogen. Alles wordt dan op een gegeven moment nat en klam. Samen besluiten we om een jeugdherberg te vinden.

We moeten dan wel even van de route af, richting Rossiéres. Na wat omzwervingen komen we er uiteindelijk. Bij het inschrijven bestellen we meteen een diner en een petit-dejeuner voor de volgende ochtend. De bagage laden we van de fiets af. Vanwege mogelijke diefstal worden we geadviseerd onze fietsen af te sluiten en uit het zicht onder een poort neer te zetten. We betalen bij de receptie meteen contant: 114 FF per persoon. De kamer is een sober vertrek. Drie stapelbedden. Dat is het. Er is een gezamenlijk toilet en één douche. Ach, ik ben allang blij. Nadat we de bagage op de kamer gestald hebben, gaan we buiten de tent te drogen ophangen. Over de doelpalen hangen wij aan iedere kant van een voetbalveldje onze tent te drogen op. Het waait stevig, dus die zal wel snel drogen. Het douchen is een beetje primitief. Het enige wat er schoon is, is het water (denk ik).

Ik neem de tijd om mijn tassen opnieuw in te richten en de spullen goed te verdelen. Nadat ik hiermee klaar ben, loop ik naar beneden. In de herberg is het een lawaai van jewelste. Er is een familiefeest aan de gang. Het lijkt mij een eerste communie, of zo. Ik zoek het voor mij meest rustige plekje om het dagboek bij te werken. Ondertussen maak ik een sinaasappel schoon en in afwachting van het diner ga ik mijn dagboek bijwerken.

Terwijl ik daar mee bezig ben, komen Ben en Gert binnen. De receptionist schatte dit meteen in dat alle Nederlanders bij elkaar horen, dus: we hebben er twee kamergenoten bij. Voor de zekerheid geef ik Thom wat oordopjes, want het schijnt dat ik af en toe wat snurkgeluiden produceer. Ondertussen hebben wij de tenten al weer opgeruimd. De vrij sterke wind heeft er zorg voor gedragen, dat de tenten goed droog zijn.

Rond half negen worden wij geroepen voor het diner. Het wordt in een aanliggend gebouw geserveerd. De maaltijd bestaat uit een lauw pasteitje, een koude karbonade en een grote bak warme pasta. Het lijkt een beetje op macaroni, alleen dan zonder saus. Het kost me moeite om het naar binnen te krijgen. De 'waard' komt tijdens het eten langs. Met een peuk in de hoek van zijn mond, deelt hij het dessert uit. Een roomijsje uit een bekertje. Met z'n viertjes gaan we nog even een kop koffie drinken in de inmiddels lege recreatiezaal. We worden niet gevraagd om weg te gaan, maar duidelijk is dat het bedienend personeel weg wil. Het is 22.00 uur, dat ik mijn bed op zoek. De planning voor morgen is om ieder geval even onder Auxerre te komen.

DAG:   108.1    TIJD 5.30          GEMIDDELD: 19.6        MAX:  59.0       TOTAAL:  799.8


 

DAG 9

Ik heb goed geslapen. Het bed was hard, maar goed. Ik heb gewoon in mijn slaapzak geslapen. Precies om 7 uur word ik wakker. Mijn kamergenoten zijn er ook vroeg bij. Het petit-dejeuner is inderdaad petit. Een kop slappe koffie, twee stukjes stokbrood en marmelade. De fietsen zijn snel opgebouwd. Gelukkig is al het materiaal droog en de tassen opnieuw goed ingepakt. Het is bijna kwart voor negen. Onze inschatting is, dat we Ben en Gert niet meer tegen zullen komen en we nemen afscheid van hen.

We rijden weg bij Rossiéres. Het is koud en guur. Een stevige noordenwind blaast ons in de rug. Ik schat het niet warmer dan een graad of acht. De uitgeademde lucht wasemt in de koude lucht. Snel zitten we op de route. We kiezen ervoor om een alternatieve route te nemen, die ook in de routebeschrijving staat. Volgens de beschrijving kent deze route minder heuvels, maar is wel wat korter (wat kan het tegenzitten). In ieder geval nemen we deze route, mede omdat we wat in tijdnood zitten.

De route verloopt vrij snel. We rijden door St Panagne, Roncenay en Machy. Er zitten toch best wel wat pittige klimmetjes is, maar de afdalingen zijn best wel fijn. De wind is guur en voelt schraal aan op het gezicht. Bij Auxon komen we weer op de oorspronkelijke route. De D374 volgen we een kleine tien kilometer.  Ervy de Chatel is het eerste dorp waar we een winkel tegen komen. In de MAXI supermarkt kopen we brood, muesli, kaas, bananen, fruit, chocolade en ham. Snel doorrijden, niet te lang wachten.

We rijden door een prachtig natuurgebied. Bossen, lange rechte einden en ook weer graanvelden. Overal zien we dat er wateroverlast is. Langs de wegen staat er water. Zelfs een zijweg is afgesloten omdat er water over de weg stroomt. De natuur is wel veel afwisselender dan gisteren. Onder het spoor van de T.G.V. komen we. Juist op dat moment komt er een T.G.V. voorbij gereden. Een denderend geraas en zo snel die kwam, is hij ook weer weg. We volgen een lang recht eind richting Ligny-le-Chatel. In het dorp zoeken we een bankje. Ik steek de brander weer aan en maak een kopje soep. We eten wat brood en uit hetzelfde kopje drinken we nu koffie en eten brood met brie. Langzamerhand komt het zonnetje er door! Als de zon door de wolken breekt, voel je meteen dat het lekker warm is.

Na een klein half uur gaan we weer verder. De zon komt wat vaker er doorheen. Het wordt ook wel wat warmer, maar het blijft guur. Naar Bleigny-le-Chateau is het een lange, zware klim. Nog even wat klimmen over de A6. We hebben een fantastisch uitzicht over Auxerre. Vanaf de berg kun je de hele stad overzien! De lange afdaling is een grote beloning.

Onderaan moeten we wat rustiger aandoen. Voor al het verkeer is het maximum 50 kilometer per uur, dus we moeten wat in de remmen. Even wachten we voor een verkeerslicht en steken schuin over. Bij het tankstation halen we voor het eerst benzine voor mijn brandertje. De tankwacht rekent 3,3 FF af. Hij kijkt niet blij. Maar ja, het is ook nog geen liter wat wij nodig hebben.

We raken het spoor een beetje bijster. De routebeschrijving klopt niet helemaal en rijden 'op gevoel'. In ieder geval richting centrum. Voorbij het tweede stoplicht komen we bij een brug: de Yonne. Over de brug koopt Thom iets in een fietswinkel (de eerste die we op onze route in Frankrijk tegenkomen). Langs het water van de Yonne rijden we en zien daar de borden voor de richting Vaux. Gelukkig, we zitten weer op de route.

Onder het spoor door gaan we richting centrum. Het is vrij makkelijk te vinden. Ook rijden we langs het voetbalstadion van Auxerre. Eigenlijk is dat stadion helemaal niet zo groot. We volgen de borden richting Vaux en rijden langs de Yonne.

Na een paar kilometer moeten we volgens de route over een brug. Volgens de beschrijving moeten we de D362 volgen. In de beschrijving is de pijl naar rechts, langs het water, maar in werkelijkheid is de weg rechtdoor. We gaan rechtdoor. Volgens de routebeschrijving kruisen we de N6. Uiteindelijk komen we op die weg, maar het is een T-splitsing: er valt niets te kruisen. Teruggaan? Ik dacht het niet! We volgen de N6. Het zware vrachtverkeer wijkt wel zoveel mogelijk uit, maar dat gaat niet altijd. Het is er druk en toch wel een beetje gevaarlijk. Je voelt de zuigende kracht van voorbij rijdende auto's. De eerste kruising gaan we links, meteen weer rechts en rijden parallel aan de N6. Na een paar kilometer zitten we weer op de route.

Het is een mooie, rustige weg, met af en toe een heuvel. We rijden langs de Yonne. Bij Vincelottes stoppen we bij een terrasje. Het is goed weer en we willen wat drinken. Mispoes! Het terras is tot 18.00 uur gesloten. Thom baalt er enorm van: eindelijk een terras, is het nog dicht ook!

In de eerstkomende bocht dreigen we fout te rijden. Maar de bedoeling is, dat we langs het water moeten blijven rijden. In de pastorie proberen we (weer) vergeefs een stempel voor de geloofsbrief te halen.  De route naar Sery verloopt probleemloos. Het wordt tijd om de camping te zoeken. Volgens de routebeschrijving moet er eentje te vinden zijn in Mailly-la-Ville. Het is wel iets naast de route. Na een korte klimpartij komen we in het dorpje. Thom stelt voor dat we een stempel gaan halen in de lokale school. De school gaat net uit en wij vragen aan een lerares een stempeltje. We gaan de school binnen en komen bij de directeur aan. Althans, deze twee zijn de enige volwassenen in de school. Wat een middeleeuwse toestand! Alsof we in een school anno 1900 binnenkomen. Oude houten banken en tafels uit één stuk, alles netjes in een rij. De directeur is verbaasd over onze vraag, maar we krijgen een stempel. Even later gaan we verder op pad, op zoek naar de camping.

We gaan klimmen, naar Mailly-le-Chateau, maar vinden geen camping. Drie keer linksaf, een sterke afdaling en we staan weer op het punt waar we een kwartier geleden omhoog gingen! Verder zoeken. De camping moet aan de oevers van de Yonne liggen.

We rijden wat om. Op een kruising vragen we een vrouw de weg. Vanwege een schilderbeurt was zij met een gasbrander bezig de verf van het hek te branden. We vragen haar de weg en om wat water. Dat kregen we, als we meteen de gasfles naar binnen dragen. Ze legt uit waar de camping is. Ondanks dat ze zegt dat de kans heel klein is dat we hem zullen aantreffen, schrijft ze voor ons op waar we een pastoor kunnen vinden.

De pastoor vinden we niet, maar uiteindelijk wel de bordjes met het opschrift camping. De 'camping' bestaat. Het enige wat wij aantreffen is een receptiehuisje, midden in het water. De Yonne is door de regenval buiten haar oevers getreden en de camping staat helemaal blank.

We gaan weer terug, dezelfde route. Volgens de routebeschrijving moeten we nabij Chatel-Censoir nog een camping tegenkomen. We volgen de route, maar bij Merry-sur-Yonne komen we een camping, annex gite-de-etappe tegen en rijden het terrein op. Er staan een paar caravans. Het waait er behoorlijk. We melden ons bij de receptie. De receptioniste vertelt ons, dat we in de tent kunnen overnachten, maar ook in de gite. Thom en ik overleggen. Het weer is niet zo best, dus de keuze valt op binnen te gaan slapen. We zijn de eerste gasten van dit jaar. Alles is nog zoals het in het najaar afgesloten is. Na het betalen voor de overnachting gaan we naar de kamer. Binnen ruikt het een beetje muffig. Omdat er toch niemand is, kiezen we er voor om ieder zijn eigen kamer (slaapzaaltje met twee bedden) te nemen. Ik breng mijn tassen naar boven. Eerst even douchen. Het duurt lang, voordat het water een beetje warm wordt.

We gaan naar de receptie en vragen waar het dichtstbijzijnde restaurant is. Foutje. Alles is nog gesloten in de omgeving. En een restaurant is er zeker niet! We hebben nog wel wat te eten, maar is het wel genoeg? Van de mevrouw van de receptie krijgen we een pakje spaghetti en een fles wijn. We wassen onze kleding en hangen het buiten in de wind te drogen op.

De gite is vannacht niet bemand. De receptioniste gaat straks weg. Ze geeft ons de sleutel en verzoekt die morgenochtend in de brievenbus te doen. In het keukentje koken we opnieuw spaghetti met ratatouille (trappatoni-saus), waar de ham doorheen gebakken wordt. In de recreatiezaal eten we het op. Het smaakt ook nog. Het is in en rond het gebouw doodstil. Een beetje spookachtig.

In een telefooncel van de camping bel ik naar huis. Hannie vraagt of ik iets voor het korpsbericht wil schrijven. Ik wil wel, maar heb ik daar niet zoveel zin in. Thuis gaat alles goed. Het gesprek is kort. Morgen bel ik weer. In de recreatiezaal schrijf ik in het dagboek.

Het is inmiddels alweer de negende fietsdag. De tijd vliegt voorbij. Ik ga om 22.00 uur naar mijn kamer. Ik voel me niet moe. Ik kleed me uit en ga op de rand van het bed zitten. Als ik verder naar achteren schuif, zit ik bijna met mijn kont op de grond. Het spiraal is een beetje slap. Het andere bed heeft hetzelfde mankement. Ik haal mijn slaapmatje tevoorschijn en laat het vol lucht lopen. Ik slaap gewoon op mijn slaapmatje, op de grond.

Ik val snel in slaap. Morgen Vezelay.

DAG:  126.4 TIJD 6.38  GEMIDDELD: 19.0        MAX:  54.2       TOTAAL:  926.2


 

DAG 10


Vannacht ben ik een paar keer wakker geworden. Telkens dacht ik dat ik iets hoorde. Dat kan hooguit Thom zijn, want het gebouw zou leeg moeten zijn. Het is precies zeven uur, als ik wakker word. De wielren kleding is nog niet droog. De natte wielrenbroek trek ik aan. We hebben geen eten meer bij ons. Thom springt op zijn fiets en rijdt naar het dichtstbijzijnde dorp om wat brood te halen. Het dorp ligt zes kilometer verderop. Ondertussen ruim in de rommel op en bind de bepakking op mijn fiets. Thom’s spullen leg ik buiten alvast klaar. Binnen een half uur is Thom terug. Samen eten we het brood met de leverpastei, die we gisteren ook van die vriendelijke mevrouw gekregen hebben.

Het is kwart voor negen. De fietsen zijn weer vol beladen en we zijn klaar voor onze volgende etappe. Het is wel koud, maar het is stralend mooi weer. Het waait haast niet. Het fietsen gaat me niet lekker af. Ik 'zit niet'. Verzitten helpt niet. Na een paar kilometer komen we in Chatel-Censoir aan. Thom weet de weg, want hier is hij zojuist geweest. Door het bos komen we in Asniere en moeten we behoorlijk op de pedalen. Ik heb het gevoel, dat ik nauwelijks vooruit kom. Thom geeft me wat brood van hem. Het gaat wel wat beter, maar nog lang niet goed.

We komen over een heuvel en zien in de verte Vezelay liggen. Onmiskenbaar zie je helemaal boven op de heuvel het dorp met de torens van de kathedraal. De klim er naar toe is lang en zwaar. Thom is snel uit het zicht verdwenen. Boven aangekomen, zit Thom op een terrasje. Hij heeft al koffie voor ons besteld.

Ik sta nog een beetje op mijn benen te trillen van de inspanning. Ik eet opnieuw een broodje en drink de koffie. Het zonnetje komt erdoor. Met de fiets gaan we door de stadspoorten van Vezelay en gaan verder lopend naar boven, in de richting van de kathedraal. Het is een héél steil stukje. Boven in de kathedraal gaan Thom en ik ieder onze eigen weg. Eventjes een moment voor jezelf. In de kathedraal steek ik twee kaarsjes aan. Eén omdat ik het beloofd heb, de ander uit persoonlijke overwegingen.

In het aanliggend souveniers winkeltje (het barst ervan) proberen we een stempel voor onze geloofsbrief te krijgen. Vergeefs. Er wordt nogal narrig geantwoord. Thom laat zich niet uit het veld slaan en loopt naar het aangrenzende klooster. Hij spreekt een oude non aan. Zij verwijst ons door en even later is een priester bereid ons een stempel in de geloofsbrief te geven. We lopen met de fiets aan de hand naar beneden. Onder in het dorp kopen we nog wat ansichtkaarten. Ik verstuur er drie. Eén naar huis, één naar het werk en één naar het korpsbericht (in plaats van een stukje te hoeven schrijven).

We doen ook nog even wat boodschappen. In de bakkerij halen we een puddingbroodje (met caramel). Ik voel me al wat beter. Ik merk gewoon dat ik 's ochtends véél meer moet eten! Ik kom anders gewoon niet vooruit!

Bij de bakker worden we aangesproken door een paar Fransen. Zij herkennen de schelp op onze fiets. Zij hebben de tocht al vier keer gemaakt. Het contact is kort. Ook een Nederlander komen we tegen. Hij is lopend onderweg naar Santiago. Hij komt uit Goor, nabij Hengelo en is al vanaf 1 april onderweg. Zijn slaapzak is niet waterdicht, dus hij heeft een nieuwe slaapzak post restante op laten sturen.

Op onze vraag of hij ook nog Nederlandse fietsers tegengekomen is, zegt hij dat er een fietser uit Purmerend ook naar Santiago onderweg is. De man zou alleen rijden en maakte een beetje zonderlinge indruk. In de hoop de man tegen te komen, geven we die fietser de bijnaam ‘de beul uit Purmerend’. In de komende dagen hebben we hem niet ontmoet. Overigens valt mij op, dat we in Vezelay maar vrij weinig pelgrims tegenkomen.

Na ruim een uur verlaten we het stadje. Een heel lange afdaling is onze beloning. Het rijden, maar ook het klimmen gaat me nu een stuk beter af. De bewolking zet op en er komt ook meer wind. De hele dag houden we de wind op kop.

Nabij Bazoches komen we een wandelaar tegen. Hij staat aan de linkerkant van de weg en is net van plan zijn rugzak om te doen. We stoppen en maken even een praatje. Het is een Belg die uit Antwerpen komt. Ook hij is begin april van huis vertrokken en wil via Le Puy naar Santiago. Heel even blijven we bij hem en rijden daarna door. Na een klein kwartiertje stoppen we aan de kant van de weg om een kopje soep te drinken en een boterhammetje te eten. Tijdens onze pauze komt de Belg voorbijlopen. We bieden hem aan een kopje soep mee te drinken, maar dat slaat hij beleefd af. Hij loopt door.

Onze pauze duurt een half uur voordat we weer op pad gaan. Het ziet er niet naar uit dat we Nevers zullen halen. Het waait sterk en het weer ziet er ook dreigend uit. De afdaling is lang en gestaag. Er zijn een paar heel venijnige heuvels te nemen. Bij St Revirien krijgen we een heel steile klim. We gaan maar langzamerhand een camping zoeken. Volgens de beschrijving moet er eentje bij Prémery zijn. Kennelijk raken we van de route af, want we moeten eerst een eind klimmen om dan vervolgens weer af te dalen.

De municipal ligt niet ver van de weg. Het is er heel stil en we zetten onze tent achter een hoge haag. Dan vangen we tenminste wat minder wind. Het gras is er nog niet gemaaid. Het staat zeker 40 cm hoog. Ik trap het gras plat, met als resultaat drijfnatte voeten. De tent staat snel. Er is geen campingbeheerder.

Tegenover ons komt een Duitse auto te staan. Erachter een enorme tandem asser. De oude bestuurder (ik schat hem in de zeventig) moet alles zelf installeren; zijn vrouw blijft in de auto zitten. Als de schotelantenne goed staat, komt zij pas uit de auto. Het is koud. Het regent af en toe heel licht en het waait best. In de prima douches ga ik me wassen. Ook de kleding gaat in het sop.

Na het wassen hangen we het binnen te drogen.

We rijden naar het dorp om wat eten te halen. Bij een kleine supermarkt kopen we sinaasappelen, muesli (speciaal voor mij!), chocolade, kiwi's, aardappelen, bloemkool en wat gehakt. Ook trakteren we ons zelf op een flesje wijn.

In deze winkel is geen kurkentrekker te koop. Het heet op z'n Frans een Tirez Bousson, legt het winkelmeisje uit. Ze schrijft het met rode konen op een kladpapiertje. De rode konen kwamen trouwens, omdat Thom 'Je t'aime' tegen haar zei.

We rijden naar een veel grotere supermarkt, die aan de rand van Prémery staat. De STOCK is wel dertig keer groter. Ik blijf met de boodschappen buiten staan en Thom gaat naar binnen voor de Tirez Bousson. Het weer is heel dreigend. Donkere wolken komen over ons heen. We houden het vast en zeker niet droog. Op de camping maken we ons eten klaar. Het begint wel even te regenen, maar het houdt weer op. Het eten smaakt ons best goed.

In de nabij gelegen telefooncel bel ik weer naar huis. Hannie is er niet en ik krijg Peter aan de lijn. Hij vraagt waar ik ben. Ik probeer het hem uit te leggen. Hij denkt dat ik in de buurt van de Puy de Dome ben. Ik laat hem maar in die waan. 'Nog drie nachtjes slapen, pap, en dan ben ik jarig!' Ik beloof hem dat ik morgen weer zal bellen. Hannie is pas om 21.00 uur thuis. De campingbeheerder komt het terrein oprijden en we betalen voor de overnachting.

Ik duik de tent in. Het is vochtig koud buiten. In de tent werk ik het dagboek bij. Thom doet ondertussen de afwas. Morgen zien we wel waar we uitkomen. Ik neem even wat rust door languit op mijn slaapzak te blijven doezelen. Ik wacht tot 21.00 uur en ga naar de telefooncel om Hannie te bellen. We praten even wat bij. Ik leg uit wat de plannen voor morgen zijn. Ik duik snel de tent in, want ik voel me moe. Het is half tien.

DAG:  89.5       TIJD: 5.21        GEMIDDELD: 16.6        MAX:  52.4       TOTAAL:  1015.7

 


DAG 11


Ik ben vaak wakker geweest vannacht. Verderop balkt een ezel, terwijl aan de andere kant een aantal honden aan het blaffen zijn. De fabriek van Premery maakt een zoemend geluid, wat de hele nacht doorgaat. De penetrante lucht van de fabriek is nadrukkelijk aanwezig. Ook word ik een paar keer wakker van de regen en de stevige wind. De tent klappert af en toe. Ik doezel vaak weg, maar word om precies zeven uur weer wakker. Ondanks dat ik zo vaak wakker geworden ben, voel ik me goed uitgerust. Als ik de rits van de tent open doe, kijk ik naar een zwaar bewolkte lucht. Het is droog, maar het waait enorm. Het is koud. De wind komt uit het westen, dus waarschijnlijk hebben we die de hele dag recht op kop!

De brander gaat weer aan. Tegen heug en meug eet ik de muesli met warme melk. Het is niet te eten, maar ik moet wel! Al eerder is gebleken, dat ik op brood niet zo goed kan rijden. Ik stamp de muesli werkelijk naar binnen. Ook nu rijden we rond half negen weer van de camping weg. Onze Duitse mede kampeerders wensen ons veel succes. We rijden Prémery uit en rijden langs de herriemakende fabriek. Wij weten niet wát ze er produceren, maar de gifgele rook voorspelt niet veel goeds. Het ziet er niet uit: alles is verroest en in de gemetselde muren ontbreken hele stukken. Achter de gebroken ramen zien we mensen in witte stofjassen lopen. Ze hebben mondkapjes op. In de onmiddellijke omgeving van de fabriek stinkt het enorm.

We rijden snel door en krijgen meteen de eerste lange klim voor de kiezen. Zes kilometer lang. Thom blijft bij me rijden en samen komen we aan de top. In de daaropvolgende afdaling loopt er iets aan bij het achterwiel van mijn fiets. Het wordt steeds erger, dus ik stop. Thom rijdt achter me en stopt ook. Ik kan niet vinden wat het geluid veroorzaakt. Het spatbord zit nog vast. Maar als ik aan de bagagedrager kom, zie ik wat het probleem is: de bagagedrager is afgebroken! Precies bij de as van het wiel, dus helemaal onderin. Thom is handig. Hij heeft zware tie-raps bij zich. Hij monteert er drie en repareert zo de bagagedrager. 'Dat houdt wel', zegt hij. Ik vertrouw hem, maar ben er niet gerust op. Tijdens het rijden voel ik elke keer, als ik door een kuiltje of over een bobbel rijd, in gedachten de boel afbreken. Het gebeurt gelukkig niet.

We rijden richting Nevers over een lange, rechte weg. Vlak voor de N933 is de weg licht glooiend naar beneden. Thom en ik besluiten om even wat aan de kant van de weg te gaan eten. We plaatsen de fietsen tegen een heg en gaan op de rand van het trottoir zitten. Terwijl we onze boterham oppeuzelen komt er een politiebusje voorbijrijden. De chauffeur stopt de auto midden op de rijbaan en roept ons iets vanuit het geopende raampje toe. Zelfs Thom verstaat hem niet. De gendarme parkeert de politieauto aan de kant van de weg en stapt uit. Opnieuw een verhaal wat we niet verstaan. Hij gebaart dat we weg moeten. Wij snappen er niets van. De gendarme gaat over in gebarentaal en zegt daarbij: broemm…, wijst op het voorbijrijdende verkeer, vervolgens op zijn benen en zegt krak !

We snappen hem! We mogen niet op de rand van het trottoir zitten. De benen moeten van de weg, want anders worden onze benen door voorbijrijdende auto´s er af gereden. We knikken en reageren begrijpend. Zonder dat we een proces-verbaal van hem krijgen, doen we wat de man  vraagt en nemen afscheid van hem. 

In Nevers proberen we een fietswinkel te vinden. Vergeefs. Als ik aan de bagagedrager kom, merk ik dat alles toch wel stevig vastzit. Ik neem de gok: we gaan gewoon verder.

Vlak na Nevers worden we volgens de routebeschrijving omgeleid om bij een héél oud aquaduct uit te komen. In onze routebeschrijving is de historie van het aquaduct beschreven. Korte tijd later zitten we weer op de hoofdrijbaan. We rijden over een brug en komen bij een kanaalbrug. Na een paar honderd meter stoppen we bij een parkeerplaatsje voor automobilisten.

Ondertussen maak ik de bekende soep tijdens onze koffiepauze. Een hond maakt het wat lawaaiig voor ons. Hij blijft constant blaffen. We eten wat en na ruim een half uur gaan we weer op pad. Het is nog steeds redelijk koud en de wind is sterk en recht op de kop. Nabij Apremont zijn een paar lange beklimmingen te nemen. De route 'loopt' vanzelf en is goed te berijden. In Sancoins halen we bij de Gendarmerie een stempel. Ze kijken ons een beetje vreemd aan. Achteraf gezien rijden we de stad via de verkeerde weg uit.

We zitten op de D951. De echte heuvels zijn verdwenen. Het is vrij rechttoe, rechtaan. De wind is sterk. Ik kom niet boven de 16, 17 kilometer per uur. Ik schat dat het zeker windkracht zes is: de vlaggen staan strak. Thom biedt aan om kop te nemen. Ik maak er dankbaar gebruik van. Thom sleurt me over lange, rechte en oneindige wegen in de richting van Charenton.

Volgens de routebeschrijving moeten we langs een kerkhof komen, maar die kunnen we niet vinden. We vinden het wel best. Dan maar gewoon over de hoofdrijbaan doorrijden, want eigenlijk willen we zo snel mogelijk naar de camping van St Armand Montrond.

Thom heeft me al meer dan vijfentwintig kilometer gesleurd, als we tussen Charenton en St Armand Montrond bij een wegrestaurant stoppen en een biertje bestellen. De enige die in het lokaal 'normaal' lijkt, is de serveerster. De gasten gedragen zich niet echt netjes. Er wordt tussen dronken kerels geschreeuwd, waar wij ook bij betrokken worden. Snel besluiten we om te vertrekken.

De laatste twaalf kilometer rijd ik weer mijn eigen tempo. In Armand Mondrond doen we eerst wat inkopen. Melk, brood, fruit en wat hartigs voor op brood. We besluiten ons zelf vanavond maar eens op een luxe diner te trakteren in een restaurant.

De camping vinden we redelijk snel. De tent plaatsen we in de buurt van het receptiehuisje. De douches zijn lekker warm. Het is niet druk op de camping. Ik bel naar huis. Eerst krijg ik Peter aan de lijn, dan Hannie. Het lijkt standaard, want er zijn opnieuw geen bijzonderheden van het thuisfront te melden. Toch bel ik iedere dag, gewoon om even elkaars stem weer te horen. Morgen zal ik haar niet bellen, want dan moet ze werken. Peter gaat uit logeren.

Tegen de avond gaan Thom en ik naar de 'stad'. Redelijk dichtbij de camping zien we Hotel Post. Het ziet er verlaten uit, maar toch gaan we naar binnen. We hebben er een fantastisch diner. Een compleet vier gangen menu met alles erop en eraan. De prijs valt ook nog mee. We genieten van het avondeten en werken tussen de maaltijdgangen door ons dagboek bij. Wat een luxe! Er komen nog wel wat andere bezoekers binnen, maar echt druk wordt het niet in het restaurant. Het is al over 22.00 uur als we in het donker naar de camping rijden. Ik voel me behoorlijk moe, maar niet uitgeput. Ik kruip in de slaapzak en denk vaak aan thuis.

Heel vaak.

DAG:  110.2     TIJD: 6.43        GEMIDDELD: 16.3        MAX:  48.6       TOTAAL:  1125.9


 

 

DAG 12

Ik ben een paar keer wakker geworden, omdat de 'nachtwacht' van de camping (een paar jonge jongens) nogal luidruchtig plezier met elkaar hadden. Thom had helemaal te klagen, want die heeft niet alleen de 'nachtwacht' gehoord, maar ook mij: een snurkende fietsmaat. Achteraf  verklaarde dit ook, waarom ik Thom een paar keer moest roepen om hem wakker te krijgen. Het is heel stil op de camping. De caravan naast ons wordt ook verplaatst. De chauffeur laat zijn diesel gewoon stationair lopen. Thom maakt nog even een heel kort praatje met de man.

Ook nu rijden we weer rond kwart voor negen van de camping weg. Ik heb mijn maag zo vol mogelijk met muesli gepropt. In het dorp bel ik nog even naar huis. Ik vertel ons reisdoel en zeg Hannie dat ik morgen opnieuw zal bellen. 'Ik houd van je', is ons laatste contact.

Het weer ziet er goed uit, ondanks dat er wat dreigende wolken zijn. Het is gelukkig loos alarm, we kunnen de lange broek voor het eerst in de tas laten zitten. Thom en ik rijden in T-shirt met korte mouw. Ondanks de kou hebben we ons goed met zonnebrand-crème ingesmeerd. Snel zitten we weer op de route en volgen een stukje de D951. We rijden een kleine C-weg bijna voorbij. Snel keren. Terug richting snelweg, er onderdoor in de richting van Chatelet. De routebeschrijving gaat probleemloos. We kunnen genieten van weer een heel andere natuur. Het is wat heuvelachtig, maar het is een mooi bebost gebied.

Na een kleine 25 kilometer komen we aan in Chatelet. De dorpskern is heel klein, dus we zijn er snel weer uit. We rijden nu richting St Jeanvrin. Thom had van kennissen een ingezonden stukje uit het tijdschrift Libelle ontvangen. In St Jeanvrin woont een Nederlandse vrouw, die geschreven heeft dat iedere Santiago-ganger bij haar uitgenodigd wordt om een kop koffie te komen halen. Dat doen wij dus ook. In een dorpje denken we dat we al zijn. Het blijkt verkeerd: de inwoners kennen haar wel, maar... in het volgende dorp.

Het huis van Elly Toda - van Galen, op het adres Le Bourg 18370, is voor ons moeilijk te vinden. Achteraf gezien, als we gewoon de route volgen, kom je er vanzelf langs! We melden ons bij het betreffende huis. Het ontvangst is hartelijk en…. inderdaad wordt er meteen koffie gezet. Thom en ik hebben ieder apart een stukje in haar Santiago-gastenboek geschreven. De zeer gastvrije Elly vertelt, dat het vandaag de eerste mooie zomerse dag is. De afgelopen periode heeft het uitsluitend geregend. We zitten bijna een uur bij haar. Onder belofte dat wij een kaartje zullen sturen, nemen we hartelijk afscheid. Ze zwaait ons na.

We rijden door naar Chateaumeillant. Nabij Néret rijden we verkeerd, maar via een alternatieve route komen we toch weer op de oorspronkelijke route. Boven aan een bergtopje bij Montlevic staat een mooi kasteeltje met een prachtig park er omheen. Het is al bijna 13.00 uur en we gaan even zitten.

In het zonnetje is het genieten geblazen! We genieten van het uitzicht en eten en drinken wat. Na een half uurtje gaan we weer verder. In het eerstvolgende dorp (Lacs) halen we in het gemeentehuis een stempel voor onze geloofsbrief en rijden daarna door naar La Chatre. Op een kruising van wegen staan we te overleggen welke route we moeten nemen.

Een ongeveer 45-jarige wielrenster stopt bij ons. Ze is erg behulpzaam en wijst de weg. Sterker nog, ze stelt voor om een stuk met ons op te rijden. Ze praat erg veel met Thom, half Frans, half Engels. Ik rijd achter hen. Thom rijdt haar gemakkelijk los in een klim, terwijl zij helemaal geen bagage heeft…..
We rijden langs Sarzay, waar we bij een mooi kasteel stoppen. Zij maakt nog wat foto's van ons en praat met de lokale bevolking.

Zij heeft ook geen haast. Wij ook niet, maar we willen wel na een kwartier verder. Ze rijdt weer met ons op. In de afdaling rijdt ze voorop. Na ruim tien kilometer komen we bij Mouhers en ik wil wel weer even stoppen om wat te eten. Thom is het met me eens en kondigt onze voorgenomen pauze aan. Zij wil doorrijden. We nemen afscheid van elkaar en op een klein marktplein eten en drinken we wat.

Het drinken van Thom is op en hij vraagt aan een deftig geklede dame of zij une petit 'l eau voor hem heeft. Dat wel. Maar ze wil Thom toch even vertellen dat zij de burgemeester van dit gehucht is....

Het is erg warm en we drinken veel. We maken ons op voor de laatste 30 kilometer, richting Crozant. Het is maar goed dat we nog wat te drinken ingeslagen hebben, want dat bleek hard nodig.

De hele dag moeten we al klimmen en dalen, maar dit laatste stuk spant werkelijk de kroon! Een ongelofelijk mooie natuur, maar dat zie ik niet meer zo. Stampen en doorgaan om maar boven te komen!

We komen uiteindelijk vlak voor Crozant aan bij een riviertje. Rondom zijn er ruïnes. Na de brug volgt een zware beklimming naar het dorp van onze eindbestemming. Het is erg steil. Thom is snel uit het zicht. Tijdens het rijden roept hij me nog iets toe. Ik versta hem niet. Boven aan het dorp komen we een heel klein winkeltje tegen. We doen meteen inkopen, want in de buurt moet een camping zijn. Het winkeltje wordt beheerd door een wel héél oud, klein vrouwtje.

Binnen is het een uitdragerij. Het lijkt een beetje op de winkel van Malle Pietje. We hoeven niets zelf te pakken, dat doet zij wel. Ondertussen overleggen we wat we eten. Ik heb wel trek in witte bonen. Thom gaat akkoord dat dit ons avondmaal wordt. We doen onze bestelling bij de oude vrouw. Aardappelen liggen links. Eieren moet ze van achteren halen en de bonen liggen rechts bovenaan op de plank. Nee, de witte bonen in tomatensaus ligt weer aan de andere kant. Het is een genot om te zien. Ze loopt van voor naar achteren. Alles is er, alleen niet waar je het verwacht.

We willen ook nog wat zout. Een kilo is te veel. Ze doet wat los zout in een puntzakje voor ons. Ze praat veel tegen ons. We nemen ook nog een fles wijn mee (20 Francs). Trés bon, verzekert ze ons.

Na het afrekenen lopen we naar de fietsen. Op een gegeven moment heeft ze in de gaten dat er een Jacobsschelp op onze fietsen zit. 'Olá, Saint Jacques de Compostela! Moment, s'il vous plait'. Thom en ik kijken elkaar aan. Wat bedoelt ze nou? Uit een rek haalt ze twee appels uit de kist. Ze wrijft de appels op en geeft die aan ons. 'Bon route!', zegt ze. De appels nemen we aan en bedanken haar.

De camping is niet ver. Na een paar honderd meter fietsen moeten we een heel klein stukje naar beneden rijden en komen we op een etage-camping aan. Met uitzondering van de receptionist is er helemaal niemand. Thom rekent meteen voor ons beiden af.

De zon staat nog volop op de camping. Een zonnig plekje is snel gevonden. Ruimte zat. Thom gaat op een ruime afstand van mij staan. Hij wil ook wel eens verschoond zijn van mijn gesnurk en kunnen doorslapen, zegt hij. In de wasruimte gaan we douchen en wassen meteen de kleren. In de zon hangen we het te drogen. Ondertussen begin ik met het eten. Het is snel klaar en het smaakt ons beiden goed. De fles wijn wordt opengetrokken en inderdaad, het is best een goed wijntje. De campingbeheerder komt nog even bij ons langs en maakt een praatje. We maken na het eten de fles wijn soldaat en werken het dagboek bij. De zon gaat achter de bergen schuil en het wordt snel koud.

De kleding is nog niet droog, dus die hangen we maar in de wasruimte (er is behalve Thom en mij toch niemand op de camping). Thom en ik lopen de kaart nog even na. De planning voor morgen is om in St Leonard de Noblad aan te komen, ongeveer nog 95 kilometer fietsen.

Ik heb een beetje pijn in mijn achterwerk. Het voelt schraal aan. Morgen even Peter bellen, want dan is het zijn verjaardag. Thom en ik hebben nu zo'n beetje de helft van het aantal kilometers afgelegd.

Ik ga vroeg naar mijn slaapmatje. Met een beetje mazzel zijn we zondag in Rocamadour!

DAG:  110.0     TIJD: 6.22        GEMIDDELD: 17.2        MAX:  58.7       TOTAAL:  1235.9

 

 

DAG 13


Tjonge, wat heb ik goed geslapen. Ik ben niet één keer wakker geworden. Het is hier ook doodstil. Thom is al wakker en bezig zijn spulletjes op te ruimen. Ik volg hem. Rond kwart over acht bel ik eerst naar huis. Peter is jarig en hij gaat zo meteen naar school. Hij neemt zelf op. Ik begin te zingen: “lang zal hij leven”. Hij begint meteen te praten: 1) hij heeft een reep gehad 2) een waardebon voor visspulletjes. Vandaag blijft Jenny bij hem logeren. Ik wens hem een fijne dag toe.

Thom en ik gaan weer aan de muesli. Achteraf gezien wordt het vandaag een heel zware etappe. Al na een paar kilometer moet ik al extra eten, want anders zou ik helemaal niet meer vooruit komen. Er moet heel veel geklommen worden. Iedere keer wel een 6 tot 7 kilometer lang en heel lange afdalingen. Aanvankelijk is het bewolkt en koud, maar na een uurtje kunnen we in de korte broek rijden. Bij Chapelle-Baloue gaan we verkeerd. Na enige kilometers merken we dat we weer naar het noorden rijden, richting St Sebastian.

Waarom dat 'zo maar gebeurde' weet ik niet, maar na een lange afdaling kunnen we weer terugrijden. Het humeur van Thom is (heel tijdelijk) tot het nulpunt gedaald.

De pijn in mijn zitvlak is verdwenen. Ik denk dat de oorzaak te vinden is, dat ik in de andere wielrenbroek rijd.

Na een uurtje rijden komen we in La Souteraine aan. We willen in de kerk (of de pastorie) een stempel voor onze geloofsbrief. De kerk is leeg. Er is niemand.

Via omwonenden worden we gewezen waar de pastoor is. Waarschijnlijk in de kroeg (..) Daar is hij niet. Twee mannen lopen met ons mee naar het huisadres van de pastoor. Ook daar is hij niet. Het kost ons ruim drie kwartier en we geven uiteindelijk de moed maar op.

Dan maar even boodschappen doen. Helemaal de tijd vergeten: het is al twaalf uur en de winkels sluiten! Thom gaat nog snel een bakkerij binnen en koopt wat brood en koeken voor ons. We gaan verder. De stadspoorten uit de routebeschrijving kunnen we niet vinden, maar we vinden wel de D10, richting St Priest. Na een paar kilometer komen we over een snelweg. Die staat niet op onze kaart. Ook klopt onze beschrijving niet helemaal, denken we. Rechtdoor is het richting St Priest en links loopt de D1.

We gokken: rechtdoor de D10. Na een paar kilometer bemerken we dat we toch verkeerd gereden zijn: we hadden toch linksaf gemoeten.  Samen besluiten we om niet terug te gaan en door te rijden. Het is behoorlijk klimmen geblazen.

Het is toch een mooie route, waarbij we de D74 een kilometer of acht volgen. In St Bénévente zitten we weer op de route en rijden langs de abdij. Die abdij is lang zo mooi niet als die van Orval.

Een paar kilometer verder stoppen we even en gaan eten. Ik heb honger en sla een noodrantsoentje aan. Ik eet wat macaroni. Na een half uurtje pauze gaan we weer op pad. Ik rijd een stuk lekkerder met een volle maag. In een lokaal hotel halen we wat water, want we drinken erg veel. Wat een klimpartijen! Het houdt maar niet op. Het gaat de hele dag maar door.

Na Marioux en Chatelus moeten we nog 'maar' 30 kilometer. Alleen, als je maar met zo'n 7, 8 kilometer per uur de berg opkomt, dan gaat het niet zo snel. We bereiken le Chatenet. Nog tien kilometer.

In de afdaling merk ik, dat mijn fiets een beetje begint te slingeren. Dat had ik nog niet eerder meegemaakt. Ik onderzoek mijn fiets. Inderdaad wordt mijn vrees bewaarheid: een slag in het wiel. Thom ziet dat de buitenband ook een scheur in het canvas vertoont. Nu maar even doorrijden en morgen laten repareren.

We zoeken in St Leonard de Noblad een camping. Het is ongeveer drie kilometer afdalen, daar is er ééntje. De camping is makkelijk te vinden. Het ligt langs een riviertje. Alleen: de camping is gesloten. Het gaat pas begin juni open. Geen probleem voor ons. We rijden onder de slagbomen door en zoeken gewoon een plaatsje. Ondanks dat de camping verlaten is, is het er niet stil. Het riviertje kent een gemaal, verderop is een brede waterval, boven ons is een weg en daarboven loopt een spoorlijn. Die herrie gaat dag en nacht door. Thom is er niet blij mee. Even staan we te overleggen, maar we hebben geen alternatief. Ik kijk wel of ik kan slapen, want een andere camping is toch weer op een behoorlijke afstand.

De douchecabines en de toiletten zijn (nog) afgesloten. Aan het begin van de camping is een invalidentoilet en -douches. Daar maken we dan maar gewoon gebruik van. Ons laatste noodrantsoen wordt aangeslagen. Het moet wel, want alles in de buurt is gesloten. We eten zwijgend ons laatste pakje macaroni op.

Rond kwart voor negen bel ik vanaf de camping naar huis. Ik krijg Hannie aan de lijn en ze wenst ons veel succes voor morgen. Het is nog te vroeg om te gaan slapen. Thom stelt voor om naar het dorp te fietsen en daar even wat te gaan drinken.

Zo gezegd, zo gedaan. Op een terrasje drinken we een biertje. Het terras ligt langs de weg en kijkt uit over een groot parkeerterrein. Tegen duisternis neemt één van de terrasgasten afscheid van zijn maatjes. Iedereen ziet dat hij nauwelijks op zijn benen kan staan, zo dronken is hij. Onder gegniffel en gelach loopt hij naar zijn auto en stapt ook daadwerkelijk in. Iedereen heeft lol, totdat hij rechtuitrijdend midden in de deur van een geparkeerde auto rijdt. Die auto is van één van de andere terrasgasten. Er wordt niet moeilijk gedaan. Twee vrouwen lopen naar hem toe, halen hem uit de auto en rijden hem met zijn eigen auto weg (naar huis, vermoed ik).

Rond tien uur rijden we in het donker de berg af. Ik heb geen licht op de fiets. Thom wel. Ik rijd achter hem aan. In het pikdonker vinden we onze tent en gaan snel slapen. Het is koud. Morgen eerst mijn band vernieuwen.

DAG:  104.8     TIJD: 6.56        GEMIDDELD: 15.1        MAX:  52.9       TOTAAL:  1340.7

 

 


DAG 14

Ondanks dat ik vroeg wakker ben, draai ik me nog een paar keer om. Het heeft geen zin zo vroeg op te staan, want we moeten toch wachten tot de winkels open zijn. Rond acht uur kom ik uit de tent.

Eerst even wat eten. We rijden weer de berg op, naar het centrum van St Leonard de Noblad. Recht tegenover het terrasje van gisteren is de lokale VVV. Thom doet het woord. De vriendelijke receptioniste weet ons te vertellen, dat in deze stad geen fietsenwinkel is. Vandaag is er wel (toevallig) een ATB-route uitgezet. Ze belt de organisatie, waarna we verwezen worden naar een winkel aan de rand van de stad. Die verkoopt ook fietsbanden. Wellicht kan men ons daar helpen.

Het is even wat zoeken, maar met de kaart komen we er redelijk snel. Het is een grasmaaiersbedrijf. Ze verkopen er van alles. Thom legt in het Frans uit waarvoor wij komen. De jongeman kan ons helpen. Hij zoekt wat in het magazijn, maar heeft geen slicks in de maat 26 inch. Wel gewone ATB-banden met noppen. De keuze is dus niet zo moeilijk: de ATB-band er maar op. We helpen de jongeman in het demonteren van de band en vragen hem of  hij de voorband om de achterband wil monteren. Dat wil hij wel. Echter, als de voorband er af ligt, zien we dat ook die band niet zo jofel meer is! Dan maar twee nieuwe banden. Het blijkt dat de banden heel erg uitgedroogd zijn. Als je met je vinger in de wang van de band drukt, scheurt die meteen weg. De slag in het wiel wordt op het gemak er uitgehaald. Als de band erom gemonteerd is, controleert Thom of mijn wiel inderdaad weer goed is. De kosten vallen nog wel mee: 180 FF.

We halen bij de Intermarché meteen wat boodschappen. We rijden weer terug naar de camping en gaan daar maar eten, want het is inmiddels al twaalf uur geworden. Om halféén rijden we van de camping weg. De banden maken wel veel meer lawaai, maar lopen redelijk.

Langs de historische brug krijgen we meteen een klim van een half uur voor de kiezen. Het blijkt een voorbode voor de rest van de dag! Wat ik dacht een rustige dag zou zijn (zo'n 65 kilometer) valt dat behoorlijk tegen! Na St Germaine rijden we al klimmend en dalend naar Le Porcherie. Ik moet regelmatig in de kleinste versnelling rijden. Dat houdt ook in: niet sneller dan vijf kilometer per uur.

We raken de weg kwijt, maar bij Bertranges komen we weer op de route. Alles gaat volgens plan, maar wat een klimpartijen!  We rijden door een schitterende natuur, maar ik heb nauwelijks tijd om er van te genieten. Nabij Condat moet ik weer een tijdje in de allerkleinste versnelling. Thom wacht regelmatig op me. Ook hij zegt dat het hem zwaar valt.

Rond zes uur komen we eindelijk in Uzerche. We rijden door een lange berg-tunnel onder een spoor. In een winkel doen we nog wat boodschappen. Achter ons staan een Nederlandse moeder en dochter. We raken in een klein gesprek. Ze bewonderen onze moed om deze tocht te ondernemen.

We vragen de winkelier naar de camping en krijgen het advies om een stukje langs de weg door te rijden, dan hoeven we tenminste niet te klimmen. We volgen zijn advies. De camping ligt aan het water van de Vézére. Onder een tunnel moeten we rijden, wat lijkt alsof we onder de pilaren van de huizen rijden. Misschien is het ook wel zo.

Na een paar honderd meter komen we op de camping. Ook nu staan er hekken. De camping is dicht. De hekken negeren we en stellen gewoon onze tenten op. Als de tenten staan, komt een ongeveer 22-jarige man op een geel scootertje langs.

Hij stelt zich voor als de campingbeheerder en incasseert 46 FF van ons. Hij wijst ons de douches, die helemaal aan het eind van de camping zijn. De dichtstbijzijnde zijn nog gesloten. Het nieuwe douchegebouw is netjes ingericht en daar gaan we douchen. Een campingbezoeker heeft voor andere gasten een presentje in de douchecabine achtergelaten.

Weer bij de tent gaan we eerst even eten. We eten broccoli, aardappelblokjes en daardoorheen wat gebakken spek. Het is erg lekker. Als dessert eten we wat yoghurt met muesli, maar zonder suiker. De zon verdwijnt en het wordt al wat kouder. Het is er erg vochtig, zo langs het riviertje. We lopen naar de telefooncel en ik bel nog even naar huis. Het is rond 22.00 uur en ik kruip mijn slaapzak in.

Tjonge, wat een dag !

DAG:  62.4       TIJD: 4.11        GEMIDDELD: 14.8        MAX:  52.8       TOTAAL:  1403.1

 

 

DAG 15


Het was behoorlijk koud vannacht. Ik ben een paar keer van de kou aan mijn hoofd wakker geworden. Ik word weer rond 7 uur wakker. De tent is van binnen en van buiten drijfnat. De slaapzak voelt heel klam aan. Het zal ongetwijfeld te maken hebben met het riviertje, de Vézére. Ik ruim de drijfnatte tent in. Thom is wat langzamer vandaag. Hij doet echt rustig aan. We eten muesli met yoghurt. Ik loop nog rond op de camping om wat foto's te maken, terwijl Thom zijn tent inruimt. De camping kunnen we rond kwart over acht al verlaten. De zon schijnt volop, maar het is toch erg koud. Nagenoeg dezelfde route als we gisteren gekomen zijn, rijden we in tegengestelde richting het dorp Uzerche uit.

Het dorp kent maar één doorgaande weg en die gaat steil omhoog. Het verkeer staat af en toe stil, omdat er aan de weg gewerkt wordt. Tjonge, wat een klim. Tijdens het klimmen voel ik mijn krachten wegvloeien. Ik wil wel, maar het gaat niet. Al in het eerste gedeelte ben ik aan het eten om maar op kracht te komen / te blijven. Het is ruim vier kilometer in de allerkleinste versnelling. Thom rijdt ver voor me uit. Het duurt bijna een uur voordat we boven zijn. Ik moet veel eten.

Boven aan de berg gaan we naar links, richting Ceyrat. Het is nog steeds klimmen. Ik blijf nagenoeg constant eten, maar ik word er niet beter van. We rijden richting Lagruiére. Het is een steile afdaling, maar meteen daarna ook weer steil klimmen. Naar Donzenac is het een mooie weg. Eindelijk een afdaling die wat langer duurt. Acht kilometer lang hoeven we niet te trappen en rijden door een mooi bos. Werkelijk schitterend! Alle tijd nemen we om ervan te genieten. Maar, zoals altijd na een afdaling, komt er een klim. We rijden Donzenac binnen. Het verkeer moet nog wat verder klimmen, maar wij kiezen er voor om af te snijden, door een stukje tegen richting in te rijden.

We zoeken een plekje om wat te drinken. Verderop zie ik een tankstation en ga voor 3 Francs eerst even een litertje benzine voor onze brander halen. Na een paar honderd meter klimmen gaan we een klein café binnen. Er wordt volop gegokt op de paardenrennen. Veel mannen en een paar vrouwen. We drinken de koffie en gaan ook even naar het toilet. Tegen het middaguur gaan we weer op pad. Eerst beginnen we met een afdaling. Ik voel me ook een stuk beter dan een uurtje geleden. Zou ik toch weer vanmorgen te weinig gegeten hebben?

Bij Ussac gaan we linksaf, richting Brive. Weer klimmen dus. Na een kleine veertig kilometer zoeken we in Brive een plekje om wat te eten en te drinken. Een bushokje voldoet ook, dus daar stoppen we even. Het is bloedheet vandaag. Terwijl we de soep drinken, komt er een reddingshelicopter overvliegen. Het apparaat landt op het terrein van het nabij gelegen ziekenhuis. We eten wat brood met Camembert en drinken daarna nog wat melk en een kopje koffie. Thom haalt in het tegenovergelegen restaurantje een paar bidons met water.

Kort na één uur stappen we weer op de fiets. Er zijn nagenoeg geen afdalingen meer en we blijven op een soort hoogvlakte rijden. Ik geniet van prachtige vergezichten. Na ongeveer acht kilometer krijgen we weer een klimmetje en komen in Jeguals-Nazareth. In de verte zie ik een kasteel boven op de top van een berg, waar we indirect toch naar toe rijden. Het blijkt Turenne te zijn. Onderaan, dus bij het begin van het dorp, vullen we opnieuw de bidons. Na een paar honderd meter moeten we rechtsaf, een steile klim in de richting van Martel. Thom heeft vleugels.

Het is maar een afstand van slechts drie kilometer, maar ik moet het wel in de kleinste versnelling doen. Ik doe er meer dan een half uur over om boven te komen. Omdat boven aan de berg geen bewijzering staat, vraagt Thom aan een groep jongelui de weg. Zij helpen ons vriendelijk op weg.

Ik eet en drink heel veel. Het fietsen gaat steeds beter. Ik ben wel moe, maar niet kapot (zoals ik me vanmorgen voelde). Opnieuw krijgen we nog even een heel steil stuk. Daarna zijn er nog wel heuvels, maar wat langer en minder steil. Naar Meyrinhac is het een vals plat. Dat voelde ik eerst niet, maar ik kon niet sneller dan 15 kilometer per uur.

Maar gelukkig: we zijn er bijna. De weg loopt gestaag door en we rijden langs velden. De bordjes geven het aan Rocamadour: 12 kilometer. Het is al bijna 17.00 uur. Ik reken snel: rond een uur of zes staan we op de camping. Mis!

Volgens de routebeschrijving gaan we rechtsaf. Het is een berg. En wat voor één! Klik, klik, klik. Ik rijd weer in de kleinste versnelling. Thom rijdt snel bij me weg. Al bijna honderd kilometer hebben we er opzitten en dan krijg je als afsluiting dit nog voor de kiezen! Het gaat langzaam. Ik kan niet sneller. Ruim vijf kilometer klimmen. De vliegen dansen om mijn bezweet gezicht. Ik hoef gelukkig niet af te stappen. Ik blijf rijden. De weg wordt weer wat vlakker. Voor drie kilometer. Dan opnieuw: klimmen. Voor me komt een herderin met een grote kudde schapen. Ik blijf er achter rijden en maak even een foto. Thom staat boven al geruime tijd op me te wachten. Samen rijden we door naar de camping. Er zijn er twee. De eerste ziet er wel mooi uit en heet Le Comp'hostel.

We rijden door naar de tweede camping, maar ik vind het wel genoeg. Thom ook, dus we rijden weer terug en melden ons bij de receptie. Vooraan op de camping is een kampeer plaatsje en we zetten onze tenten op om maar snel te drogen. De douches zijn mooi en het water is lekker warm. Het is al bijna acht uur.

Ik bel even naar huis en spreek met Hannie, Rob en Peter. Rob zegt dat hij thuis zijn best doet, Peter wil voor zijn verjaardagsgeld een hengel kopen en met Hannie neem ik de 'gewone' zaken door. 'Ik houd van je', besluiten wij ons gesprek. Morgen zal ik opnieuw bellen. Thom en ik lopen door naar een restaurant.

We kijken vanuit het restaurant over de hele vallei en zien de gebouwen van Rocamadour, die tegen de rotsen aangeplakt lijken te zijn.

Buiten drinken we een biertje en we willen ook buiten eten. Dat kan niet: uitsluitend binnen wordt geserveerd. In het restaurant krijgen we de kaart. Ik heb wel zin in een biefstuk. Thom ook. Na een kwartiertje wordt het diner opgediend. Het is een culinair hoogstandje. Althans: het ziet er heel mooi opgemaakt uit en de biefstuk is maar heel klein. Ondanks dat de portie klein is, smaakt het prima. Ik heb er net genoeg aan. De ober maakte een zeer verveelde indruk. Alles lijkt hem te veel.

Gelukkig hebben we morgen een rustdag. We lopen nog wat door het dorp. Het is inmiddels al donker geworden. Het uitzicht over de vallei is heel mooi. Het dorp staat in de schijnwerpers. Ik probeer een foto te maken van dit prachtige beeld. Het is warm buiten. Samen lopen we rustig terug naar de tent. Het is bijna half elf en we zoeken de slaapzak op. Het is doodstil op de camping. Het waait niet. Ik laat de voorluifel open om wat meer ventilatie in de tent te houden. Het is volle maan. Moe, maar voldaan kruip ik in de slaapzak.

Ik denk aan thuis. Morgen rustdag.

Lekker.

DAG:  103.0     TIJD: 6.45        GEMIDDELD: 15.4        MAX:  56.1       TOTAAL:  1533.1

 

 

DAG 16


Ik heb lekker geslapen. Er is wel veel wind geweest, maar dat zal te maken hebben met dat we nogal hoog zitten. Ik ben wel weer om zeven uur wakker, maar doezel vaak weg. Ik sta om half negen op. Het is al warm. Zo, rustdag vandaag. Het geeft de gelegenheid om alles even schoon te maken en de tassen opnieuw in te richten.

Thom is ook al wakker en samen ontbijten we. Ik eet weer gewoon brood en maak een kopje koffie. Alles gaat lekker op het gemak, geen stress om maar weer op pad te gaan. Als eerste gaan we alle kleren in een grote bak spoelen en wassen. Van onze Belgische 'buurvrouw' krijgen we wat wasmiddel.

Weer terug bij de tent, knopen we alle scheerlijnen aan elkaar en hangen die tussen twee bomen op. Van de buurvrouw lenen we wat wasknijpers. Het is warm, het waait een beetje, dus de was zal wel snel droog zijn.

Tegen 11 uur gaan we op de fiets naar Rocamadour. We zetten de fiets bij het kasteel. Bij de receptie halen we een stempel voor onze geloofsbrief. In de tuin speelt een oudere man op een harp. We gaan via de trap naar beneden. Het is een vrij steile afdaling, met veel 'haarspeld' bochten. In het laatste gedeelte is in iedere bocht een soort kapelletje waar de laatste fasen van het leven van Jezus zijn afgebeeld. In het middenstation komen we op een soort pleintje. Ogenschijnlijk kunnen we te voet niet meer verder. Er is een lift. Kosten: 15 FF voor een retourtje. Al ons kleingeld schrapen we bij elkaar. Zo, dat zijn we ook kwijt. De lift brengt ons naar beneden. We komen in een onderaardse tunnel, die naar de enige dorpsstraat leidt. Het dorp is uitsluitend op toeristen ingesteld. Overal prullaria. We lopen wat door de straat en gaan bij een terrasje zitten. Daar bestellen we koffie met appelgebak. Ondertussen werken we ons dakboek bij.

Ongewild zijn we getuige van een enorme dorpsrel. Een oudere man fungeert als parkeerwachter (dat kon je uitsluitend zien aan de pet die hij opheeft). Een winkelier parkeert zijn auto buiten de aangewezen plek en wordt door de man verzocht de auto weg te halen. De winkelier weigert. Heerlijk om dat zo mee te maken. Het Franse temperament viert hoogtij. Veel gebaren en een hoop geschreeuw. De winkelier komt even later weer terug en het schouwspel begint opnieuw. Prachtig om dit van afstand zo te zien! Het appelgebak is op en we gaan weer verder. We maken wat foto's en kopen ansichtkaarten. In het hoger gelegen kasteel koop ik als aandenken een heel klein medaillon.

Alles gaat echt op het gemak. Al eerder hebben Thom en ik overlegd of we binnen de geplande tijd in Santiago aan zullen komen. In ons huidig tempo zal dat een heel krappe planning worden. Ondanks dat we ons nu niet over de kop willen jagen, moeten we toch ons dagelijks conto van 100 kilometer halen. Op een kaart stel ik Thom voor om niet via Orolon de Marie te gaan maar vanaf Rocamadour al wat meer westelijker te gaan in de richting van St Jean Pied de Port.

Uit informatie blijkt, dat deze pas ook niet zo hoog is, slechts 1000 meter in plaats van de 1650 meter in Orolon. Ook het aantal kilometers scheelt: een dikke honderd kilometer korter. Na berekening blijkt, dat het waarschijnlijk een dikke anderhalf tot twee dagen in de totale reisplanning zal schelen. Ik had het gevoel, dat Thom lang aarzelde, maar uiteindelijk beslissen we dat we toch voor de andere route kiezen. Onze nieuwe route gaat via St Jean Pied de Port.

In de dorpsstraat kopen we ieder kaarten van de route tot aan St Jean Pied de Port. Ieder kopen we er twee: één detailkaart vanaf Rocamadour tot aan Les Landes en één kaart tot aan St Jean Pied de Port. We gaan weer terug naar de tent en ruimen het droge wasgoed op.

Ik loop nog even mijn fiets na. Er zit toch weer wat speling in de bagagedrager. Thom kijkt er naar en we gaan improviseren. De oude tie-raps worden losgeknipt. In de holle buis van de bagagedrager rammen we met een flinke steen een aluminium tentharig. Die zit muurvast. Met twee andere tentharingen wordt een spalk rond de breuklijn gemaakt. Opnieuw wordt het geheel met drie zware tie-raps vastgezet. Uiteindelijk ziet het er solide uit.

In de middag zitten we op een ander terrasje. We eten een pizza en drinken er een biertje bij. We raken in gesprek met een Engels echtpaar. Dat had mede te maken met ons ruud en thom on tour T-shirt, dat wij aanhebben. Op de rug staat in een landkaart onze route afgebeeld: van Amsterdam tot aan Santiago. Ook zij zijn te fiets op doorreis. Zij maken per dag niet meer dan 50 kilometer en overnachten dan in een hotel. De bagage wordt nagestuurd. Het valt op, dat we hier veel nationaliteiten tegenkomen. In het kantoor van de plaatselijke VVV staan twee Amerikaanse fietsvakantiegangsters. De ene maakt een zeer vermoeide indruk, terwijl de ander aan de receptioniste vraagt wat de kortste route naar Cahors is. Daar worden ze vandaag nog verwacht... Dat wordt heavy, denk ik nog. Het is al vier uur en Cahors is zeker nog 60 kilometer.

Tegen de avond doen we vlak bij de camping nog wat inkopen. Aardappelen, bietjes en de man twee hamburgers. Ik kook en bak. Het smaakt me beter dan de biefstuk van gisteren. Na het eten gaan we nog even een kopje koffie halen. Ik probeer in een telefooncel naar huis te bellen, maar de verbinding komt niet tot stand. Thom en ik nemen op de kaart even de route door, zoals we die morgen gaan rijden. Doel is Villeneuve. Op de kaart strepen we aan hoe we rijden.

Ondanks dat we afspreken bij elkaar te blijven rijden, omcirkelen we op de kaart de plaatsnamen waar we elkaar zullen ontmoeten, in geval dat we mekaar kwijtraken. Goed, alles is weer klaar voor de reis van morgen. De dag is omgevlogen, ondanks dat we niet veel gedaan hebben. Ik kruip om 22.00 uur in mijn mandje.

Heerlijk, zo'n rustdag.

 

 

DAG 17


Zonder aanwijsbare reden ben ik vannacht een paar keer wakker geweest. Ik slaap weer in en sta om precies zeven uur uitgerust op. Ik maak Thom wakker. Terwijl ik de bagage inruim komen onze Belgische buren uit de camper even langs. Of we voor het vertrek nog een kopje koffie lusten. Dat slaan we niet af.

De koffie is lekker. De buurman heeft, speciaal voor ons, de Nederlandse zender van de wereldomroep aangezet. Of hij is hardhorend, of hij wil ons plezieren, maar de radio staat veel te hard. We praten over wat koetjes en kalfjes en krijgen een tweede kopje aangeboden. De buurvrouw geeft ook de tube wasmiddel aan ons mee. Thom neemt de tube aan en bergt het op.

We nemen rond half  negen afscheid en gaan weer op pad. We gaan dus de alternatieve route nemen. Eerst krijgen we een gigantische afdaling en komen onder in het dal bij Rocamadour. De klim is gestaag en lang. Ondanks dat ik goed ontbeten heb, begin ik al in de klim meteen met eten. Het klimmen gaat goed. Na de klim komen we in Cazou en gaan linksaf, in de richting van Poudurac.

Het is goed te zien hoe hoog we nog rijden, als we in Carluzet aankomen. Er moet toch behoorlijk geklommen en gedaald worden, maar het fietsen gaat me goed af. Via de D677 gaan we naar Labastide de Murat. In het centrum van het dorp haalt Thom nog wat geld uit de flappentap. Een Nederlandse rentenier spreekt ons aan. Hij woont in dit dorp. We praten niet lang met hem. Na een paar kilometer komen we bij de N20 uit. Het is er gigantisch druk, voornamelijk met vrachtauto's. Bij een parkeerplaats gaan we even stoppen. Het is tevens een monument uit de wereldoorlog. We eten en drinken wat.

Aanvankelijk waren we van plan om via Cahors te gaan rijden, maar daar zien we vanwege de drukte toch maar van af. Thom stelt voor om af te steken, binnendoor via de D127. Het blijkt een gouden greep. De weg is vrij smal, maar bestaat uit louter afdaling. Wel zes kilometer lang! Het is gewoon mooi en fijn tegelijk.

Na Gigouzac rijden we vanzelfsprekend Catus binnen. Het is een klein dorp. Thom stelt voor om onze geloofsbrief uit te breiden met een stempel van de gendarmerie. De politiepost ziet er verlaten uit. Ik stel voor om door te rijden, maar Thom is vasthoudend. Het hek staat open en we lopen door. Uiteindelijk komen we aan de deur. Op ons aanbellen wordt niet opengedaan. Ik stel opnieuw voor om te vertrekken. Thom loopt om het huis van de gendarmeriepost. Door een open kelderraam ziet hij kennelijk iemand staan en roept hard: 'Bonjour, messieurs'. De politieman staat stijf in zijn laarzen. Daar had hij nooit op gerekend! Hij doet uiteindelijk open en geeft ons de stempel. Hij was wel een beetje geschrokken, erkent hij.

We gaan weer verder. Aan het meer Lac Vert stoppen we. Ik maak weer soep en koffie. De broodjes die we gekocht hebben, zijn toch niet meer zo lekker. Het zijn een soort Berliner bollen, maar dan helemaal uitgedroogd! Aan het meer wordt ook gevist. Uit balorigheid gooien we wat kleine stukjes brood in het water. Aanvankelijk zien we de vissen er van vreten, later niet meer..... Thom en ik speculeren wat daar de oorzaak van kan zijn.

We rijden weer verder over de D911 door het dal van de Lot van Rostassac naar Fumel. Er is veel wijnbouw in deze Cahorsstreek. Ondanks dat we vlak langs de rivier rijden zitten er af en toe best wel wat pittige klimmetjes is. Het verkeer is vrij druk en rijdt vlak langs ons heen. Het rijden gaat me prima af. Ik heb goede benen vandaag.

Het is inmiddels al 15.00 uur geworden. Tijd op de camping op te zoeken.

Even voorbij Fumel staat een bord dat de camping nog twee kilometer is, maar die camping hebben we nimmer gevonden. In de richting van St Silvester rijden we en worden ingehaald door een wielrenner, die kennelijk zijn trainingsronde doet. Hét teken voor Thom om even wat strakker op de pedalen te gaan staan. Hij haalt de man bij en blijft een stuk met hem oprijden. Ik doe wat rustiger. Ondanks dat ik een goede dag heb: dit red ik niet.

In St Silvester, zo'n achttien kilometer voor Villeneuve vinden we een camping. Het ligt nét buiten de bebouwde kom. Linksaf is het in de richting van de camping en we rijden verder over een onverhard pad. Ik spreek mijn twijfels uit of het wel de goede weg is. Toch klopt het: na een kleine kilometer komen we op de camping. Niet al te luxe, maar ik ben blij dat we stoppen. Nabij een meertje zetten we de tent op. Ik breek een tentstok, althans: het aluminium van de tentstok scheurt. Thom helpt me. Met een beetje passen en meten lukt het om de stok te repareren. Nadat de tenten staan, gaan we even douchen en meteen de kleren wassen.

Het weer slaat een beetje om. Het is bewolkt en het ziet er dreigend uit. Op de fiets rijden we weer terug naar het dorp om daar wat inkopen te gaan doen. In het centrum is een mooie, grote supermarkt. Ik koop er meteen een paar bootschoenen. Het loopt toch wat fijner dan de lichtgewicht slippers.

Terug bij de tent beginnen we meteen met het eten klaar te maken. Het begint ook te regenen. Gelukkig duurt het niet lang, hooguit een uur. Na het eten werk ik het dagboek bij. Terwijl ik dat doe, bemerk ik dat ik toch een beetje zenuwachtig begin te worden. De tijd om naar Santiago te komen begint toch wel krap te worden. Zullen we het wel redden? We hebben nog maar zestien hele dagen! De Pyreneeën komen er nog aan en wie weet wat ons nog in Spanje te wachten staat?

Na het eten bel ik naar huis. Terwijl Thom op de kinderschommel zit, krijg ik Hannie aan de lijn. Gewoon weer even de dagelijkse dingetjes doorgenomen en de plannen voor morgen uitgelegd. We gaan in ieder geval richting Les Landes.

Ik voel me niet zo moe.

DAG:  114.6     TIJD: 6.11        GEMIDDELD: 18.6        MAX:  52.1       TOTAAL:  1627.7

 

 

DAG 18


Het heeft vannacht af en toe geregend, maar toch was ik vaak wakker. Aan de oevers van het meer leek het wel een wedstrijd tussen de eenden en de kikkers. Over en weer werd gekwaakt! Wat een rotherrie. Het bleef maar onophoudelijk doorgaan. Terwijl we ons ontbijt naar binnen werken, zien we dat er een aantal auto's de camping afrijden. De vrouwen zwaaien hen na. Zo te zien, wordt de camping dus echt als tweede huis gebruikt... Onze drijfnatte tenten pakken we in en rekenen bij de campingbeheerder af. De prijs valt best wel mee.

Om kwart over acht gaan we weer op pad. In Villeneuve doen we nog een paar kleine boodschappen. Thom ziet de drukke wegen, zoals we die gisteren bereden hebben, niet meer zo zitten. Hij stelt voor om wat meer binnenweggetjes te gaan rijden. Op onze kaart zijn dat de gele D-wegen, in plaats van de rode wegen. Ik aarzel. De rode wegen zijn wel wat drukker, maar over het algemeen zijn die ook wat minder heuvelachtig. Uiteindelijk ga ik met Thom's voorstel akkoord.

We nemen de binnenwegen. Ach, en hij heeft ook gelijk. Het is veel veiliger op de D-wegen. Direct gaan we op de D118 en moeten meteen goed op de pedalen. Het zijn twee hele beste jongens! Na een kilometer of vijftien stoppen we even bij een boerderij. Nooit erg in gehad: er lopen drie honden los. Ze grommen en blaffen en komen steeds dichterbij. Gelukkig bijven ze op afstand. De soep en koffie worden gemaakt en we eten een boterham.

Het is hier fantastisch mooi. Een werkelijk schitterende natuur. Het is vandaag erg warm. Ik drink heel veel. Na een kleine veertig kilometer komen we in Payssas aan. Het is een heel klein dorp met een mooi marktplein, direct achter de kerk. De tijd is er stil blijven staan. Op het plein met de vele bomen is ook een bakkerij. Niet groter dan tien vierkante meter. Daar kopen we wat brood. De vrouw die ons helpt, zegt in het Nederlands: 'Dank u wel'. Thom neemt mij in de maling, als ik opmerk dat ze goed Nederlands spreekt. (ik zei alleen maar 'BON' en stak mijn duim op).

In hetzelfde dorp halen we ook een stempel. Voor de afwisseling in een postkantoor. Thom legt de baliemedewerkster (er was er maar één en die zat nog achter kogelvrij glas ook), wat wij wilden. Er komen er drie personen aan te pas. Vanachter het glas kijken ze naar ons, luisteren en dan beurtelings weer weg. Uiteindelijk is een vrouw, kennelijk als opperhoofd van het postkantoor, die ons de gevraagde stempel wil geven. En precies wat je van de post kan verwachten: op de verkeerde bladzijde op de geloofsbrief en uiteraard op de kop prijkt nu het stempel van het postkantoor Prayssas. 'Merci, madame', zegt Thom, maar ik weet dat hij daar niets van meent...

We blijven nog redelijk op de hoogvlakte. De wegen zijn zeker niet druk. Tijdens het rijden maken we nog even een foto van elkaar. De afdaling naar Port de St Marie is heel lang en vrij pittig. Er zitten veel bochten in de weg en de snelheid loopt op tot dik boven de 50 kilometer per uur. In het dorp raken we een beetje de weg kwijt. Veel te lang blijven we rechtdoor rijden, terwijl we linksaf onder het spoor zouden moeten. Weer terugrijden. Via een paar verkeerslussen komen we over de rivier de Garonne, in de richting van Feugarolles.

Het is een lange, rechte weg. In de verte zie ik alweer de volgende bergen opduiken, maar vlak ervoor moeten we gelukkig rechtsaf.  Samen overleggen we om toch maar eerst weer even wat te gaan eten en drinken. Aan de kant van de weg eten we het brood op. De auto's scheuren hier werkelijk met minimaal 120 kilometer per uur voorbij. Dat is allemaal niet zó erg, maar wel dat ze de gevallen kleine boomblaadjes opwaaien en in de soep en het eten laten komen!

Na een kleine pauze gaan we weer verder langs de drukke D930. Eerst waren we van plan om naar Mont de Marsan te gaan rijden, maar daar zien we vanwege de drukte toch maar van af.  Een stuk rustiger rijden is de D109. Er zitten wel veel lange klimmen in, veel vals plat, maar het is in ieder geval rustig om te rijden. Het is wel enorm heet vandaag. Ik drink heel veel. De benen zijn ook niet meer dezelfde als gisteren. Het gaat me niet écht makkelijk af, maar houd vol. Het is een martelgang in die hitte.

We rijden door de typische Les Landes natuur. Veel pijnbomen en rechte wegen. Het is er wel mooi, maar ik heb er weinig oog voor. Het is gewoon doorrijden geblazen! Het is al kwart over één. In een lange klim rijdt Thom een kleine 300 meter voor me uit. Ik probeer, zoals altijd, een beetje in zijn spoor te blijven. Halverwege de klim zie ik, dat hij omkeert en weer terug rijdt. 'We gaan even stoppen', zegt hij. 'Waarom, doorrijden', is mijn korte antwoord. ‘Het is veel te warm’, zegt Thom en voegt de daad bij het woord door af te stappen. Aan de aan de kant van de weg stoppen we en onder de beschutting van wat pijnbomen zitten we in de schaduw. Thom gaat op zijn rug liggen. Dat doe ik ook, maar wel nadat ik mijn slaapmatje gepakt heb. Thom volgt mijn voorbeeld. Om even voor 2 uur word ik weer wakker. Dat was even lekker!

We ruimen het matje op, drinken nog wat en gaan weer op pad. Nog een 25 tot 30 kilometer is onze planning. Het is weer heel veel klimmen, maar kennelijk vanwege onze rustpauze heb ik er niet zoveel moeite mee. Het gaat lekker. Thom rijdt af en toe heel ver vooruit, maar wacht regelmatig op me. De afspraak is, dat we uit zullen komen in Gabarret.

We rijden door en rond half zes rijden we het dorpje binnen. Een werkelijk schitterende camping vinden we voor wel héél weinig geld (27 Franc voor ons beiden). We zetten de tent op en gaan douchen. Ik was mijn kleding en hang het te drogen. Het is nog steeds mooi en warm weer. We hebben geen zin om eten te koken.

Een Fransman zoek contact en vindt die, vanwege mijn zeer beperkt Frans vocabulaire, bij Thom. De man praat honderduit over zijn fietservaringen. Ik volg het niet. In mijn blote bovenlijf werk ik het dagboek bij, terwijl zij zitten te kletsen. Thom vraagt hem of hij weet waar wij in de buurt goed kunnen eten. De man wijst ons een restaurant en rond 19.00 uur gaan we er naar toe.

De Fransman heeft niet overdreven. Het is een klein restaurant en het ziet er gezellig uit. Ik bestel opnieuw biefstuk en het driegangen menu smaakt me werkelijk voortreffelijk. Pas tegen 10 uur rijden we weer terug naar de camping. Het is er stil. Ik ben toch wel behoorlijk moe.

Vanwege de warmte laat ik de luifel open om wat meer ventilatie in de tent te krijgen.

Ik val snel in slaap.

DAG:  95.0       TIJD: 5.45        GEMIDDELD: 16.5        MAX:  54.1       TOTAAL:  1722.7

 

 

DAG 19

 


Ik word een paar keer wakker van de warmte. Later in de nacht werd het kouder en werd ik dáár wakker van. In plaats van bovenop, ging ik nu ín de slaapzak. Het is ook vochtig geworden. Het is weer zeven uur als ik wakker word en uit de tent kruip. De gewassen kleding is niet helemaal droog geworden. Ik ruim ondertussen de tent op en maak het welbekende muesli-ontbijt. Oh jee. Gisteravond hebben we al de melk opgedronken. De muesli is voor mij normaliter al niet om te eten, maar zonder melk krijg ik het zeker niet weg... Thom rijdt eerst naar het dorp en haalt daar voor ons twee liter melk. Het was weer ouderwets genieten met de overheerlijke muesli...

Het is wat later dan normaal als we van de camping wegrijden. Het is al over 9 uur. Het is fantastisch mooi weer. Er staat veel tegenwind. Het wordt zeker doortrappen. Naar Cazoubon is het maar tien kilometer. Het is warm en we gaan weer op pad. Via Estang rijden we naar La Houga. Veel korte, maar pittige klimmetjes. Bij een meer drinken en eten we wat. Het is een mooi uitzicht.

Nog maar tien kilometer en we zijn in Aire-sur-L'Adour. Daar willen we de inkopen voor vandaag doen. Om te voorkomen dat we weer precies om 12 uur voor een gesloten winkel staan, zoeken we nu bijtijds de Intermarché. We hebben nog tijd. Een half uur. De wegwijzers staan goed aangegeven. Nog maar 5 minuten... Waarschijnlijk (en eigenlijk zeker!) wordt hiermee de auto-minuten bedoeld. Het is flink op de pedalen staan. Doorrijden, want anders hebben we niets te eten! De vijf autominuten duren op de fiets véél langer dan je denkt. Weer een heuvel. En nog één, maar we redden het. Precies om vijf voor halféén komen we hijgend de winkel binnen. Even snel boodschappen doen. De omroep-installatie waarschuwt de klanten dat ze gaan sluiten. Toch willen we precies dat kopen wat we écht nodig hebben. Opnieuw de omroep installatie. Ze sluiten nu écht. Ik denk dat we alles hebben. Thom ook. Brood, kaas, melk. Als laatste klanten rekenen we bij de kassa af.. Direct na ons wordt het pand afgesloten.

Met al 60 kilometer op de teller rijden we verder, de stad uit. Vlak voordat we de stad uitrijden komen we een bord tegen, hoeveel kilometer het nog naar Santiago de Compostela is: nog maar 945 kilometer! Het valt me niet eens tegen! Thom zet zijn camera op de grond en maakt met de zelfontspanner een foto. Dat lukt niet. Nog een foto.

Die 945 kilometer valt me hartstikke mee! In mijn gedachten had ik tussen de 1100 en 1200 kilometer gerekend. Als het nog maar 945 kilometer is, hebben we daar nog globaal ongeveer tien dagen voor nodig..… Het is een pak van het hart. Onbewust heb ik me nog steeds zorgen gemaakt of we het binnen de afgesproken termijn wel zullen halen. Maar nu valt het me best mee. Niet dat ik het nu zal onderschatten, maar het geeft me een beetje zekerheid over de nog af te leggen afstand.... We rijden door.

Nog vóór de grote klim, net buiten Aire, gaan we nog even eten. Het vaste ritueel. Brood, kaas, soep, melk. Ik voel me wat minder gespannen. Na een uur gaan we weer op pad. Lange, steile hellingen, Thom is weer ver vooruit. Ik laat hem lekker gaan en rijd mijn eigen tempo. Het waait nog steeds heel fel. Puur op kop. Ik rijd op de vlakke weg niet sneller dan zo'n zestien kilometer per uur. De D2 volgen we tot aan Geaune.

In het gemeentehuis halen we een stempel voor onze geloofsbrief. Voordat we verder gaan, vullen we meteen de bidons. Er staan al 75 kilometer op de teller. Nog maar tien kilometer tot aan Hagetmau. Daar is volgens de kaart de camping. Rond een uur of vijf rijden we de stad binnen.

Nergens een spoor van een camping te vinden. De VVV is in het centrum van de stad. Een vriendelijke mevrouw vertelt Thom dat we tenminste 10 kilometer verder moeten rijden naar Monsequr. Daar is de dichtstbijzijnde camping. Volgens de kaart is het 10 kilometer omrijden. Het is ook een behoorlijk stuk van onze route af! We gaan rekenen. Het makkelijkst is om door te rijden naar Orthez. Maar dat is nog een dikke 25 kilometer verder op de route. De dagteller staat al op 87 kilometer en ik ben het een beetje zat voor vandaag. De keuze is of om- of doorrijden. Dan maar doorrijden.

We rijden langs een auberge. Gesloten. Doorrijden. Net als Thom baal ik enorm. Maar we hebben geen alternatief. We nemen de klim de stad uit en komen (toevallig) langs een gite-de-France. Thom gaat informeren. De prijs voor een kamer is 250 FF voor twee personen. Het heeft geen zin om door te rijden, dus de keuze is snel gemaakt: we overnachten in de gite. Als we door zouden rijden, bestaat de kans dat we er mogelijk kapot aan zullen komen. Het is een zeer sobere en eenvoudige overnachtingsplaats. In de ene kamer is er een tweepersoons bed, in het aanliggende kamertje een eenpersoonsbed. Vanwege de bekende redenen van het nachtelijk geronk, besluit Thom in het eenpersoonskamertje te gaan slapen. Onze slaapplaatsen zijn snel  ingericht.

Omdat we onvoldoende eten bij ons hebben, rijdt Thom eerst nog naar de dichtstbijzijnde Intermarché en haalt daar wat melk en muesli. Na een kwartiertje is hij weer terug. Even douchen. Het is gewoon lekker om even languit op bed te liggen. Boven het bed is een TV met satelliet-verbinding en samen kijken we naar het wereldnieuws. De fietsen kunnen in de kleine werkplaats gestald worden.

Het is al kwart voor zeven. Ik heb inmiddels al gedoucht en zit op het terrasje mijn dagboek bij te werken. Ik drink een biertje. Thom sluit even later aan. We besluiten om ook hier vanavond maar te gaan eten. Het is zeker niet overdadig. Gewoon.

Met een beetje mazzel halen we morgen St Jean Pied de Port. Dat is volgens de kaart nog wel een 100 kilometer. Vanuit de hotelkamer bel ik rond half acht naar huis. Ik krijg Peter aan de lijn. Hij is vandaag op schoolreisje geweest. Naar de Efteling. Hij is erg enthousiast over zijn ervaringen. 'Waar ben je, pap?'. Ik noem de plaats, maar in gedachten ben ik bij hem.

En bij thuis.

DAG:  90.1       TIJD: 5.23        GEMIDDELD: 16.6        MAX:  51.8       TOTAAL:  1812.8

 

 

DAG 20


Ik slaap uitstekend in het tweepersoonsbed. Af en toe word ik wakker van het voorbijrazende verkeer, want we slapen immers aan de doorgaande weg. Op precies zeven uur ben ik weer wakker. Ik was me en kleed me aan. Door het geopende raam hoor ik dat het geluid van het voorbijrijdende verkeer anders klinkt. Ik doe de ramen verder open en zie dat de weg nat is. Het regent niet, want de voorbij rijdende auto's gebruiken de ruitenwissers niet. In het hotel drinken we nog even een kop koffie. We besluiten om er niet te ontbijten, want aan een petit-dejeuner hebben wij toch niet genoeg. Bij de hotelier rekenen we af. Inclusief diner en overnachting 570 FF.

Het is weer half negen als we in het zadel klimmen. Even buiten het dorp stoppen we en maken de muesli eetbaar. Het krachtvoer krijg ik, zoals gebruikelijk, maar moeilijk weg. Het begint een beetje te motregenen.

Al na een paar kilometer krijgen we een klim van 10% te nemen. Het gaat langzaam, maar ik kom goed boven. Thom staat boven op me te wachten en maakt een foto van me als ik bijna boven ben. Thom heeft vandaag kennelijk zin om veel alleen te rijden. Hij rijdt steeds verder vooruit en op een gegeven moment zie ik hem ook niet meer. Nou ja, de weg is recht en lang. Eigenlijk kunnen we mekaar niet misrijden. Het weer houdt zich redelijk. Het motregent niet meer, maar het is nog wel erg dreigend. Een uur later (en 25 km op de teller) kom ik in Orthez.

De wegbewijzering is tweeledig: één voor vrachtverkeer en een paar honderd meter verderop voor gewoon verkeer. Thom is nergens te zien. Ik rijd een paar honderd meter beide afslagen in, maar zie Thom niet. Ik rijd weer terug en neem de eerste afslag, die van het vrachtverkeer. Ik rijd veel kilometers in Orthez. Thom is nergens te vinden. Mijn humeur zakt tot ver onder het nulpunt. Links, rechts, weer terug, naar het centrum, een marktplein, weer terug. Ik rijd me een slag in de rondte en vind Thom niet. Uiteindelijk vind ik Thom. Ik ben boos op hem. Achteraf gezien was de locatie heel logisch waar hij stond, want hij stond bij een kruising richting Salles-de-Bean. Nou ja, gelukkig hebben we mekaar weer gevonden.

In een winkeltje kopen we nog even wat te eten. Brood en chocolade. De chocolade eten we meteen op. Mijn slechte humeur is snel voorbij. De acht kilometer naar Baigts-de-Bean is puur naar het westen. De sterke wind en de opkomende regen hebben we recht in het gezicht.

We rijden nog niet in de poncho, maar zou het wel moeten. Na acht kilometer moeten we naar links, richting Salles-de-Bean. Voor het eerst een bordje ESPAGNE. Na een paar kilometer stoppen we in een wegrestaurant. Het is binnen lekker warm. Buiten is er een druilerige regen.

Onder het genot van een kop koffie hopen we op beter weer.

Na een half uurtje gaan we weer verder. Sauveterre-de-Bearn is na een uurtje bereikt. Het is al één uur en we hebben 53 km op de teller. Het wordt weer klimmen naar St Palais. Het wordt inmiddels wel wat beter weer. Het is toch wel kil en vochtig. De klimmen zijn lang, maar niet echt steil. Behalve het laatste stukje naar St Palais. Boven aan de top maken we wat te eten en drinken. Soep en koffie uit hetzelfde bekertje. Na een klein halfuurtje gaan we weer op pad.

We vinden een Intermarché en kopen weer de gebruikelijk spulletjes. In het centrum van het stadje maken we wat foto's. We rijden gewoon rechtdoor, over de brede weg.  Opnieuw gaan we de klim in. Thom rijdt voorop. Ik ben hem snel uit het zicht. De klim is lang en redelijk steil. Ik kijk op mijn tellertje en zie dat we al ruim drie kilometer geklommen hebben. Ik kijk omhoog om te zien hoever we nog moeten. Thom komt de berg naar beneden rijden! Hij wuift met zijn hand dat we terug moeten! Als hij dichterbij gekomen is, legt hij het uit: we rijden nu op de D11 weer naar het noordwesten. We moeten terug naar het zuidwesten, de D933!

De afdaling naar het centrum van het dorp is snel gemaakt. Op een kruising in het centrum blijkt, dat we gewoon niet opgelet hebben. Er staat echt duidelijk een wegwijzer St Jean Pied de Port. De nog resterende 35 kilometer gaan aanvankelijk nog wat heuvelachtig. Opnieuw krijgen we een klim van 10% te nemen. Een klim van een kilometer of drie lang. Het gaat nog steeds goed met mijn benen. Even stoppen we om het laatste eten wat we nog hebben op te maken. Ook eten we een sinaasappel voordat we weer op pad gaan. Thom rijdt weer voorop. Ik in mijn eigen tempo er achteraan.

In de bocht bij het dorp Ainhice zie ik Thom staan. Hij wenkt. Als ik bij hem kom zegt hij dat hij nog even wat wil eten, voordat we de klim richting St Jean Pied de Port gaan. Hij wijst op een bord, dat aangeeft dat er sandwiches te koop zijn. Het is nog maar acht kilometer tot aan ons einddoel. Ook ik heb vanwege het vele klimmen honger gekregen.

We rijden de enige smalle dorpsstraat in en komen bij een soort herbergje en gaan er naar binnen. Het is er oud, erg oud. Er zitten twee mannen aan een tafel en wij schuiven bij een tafel aan. Het is er donker binnen. Een oud vrouwtje vraagt wat wij willen hebben. Een sandwich lijkt ons wel lekker. Ze vraagt wat we er op willen hebben en demonstreert een drietal soorten paté (die zaten overigens in blik). Dus kiezen we maar wat. Ze praat honderduit tegen ons en ook de beide mannen doen mee. Het gaat allemaal te snel voor mij. Ik kan het gesprek niet volgen. Thom vertaalt af en toe wat.

De beide mannen zijn Baskische Fransen en vragen over onze tocht. Hoe we rijden, waar we de grens overgaan, enzovoort. Ondertussen wordt voor onze neus de sandwich gemaakt. Het is een rond, bol brood, ongeveer 20 cm in doorsnee en 10 cm hoog. In de lengterichting wordt het doorgesneden en daarna in de breedte. Een blik paté wordt opengemaakt en in zijn geheel op de homp brood gesmeerd. Thom bestelt voor ons beiden ook een glas koude melk. De aangeboden suiker hoef ik niet in de melk. Thom ook niet. Het brood is droog, maar de paté smaakt prima. Ondertussen wordt er wat afgekletst. Af en toe lach ik maar wat mee. Ik heb geen idee waar ze het over hebben. Ik weet wel dat de Fransman Thom probeert uit te leggen, dat we via Arneguy gaan. Arneguy is de grensplaats, het eerste Spaanse dorp voor de Pyreneeën. Met handen en voeten wordt de conversatie voortgezet, maar na ruim drie kwartier moeten we toch afscheid nemen.

Het is inmiddels al vijf uur en we vertrekken als we nog maar acht kilometer hoeven te rijden. Die laatste kilometers blijken gigantisch mee te vallen. Daar waar wij verwachtten te moeten klimmen, blijkt het nagenoeg uitsluitend afdalen! Nog voor half zes rijden we St Jean Pied de Port binnen. In de Intermarché doen we eerst nog wat inkopen en stouwen die in de fietstassen. Op zoek naar de camping. De eerste camping die we tegen komen, ligt aan een rangeerterrein van treinen.

We rijden er naar toe, maar de keuze is snel gemaakt. Hier moeten we niet zijn. Alles staat heel dicht op elkaar en het zijn uitsluitend woonwagens. Nee, dan maar verder rijden. Door de bocht naar rechts en dan moeten we nog even wat klimmen, voordat we in het oude stadsgedeelte uitkomen.

Bij de stadwal staat in een bloemenperk de Baskische naam voor de stad: DONOBANE GARAZI. Naar links rijden we door de poort de oude stadmuren binnen. Er is een heel kleine municipal. Het heeft ongeveer 60 plaatsen en er is plaats genoeg. Het terrein is overal erg schuin en we zoeken de meest geschikte plaats. Noodgedwongen zetten we de tenten redelijk dicht bij elkaar. Hierna gaan we douchen in een wel wat primitief douchehok.

Op de camping zijn ook wat Santiago-gangers. Er is een Nederlands echtpaar. De vrouw heeft gips om haar been. Ze vertelt dat zij zes dagen geleden vanuit Hendaye vertrokken waren en te voet onderweg waren naar Santiago. In de Pyreneeën is ze uitgegleden en heeft haar enkel gebroken. Ze wil niet naar huis. Ze wacht op de camping, totdat het gips er af mag. Dan willen zij de reis voortzetten. Zowel Thom als ik proberen haar van dit toch zeer naïeve idee af te brengen. Al snel blijkt, dat dit kansloos is. We laten haar maar in de waan.

Een stukje verderop staat een wat ouder Amerikaans echtpaar. Ook met hen hebben we kort contact. Zij zijn vanaf Le Puy onderweg naar Santiago. Zij zijn ook vandaag aangekomen en hebben, net als wij, morgen een rustdag. Het contact is heel kort. Thom en ik gaan niet meer uit eten of nog wat te eten maken. De dikke sandwich van daarstraks was voldoende. Rond 20.00 uur bel ik vanaf de camping nog even naar Hannie. Ik vertel waar we zijn en dat we morgen een rustdag nemen. Zodoende denk ik dat ik in ieder geval wat beter over de Pyreneeën kan komen.

We lopen nog wat rond in het schilderachtige, maar zeer toeristisch ingesteld dorpje. Terug bij de tent maken Thom en ik de fles wijn nog even soldaat. Het is inmiddels al 22.00 uur en ik ga naar mijn slaapmatje.

Ik ben moe en val snel in slaap.

DAG:  103.0     TIJD: 6.01        GEMIDDELD: 17.0        MAX:  55.5       TOTAAL:  1915.8

 


DAG 21


Wat heb ik slecht geslapen vannacht! Het terrein van de camping is zó schuin, dat ik constant onder in de tent glijd. Een paar keer kruip ik weer omhoog, maar het onbegonnen werk. Het is rond half negen dat ik uit de tent kruip. Het is rustdag, wat het synoniem is voor wasdag. Het is mooi, droog weer, dus om negen uur hangen de kleren al aan de lijn om te drogen. Net als vorige week tijdens de rustdag doen we ook rustig. We nemen het er van.

In het dorp koopt Thom bij een alternatieve uurwerkwinkel een Jacobsschelp van koper. Hiermee kun je door middel van een zonnewijzer de tijd aflezen. Ik zoek iets anders. Achteraf gezien heb ik er spijt van, dat ik ook niet een dergelijk souvenir gekocht heb....

Terug op de camping spreken we met wat andere Nederlandse campinggasten. We worden opnieuw geattendeerd op de fietser uit Purmerend. Hij zou hier een paar dagen geleden aangekomen zijn en inmiddels al weer vertrokken. De ‘beul uit Purmerend’ is dus al weer weg…..

Ik werk het dagboek bij. Morgen belooft een pittige dag te worden! Op de kaart neem ik met Thom de route door. Met een beetje geluk komen we morgen in de buurt van Pamplona. Ik zie wel. Met mijn benen gaat het redelijk goed. Als het droog weer blijft, zie ik er niet zo tegenop.

Vanwege het nachtelijk schuiven in de tent, verplaats ik de tent een meter of wat naar een iets horizontaler gedeelte van het terrein. Onze tenten komen daardoor wat verder uit elkaar te staan. Ik denk dat de tent nu ook wat vlakker staat. Achteraf blijkt het een 'gouden greep' te zijn. De campingbeheerder had op de camping bordjes geplaatst met het opschrift 'gereserveerd', maar daar hadden wij geen aandacht aan besteed. In de namiddag komen we weer op de camping terug. Alle kampeer plaatsen zijn bezet. Nou, bezet.... De camping is werkelijk overspoeld met motorhomes van de Nederlandse Caravan Club! Onze Duitse buurman is helemaal de pineut. Op het plekje van zijn eigen motorhome had hij op 'zijn plekje' een tafel staan voor zijn groepje fietsers.  Met nadruk hád, want tijdens zijn afwezigheid was zijn kampeerplaats door twee Nederlandse motorhomes bezet. De Nederlanders hadden netjes zijn tafel ingeklapt en aan de kant gezet.

Het is een lawaai van jewelste. Overal staan die motorhomes, en zeker niet de kleinste! Er zitten complete vrachtauto's tussen! En gezellig! Het lijkt wel of het complete Spijkerkwartier uitgelopen is. Het Haagse en Rotterdamse dialect is niet van de lucht. En maar schreeuwen naar mekaar, vooral wie de leukste is. Gelukkig wordt het rond 20.00 uur wat stiller. De dames en heren gaan in de zondagse kleren het dorp in: ook alles georganiseerd.

Ik bel nog even naar huis en krijg Hannie aan de lijn. Ze wenst ons sterkte voor de zware dag van morgen. Wij worden door onze 'gewone' Nederlandse buren uitgenodigd voor een kopje koffie. We praten ook even wat met onze Amerikaanse fietsvrienden. De Nederlandse vrouw met haar gebroken been heeft inmiddels via de verzekering de beschikking gekregen over een rolstoel.

De dag is snel voorbijgegaan. Om half elf gaan we plat. Ik hoor de mensen van de Caravan Club weer op de camping komen, maar de herrie valt gelukkig mee.

Ik val snel in slaap.

 


DAG 22

 


Ik word weer om 7 uur wakker. Als ik de tent uit kom, zie ik dat Thom ook al bezig om zijn spullen in te pakken. Onze Amerikaanse fietsvrienden zijn al klaar voor de reis. Jemig, wat hebben die een spullen bij zich. Vier uitermate volle tassen. We nemen afscheid van elkaar en wensen ze een goede reis. Misschien komen we elkaar nog wel tegen!

Het is kwart over acht als we de camping af rijden. Door een paar Nederlandse campinggasten worden we uitgezwaaid. Door het centrum van de stad gaan we linksaf en kopen bij de bakkerij nog wat broodjes voor onderweg. We rijden door, maar na een paar kilometer komen we er achter dat we verkeerd rijden. Het betekent weer terugrijden en komen terug op de route. Meteen gaat het bergop. Nog niet zo steil, maar het is wel heuvelachtig. Thom neemt al afscheid van me. We zien mekaar weer bij de grens.

Na negen kilometer bereik ik de grens. Thom staat op me te wachten. Samen spreken we af waar we mekaar weer ontmoeten. Boven aan de top. Ieder rijdt in zijn eigen tempo omhoog. Fout rijden gaat niet meer, het is nu gewoon de pas over rijden. We beginnen aan de klim….

Na een paar kilometer, vlak na de grens, is in een bocht van de weg een totale wegblokkade. De Spaanse POLICIA staat met de karabijn in de aanslag. Een auto die mij zojuist inhaalt, moet aan de kant. Ik mag om de blokkade doorrijden, gebaart de politieman. Ik had dit tafereel niet verwacht en ben er toch wel een beetje van geschrokken.

De klim is gestaag. Ik trap vrij gemakkelijk en kan de kilometerteller rond de 7, 8 kilometer per uur houden. Het eerste dorp dat ik tegenkom, Valcaros, is het steilst. Ik schat het zeker op meer dan 10%. Maar ik kan in het zadel blijven en doortrappen. De natuur is hier werkelijk fantastisch. Op de weg staan de namen van bekende wielrenners. Kennelijk is hier een tijdje geleden een etappe van de Tour de France geweest. Af en toe stop ik om een foto te maken. Ik kom ook een kudde schapen tegen.

Het is warm en ik drink veel. Er is geen moment dat het klimmen ophoudt. Constant doortrappen. Het is doodstil. Na ruim twee uur klimmen en 25 kilometer op de teller kom ik in een haarspeldbocht onze Amerikaanse vrienden tegen. Ik stop bij hen en krijg een halve sinaasappel te eten. Heel even praten we nog wat. Thom is hen al geruime tijd geleden voorbijgereden. We gaan gezamenlijk weer op pad. Ik rijd snel bij hen weg. Het fietsen gaat me nog heel goed af. Op kilometerstand 32 kom ik aan de top, de Puerto Ibaneta op 1057 meter hoogte. Aan de top zie ik Thom aan de kant van de weg zitten. Als hij mij aan ziet komen, springt hij overeind en maakt een foto van mij. Hij is al drie kwartier (!) boven, zegt hij.

Ondanks dat we redelijk tussen de bomen staan, waait het behoorlijk. Het is er redelijk koud, als je zo stil staat. Wellicht omdat ik bezweet ben. Wat zal Thom het dan koud hebben gehad. Aan de top is een klein kerkje. Er staan wat toeristen. Ik drink nog wat water uit mijn bidon en we gaan maar weer snel op pad. De afdaling begint. We rijden achter twee auto's, die voor ons een beetje de weg ophouden. Het gaat toch wel snel, zo'n 55 kilometer per uur.

Na een paar kilometer komen we in Roncevalles. Het eerste bedevaartsoord in Spanje. Het is er gigantisch druk. Vele personenbussen en wel honderden auto's staan aan de kant van de weg. Er staan ook mannen met rode baretten en in donkerblauwe kleding. Het lijkt op een soort ordedienst, maar ze dragen ook een vuurwapen. Het is het uniform van de Baskische politie.
We zetten de fiets op slot en zoeken tussen de vele toeristen een plekje om wat te gaan drinken. Het is kansloos. Je komt niet eens het restaurant binnen, zo druk is het. We lopen om en gaan  naar het kerkgebouw. Er komen op dat moment veel mensen naar buiten. Zowel oudere als jonge mensen dragen een groot, zwart kruis. Het lijkt wel, of daar zojuist een processie heeft plaatsgevonden. We gaan een soort pastorie binnen en willen graag een stempel voor onze geloofsbrief. Er ligt een grote herdershond op de grond. Net als de man die ons de stempel zou moeten geven, kijkt hij ons niet aan. Uiteindelijk worden we 'toegelaten'. In een boek schrijft de man onze namen op en de reden waarom wij onderweg zijn naar Santiago. Als laatste krijgen we de felbegeerde stempel in de geloofsbrief.

We wachten niet langer. Het is hartstikke druk in het dorp. Snel gaan we weer op pad. De afdaling is niet zo erg lang. Het waait behoorlijk hard, maar het is niet koud. Na een paar kilometer stoppen we aan de kant van de weg bij een soort picknickplaatsje. We drinken de soep, gevolgd door wat brood en koffie. De natuur ziet er hier meteen heel anders uit. Was Frankrijk nog groen en boomrijk, hier zijn er veel meer bossages. Het ziet er wat 'dor' uit. Ook hier moeten we toch weer klimmen. Het is rond het middaguur en we zien mensen de picknickplaatsen gebruiken. Er wordt zelfs op deze plaats gebarbecued.

In het plaatsje Erro stoppen we bij een cafe/restaurant. Buiten wordt er niet geserveerd, dus gaan we naar binnen. Daar bestellen we met het woordenboek in de hand wat te eten. We bestellen salade, een steak en een fles wijn (vino Tinto). Als het geserveerd wordt, blijkt dat de Spaanse keuken er toch wel wat anders uitziet dan de Franse. Niet dat het minder smaakt, maar het is allemaal rechttoe, rechtaan. Het café raakt voller met mensen, die er even wat komen drinken. Ouders met hun kinderen; alle leeftijden zijn vertegenwoordigd. Ik vraag om de rekening, want ik ben de enige van ons tweeën die Spaans geld bij zich heeft. Het kost 2300 Peseta’s. Ik heb echt geen idee hoeveel geld dat is, maar geef de man een royale fooi van 200 Peseta’s. Achteraf gezien heb ik heb hem nog geen 2,50 gegeven...

We hebben er ruim drie kwartier gezeten. Weer buiten gekomen, voelde ik de hitte en de zon op mijn huid branden. Meteen werd het weer klimmen. De wijn is gelukkig niet in de benen gaan zitten. In een bocht staat Thom op me te wachten. Hij blijkt bij onze Amerikaanse vrienden te staan. We begroeten elkaar. Thom zegt hem als grapje, dat hij tijdens de beklimming in de Pyreneeën zijn naam op de weg heeft zien staan. (Hiermee duidt hij op de namen van de Tour de France-wielrenners). De Amerikaan reageert even snel en antwoordt laconiek: Don’t call me miguel’, doelend op Tour de France-winnaar Miguel Indurain. ‘Don’t call me miguel’ wordt een uitspraak, die we nog vele keren onderling gebruiken.

We blijven even van het uitzicht genieten. Hierna rijden we met z’n vieren wel afzonderlijk, maar op afstand in tweetallen gezamenlijk op in de richting van Pamplona. Er zijn nu meer heuvels en ik hoef met meer zo zwaar te klimmen. De beide Amerikanen trappen best door. In de weinige klimmetjes halen we ze makkelijk in, maar op de vlakke gedeeltes houden ze er goed het tempo in. Tegen een uur of drie komen we met z’n vieren gezamenlijk in Pamplona aan.

Op zoek naar de camping en naar een bank om wat Spaans geld in te slaan. We vinden de bank en Thom en ik halen 5000 Peseta’s. In Pamplona wordt gebouwd en we zijn heel snel van de route. We moeten in ieder geval richting Puente la Reina. Dit houden we aan. Op een gegeven moment worden we zelfs door de politie begeleid. Als zij denken dat we weer op de route zijn, geeft de chauffeur een gebaar van 'rechtdoor' en gaan zij een andere richting op.
We gaan in zuidoostelijke richting en vragen omstanders naar de camping. Ze kunnen ons niet helpen: er blijkt in Pamplona geen camping te zijn. Net als onze Amerikanen, overleggen we wat we gaan doen. Er blijkt wel een camping te zijn, maar die is 17 kilometer terug. We kunnen ook doorrijden naar Puente La Reina, zo'n 35 kilometer verderop. Wij kiezen voor het laatste. De Amerikanen niet: zij gaan terug. Het afscheid is kort, maar hartelijk.

Wij gaan door en zoeken het plaatsje Cizor Menor, dan zitten we weer op de route. Het plaatsje wordt door ons niet gevonden. Uiteindelijk komen we wel op de route, maar dat blijkt pas als wij al bij Paternián zaten. Het is een alternatieve beschreven route naar Puente la Reina. De andere route gaat eerst zuidelijk en dan naar het westen.

Onze route is niet makkelijk. Het is constant klimmen. Dacht ik dat de Pyreneeën zwaar zouden zijn: dit is het in ieder geval wél! We rijden door naar Belascoáin. In het dorp stoppen we eventjes.  Het is een klein gehucht. Op het plein zijn vele mensen bijeen. De kinderen spelen er en schenken geen aandacht aan ons. Onder de bomen is het schaduwrijk en het scheelt in de temperatuur. Heel even blijven we er zitten.

Na een korte rust gaan we weer verder. Na een lange klim is er ook een afdaling. De weg is erg bochtig. Het uitzicht naar het dal is er mooi. We komen over het riviertje Rio Arga. Thom maakt een foto van me als ik over de oude brug rijd. Langs de rivier is het een mooie weg. Niet druk en licht glooiend. Tijdens het rijden praten we veel met elkaar. Het is echt genieten, om zo over deze weg te rijden.

In de verte zien we een dorp. Ons einddoel, dachten we. Na een uur bereiken we de top, maar het dorp is niet Puente la Reina. We moeten nog wat doorrijden en na een klim kunnen we afdalen. In de verte zie ik al de eeuwenoude brug, die ik herken van de foto's.

Tegen half zeven rijden we over deze brug Puente la Reina binnen. Het is er gigantisch druk: er is wat aan de hand? Met de fiets aan de hand lopen we het stadje binnen. Het blijkt dat er midden op de smalle weg een groot stalen hek geplaatst is. Door de straten van het oude dorp lopen stieren los! Vooral jonge kerels tonen hun moed, door vlak voor de stieren uit te hollen. In portiekjes schuilen zij, als de stieren té dichtbij komen. Ook hangen de uitdagers aan de balkons.

De stieren hebben geen kans om hun belagers te pakken te krijgen. Als een beest stilstaat, krijgt hij van zijn uitdagers met een stok op de kop: hij moet in beweging blijven. Thom maakt wat foto's van dit schouwspel. Een kwartiertje blijven we er staan kijken, dan hebben wij (als nuchtere Hollanders?) het wel gezien.

Fietsend rijden we om de dorpskern heen, want het centrum is in zijn geheel afgezet. Als vanzelfsprekend rijden we door de hoofdstraat. Het is overal erg druk. Als eerste zoeken we een terrasje. Ondanks het late uur, is het er warm. Het biertje smaakt heel erg lekker en we gaan daarna op zoek naar een slaapplaats. De camping is 5 kilometer verderop. Thom wil  niet naar de camping. Een refugio is het alternatief.

We zoeken en vinden de refugio, een overnachtingsplaats voor doorreizende pelgrims. Bij de kerk melden we ons. Het duurt even, voordat er opengedaan wordt. Een jonge monnik schrijft ons in. De kosten zijn beperkt: 300 Peseta’s per persoon. We betalen en hij loopt met ons mee naar de aangrenzende refugio. Het is er druk met pelgrims. Uitsluitend wandelaars. Fietsers zijn er niet.

Terwijl de monnik ons uitlegt waar de douches zijn, vertelt hij in zeer gebrekkig Engels, dat Puente La Reina  twee refugio's kent, maar dat de andere momenteel gesloten is. Deze refugio is overvol. De slaapzalen beneden zijn allemaal bezet. In de overige lokalen bestaat de slaapgelegenheid uit een los matras. In de zalen liggen de matrassen op de grond en nagenoeg tegen elkaar. De matrassen waar een rugzak of handdoek ligt, zijn al bezet. Het ruikt niet fris. Zonder het uit te spreken, komt het niet in me op om hier te vertrekken. Als pelgrim moet je alles meemaken, dus ook dít.

We pakken ieder een matras van de hoge stapel en leggen die op de grond. Ik leg de fietstassen er naast en ga me douchen. Het is te doen. Het enige wat schoon lijkt, is het water. Het is in de hele refugio erg druk met pelgrims. Ondanks dat we elkaar gedag zeggen, komt het niet tot een echte conversatie met anderen. Als ik weer op de 'kamer' terugkom, overleggen Thom en ik met elkaar. Het lijkt wel een cel, waar we in moeten slapen. Ik voel me er niet erg happy mee. Thom komt op het idee om te kijken of er nog meer ruimten in de refugio  zijn, dan de aangewezen slaapplaats van nu. In een aanliggende zaal is niemand. Het is een soort leslokaal, maar dan héél oud. Er staan wat lange tafels en banken. Lang overleg is niet noodzakelijk: we 'kraken' deze ruimte. Heel sneaky verruilen we van zaal. De slaapmatjes leggen we neer en ruimen onze nieuwe slaapplaats in. Snel en vooral: stil. Tegen de avond gaan we naar het dorp. Het is er erg lawaaierig en smoordruk. In de dorpsstraat staan de auto's in file stil. Een terrasje is snel gevonden en we gaan een biertje drinken. Al die tijd staat een politieman het verkeer te regelen.

Ik bel even naar huis. Er staan vier telefooncellen. Collect call telefoneren vanuit de cel lukt niet. Ik werp een muntstuk van 500 Peseta’s in de gleuf en bel ons nummer. Het enige wat ik hoor is: KLIK. Vervolgens hoor ik, zonder verbinding te krijgen, mijn muntstuk in de geldbak van het telefoonapparaat vallen. Weg geld. Toch wil ik doorgeven dat we over de Pyreneeën gekomen zijn. Na een paar nieuwe pogingen krijg ik uiteindelijk toch verbinding.

Peter vertelt over zijn nieuwe hengel. Rob is korter: hij wil alleen maar weten hoe het gaat. Met Hannie spreek ik af, dat ik pas donderdag zal bellen. Zij moet drie dagen op cursus en de kinderen gaan uit logeren. Terug op het terras is het nog een drukte van belang. We drinken nog één biertje en gaan om half elf terug naar de refugio. Stil sluipen we naar binnen.

Ik kruip snel in mijn slaapzak.

DAG:  116.5     TIJD: 7.35        GEMIDDELD: 15.6        MAX:  66.2       TOTAAL:  2032.3

 

DAG 23


Wat een verschrikkelijke nacht! Telkens schrik ik wakker. Elke keer denk ik, dat er iemand 'onze' zaal binnenkomt en ons zal vertellen dat we onmiddellijk moeten vertrekken... Het gebeurt niet, maar echt lekker heb ik niet geslapen. Iedere keer als Thom zich maar een beetje bewoog, was ik wakker. Ik hoor de eerste wandelaar al om half zes door het gebouw lopen. Ik sta rond zes uur op. Bij de douches en de toiletten is het een drukte van belang. Ik kom er nauwelijks bij. Iedereen is even aardig tegen elkaar, maar tjonge... wat is alles smerig!

Thom slaapt wat langer uit dan ik, maar tegen acht uur zijn we  al klaar. Veel vroeger dan ons 'normaal' patroon. We hebben nog niets gegeten, maar we zien wel. We halen wel iets in het dorp en rijden een beetje rond. Maar hoe het mogelijk is: er is geen bakker te vinden! Ook de winkels zijn nog dicht. Voor ons fotoboek maken we nog wat foto's van de historische brug.

Volgens onze beschrijving is in Maneru wel iets te koop. Het is maar 3,5 kilometer rijden. Letterlijk en figuurlijk gaan we nuchter op pad. Net buiten het dorp gaan we bijna verkeerd. Uiteindelijk blijkt, dat we de een stukje over de oude Camino moeten rijden en we krijgen meteen een klim van 7% over twee en een halve kilometer voor de kiezen. In het dorp Maneru blijkt helemaal geen winkel te zijn. Nog een stukje rijden we door en zoeken een plekje waar we een noodrantsoentje kunnen eten.

Na vijf kilometer vinden een mooi stekje. Daar slaan we ons laatste tweepersoons muesli-noodrantsoen aan. In ieder geval hebben we dan wat binnen. Tijdens ons eten lopen wat groepjes Santiago-wandelaars voorbij. We groeten elkaar. Naar Estella is het nog tien kilometer. Na een paar kilometer rijden  hoor ik Thom achter me roepen: hij heeft een lekke band. In de voorband zit een doorn, kennelijk opgelopen bij onze ontbijtplaatsje. Thom verwisselt de hele binnenband en na een oponthoud van een klein kwartiertje gaan we weer verder.

Opnieuw krijgen we een klim van 7%. Hier worden we ingehaald door twee wielrenners. Een man en vrouw rijden al pratend in een rustig tempo samen op. Ze hebben geen bepakking bij zich. Het blijkt, dat wij hen al in de beklimming in de Pyreneeën tegengekomen waren. Zij worden bijgestaan door een man in een bestelbusje, die beide renners verzorgt.

In Estella gaan we meteen het dorp binnen. Het is een oud stadje. In een hoekwinkeltje halen we brood, melk, yoghurt en sinaasappelen. We verdelen het gewicht over beide fietsen en gaan na een kwartier weer verder.  We zitten snel op de route richting Logrono. Hier passeren we brug over de Ega en gaan meteen weer een klim van 7% in. Het is de eerstkomende tien kilometer vrij glooiend en we moeten vrij veel klimmen. Het is bloedheet vandaag. We rijden een stuk over de drukke N111. Volgens de kaart  moet er voor Logrono toch nog behoorlijk wat geklommen worden. We besluiten om ergens in Los Arcos te stoppen en wat pauze te nemen.

Het dorp bestaat uitsluitend uit een doorgaande weg. Op een marktpleintje vinden we een terrasje. Onder een parasol werken we op ons gemak, onder het genot van een biertje het dagboek bij. In een drogisterij haalt Thom een tube zonnebrandcrème (factor 15). Het tweede biertje smaakt nog beter. Alles gaat echt rustig aan. Het is veel te heet om iets te doen, laat staan fietsen. Het is inmiddels al 3 uur geworden, als we weer op de fiets gaan. We zoeken een plekje om te gaan eten en nog voor de klim naar Sansol doen we dat. Wat brood, soep en een kop koffie. Ook wat yoghurt.

De klim is echt pittig, maar het uitzicht is werkelijk geweldig. Het drukke vrachtverkeer rijdt vlak langs ons. De zware dieselwalm hangt als een deken over de weg. Het stinkt. De afdaling en het laatste stuk naar Logrono gaat gemakkelijk. De routebeschrijving loodst ons gemakkelijk door de stad. Op het plein in het centrum stoppen we voor de kerk. In de twee torens huizen tientallen ooievaars. Er zijn wel vijf nesten met jonge ooievaars. Ze vliegen af en aan en met de snavels maken ze een klepperend geluid.

We blijven er nog even zitten, want we moeten nog maar tien kilometer tot aan Navarette. Daar is de eerstvolgende camping. Het is al 5 uur en nog steeds 35 graden. De winkels gaan net weer open. In een supermarkt haalt Thom wat spulletjes voor ons avondeten. Op aanraden van een voorbijganger blijf ik bij de fietsen. Ons is duidelijk geworden, dat je goed op je spullen moet passen: er wordt nogal wat gestolen.... We gaan weer verder.

Ik verlang al naar de camping. Waar we verkeerd gereden zijn weet ik niet, maar we rijden aan de westkant van Logrono om de stad heen en komen op een rotonde. Volgens de routebeschrijving rijden we rechtdoor in de richting van Burgos. Plotseling staan we op een toerit voor een zesbaans autosnelweg! Dat kan niet goed zijn. Terug. Aan een voorbijganger vragen we de weg naar Navarette. Toch blijkt onze route de juiste te zijn. Er is geen andere weg, want naar Navarette is dit de enige mogelijkheid....

Na vier kilometer is er een afslag en dan kom je er zó. Thom en ik overleggen. Is er een alternatief? Nee. Dan maar even doortrappen. Het leek wel een wielrenwedstrijd. Vol op de pedalen, zo dicht mogelijk langs de vangrail. Zo rijden we over de vluchtstrook totdat we na een kleine vier kilometer een afslag krijgen. Zo snel mogelijk van de snelweg af! Bij de eerste afslag rijden we onder de snelweg door en komen bij een soort recreatiegebied. Thom vraagt de weg. Als we dwars door het recreatiegebied rijden, komen we vanzelf in Navarette. Het eerste stuk gaat wel over een onverharde weg, maar het is redelijk te berijden. Ik doe voorzichtig om mijn gebroken bagagedrager niet extra te belasten. De weg wordt steeds slechter en steiler. Op een gegeven moment moeten we zelfs lopen, er valt niet meer te rijden. Het is meer een ATB-route.

We komen niemand meer tegen om de weg te vragen. Gelukkig komen in een bocht twee mountainbikers de berg af denderen. Thom geeft een schreeuw om ze de weg te vragen. De 'achterblijver' hoort het en stopt inderdaad. Hij wijst ons de weg: gewoon het pad blijven volgen. Inmiddels kunnen we weer voorzichtig fietsen. Op een gegeven moment loopt ons pad parallel aan de snelweg. We rijden wat om, even tegen richting in en komen uiteindelijk weer op de normale weg. Mijn bagagedrager houdt het.

Na wat zoeken vinden we de borden richting Navarette. Het is (weer) klimmen. De camping staat al aangegeven, maar het is nog een dikke vier kilometer buiten het dorp. De camping heeft een Duitse ANWB-erkenning. Niet ten onrechte. Het is een heel mooie camping, maar er zijn nauwelijks campinggasten. De campingbeheerder wijst ons een plekje. Achter een haag, een beetje uit de wind. De grond is keihard en ik krijg nauwelijks de haringen de grond in. De douchecabines zijn een genot. Mooi, ruim en vooral: schoon. Na het douchen was ik meteen de kleding en hang het achter de tent te drogen.

De campingwinkel is er wel, maar is nog niet geopend. De receptionist helpt ons. Via een achterdeurtje krijgen we vier blikjes koud bier. Het eerste biertje is zó weg.  Samen maken we het eten. Onder een afdakje van een picknickplaats eten we het op. Na het eten werk ik daar het dagboek bij. Thom is aan het afwassen. Ik pak mijn fietscomputertje en tel hoeveel kilometer we nog moeten gaan tot aan Santiago: nog 650 kilometer.

Ik bespreek het niet met Thom, maar vandaag heb ik voor het eerst het gevoel van 'was ik er maar'. Niet dat ik het fietsen of de vakantie zat ben, maar ik begin het gezin een beetje te missen. Eigenlijk gek, want we zijn net drie weken weg. Het is me toch al eerder gebeurd dat ik zo lang van huis ben... Ik vind het een beetje egoïstisch van me: zoveel mooie natuur en ervaringen, zonder dat ik het met mijn gezinsleden kan delen.

Ik merk dat ik moe ben en ga eerder naar de tent dan Thom.

Het is nog geen 10 uur.

DAG:  86.6       TIJD: 5.49        GEMIDDELD: 14.8        MAX:  55.1       TOTAAL:  2118.9

 

 

DAG 24


Midden in de nacht, rond een uur of twee schik ik wakker. Het stormt. De tent klappert en de wind giert om de beschermende haag. Het regent niet. Ik val weer snel in slaap. Om een uur of zes word ik opnieuw wakker: nu van krolse katten. Af en toe dommel ik weg en ben weer precies om zeven uur op. Ook Thom is wakker geweest van de storm en de katten. Vooral van de katten heeft hij last gehad. Over mijn gesnurk hoor ik hem niet. De storm heeft geen zichtbare schade aangericht. Op onze picknickplaats eet ik wat muesli-krachtvoer. Ik kan er maar niet aan wennen, maar ik rijd er het beste op. De tenten zijn ingepakt en de fietsen weer gereed.

Om kwart over acht zijn we klaar en gaan weer voor de volgende etappe. De angst, dat het hek van de camping op slot zit, blijkt ongegrond. De eerste vier kilometer zijn weer retour naar het dorp, om weer op de oorspronkelijke route te komen. Meteen weer klimmen, langs de drukke N120. Vrachtwagens rijden opnieuw heel dicht langs ons. Het gaat allemaal goed, maar echt veilig is het niet. Na een paar kilometer gaan we gelukkig van de snelweg af, richting Hércanos. Onder de snelweg door komen we in Nájera. We komen over een spoorwegovergang. Er zijn wel tien treinsporen naast elkaar.

Juist als Thom het spoor overgaat, gaan de spoorbomen dicht. Ik stop. Het is verbazingwekkend, hoeveel mensen er toch nog oversteken.. Een trein staat op het station te wachten, terwijl de bomen nog dicht blijven.... Het duurt vrij lang, voordat ik ook over ben.

Volgens ons boekje moet er in Nájera een fietsenwinkel gevestigd zijn. De dop van Thom's bidon heeft het begeven, dus hij wil een nieuwe. Er blijkt geen fietsenwinkel in dit dorp gevestigd te zijn. Zo belangrijk is de bidon nog niet, dus we rijden weer verder.

We komen weer uit op de drukke N120. De route geeft de fietser wel een mogelijkheid om (heel even) de N120 te verlaten, maar dan moet er een klim genomen worden naar Hormilla. We zien er maar van af en blijven gewoon de N120 volgen. Ik rijd al geruime tijd voor Thom uit. Er is ook wat onderlinge afstand. Na wat klimmen en afdalen kom ik een tankstation tegen. Ik tank voor 50 Peseta’s de tank van de benzinebrander vol. Ondertussen komt Thom aangereden. Bij het afrekenen kopen we meteen een Mars-reep.

Naar Santo Domingo de la Calzada is het een lange afdaling. Thom merkt dat er een bult in de buitenband van zijn voorwiel zit. De binnenband is al zichtbaar, maar hij zegt nonchalant, dat hij voorlopig nog wel kan doorrijden. In Santo Domingo de la Calzada gaan we naar de kathedraal. Eerst halen we er in het aanliggende museum een stempel voor de geloofsbrief. Na enig overleg gaan we weer terug om ook een bezoek aan het museum te brengen. Er is veel te zien over de historische route van de Camino. Uiteindelijk komen we ook in het kerkgedeelte. Er is een hok ín de kerk, waar een kip en een haan gehuisvest zijn. Dit heeft te maken met een legende. Ook zegt de legende, dat als de haan drie keer kraait in het bijzijn van de pelgrim, de pelgrim veilig en gezond Santiago zal halen. Het blijft stil in de kathedraal. Er zijn vele kunststukken te zien. Ook aangetroffen relikwieën van pelgrims uit vroeger tijden.

Het is inmiddels al 12 uur. De terrasjes zijn van het straatbeeld verdwenen, dus rijden we maar door. De routebeschrijving verwijst ons naar Herramélluri. Een mooie, maar  oneindige weg. In de verte zien we grote rotspartijen, die lijken op canyons. Midden in een weiland slaan we af en zoeken een plekje om ons middagmaal op te eten. Alle tijd nemen we ervoor, want: die hebben we. In de wijde omtrek is er geen mens te zien.

Midden in een oneindig graanveld zitten we ons sinaasappeltje op te eten. Niemand te zien. Toch komt er nog geen twee minuten later een allwheeldrive auto over de onverharde weg oprijden!  We zijn net klaar en gaan weer rijden. Het stuk tussen Herramélluri en Belorado is lang, eenzaam en vooral eentonig. Het is een beetje heuvelachtig, maar er valt weinig te zien. We willen naar Belerado, ons einddoel voor vandaag. Daar is een refugio, waar we willen overnachten. De eerstkomende camping is in Burgos, en dat is nog vijftig kilometer verder. Midden op die oneindige weg staan twee vrachtauto's en een politieauto. Het leek erop, alsof er een kleine aanrijding plaatsgevonden had. We gaan er omheen en rijden door.

Na alle graanvelden en grindafgravingen rijden we al om twee uur Belerado binnen. Een vroegertje voor vandaag! De refugio is ook snel gevonden. Thom gaat informeren. Jammer en helaas: de refugio is al vol. Zeker voor ons, fietsers, is er geen plaats. Voorrang wordt (uiteraard) aan de voetgangers gegeven, maar zelfs dat gaat niet meer. Alles is vol. Navraag levert op, dat we terechtkunnen in Villafranca. Dat is zo'n vijftien kilometer verderop. Ach, het is nog vroeg; we hebben alle tijd.

Rustig aan rijden we Belerado uit en langs de N120 vinden we een klein wegrestaurant. Het is inmiddels al vier uur en eten er wat. Het ziet er uit als Boeuf Bourgonon. Het smaakt prima en  we nemen er ook een flesje wijn bij. Na ruim een uur gaan we weer rustig op pad. Buiten is het een stuk kouder geworden, maar dat is snel over. Ook hier is het vrij heuvelachtig. Het is weer klimmen geblazen. In Villafranca blijkt er geen overnachtingsmogelijkheid. Doorrijden maar.

Zonder het te merken, berijden we een route die over de Puerto de la Pedraja gaat. Het is een pas over een lengte van ruim vijf kilometer, die 7% bedraagt. Het verkeer gaat dicht langs ons heen. We moeten klimmen naar 1130 meter hoogte. Zoals altijd, is Thom sneller boven dan ik. Het wordt steeds donkerder vanwege de dreigende wolken. De afdaling gaat snel en is vrij lang. Wel een kilometer of vijf. Ik haal nét de topsnelheid van 60 kilometer per uur.

Bij de afslag Santovenir de Oca gaan we naar rechts, richting San Juan de Ortega. Daar proberen we in de refugio te overnachten. Meteen bij de afslag hebben we de wind volop in het gezicht. Het waait inmiddels enorm! Ook de eerste regendruppels zijn voelbaar. Nog maar 6 kilometer. Het gaat inmiddels over naar lichte regenval. De wind en de slechte weg verhinderen dat ik sneller kan rijden. Schuilen gaat niet: er is geen huis te ontdekken. Er is maar één weg naar San Juan de Ortega. Thom zie ik niet meer, die rijdt een eind voor mij uit.

Het regent al wat harder, als ik het terrein van de refugio oprijd. Het is al bijna 19.00 uur. Thom had ons inmiddels als pelgrim ingeschreven. Als ik mijn fiets in een overdekte ruimte neetzet, begint het enorm te hozen. Een verschrikkelijke bui, met veel wind. De bui duurt ruim een half uur en dan is het al weer opgeklaard. Het blijft nog wel waaien. In de refugio is het gelukkig ook niet zó extreem druk. In het aanliggende 'restaurantje' gaan we eerst even wat drinken.

De hele refugio is aanzienlijk beter dan Puente la Reina. Er zijn tenminste bedden en verschillende zalen. We zoeken een ruimte en vinden die. Ik slaap boven, Thom onder. In onze slaapzaal staan ongeveer veertien stapelbedden. Ik laad de fiets af en ga douchen. Uit het gastenboek blijkt, dat er geen Nederlanders in de refugio overnachten. Ook blijkt dat alle pelgrims te voet zijn, er is geen enkele fietser. Net als in de voorgaande dagen, zijn we nog steeds geen fietsers tegengekomen.


Ik werk buiten op een bankje en vlak voor het kerkje, mijn dagboek bij. Ieder kwartier slaat de kerkklok en ieder heel uur alle uren. Thom en ik gaan toch nog even wat eten. Echt honger hebben we niet, maar we lusten wel iets. In het restaurant eten we brood met ham.

Vanwege de beperkte ruimte, schuiven een paar Duitse vrouwen bij onze tafel aan. Tijdens ons eten praten we wat met elkaar. Zij doen als wandelaars in etappes de route naar Santiago. Na het eten nemen we afscheid van elkaar.

Het is een beetje vreemd hier. Helemaal in het niemandsland tref je een kerk en een refugio. Je hoort hier vele talen. De meeste pelgrims te voet zijn 'einzelgängers'. Ze zoeken, of willen, geen echt contact.

Het is al een beetje donker, wanneer ik mijn stapelbedje opzoek. Op de slaapzaal zijn nog een stuk of 10 andere pelgrims. Een paar slapen er al, dat blijkt uit het gesnurk van de zaalgenoten.

DAG:  99.7       TIJD: 6.16        GEMIDDELD: 15.8        MAX:  60.7       TOTAAL:  2218.6

 

 

DAG 25


Ik word een paar keer wakker van het gesnurk van mijn zaalgenoten. Maar om ongeveer half twee word ik met een enorme schrik wakker. Met een luide knal lijkt het of mijn bed afbreekt! Mijn bed stort in! Het is pik- en pikdonker. Ik durf me niet te bewegen. Ik lig op mijn rug en luister. Onder me hoor ik Thom zachtjes ademen. De overige zaalgenoten slapen, of snurken zachtjes. Als ik er uit wil, zal ik tenminste Thom wakker moeten maken om mijn zaklampje te zoeken. Shit. Ik kan helemaal niets doen. Alleen stilliggen. Voor mijn gevoel lig ik zeker een uur muisstil. Als het maar een beetje licht wordt, kan ik er tenminste uit. Kan ik een ander bed zoeken. Ik durf niet meer te slapen, want ieder moment kan het bed verder instorten en dan val ik boven op Thom. Ik verroer me nauwelijks. Toch dommel ik af en toe in. Echt slapen lukt me niet meer. Rond half zes staan de eerste wandelaars op. Het geritsel van de plastic vuilniszakken maakt ook langzamerhand de anderen wakker. Er is één raamluikje open. Het spaarzame licht komt naar binnen. De andere wandelaars staan langzamerhand ook op. Het heeft geen zin meer om een ander bed op te zoeken.

Rond zeven uur kruip ik millimeter voor millimeter het bed uit. Heel voorzichtig kan ik zonder brokken te maken het bed uit. Ik ga me wassen en pak ondertussen mijn tassen in. Ik maak Thom wakker. Hij heeft slecht geslapen, zegt hij. Ik vertel hem, dat ik ook slecht geslapen heb, vanwege het instortingsgevaar van mijn bed. ´Mijn matras heeft midden in de nacht een knal gegeven, heb je dat niet gehoord? 'Oh, dat?', is zijn laconiek antwoord. 'Je was zo hard aan het snurken dat ik eerst met m'n handen jouw matras aanstootte, maar later deed ik dat met beide benen...'. Het verklaarde de klap in het matras, maar ik was niet écht blij met zijn oplossing. Mijn God, wat ben ik geschrokken....

Om acht uur zijn we reisklaar. In de refugio is niemand meer. Wij zijn de laatste gasten. In het aanliggend 'restaurantje' eten we ons ontbijt. Brood met grove ham. Ik bestel er ook een kop koffie bij. We nemen er de tijd voor. Omdat we gisteren te laat waren, gaan we nu nog even naar het kerkje. Het is helaas dicht.

Pas om kwart voor negen gaan we weg. Het is koud en erg mistig. Ik kan niet verder dan een meter of 50 rond me heen kijken. Het is ook erg stil, een beetje spookachtig. Recht boven me is de lucht blauw. De laagliggende nevel zal dan waarschijnlijk ook weer snel optrekken, denk ik. We komen nog een enkele wandelaar tegen, die ons begroet. Ik rijd voorop en houd Thom in de gaten, zodat we mekaar niet uit het oog verliezen. Vanwege het vocht rijd ik in mijn GoreTex jack. Het gaat bergafwaarts naar Barrios de Colina over een slechte weg. Na een viaduct rijden we langs de spoorbaan richting Burgos. De nevel is inmiddels opgetrokken. We komen onder een natuurlijke bomenboog door. Thom maakt er een foto van. Na een paar kilometer komen we op een soort driesprong uit: een drukke snelweg, de zeer drukke N1 en links van ons een spoorbaan. Het is een geweldige herrie. Je zult er maar wonen, in het dorp Quintanapalla, denk ik. De routebeschrijving leidt ons over de eerdergenoemde zeer drukke N1. Vrachtwagens rijden nagenoeg achter elkaar. Behalve de herrie is het ook zeer gevaarlijk fietsen. Thom is er zeker niet blij mee. Hij moppert dat hij dit maar niets vindt. Ik vind het ook maar niets, maar we hebben geen alternatief....

Rond kwart voor tien rijden we Burgos binnen. Het is al een stuk warmer geworden, al een graad of 17.  We gaan op zoek naar een fietsenwinkel om de voorband van Thom's voorwiel te vervangen. We worden vaak naar de fietsenwinkel verwezen. Achteraf gezien zaten we er al in één van de eerste keren heel dichtbij. Een man had dit ons door middel van handgebaren uitgelegd.

Hij maakte van middel- en wijsvinger een V en wees daarbij met zijn andere hand óp de wijsvinger. Hij heeft er mee bedoeld, dat wij direct óp de Y-kruising naar rechts moesten. Niet begrepen, maar achteraf gezien wel duidelijk...

Uiteindelijk worden we geholpen door een Duits(!) sprekende Spanjaard. Hij loopt het laatste stukje met ons mee en treedt in de winkel op als vertaler. Thom koopt een wat bredere band, dan waarmee hij oorspronkelijk reed en daar is hij achteraf heel blij mee.

Het is wat zoeken, maar uiteindelijk komen we toch weer op de route, in de richting van de kathedraal. Ik maak wat foto's van de kathedraal, die rondom in de steigers staat. Er wordt volop gerestaureerd. Bij een aangrenzend terrasje drinken we een kop koffie en eten er wat appelgebak bij. Tijdens ons gesprek worden we geïnterpelleerd door een echtpaar dat aan een ander tafeltje zit. Ook Nederlanders. Zij zijn met de caravan onderweg. We wisselen wat ervaringen uit. Ook vragen zij ons of wij wel eens ‘wild kampeerden’. Indien nodig, doen wij dat, was ons antwoord. Zij doen dat niet, want het was hen onduidelijk of je dan wel verzekerings-technisch wel gedekt zou zijn. Thom schoot in de lach, toen ik hem zachtjes toefluisterde, dat bij een mogelijke overval het enige waarvan je verzekerd bent, dat je in je broek schijt… Als even later ook nog een Nederlandse bus met voornamelijk oudere mensen op het terras komt, is onze fietstocht binnen de korte keren bekend. De oudjes zijn vol bewondering dat wij de hele tocht op de fiets doen. Al die belangstelling vinden we maar niets. Snel wegwezen, dus.

Het is al tegen de middag dat we het plein met de vele klinkertjes verlaten. In Burgos komen we voor het eerst sedert 2000 kilometer weer fietspaden tegen. Het is een korte route van nog geen vier kilometer vol stoepranden, maar toch...  Volgens de routebeschrijving komen we ook nog even in de oude stad. We moeten er ook nog een stukje door een voetgangersgebied lopen. Burgos ziet er oud, maar mooi en goed verzorgd uit. Vooral schoon. We maken wat foto's. Het eerste stuk langs de N1 is weer erg druk, maar na een paar kilometer buigen we een beetje noordwestelijk af. Bij een rijdende groentewinkel in Tardajos halen we wat sinaasappelen.

In het vlakke gedeelte naar Las Quantanillas komt ons een fietser tegemoet. Zijn fiets is beladen met tassen. Tijdens het tegemoet rijden steken we de weg al schuin over en 'dwingen' de man  tot stoppen. Het is een Nederlander. Hij is al een paar keer eerder in Santiago geweest. Ook nu. Maar nu is hij vanuit Santiago weer op de terugweg naar huis. Hij woont in Amsterdam, maar heeft een Limburgs accent. Hij raadt ons aan om even langs te gaan in Palacios de Benaver, nog een tien kilometer van hier. Daar staat de tijd echt stil, zegt hij. Onze ontmoeting is even snel voorbij, als dat die begon. Nadat we hem succes gewenst hebben, gaan weer op pad. Een paar honderd meter verder stoppen we om de sinaasappel op te eten. Er staan ons twee klimmen van respectievelijk 3 en 5 kilometer te wachten. De brander gaat weer aan om een kop soep te maken. Na een half uurtje pakken we weer de draad op.

Klimmen. Ik rijd voorop en rijd volgens de route. Thom rijdt vlak achter me en geeft een seintje dat hij in een wegrestaurant even wat water gaat halen voor zijn bidons. Ik rijd vast door. Mijn klimvermogen is lang niet zo groot als die van Thom. Omdat ik voorop rijd, vergeet ik helemaal of we ook nog wel naar Palacios de Benaver zouden gaan. Daar hadden wij geen afspraken over gemaakt. Ik ben de afslag al lang voorbij als ik in de klim achterom kijk. Ik zie ik Thom niet. Normaal is hij altijd de snelste in de klim, maar hij had me allang in moeten halen.... Ik stop en wacht even op hem.

Het wachten duurt inmiddels al vijf minuten. Er zal toch niets gebeurd zijn? Ik keer om en rijd terug. Eén, twee, drie, bijna vier kilometer terug. Daar komt hij gelukkig aan. Er is kennelijk niets gebeurd en hij heeft ook niet de afslag naar Palacios de Benaver genomen! 'Waar bleef je?', vraag ik hem. Hij legt me uit, dat hij in het restaurant naar het toilet moest en meteen even wat gedronken had. Het was een redelijke verklaring, maar ik was er toch tamelijk pissig om. Ik maak me zorgen om niets en hij had het ook wel even kunnen zeggen....

We komen rond half drie aan de top. Met een bocht naar links gaan we in de afdaling naar richting Yudego.  Een heel oud dorpje met smalle straten. Ongemerkt rijden we een cafeetje voorbij, maar rijden terug om er even wat te drinken. De barvrouw schenkt ons het gevraagde drinken in. We krijgen er ook tapas en olijven bij. De cafébezoekers praten over de voetbalwedstijd van vanavond. De barvrouw probeert ons dingen uit te leggen, die we niet snappen. Met het woordenboek en met handen en voeten komen we er redelijk uit. Wij geven haar zelfs enige Nederlandse woorden, die zij onmiddellijk opschrijft. Het wordt een half Nederlands-Spaanse les voor beginners.

Tegen half vier gaan we weer verder, want we moeten nog op zoek naar de camping. Volgens de fietscomputer moeten we nog een kleine 20 kilometer. Vrijwel direct buiten Yudego krijgen we een klim van twee kilometer te nemen. Een boer op een voorbijrijdende tractor wijst ons de weg hoe we moeten rijden. Na de klim is het een redelijk vlak gedeelte. In een bossage staan een man en een vrouw. Fietsvakantiegangers. De eerste die we écht tegen komen. We stoppen en rijden de halfrulle bodem in. We stellen ons voor. De fietsvakantiegangers zijn Harrie en Corrie Oerlemans uit Liempde. We praten wat met elkaar. Ze waren net van plan om weer verder te rijden. Ook zij hebben gehoord van ‘de beul uit Purmerend’, maar zijn hem niet tegengekomen. Het is ook de laatste keer dat wij over hem gesproken hebben. In  nagenoeg  hetzelfde tempo rijden we met z’n vieren op. De rest van de route is veel bergafwaarts.

Om half vijf rijden we gezamenlijk onze eindbestemming binnen: het plaatsje Castrojeriz. Thom wil persé in een refugio, temeer omdat het weer er nogal dreigend uitziet. Harrie en Corrie rijden ook naar de refugio. We melden ons bij de receptie. Met handen en voeten wordt ons duidelijk gemaakt dat we nog even moeten wachten. Bicicletta: prioritas due, Peatones: prioritas uno. We moeten tot tenminste acht uur wachten of we tot de refugio toegelaten worden. Om de tijd alvast te doden, hijsen we de fietsen in de tuin van de refugio. Corrie geeft ons een bekertje wijn en al pratend wachten we af. Langzamerhand dringt het tot ons door, dat wachten  zinloos is. Als pas om acht uur zal blijken dat we toch niet in de refugio kunnen, dan moeten we alsnog naar de camping uitwijken. Dan is het zó negen uur voordat we goed en wel staan. We besluiten om het besluit van de receptie van de refugio maar niet af te wachten: het risico is  te groot.

Voor ons vertrek vragen we toch een stempel voor onze geloofsbrief. Ook dat lukt niet: niet slapen in de refugio, ook geen stempel van de refugio. Een heel vervelende reactie, die we eigenlijk ook niet verwachtten!

We rijden verder naar de camping, die in hetzelfde dorp is. De camping is nog niet voor toeristen geopend. Er is wel een oudere vrouw aan het werk. Toch mogen we er onze tent plaatsen. De invalide campingbeheerder incasseert ons geld. Thom en ik hebben één plaats, Corrie en Harrie nemen een aangrenzende plaats. Ik zet mijn tent op. In de doucheruimtes doen de douches het, maar daar is ook alles mee gezegd.

Ik durf niet mijn kleding te wassen, daar ziet het weer er volgens mij té dreigend uit. Thom wast wel zijn kleding. Een minder gelukkige keuze, want het begint dikke druppels te regenen. Niet permanent, maar genoeg om goed nat te worden. De tent is inmiddels ingericht en ik heb me aangekleed. We besluiten om maar niet bij de tent ons potje te gaan koken, maar gaan uit eten en rijden naar het dorp. In een restaurant willen we eten. Mis. Het restaurant gaat pas om 19.00 uur open, alles is nog gesloten. Teruggaan kan altijd nog, maar we blijven in het aanliggende bargedeelte en bestellen een fles wijn.

Ondertussen werken we het dagboek bij. Ik overweeg dat het een redelijk makkelijke fietsdag was. Ik heb genoten van de permanent wisselende natuur. Het was weer heel anders dan gisteren!

Ik denk vaak aan thuis. Aan Hannie en de kinderen. Nog ruim anderhalve week en dan ben ik al weer thuis. Ik geniet van mijn reis, maar verlang toch weer naar de stemmen van mijn gezin. Gewoon weer even een knuffel.

Ondertussen is het al tijd om te kunnen gaan eten. Het is al bijna half negen. De Europacupfinale voetballen Real Madrid - Juventus staat op het punt om te beginnen. De serveerster nodigt ons uit in een ander vertrek van het restaurant. We mogen niet bij de TV blijven zitten. Hier wordt niet geserveerd, maar daar is geen TV.

Kiezen of delen: of eten of TV kijken, señor! Toe nou, mevrouw ! Er is geen mens in het restaurant, alleen wij beiden. De chef wordt er bij gehaald en na wat overleg mogen we er blijven zitten. De serveerster kijkt ons nadien nauwelijks meer aan. Je merkt gewoon dat ze het er niet mee eens is, dat er juist híer geserveerd wordt. We hebben er gewoon maling aan. Kom nou! Voor het diner laten we ons eens lekker verwennen. Ik bestel vooraf gamba’s en als hoofdmenu een biefstuk. Erg lekker. We kijken de voetbalwedstrijd af. De serveerster gaf  haar eerste glimlach, toen we bij de afrekening een fooi(tje) weggaven.

Op de terugweg naar de camping is het behalve donker, ook erg koud geworden. De drie kilometer zijn erg lang. Ik kruip steenkoud mijn slaapzak in. Wat is het koud!

DAG:  86.0       TIJD: 4.58        GEMIDDELD: 17.2        MAX:  47.0       TOTAAL:  2304.6


 

 

DAG 26

Ik heb goed geslapen. Om precies zeven uur ben ik weer wakker. Ik ruim alvast de tent op. Corrie en Harrie zijn al langer bezig. Wat een spullen hebben die bij zich. Het lijkt wel alsof ze máánden weg gaan. Thom wil maar niet wakker worden. Ik moet hem een paar keer roepen. Als ik al bijna klaar ben met inpakken, komt hij naar buiten. Samen met Harrie rijd ik naar het dorp Castrojeriz. We zoeken en vinden een panaderia (bakker). Harrie rijdt alvast met het brood terug, terwijl ik wat melk wil kopen. Dat lukt niet.

 Ik kom even na acht uur weer op de camping. De kleding van Thom is niet helemaal droog geworden vannacht, ondanks dat hij het onder een afdak had gehangen. In de voorruimte van de douche-/ wasruimte roept Corrie ons. Ze heeft koffie gezet. In de wasruimte hebben we met z'n vieren ons ontbijt. In ieder geval is het droog en vooral: gezellig.. We praten wat bij. Ondertussen eten we brood en kaas. Het 'klikt' tussen ons. De goedlachse Corrie en de wat zakelijker ingestelde Harrie zijn vriendelijke mensen.

Tijdens het ontbijt vertelt Harrie een verhaal.

 

 

Harrie en Corrie zijn ook door Pamplona gereden en kwamen ´s ochtends op de camping tot de ontdekking dat onverlaten de fietspomp van de fiets gestolen hadden. Een fietsvakantieganger kan niet zonder een fietspomp. Zij gingen daarom op weg naar de grote stad Pamplona om in een fietsenwinkel een nieuwe pomp te kopen.

Terwijl Harrie op de kaart staat te kijken hoe zij het beste kunnen rijden, komt er een wielrenner langs. De man vraagt in het Engels of hij hen kan helpen. Harrie vertelt het probleem en zegt dat zij op zoek zijn naar een fietsenwinkel. Er zijn maar twee fietsenwinkels in Pamplona, die vrij moeilijk te vinden zijn. De man stelt voor hen de weg te wijzen. Harrie verbaasde zich er al over dat de Spaanse, futuristisch uitgedoste wielrenner zo goed Engels sprak.

Uiteindelijk komen ze na een kleine 5 kilometer bij de winkel aan. Met zijn drieën gaan ze naar binnen. De wielrenner wordt als Sinterklaas behandeld. De winkelbedienden buigen als een knipmes voor hem. Na het afscheid van de wielrenner vraagt de winkelchef aan Harrie of hij weet wie die man was. ´Nee, hoe zou ik dat kunnen weten?´.

´Loop even mee´, zegt de winkelbediende. In de gigantisch grote showroom hangen tientallen posters van de wielrenner, die hen zojuist begeleid heeft. De man blijkt Miguel Indurain te zijn, meervoudig Tour de France winnaar! Hoe kon Harrie weten wie de onbekende fietser was, en dat Indurain in Pamplona woont (en traint)?

Harrie vertelde dat hem het meest ergerde, dat hij niets had om zijn verhaal kracht bij te zetten: geen handtekening van Indurain, geen foto, niets!


Geamuseerd hoorden wij het verhaal aan. Tegen kwart voor negen zijn Thom en ik klaar met het ontbijt.

Wij ruimen onze spulletjes op. Corrie en Harrie zijn nog wel even bezig, zo te zien. Allemachtig, wat hebben die een enorme hoeveelheid bagage bij zich! Als Harrie even niet kijkt, stopt Corrie gauw wat extra bagage (dus: gewicht) in de tas van Harrie. Ondertussen geeft ze mij een vette knipoog en drukt haar wijsvinger op haar mond, ten teken “niets zeggen, hoor…”

We nemen afscheid van elkaar en rond negen uur gaan Thom en ik weer rijden. Tjeetje, wat is het koud. De wind komt uit het oosten, dus gelukkig hebben we wind in de rug. Het gaat meteen lekker. Onder het praten door, draaien we een redelijk hoog tempo.

Bij de oude brug over de Rio Pisuerga maken we wat foto's. Haast komt niet in ons woordenboek voor. De wegen zijn lang, slecht, maar het uitzicht is erg mooi. Pas in Fromista komen we de eerste wandelaars weer tegen. Het is al weer koffietijd. Op een terrasje drinken we koffie en eten een cake.

Op de hoek staan drie politiemensen (Guardia Civil). Ze staan uitsluitend te praten met elkaar, er is geen enkele activiteit. Eentje zou zó uit een gangsterfilm kunnen komen: kaal geschoren, stoppelbaard en een flitsende zonnebril. Als er een geüniformeerde met veel sterren aankomt wordt er druk gesalueerd. De gangster (de laagste in rang) wordt niet meer aangesproken. Hij praat in gebroken Engels met ons. Er komt ook een herder met een kudde schapen door het dorp. De schapen vreten aan de hagen, die ze tegenkomen en laten in het dorp een breed, vet tapijt van keutels achter.

We doen in een heel kleine supermarkt wat inkopen voor vandaag. Als we naar buiten komen, zien we net Harrie en Corrie aan komen rijden. Tijdens het opstappen zwaaien we naar mekaar en we rijden door. Vanaf Fromista naar Carrión de los Condes is het 23 kilometer. We rijden over de gewone weg, terwijl er naast de weg een fiets-/wandelpad is aangebracht. Toch rijden we over de hoofdrijbaan, omdat het pad behoorlijk met gras overwoekerd is. Er staan op het pad ook pilaren, waar tegels zijn aangebracht. Althans, hóren te zijn aangebracht. Kennelijk door souvenirjagers zijn de tegeltjes met de Santiago-schelp er afgehakt. Het grootste deel tegeltjes zijn verdwenen, of tenminste beschadigd. Na een groot gebouw (het lijkt op een klooster) rijden we over een brug en komen weer uit op de altijd drukke N120. Gelukkig is het nu niet druk. Over de vluchtstrook, met de wind in de rug, rijden we vrij gemakkelijk 25 kilometer per uur.

Na zo'n 15 kilometer verlaten we weer de N120 en gaan naar rechts, richting Ledigos. Even voorbij Quintanilla de la Cueza gaan we voor de tweede keer eten. Op een soort picknickplaatsje maak ik weer een kopje soep, koffie en een broodje. Het gras staat hier erg hoog. Een wat oudere man staat met een grastrimmer het gras te maaien. Het maakt wel wat herrie, maar we kunnen er gewoon blijven dooreten. De man wordt gadegeslagen door een iets jongere man, die zich met behulp van stokken voortbeweegt. Hij gedraagt zich als een chef: hij geeft de oudere man constant aanwijzingen waar en hoe hij moet werken.

Thom ergert zich aan het gedrag van die jongere, invalide man. Als deze man even weggaat, loopt Thom naar de grasmaaiende man en geeft hem een sigaar. Thom heeft uit Nederland speciaal voor dit soort gelegenheden een doosje sigaren meegenomen. De man kijkt stomverbaasd dat hem iets aangeboden wordt en steekt de sigaar in zijn borstzak. Hij maait weer verder.  Wij gaan ook weer op pad.

Nabij Ledigos wordt het terrein wat heuvelachtiger. Regelmatig moet ik terugschakelen, maar toch gaat het fietsen vrij gemakkelijk. Na de klimpartijtjes zijn de afdalingen erg fijn. Soms halen we de 40 kilometer per uur, zonder te hoeven trappen. Soms komen we wandelaars tegen. Met de grote rugzakken is zowel de klim als de afdaling voor hen nagenoeg even zwaar. Terwijl wij de fiets in de afdaling kunnen laten 'lopen', moeten zij ook in de afdaling een inspanning leveren. Telkens als we wandelaars passeren, bellen we eerst op afstand met de fietsbel. Meestal draait de wandelaar zich om en dat geeft dan even de gelegenheid om elkaar in het voorbijrijden een BUEN CAMINO toe te wensen.

Nog maar 13 kilometer en dan zijn we bij ons einddoel van vandaag: Sahagún. Het ligt een beetje op een heuvel. De weg er naar toe is lang en recht. Tegen 16.00 uur rijden we de stad binnen.

In een telefooncel belt Thom naar het reisbureau in Santiago om te verifiëren dat wij daadwerkelijk vrijdag de 26e mei terug gaan. Vanuit de telefooncel lukte dat niet: we krijgen een faxlijn.

Op een terrasje trakteren we ons op een biertje. In de tegenovergelegen Supermercado doen we inkopen voor vanavond. We eten bloemkool, aardappelen en ham. Het duurt even, voordat we de camping gevonden hebben. Het ligt aan de doorgaande route, een beetje buiten de bebouwde kom. Het is er nog erg stil. Ik ga douchen en was mijn kleren.

De zon staat laag. Thom zet zijn tent een heel eind van me vandaan om vannacht maar een beetje verschoond van mijn gesnurk te blijven. Hij zet zijn tent een beetje voor de ingang van een Duitse caravan. Er is toch niemand, dus de kans om weggestuurd te worden is heel klein.

Als we de tent opgezet en ingericht hebben, maken we het eten in orde. We bakken de ham door het eten. Het smaakt me prima. Het is al 21.00 uur dat ik naar huis bel. Ik krijg Peter aan de lijn. Hij vertelt dat hij vier vissen met zijn nieuwe hengel gevangen heeft. Hannie is benieuwd waar we al zijn. Wat is het fijn haar weer even te horen. De dagelijkse dingetjes worden even doorgenomen. Alles gaat thuis z'n gangetje. Nog ruim een week en dan hopen we in Santiago aan te komen.

De reis gaat best wel snel en goed, maar... ik mis mijn gezin een beetje.

DAG:  93.7       TIJD: 4.42        GEMIDDELD: 19.8        MAX:  53.0       TOTAAL:  2398.3

 


DAG 27

 


Het is koud en vochtig geweest vannacht. Thom is ook om 7 uur wakker. Ik schijn vannacht weer aardig hebben lopen ronken. Ik zeg Thom dat ik de hele nacht wakker ben gebleven, maar dat ik er niets van mijn gesnurk gemerkt heb. Het is weer tijd voor krachtvoer, de muesli. Ik eet weer uit het pannetje. Het is nogal fris. Verderop is op de trap naar het receptiehuis wat zon. Samen gaan we op de trap zitten en eten in het magere zonnetje het ontbijt. We kijken uit over de doorgaande weg. Er komt een eenzame wandelaar voorbij. Zoals bij alle wandelaars is ook zijn rugzak zwaar beladen. We groeten elkaar.

Het eten is nog niet op, als Corrie en Harrie juist voorbijkomen fietsen. We roepen hen. Door het gesloten hek praten we wat met elkaar en bespreken onze plannen voor vandaag. Ons reisdoel voor vandaag is Hospital de Orbigo. Zij hebben geen echte plannen. Na een kort gesprek  nemen we afscheid van elkaar.

De natte tenten pakken we weer in. Na Sahagun is het een kleine vier kilometer over de weg rijden. De gele pijlen, bestemd voor de wandelaars, wijzen ons bijna vanzelf de weg. We moeten naar rechts en komen op een grindpad. Het is er niet erg heuvelig, maar de weg ligt vol met stenen. Na een kilometer of vijftien komen we op een picknickplaats twee wandelaars tegen. Zij liggen onder een boom in de schaduw even uit te rusten.

Ook wij besluiten even wat te rusten en te eten. Terwijl ik de benzinebrander aanzet, begint Thom met de wandelaars een gesprek. Het is te ver om te horen wat ze bespreken. Later begrijp ik van Thom dat het een Duitse vrouw en een Fransman zijn, die samen optrekken naar Santiago. Als de soep bijna klaar is, komen juist Corrie en Harrie langsrijden. Ook zij stoppen en met z'n vieren drinken we soep en koffie. Terwijl Corrie de rug van Harrie insmeert, gaan wij weer op pad.

Het grindpad is nog een ruime vijftien kilometer lang. Ik rijd voorop. De wind is in de rug en het gaat lekker. De stenen knoeperen onder de hard opgepompte banden. Zoals wel vaker, raakt Thom wel eens uit het zicht, omdat hij een foto maakt, of een 'sanitaire boodschap' moet doen. Meestal haalt hij me dan wel in. Maar nu mis ik hem al een tijdje. De weg is lang en recht, maar wordt onderbroken door het dorpje El Burgo Ranero. Dat ben ik al een kilometer of vier geleden gepasseerd en ik kan het nog in de verte zien liggen. Geen zicht op Thom. Ik wacht maar even, maar ga niet terug. Straks is hij weer even ergens wat gaan drinken! Terwijl ik wacht, is het doodstil.

Alleen de warme wind hoor ik blazen. Ik word opgeschrikt door een wel 60 cm lange, dikke groene leguaan. Als ik me beweeg, is het beest ook meteen weg. Telkens komt het reptiel weer terug. Ik sta al een dikke vijf minuten te wachten, maar zie Thom nog steeds niet.

Dan toch maar terug. Ik ben vlak voor het dorpje  El Burgo Ranero, als Harrie en Corrie juist de bocht omkomen. In het voorbijrijden zegt Corrie, dat Thom verderop met een lekke band staat. Shit. Niets van gemerkt. Ik rijd wat sneller terug. Ik rijd het dorpje weer door en zie Thom aankomen. Zijn gezicht staat op onweer. Zonder wat te zeggen, rijdt hij mij voorbij. Ik keer om en rijd achter hem aan. Hij rijdt een tijdje voor me, duidelijk uit z'n humeur. Het duurt gelukkig niet lang.

Thom heeft een lekke band gekregen vanwege de vele steentjes. Toen hij de band geplakt had, had hij nog geen 200 meter verderop opnieuw een lekke band gekregen. Nu het andere wiel. Hij baalde er enorm van dat ik hem niet in de gaten gehouden had. Hij had nog wel geroepen, maar ik heb hem echt niet gehoord! Zijn humeur is weer snel opgeklaard.
Aan het eind van de oneindige steentjes-weg komen we in Mansilla de las Mulas aan. De fietsenmaker verkoopt Thom een buiten- en binnenband. De buitenband is ook van wat breder formaat, dus iets steviger. Thom monteert de banden nog niet. In ieder geval heeft hij nu, in geval van calamiteit, een goede band bij zich. We rijden door over de hoogvlakte onder León. Het is vrij eentonig, ondanks dat we over verschillende soorten wegen rijden. Het is af en toe best wel klimmen.

Bij het dorp Villagallegos zien we 'grotwoningen'. Het zijn kleine huisjes, uitgehouwen uit de bergen. Later blijkt, dat dit een soort opslagruimten zijn. De bewoners bewaren daar hun spulletjes, omdat het in de berg koeler is. Ook zijn er wat bodega's (drinkgelegenheden) tussen.

Een paar keer halen we Corrie en Harrie in. Gezamenlijk stoppen we bij Fontecha, bij een stilgelegde wijnfabriek. Na een korte pauze gaan wij weer verder, richting Hospital de Orbigo. Even raken we de weg kwijt, maar vinden die snel weer terug. Bij Villar de Mazarife moeten we volgens de routebeschrijving weer naar links. Een lange, rechte weg van wel zes kilometer lang. Een flinke wind blaast ons  in de rug. In de verte zien we op dezelfde weg twee fietsers. Harrie en Corrie, denken we. We gaan iets sneller rijden. Ondanks dat we wel twee tandjes opschakelen, halen we ze niet in. De fietscomputer wijst aan, dat we nu 28 kilometer per uur trappen. Toch halen we de fietser niet echt in. Het blijken twee ligfietsers te zijn. Dat moéten Nederlanders zijn! .

Op de eerstkomende kruising staan ze stil. Het zijn inderdaad Nederlanders. Het zijn Tom Wiegers en Jeanne de Man, een echtpaar uit Dussen (nabij Hank). Tijdens het rijden praten we wat. We komen niet veel fietsers tegen, laat staan ligfietsers. Tijdens het tijden legt Tom Wiegers uit dat hij deze fietsen zelf ontworpen en gemaakt heeft. Hij blijkt ingenieur te zijn en het ontwerpen van ligfietsen als hobby te hebben. Na een paar kilometer komen we weer uit op de altijd drukke N120. Het is nog maar tien kilometer tot aan ons einddoel. Het begint een beetje traditie te worden. Zo aan het eind van de fietsdag, met nog zo'n tien kilometer te gaan, eerst nog even wat drinken in een barretje, op de drukke viersprong.

Er zijn op die kruising drie barretjes. Tom en Jeanne verkiezen om door te rijden en we nemen afscheid van elkaar. Wij plaatsen de fietsen tegen de gevel en gaan één van de drinkgelegenheden in en bestellen een biertje. Nauwelijks zitten we, of er komen twee Nederlandse wandelaars binnen. Thom herkent één van hen als broeder Fons van der Laan. Hij is van het kerkgenootschap van de Jacobushoeve uit Vessem. Daar heeft Thom onze geloofsbrief voor de Compestellana gehaald! Fons is in Spanje in retraite. Zijn medewandelaar stelt zich voor als Ernest van Geffen. Fons is Ernest tegemoet gelopen en samen lopen ze terug naar Hospital de Orbigo. Daar is een dependance van de Jacobushoeve, waar Fons verblijft. Ernest zal doorlopen naar Santiago. Fons nodigt ons beiden uit om in de Jacobushoeve in Hospital de Orbigo te overnachten. Dan hoeven we niet in een refugio. De Jacobushoeve heeft 24 bedden, die op dit moment nog niet gebruikt worden. We kunnen er zó terecht. En als we nog meer fietsers/wandelaars tegenkomen, mogen die daar ook overnachten. Het klinkt erg aanlokkelijk. Weer eens in een echt bed slapen!

We hoeven er niet lang over na te denken en accepteren het aanbod. Fons en Ernest gaan weer op pad, want zij moeten nog een kilometer of zeven lopen. We spreken af om elkaar weer te ontmoeten op de historische brug over de Rio Orbigo. Beide mannen krijgen een  ruime voorsprong van ons en ondertussen kijken we uit of we Corrie en Harrie aan zien komen. Vergeefs.
Na een half uurtje gaan wij ook pad, richting Hospital de Orbigo.

Na een kilometer of vier halen we Fons en Ernest in. Ze lopen over de vluchtstrook langs de drukke provinciale weg. We bereiken de brug over de Rio Orbigo. Een eeuwenoude, historische brug, waar we wat foto's maken. Het weer ziet er erg dreigend uit.

Er vallen af en toe grote druppels regen. Juist als Fons en Ernest in de verte aan zien komen lopen, komen ook Corrie en Harrie over de brug fietsen. Zij zijn als eerste bij ons en leggen het aanbod van Fons aan hen voor.  Na kort overleg besluiten ook zij in de Jacobushoeve overnachten. Even later stellen wij Corrie en Harrie aan Fons en Ernest voor en met z'n zessen lopen we over de brug richting Jacobushoeve.

Na een paar honderd meter komen we er aan. Het is een verbouwd huis. Het wordt gebruikt om voornamelijk lichamelijk en verstandelijk gehandicapte kinderen onderdak te bieden voor een korte vakantie. Als we er binnenkomen blijkt er nog een Nederlands echtpaar binnen te zitten. Fons kent hen wel, maar wist niet van hun komst. Overal in het huis zijn mooi ingerichte kamers met goede bedden. In de hal kunnen we onze fietsen stallen.

Fons wijst ons de weg in het huis. Het huis is tussen juni en september permanent bezet. Nu is het uitsluitend in de weekeinden in gebruik. Waar we maar willen: we kunnen in huis overal een bed uitzoeken. Ik zoek een slaapzaaltje met zes bedden uit. Het wordt 'mijn' slaapdomein voor deze nacht: helemaal voor mezelf. Heeft Thom tenminste één keer geen last van mijn gesnurk. Wat een luxe heeft ons onderkomen! Prachtige douches, toiletten en vooral: een goed bed! Als ik me gedoucht heb, ga ik naar beneden. In de royale 'huiskamer' praten we met z'n allen wat bij. Wij praten ook over onze ontmoeting met de ligfietsers en dat zij in de refugio overnachten. Fons kent hen ook: Jeanne en Tom hebben hun geloofsbrieven ook bij de Jacobshoeve gehaald !

Het is al ruim over acht uur als we besluiten een gezamenlijke maaltijd in een restaurant te gebruiken. Fons wil nog wel even langs de refugio om langs de ligfietsers Jeanne en Tom  te gaan. Het is een eindje lopen. Onderweg kletsen we wat met elkaar. In de refugio treffen we Jeanne en Tom aan. We blijven er een uurtje praten. In de refugio trekken vooral de ligfietsen erg veel belangstelling van de overige pelgrims. Het is al bijna 22.00 uur en we krijgen honger.

De groep blijft bij acht personen: Jeanne en Tom gaan niet mee naar het restaurant. In het door Fons uitgekozen restaurant bestellen we allemaal een MENU PELEGRINO. Fons wordt vrij van kosten gehouden. Het is al half elf en we moeten nog beginnen met eten.

Ik bel ondertussen even naar huis. 'Moet je niet slapen?', vraagt Hannie. 'We moeten nog eten!' antwoord ik. In het kort probeer ik uit te leggen wat er momenteel gaande is. Ze snapt er niets van. Ze is erg enthousiast en nieuwsgierig. Het gesprek is kort.

Als ik weer aan tafel kom, wordt het eten net geserveerd. We eten salade, schnitzel en een pelgrims-toetje. Het is erg gezellig. Om 23.00 uur komen er nóg mensen binnen om te eten! Pas tegen middernacht komen we weer aan in de Jacobushoeve. Ernest weet te vertellen dat Fons nu jarig is. Dus: even zingen. Er wordt nog wat nagepraat en pas tegen kwart voor één ga ik heel moe naar bed.

Pfft. Wat een dag !

DAG:  99.6       TIJD: 5.31        GEMIDDELD: 17.9        MAX:  51.8       TOTAAL:  2497.9


 

 

DAG 28

Ik heb geslapen als een os. Als ik Thom zou moeten geloven, zal ik gigantisch gesnurkt moeten hebben. Wat heb ik goed geslapen. Rond kwart voor acht sta ik op en ga me wassen. Langzamerhand wordt iedereen in het huis ook wakker. Onze gastheer Fons zit al in de 'huiskamer' en heeft alvast de ontbijttafel gedekt en koffie gezet. Rond een uur of half negen is iedereen aan tafel. Ernest heeft voorgesteld om brood te gaan halen. Na een kwartiertje komt hij al weer terug. De winkels gaan pas om 09.00 uur open. We doen een pelgrimsgebruik: al het eten wat we op voorraad hebben wordt op tafel gelegd en wordt gezamenlijk gebruikt. Het wordt een gevarieerd ontbijt. Brood, toast, koekjes, paté, jam: van alles is er.

Tijdens het ontbijt vertelt Fons, waar hij vannacht over na heeft liggen denken. Op de Jacobushoeve in Vessem wordt in een gebouw uit het jaar 1750 een stiltecentrum gebouwd. Er zijn nog geen concrete inrichtingsplannen. Fons zou het fijn vinden als deze zeven pelgrims de eerste steen voor het stiltecentrum zouden willen leggen. Niet voor het gebouw, begrijp ik, maar voor een symbool waar onze namen ingemetseld gaan worden. Zijn speech is indrukwekkend. Iedereen voelt zich min of meer vereerd. De boel is snel opgeruimd en we nemen rond half 10 afscheid van elkaar.

De hele groep gaat uiteen. Alleen Corrie en Harrie komen we in een SPAR-winkel tegen. Daar doen we wat inkopen voor de rest van de dag en halen er ook nog een Hospital de Orbigo-stempel voor onze geloofsbrief. Corrie en Harrie kiezen er voor om de drukke N120 te gaan rijden. Wij houden ons aan de routebeschrijving, die toch zoveel mogelijk van die drukke wegen afgaat. Voorbij een spoorwegovergang nabij Nistal zoeken we een plaatsje in het bos.

Aan het ontbijt in de Jacobushoeve hadden we (uiteraard) niet genoeg. De in de SPAR gekochte cornflakes zijn niet om te eten. Nog erger dan muesli! We maken nog wat foto's en gaan richting Astorgia. In het centrum ligt de kathedraal. We rijden er naar toe om een stempel te halen. De kortste weg er naar toe is een héél steile klim van nog geen 100 meter. Ik probeer het niet eens. Thom wél en komt (heel knap) fietsend boven. Bij de top komen we voor het laatst Corrie tegen. Harrie was binnen bij de PTT om een post restante op te halen. Ook komen we nog een Engelse pelgrim tegen, die we al eerder ontmoet hadden. In het centrum liggen de wegen vanwege een verbouwing open. We rijden wat om en kopen nog wat brood. Bij een terrasje drinken we een kop koffie.

Het is al twee uur en we gaan op pad naar het Cruz de Ferro. Het ligt op 1500 meter hoogte. De weg er naar toe is nog 38 kilometer. Na wat heuvels nemen we, naar wat later blijkt, bij Catrillo de los Polvazares de verkeerde weg. De routebeschrijving wijst ons naar links, terwijl we  rechtsaf gemoeten hadden. Toch rijden we niet terug.

Het is veel klimmen en dalen naar Santa Colomba de Somoza. Inmiddels zitten we al op bijna 1000 meter hoogte. Binnen zes kilometer moeten we naar 1150 meter. Een klein stukje verderop stoppen we. Tijd voor de soep. Ik steek meteen de brander aan, wat bij Thom niet in goede aarde valt. Een beetje geïrriteerd zegt hij, dat het hier zo mooi is, dat we  even van de stilte zouden moeten genieten. We kijken uit over een mooi dal.

Na een half uurtje gaan we verder, naar Rabanal del Camion. Het dorp kent een paar gebouwen. Eén ervan is een refugio, waar we nog even een glas frisdrank drinken. De klim gaat nu beginnen. De weg is mooi en het uitzicht naar Astorgia. Ik maak wat foto's. Je kijkt wel 25 kilometer ver! Het is erg warm. De eerste zes kilometer zijn rond de 8% stijging.

We komen door het verlaten dorp Foncebadon. Er staan nog uitsluitend ruïnes. De volgende 4 kilometer kent een stijgingspercentage van 12%. Ik zie Thom ver voor mij uitrijden.

We komen om een bocht en in de verte zie ik de van foto's bekende Cruz de Ferro. Een hoop stenen. In het midden een houten staak met daarboven op een kruis. Er staan wat toeristen, die net vertrekken. In het laatste stuk worden we ingehaald door een volgende bus. Nu met schoolkinderen.

We staan bij het Cruz de Ferro en lopen er wat tussen de kinderen rond. Op de immens grote berg vind ik grotere en kleinere stenen met geschreven of geschilderde teksten. Op de steen staat een persoonlijke boodschap van een pelgrim op weg naar Santiago de Compostela.

Eindelijk gaan de schoolkinderen weg.

Even nemen Thom en ik de tijd voor ons zelf. Ook wij, als echte pelgrims, werpen volgens ritueel, onze van huis meegnomen last af. Volgens de legende is het een uiting dat de pelgrim vrij van zijn last is.

Ik werp de ruim 2000 kilometer meegesleepte stenen van Hannie, Rob en Peter op de berg van het Cruz de Ferro en even later de steen van de Jacobushoeve. Thom maakt van mij foto's en ik van hem. We praten niet veel tegen elkaar. Ieder heeft op dit moment zijn eigen gedachten.

De volgende toeristen komen er aan. Een groep Franstalige Belgen stopt met de auto, stappen uit en louter voor de foto gooien ze ook een steen op de berg. Onder luid gekrakeel ook een groepsfoto. Zo snel als ze kwamen, zijn ze ook weer weg.

Zonder het met Thom te bespreken ben ik nogal teleurgesteld. Is dit nu de mythe? Is dit nu hét Cruz de Ferro waarin alle verhalen zo over geroemd wordt? Het is meer een toeristische attractie, een klomp verschillende soorten stenen. Als ik goed kijk, zitten er zelfs stukken beton en afgebroken dakpannen tussen. Het lijkt me sterk dat pelgrims dit als een van huis meegenomen last afgeworpen hebben...

Onze foto's zijn genomen. Het is koud en het loopt al tegen half zes voordat we verder gaan. Eerst een klein stukje afdalen en dan weer richting radiostation een klim van 12%. Een kleine twee kilometer. Niet ver, in ieder geval. De afdaling is bloedlink.

De waarschuwingsborden voor fietsers staan er niet voor niets. In een bocht begint de afdaling pas écht. Het is net of iemand de fiets katapulteert. Binnen 100 meter zit ik al op de 60 kilometer per uur. Vliegen spatten uiteen op mijn zonnebril. De weg is erg hobbelig, maar dat heeft alles met de snelheid te maken. Ik knijp in de remmen, maar van afstoppen merk ik niets. Ik ben bang dat mijn bagagedrager door de hobbelige weg af zal breken, maar gelukkig blijf ik van deze ramp bespaard.  Op de lange stukken laat ik de fiets lopen. Ik kom boven de 70 kilometer per uur en durf niet sneller.

Na acht kilometer afdaling komen we na een haarspeldbocht in Riego de Ambros. Een dorp met 20 huizen waar de tijd stil heeft gestaan. Midden op de weg staat een oude man. Thom, die voorop rijdt, wordt met gebarentaal duidelijk een teken gemaakt: 'eten'. De man wijst op een klein gebouwtje. Thom kijkt me vragend aan: 'zouden we nu voor een maaltijd uitgenodigd worden?'. Niet dus. Hij was klanten aan het werven voor het piepkleine restaurantje. Ach, waarom ook niet: we besluiten om even te gaan zitten en een biertje te drinken.

Thom gedraagt zich anders, dan ik van hem gewend ben. Hij wil persé op dit moment een brief naar huis schrijven. Hij vraagt en krijgt in het restaurantje een kaart en een enveloppe. Ik laat Thom met rust.

Naar de camping in Molinaseca is het nog maar een paar kilometer. Het is al half zeven geworden, dus we moeten opschieten. De afdaling is veel langer, dan we dachten. In de afdaling worden we  ook nog voorbijgereden door een fietsvakantieganger. Hij heeft een rood windjack aan. Ook een pelgrim, zo te zien, ondanks dat we geen onderling contact hebben. Het is al zeven uur geworden. Te laat om nog inkopen te doen, want de winkels zijn al gesloten. Dan maar uit eten.

Eerst de camping zoeken. Die vinden we in Molinaseca niet, dus rijden we maar door. Er moet ook een refugio zijn. Die vinden we, maar rijden er langs en stoppen niet eens. Onder een golfplaten afdak, aan de doorgaande weg, in de open lucht, staan stapelbedden. Er liggen al mensen op en het wordt ook daadwerkelijk als slaapplaats gebruikt. Het komt niet eens in ons op om te vragen of er een andere mogelijkheid is.

Dan maar doorrijden naar Ponferrada. Volgens de routebeschrijving zijn er alle voorzieningen, dus ook een camping (dachten we). Zowel de camping als de refugio zijn niet in Ponferrada te vinden. Ze zijn er gewoon niet ! Iedereen die we aanspreken heeft wel tips, maar geen mogelijkheden. Verder rijden naar een volgende camping is nog ruim 25 kilometer. Onbespreekbaar. Dan maar naar een hotel.

We komen ook een Fransman tegen. Hij bleek degene te zijn, die we in de afdaling van Cruz de Ferro tegenkwamen. Ook hij is op zoek naar een slaapgelegenheid. De Fransman spreekt ook goed Spaans, dus wij volgen hem een beetje in zijn (en onze) zoektocht. Zo rijden we een paar plekken af. Vanwege het vele omrijden is Thom’s humeur aanmerkelijk gedaald. Uiteindelijk weet de Fransman een paar redelijk betaalbare hotelletjes in de buurt. We rijden achter hem aan.

Op een kruising gaan wij naar rechts, de Fransman rechtdoor (naar een vier sterren hotel). Bij de receptie van het hotel blijkt, dat we er kunnen overnachten. Onze keuze valt op een tweepersoonskamer. De fietsen kunnen we in een soort opslagplaats onder het hotel kwijt. De ruimte is afgesloten, dus we nemen het meest noodzakelijke mee naar de hotelkamer.

Ik ga me als eerste douchen. Als ik uit de douche kom, blijkt dat Thom verdwenen is. In de lounge is hij alvast een biertje gaan drinken. Als hij teruggaat naar de hotelkamer om zich te douchen, werk ik mijn dagboek bij. Er is maar één eetzaal in het hotel. Die is hartstikke vol als wij willen gaan eten.

We moeten bijna een uur wachten. Het is tegen half elf als we aan tafel kunnen. Ik bestel een eenvoudige maaltijd. Eindelijk krijg ik telefonisch contact met thuis. Ik vertel in het kort onze ervaringen en de plannen voor morgen. Het gaat goed bij ons thuis. Rob vraagt enthousiast waar we zijn en Peter wil dat ik snel naar huis toe kom. Hannie heeft  geen bijzonderheden.

Als ik weer in het restaurant kom, wordt net het eten geserveerd. Ik kijk naar een moede, uitgebluste Thom. Hij ziet er niet uit. Hij heeft dikke ogen. Het is hem vandaag erg tegengevallen, vooral het Cruz de Ferro. Hij spreekt uit, dat hij ook bang is dat uiteindelijk ook Santiago de Compostela tegen zal vallen. In ieder geval mist hij heel erg zijn gezin. Als ik vraag of er ook nog andere factoren zijn, antwoordt hij ontkennend.

Pas tegen half twaalf gaan we weer naar de hotelkamer. Ik zit op bed het laatste gedeelte van het dagboek bij te werken. Ondanks de vele klimmen van vandaag, voel ik me niet zo moe. Het is stil op de hotelkamer. Thom en ik hebben nu weinig te bespreken met elkaar. Eigenlijk verlang ik ook wel een beetje naar het eind van de reis, Santiago de Compostela.

Ik geniet nog steeds iedere dag van de natuur en de reis, maar maak me een beetje zorgen om Thom. Hij is vanmiddag zo 'anders'.

Het onweert buiten. Thom valt eerder in slaap dan ik.

DAG:  85.4       TIJD: 5.18        GEMIDDELD: 16.0        MAX:  68.5       TOTAAL:  2583.3

 

 


DAG 29

Vannacht ben ik een paar keer door Thom aangestoten. Kennelijk omdat ik weer lag te snurken. Ik slaap licht en ben vaak wakker. Om half acht sta ik op en ga me wassen. Als ik klaar ben, wordt Thom net wakker. We spreken af, dat ik vast naar het restaurant ga. Thom komt een kwartiertje later. Zijn humeur is weer 'gewoon'. Ik vraag er in ieder geval niet naar.

Het is een wel heel karig ontbijt dat ons voorgeschoteld wordt. Eén broodje, een kop koffie, een glas jus-de-orange en twee cakejes. Het is tegen negen uur als we de hotelkamer verlaten. Bij de receptie betaal ik met de creditcard 14000 Peseta’s voor de overnachting en maaltijden. Ik lever de sleutels in. Bij het laden van de fietstassen merkt Thom, dat hij zijn stuurtas kwijt is. Het laatst is de tas op de hotelkamer gebruikt, dus die moet er nog liggen. Het blijkt gelukkig het geval te zijn!

Het is koud buiten. Voor het hotel ligt een benzinestation. Ik tank nog even wat benzine voor het brandertje en we kopen nog wat extra te drinken. Het is immers zondag vandaag. We rijden Ponferrada uit en komen langs een kerkhof voor stoomlocomotieven. Thom maakt er een paar foto's van. We doen nog even wat inkopen.

Ik heb nog honger en in een pannaderia/supermercado kopen we nog wat spulletjes. Onder ons eten door zien we de wandelaars weer voorbijkomen en groeten elkaar. Ponferrada inrijden is makkelijker, dan op zondagochtend er uit te komen. De wegen zijn goed, maar uitsluitend voor automobilisten aangegeven. Vlak voor een snelweg zien we een man in een loods onder een huis werken. Thom rijdt er naar toe om de weg te vragen. Het huis leek ineens wel een bijenkorf. Overal gaan de klapluiken van de ramen open. Zo zie je niets en niemand en zo bemoeit iedereen zich er mee. 

We blijken goed te rijden. Even voorbij de snelweg moeten we meteen naar links en zitten zo weer op de route. Na een onverhard pad komen we door Cacabelos, Pieros en komen zo in Vilafranca del Bierzo uit.

Tijd voor de koffie, want zo meteen begint er weer een forse klim van een dikke 25 kilometer over een oude N-weg. Af en toe leidt de routebeschrijving ons van deze weg af en worden we door heel oude dorpen gestuurd. Daar zijn die wegen over het algemeen héél slecht. We klimmen van 511 meter naar 1110 meter. Na Ambasmetas wordt het menens. Het stijgingspercentage loopt op naar 10%.

Thom rijdt in zijn eigen tempo naar boven en wat langzamer, ik er achteraan.

We spreken boven af. De klim gaat gestaag door. Het is een fantastische natuur waar ik door heen rijd. Al slingerend gaat het omhoog. Een kleine honderd meter hoger loopt de 'nieuwe N-weg'. Daar rijdt al het verkeer, voornamelijk vrachtwagens. Op mijn weg word ik niet één keer door auto's ingehaald. Na ruim 25 kilometer klimmen komt mijn weg uit op de drukke N-weg, waar ik volgens de routebeschrijving naar links moet. In de laatste kilometer tot aan de top van de Porto de Padrafita do Ceibreiro (!) word ik ingehaald door een Nederlandse vrachtwagen van transportbedrijf De Bruin uit Surhuisterveen.

De wegwijzers wijzen al naar Ceibreiro. Dit is in ieder geval ons einddoel voor vandaag. Ik ga naar links en zoek Thom. Hij staat buiten te praten met een groep Duitse Santiago-gangers. Ook op de fiets. Hun tocht is nagenoeg geheel verzorgd. In het restaurant drinken Thom en ik een biertje.

Het is al half vier en volgens de beschrijving krijgen we nog een klim van 10 %. Na een half uurtje gaan we weer op pad.

Nog 200 meter hoogteverschil. Het uitzicht is fantastisch mooi. Vanaf het dorp Ceibreiro kijken we over een prachtig dal. Het is vrij koud en het waait nogal.

Thom stelt voor om in de refugio te slapen. Het dorp is heel klein, dus de refugio is snel gevonden. We lopen naar binnen. Het is er erg mooi, in ieder geval netjes en schoon. Langs de bedden komen we een bekende tegen: onze Fransman die we gisteren ontmoetten bij het zoeken naar het hotel. De man ligt er doodziek op bed. Het lijkt wel of hij een zonnesteek heeft opgelopen! In het Engels praten we wat met elkaar. Hij heeft teveel van zijn lichaam gevraagd. Hij vond het verschrikkelijk zwaar vandaag en heeft veel, heel veel moeten lopen. Ook ik vond het zwaar, maar lopen? En de route maar 40 kilometer? De onze was bijna 60! Hij laat zijn route zien. Het blijkt dat hij wel een routebeschrijving heeft, maar die is voor wandelaars! Fransman Jean wil niets van ons hebben: geen eten of drinken (want iets anders hebben we niet). Het liefst wil hij gewoon even met rust gelaten worden. Dat doen we ook.

De refugio is al redelijk vol. Ik overweeg om te gaan kamperen. Niet dat er een camping is, want daar ik alles veel te steil voor. De refugio: ik vind het maar niets. Zoveel mensen in een kleine ruimte. Ik overnacht er alleen als het niet anders kan! Ik loop wat rond het gebouw en een kleine 20 meter hoger vind ik een duinkom, waar ik mijn tent neer zou kunnen zetten. Er is voor de rest niets, helemaal niets. Thom kiest toch voor de refugio. Ik  niet en zet mijn tentje op en besluit om te gaan wild-kamperen.

Het waait steeds sterker. In de refugio was ik mezelf en mijn kleren. Buiten hang ik het op. De wind zal het wel snel droog krijgen. De kleding hangt strak aan de waslijn. Thom en ik lopen een kleine 500 meter naar het 'bewoonde gedeelte' van Ceibreiro. In het piepkleine kerkje leggen we een bezoekje af.  We praten ook wat met andere pelgrims. Onder andere met de organisator van de Duitse groep fietsers.

De zon gaat langzamerhand onder en het wordt tijd voor wat te eten. In de keuken van de refugio maak ik een van de laatste noodrantsoentjes klaar. Het zijn nu nog maar uitsluitend éénpersoons maaltijden. In de verlaten keuken steek ik de brander aan. Dát had ik beter niet kunnen doen. De brander walmt veel meer dan ik verwachtte. Snel naar buiten met dat ding.  De ramen zetten we open om de walm te verdrijven. Een beetje in de luwte van de sterke, koude wind kook ik buiten op de trap het water en maakt het eten klaar. Binnen eten we het op. De walm hangt er nog een beetje, maar gelukkig zijn er geen andere gasten die het kunnen merken.

Thom heeft niet genoeg aan het eten, ik wel. Na het afwassen lopen we weer terug naar Ceibreiro. In een klein restaurant eet Thom nog wat soep en wat aardappelen en vlees. Ik beperk mij uitsluitend tot een biertje. We praten nog wat en gaan tegen 10 uur weer terug naar de refugio.

Het is ijzig koud geworden. Een koude, straffe wind. Het wordt al wat schemerig. In een telefooncel bij de refugio bel ik weer naar huis. Rob neemt op en vraagt hoe het met me is en hoe het gaat. Hannie heeft niet veel te zeggen. Ik ook niet. Ik zeg dat ik van haar houd. Nog maar 200 kilometer. Thom belt ook nog even naar huis. We zeggen mekaar goedenacht. Ik loop 50 meter naar boven naar mijn tent en Thom gaat de refugio binnen. Tjonge, wat is het koud en het waait behoorlijk. De tent klappert. Ik hoor alles om me heen. Het ritselen, het hondengeblaf. Snel word ik wat warmer en val snel in slaap.

DAG:  59.4       TIJD: 4.36        GEMIDDELD: 12.8        MAX:  59.1       TOTAAL:  2642.7

 

 


DAG 30

Midden in de nacht word ik een paar keer wakker. Niet van de kou, want het is best wel te doen. Mijn NOMAD-slaapzak kan het wel aan. Nee, overal hoor ik in het pikdonker honden blaffen. Blaffen en huilen. Het is ver weg, maar toch. Ik knip mijn zaklampje aan. Het is half twee.

Opnieuw word ik wakker. Mijn horloge wijst drie uur aan. Opnieuw van het blaffen en huilen van honden. Ik val weer in slaap maar om 4 uur word ik weer wakker. Niet van keffertjes: honden! Als er ééntje begint, wordt het van een andere kant beantwoordt. Andere kant?, bedenk ik me. Daar staan helemaal geen huizen. Zouden het loslopende honden zijn? Het lijkt wel of ze contact met mekaar hebben door het janken en blaffen. Ook lijkt het of het wat dichterbij komt, het geblaf. Het zal wel verbeelding zijn.

Om half zes schrik ik wakker. Niet wakker worden, maar: WAKKER SCHRIKKEN ! Ik weet het zeker: er zijn meerdere honden die met elkaar contact houden door blaffen en langdurig janken. Ze zitten dicht bij mijn tent. Héél dicht bij mijn tent. Ik hoor het snurkende geluid de beesten als ze diep ademhalen, voordat het gejank begint! Het zijn er tenminste twee, mogelijk meer! Zonder te praten vloek ik.

In ieder geval zijn het loslopende, mogelijk wel verwilderde honden zijn. Wat zijn ze van plan? Het gejank zit voor mijn gevoel op nog geen 50 meter van mijn tent, mogelijk zelfs dichterbij. Het is nog pikdonker. Ik durf geen geluid te maken. Wat zijn die beesten van plan? Aan het geblaf te horen, zijn ze tenminste van het formaat Duitse herder.

Weer dat gejank. Blijf ik in de tent? Wat kan ik anders? In ieder geval zoek ik mijn Leatherman-zakmes en lamp. Ik klap het mes open en leg het boven op mijn slaapzak. Op mijn rug staar ik naar boven. Het is nog pikdonker. Ik bereken mijn kansen en mogelijkheden. Ik voel mijn hartslag bonken. Hartslag 180, schat ik. Ben ik bang? Ja. Ik ben bang. Moet ik in de tent blijven? Is het verstandig om te blijven? Straks ruiken ze het eten wat ik nog in de tent heb en gaan ze écht op zoek! Is de refugio nog open? Ik denk het wel. Ver? Nou, toch wel een 50 meter naar beneden lopen.

Weer het gejank. Het lijkt weer dichterbij. Shit!. Wat moet ik doen?

Zachtjes rits ik de slaapzak open. Laat ik in ieder geval dan maar even buiten kijken of het al wat licht wordt. Met in de ene hand het zakmes, rits ik om maar zo min mogelijk geluid te maken tandje voor tandje de binnentent open. Ik kan nog niets zien. Donker. Ik pak in de hand van het mes ook de zaklamp erbij. Tandje voor tandje maak ik de rits van de buitentent open. De tent is voor de helft open.

Weer dat gehuil van honden! Voor me gevoel staan ze NAAST mijn tent.

Ik bedenk me niet. Rits open. Linkerhand lamp, rechterhand het mes. In mijn onderbroek, op blote voeten HOLLEN, RENNEN! De honden blaffen! Twee, die, vier honden; ik weet het niet. In het schijnsel van mijn zaklamp ren ik zo snel als ik kan naar de refugio. Blaffen. Ieder moment verwacht ik van achteren gegrepen te worden! Ik voel ze niet, ik zie ze niet, maar ze zitten achter me aan. Ik storm de refugio binnen. De deur is gelukkig open. De glazen deur dendert open en ik draai me meteen om. Ik zie niets in het donker, maar hoor de honden wel tekeer gaan. Mijn hartslag heeft een wereldrecord bereikt. SHIT!!, denk ik weer.

In de refugio voel ik me nu in ieder geval veilig. Ik loop naar de keukenruimte en ga op een houten bank zitten. Het is nog geen kwart voor zes. Wachten maar tot het licht wordt. Het is koud in mijn blote body, maar ik durf nog niet terug te gaan naar de tent. Door het open raam hoor ik nog steeds honden blaffen. Kwart over zes komen de eerste wandelaars de keuken binnen. Ze zien me zitten en kijken wel een beetje vreemd naar me.

Ik vind het een beetje gênant, want ze kijken naar een kerel, uitsluitend in z'n onderbroek en bij zich een zakmes en een zaklamp. Ze vragen niets aan me, kijken me niet meer aan. Het zijn Spanjaarden. Wat voel ik me lullig. Het is al kwart over zes en het wordt al wat lichter.

De zon komt heel voorzichtig op. De drie wandelaars zeggen nog wel ADIOS tegen me en vertrekken. In de gang hoor ik nog meer mensen. Ik besluit om maar terug te gaan naar de tent. Ik verzamel mijn moed en ga naar buiten. Mijn mes opengeklapt. Ik loop rechts om het gebouw en ga voorzichtig naar boven, richting tent. Ik ben angstig, maar toch benieuwd wat ik aan zal treffen. Is mijn tent leeg gevreten? Voorzichtig kom ik boven en kan de 'duinkom' overzien. Op nog geen tien meter afstand van mijn tent zitten drie honden. Formaat: Duitse herder. Ras: onbekend. Janken: ja, twee. Teruggaan heeft geen zin: ik klem het mes wat steviger in mijn hand en loop door. Ze krijgen me in de gaten. Eén staat op en loopt meteen weg. Ik merk, dat de andere twee honden twijfelen. Ik loop door en ben ze op nog geen twintig meter genaderd. Ik loop door. De vertwijfeling bij de honden slaat toe, als de tweede hond ook gaat staan en zijn voorganger nakijkt. Ik loop door. De twee overgebleven honden staan nu allebei. Ik loop resoluut door. De beide honden draaien zich om en lopen weg. Ik loop nog steeds door. Bij de rits van de tent gekomen, leert een snelle blik, dat ze niet ín de tent geweest zijn. Ik grijp wat kleren en doe wat warms aan. Ondertussen houd ik de dieren in de gaten, maar die verdwijnen uit het gezichtsveld. Ik voel dat ik tril. Kou? Spanning? Afreageren?

Ik duik mijn tent in en kleed me alvast aan met mijn wielrenkleding. Ik kleed me warm aan. Pet op, lange broek en windjack. Ik heb nog wel even de tijd, voordat Thom wakker zal worden. De zon komt van de rechterkant van mij op. Eerst dieprood, later geel. Ik kijk over het dal. Er ligt een enorm wolkendek in het dal.

Een fantastisch gezicht! Een foto waard, denk ik en voeg de daad bij het woord.

Het is koud, steenkoud. De zon komt steeds hoger. Het is inmiddels half acht en ik besluit om maar alvast mijn tent op te gaan ruimen. Op het gemak, want ik heb nog alle tijd.

Juist als ik al klaar ben, zie ik dat Thom naar boven komt. Het is al bijna acht uur. Hij wenst me goedemorgen en ik vertel hem mijn hachelijk avontuur. Samen eten we muesli met warme melk. Samen kijken we naar het wolkendek onder ons, wat het hele dal onzichtbaar maakt. Een werkelijk schitterend schouwspel.

Het is al negen uur dat we bij de refugio weg willen gaan. Jean, de Fransman, staat al beneden op ons te wachten. In tegenstelling tot ons, is hij in een korte wielrenbroek gekleed. Fout Jean, verzorg je lichaam! We bieden hem aan met ons op te rijden, maar daar zie hij van af.

We gaan. Eerst een korte afdaling, maar daarna een klim eerst naar Hospital op 1270 meter en daarna over de Porto El Poyo naar 1335 meter. Het gebeurt niet vaak, maar dit keer was ik eerder dan Thom. Ik maak nog even een foto van hem als hij het laatste stukje klimmen overbrugt. We zijn nog geen 10 kilometer, maar wel een uur verder. Boven op de top gaan we even een kop koffie drinken. Het is inmiddels al lekker weer geworden en de lange broek kan uit.

Er komen veel wandelaars aanschuiven: een Braziliaan, een Duitser, maar ook een Engelse vrouw. Ze heeft een behoorlijk ontstoken ringvinger. Ze wil een dokter bezoeken om de pijn van infectie te verminderen. Om haar pijn een beetje te verminderen, leg ik bij haar een waterverbandje aan. Er komt ook een Nederlandse vrouw uit Ouderkerk aan de Amstel bij ons aan tafel. Ze stelt zich voor als Boukje Stopper. Ze reist helemaal alleen, net als zoveel anderen. We blijven nog even zitten, maar het is al ruim kwart over tien als we weer op pad gaan.

Een korte afdaling, maar daarna toch weer een kleine klim. Er loopt een boer met een kudde koeien midden op de weg. Thom maakt een foto. Daarna is het uitsluitend afdalen. Heerlijk. Mooie, gladde wegen met lange en ruime bochten. Geen trap hoeven geven en toch makkelijk 50 kilometer per uur naar beneden suizen. Veertien kilometer lang! We rijden door Samos. In een kleine supermarkt kopen we wat te eten en drinken. Als we buiten komen, komt Jean net langs. Hij is doodmoe. Met zijn GSM belt hij om zijn terugreis te regelen. Wij rijden weer door en laten hem achter. In een bocht aan een riviertje vinden we in een schaduwrijk plekje een picknickplaatsje. De inmiddels traditionele soep, gevolgd door een kop koffie wordt gemaakt. We eten brood met kaas en blijven kijken naar wat werklui, die een soort dam aanleggen.

Na een klein half uur gaan we weer verder. Er moet wat meer geklommen, maar ook gedaald worden. Na twaalf kilometer komen we in Sarria aan. Een tamelijk grauw stadje met hoofdzakelijk één doorgaande weg. In de stad kopen we beiden nog een fotorolletje. Ook komen we weer wandelaars tegen. Met een Belgisch echtpaar maak ik even een praatje. Richting Portomarin moeten we. Na de spoorwegovergang krijgen we meteen een klim van vier kilometer te doen. Daarna weer klimmen (ook zo'n vier kilometer) maar dan wat minder extreem. Toch zitten er venijnige stukken tussen. In de klim komen we Jean weer tegen: hij eet wat en groet ons. Wij rijden door. In Pacios gaan ook wij wat eten. We stoppen even bij een monument voor een pelgrim, die aldaar verongelukt is. Het is nog een paar kilometer klimmen. Dan volgt een mooie afdaling naar Portomarin. Thom rijdt ver vooruit. Ik neem de tijd om even een foto te maken van de brug over het meer. Juist als ik mijn fototoestel opruim, zie ik hem over de lange brug rijden. Ik schat dat hij wel drie kilometer voor mij uitrijdt.

Ik ga ook de afdaling in. Onderaan staat Thom al op mij te wachten. Hierna moeten we linksaf, opnieuw een brug over, in de richting van het dorp Portomarin. Het is nog redelijk vroeg, half vijf. De camping wordt door middel van borden aangegeven. We rijden door Portomarin en volgen de borden. Het gaat naar beneden, eerst rustig, daarna steiler. Steeds verder en verder worden we van Portomarin afgeleid. Gaan we terug? Even overwegen we het, maar rijden toch door.

We dalen verder in de richting van het meer van Portomarin. De weg loopt dood en we komen voor een groot ijzeren hek. Twee blaffende honden begroeten ons. Het is toch echt de camping. Bij de receptie melden we ons. Een vrij jonge vent is verbaasd, maar begeleidt ons. Het hek gaat open en we kunnen naar binnen. De honden blaffen niet meer. De campinghouder loopt ons voor over het royale veld. Er staan nog paarden. De paarden worden verjaagd naar een lager gedeelte van het terrein.

Het is nog warm. Thom en ik hebben alle ruimte. Er is niemand anders op de camping, alleen wij beiden. Op ruime afstand van mekaar zetten we de tent op. Thom rolt zijn slaapmatje uit en gaat liggen. Prima idee. Ruim drie kwartier later word ik wakker. Hondengeblaf. Er komt een auto met caravan de camping oprijden. Ook Nederlanders. Een ouder echtpaar met een minicaravan, een Eriba. We begroeten elkaar en terwijl Thom en ik ons douchen, stellen zij de caravan op. Het is heerlijk weer. Thom en ik wassen de kleding en hangen dit te drogen op. We vragen en krijgen wat wasknijpers.

De Nederlandse, Drentse buurvrouw komt even later langs met de vraag of wij beiden zin hebben in een koud biertje. Nou..... Thom vertelt haar met een staalhard gezicht dat wij wel koud bier lusten, maar het mijn schuld is, dat dat niet lukt. ‘Mijn fietsmaatje Ruud heeft vergeten om dieselolie voor het aggregaat te kopen en nu doet onze koelkast het niet meer. We hebben wel bier, maar zeker geen KOUD bier.’ De vrouw kijkt Thom aan of ze tegen een ruimtewezen staat te praten... Even later lacht ze als een Drentse boerin met enig kiespijn en begrijpt enige tijd later onze vreemde humor. Toch krijgen we onze beloofde koude biertjes. Met z'n vieren kletsen we wat. Zij zijn beiden gepensioneerd. Met de oude Eriba en iets jongere Toyota zijn zij in ieder geval op weg naar Santiago de Compostela. Niet via de autoroute, maar binnendoor. Zij volgen daartoe dezelfde route, die wij ook volgen. Ruim een uur zitten we bij elkaar.

Inmiddels hebben we trek gekregen en willen eten. Naar Portomarin is het zeker een vier kilometer klimmen. Bij navraag bij de campingbeheerder, blijkt dat we ook op de camping kunnen eten. Wat kunnen we eten? Ik kom er niet uit. De man legt uit dat zijn moeder kookt. Muebien. Ach, we laten ons maar verrassen. Jammer en helaas, we moeten buiten eten. Binnen is een vergadering van de lokale stamhoofden. Daar kunnen we niet terecht. Het is inmiddels wat meer gaan waaien en we zitten bovendien in de schaduw. Toch heeft het wel wat. We zien wel wat we te eten krijgen. Het wordt een verschrikkelijk grote pan met soupa, salade en: spareribs. Goed gemarineerd en erg lekker. Het is smikkelen en smullen!

Inmiddels is het al weer 10 uur en ik bel nog even naar huis. Ik vertel Hannie dat het opschiet. Nog een ruime 100 kilometer en dan zijn we er. Toch trekken we er even zo goed toch nog twee dagen vooruit. We hebben tijd en het is lekker relaxed fietsen. Met een wederzijds 'ik hou van je' sluit ik het gesprek af. Ik loop terug naar de tent. Heh, het schiet op. Nog maar twee dagen. Dan zijn we er! Ik duik om half elf mijn tent in.

DAG:  72.6       TIJD: 3.55        GEMIDDELD: 18.4        MAX:  59.0       TOTAAL:  2715.3

 

 


DAG 31

Ik heb heel goed geslapen en word pas om half acht wakker. Ik ben uitgerust. Het lijkt wel alsof de stress van het 'moeten rijden' er een beetje af raakt. We komen immers binnen de onze gestelde termijn, dus op tijd, in Santiago aan. Het is stil buiten. Het weer is wel iets veranderd. Er is aanmerkelijk meer bewolking. Het is niet koud. Ik ga me wassen. Thom is nog niet wakker en ik laat hem nog even liggen. In de tent werk ik mijn dagboek bij. Na een klein kwartiertje komt Thom langs. Hij merkt dat ik al op ben. Ik ruim de tent verder op. Met Thom ga ik weer naar het restaurant.

Daar hebben we een petit-dejeuner besteld. Nu mogen we wel binnen eten. Het eten is goed verzorgd. Zoveel koffie als we maar willen. Meteen rekenen we af en gaan weer terug naar onze fietsen. We nemen afscheid van onze Drentse vrienden.

We verlaten de camping via een ander hek en worden door de Nederlanders nagezwaaid. Meteen: klimmen. We rijden eerst door tot in het dorp van Portomarin. In de refugio willen we een stempel halen. Er is niemand. Het wordt een beetje 'zelfbediening': we stempelen onze eigen geloofsbrief. Thom komt tot de ontdekking, dat we geen bijdrage hebben gegeven voor onze overnachting gisteren, in Ceibreiro. Als gebaar van goede wil, storten we nu wat geld in het potje van deze refugio.

Thom maakt nog even een paar foto's van de herbouwde kathedraal. Dit gebouw stond aanvankelijk enige honderden meters lager op de heuvel. Maar vanwege het hoge water van het meer is het gebouw steen voor steen afgebroken en in de oorspronkelijke staat op een hoger gedeelte opnieuw herbouwd. De nummers van de stenen zijn nog steeds zichtbaar. Na dit korte oponthoud gaan we weer op pad. De eerste veertien kilometer zijn nagenoeg uitsluitend klimmen. Het valt me op dat de natuur steeds meer verandert.

Was het aanvankelijk veel bossen, nu wordt het een steeds kaler landschap. De dorpen bestaan steeds meer uit een enkele rij huizen langs een doorgaande weg. Palas de Rei rijden we nagenoeg ongemerkt voorbij. Opnieuw komen we weer op een brede N-weg: de N547. Er is veel verkeer. In de vijftien kilometer naar Melide moeten we geregeld weer op de pedalen. In een klein weiland gaan we weer even wat eten, soep en koffie drinken.

De route naar Melide is breed, heuvelachtig, maar behoorlijk eentonig. In een klim zien we in de verte Jean, onze Fransman. Er zit absoluut geen kracht meer in. Dat zie zelfs ik nog. Thom geeft even wat gas bij en terwijl hij inhaalt, grijpt hij zonder wat te zeggen de Fransman onder het zadel en duwt hem de berg op. Jean schrikt zich werkelijk te pletter, bijna een hartaanval nabij. We rijden een tijdje beurtelings naast elkaar. Jean wil ten koste van alles toch vandaag Santiago halen. We kijken hem een beetje weemoedig aan: gelet op zijn conditie is het een vrijwel onmogelijke opgave! Hij trapt zwaar, maar in hetzelfde tempo door. Een tijdje blijven we bijeen rijden, maar na een kwartier blijkt, dat het onderlinge fietsvermogen toch wel behoorlijk uiteen ligt.

Thom en ik nemen opnieuw afscheid van Jean en rijden door. Melide is een sobere stad. Eén lange rechte weg met aan beide zijden een rij huizen. Ondanks de doordeweekse dag is er niets te beleven. Een spookstad.

En hoe het mogelijk is, de in de routebeschrijving genoemde afslag Rabadella vinden we niet. Dan rijden we maar door over de N547. Het is er gelukkig niet druk. Weer wat lange klimmen tussen de drie en vier kilometer. Het gaat me gelukkig goed af, het klimmen. In het dorp Arzúa is een dorpsplein.

We stoppen er en bestellen een glas wijn. Het is niet echt warm. De zon is verdwenen en we zitten in de wind. Eigenlijk is het nét behaaglijk. We kijken naar de mensen op het plein. Een lokale dorpsgek met plastic laarzen aan wordt door een aantal jonge meiden in de maling genomen.

Het is al bijna vier uur. Daar komt Jean aan! Ik spring op en bied hem een glas wijn aan. Jean jammert. Het gaat niet goed, maar hij wil toch vandaag Santiago de Compostela bereiken. Het doet een beetje vreemd aan: een vent van 50 jaar, die ten koste van... (wie) zichzelf wil bewijzen dat hij toch in staat is om ... (wat) te bereiken. Jean blijft niet lang bij ons: een kwartiertje, dan moet hij al weer verder.

Wij rijden naar de camping. Het is weer wat terug rijden, een paar kilometer. Het is nagenoeg dezelfde spookstad als Melide. De camping is een afslag naar rechts, naar beneden. Na een dikke kilometer komen we er aan. Een klein terreintje. Het is in etages gebouwd. Boven de tenten, onder de caravans. We zetten de tenten ruim uit elkaar op. Net als gisteren zijn wij toch de enige kampeerders.... Heh, even op het matrasje in het gras liggen... Ik word weer om vijf uur wakker!

Even douchen en de kleding voor de laatste keer wassen. De douche is voor kleinduimpjes. Zelfs voor de kleding is geen plaats en die hang ik maar buiten op. De deur kan niet dicht. So what, er zijn toch geen ander campinggasten. Als ik me buk om mijn benen te wassen, stoot ik met mijn kop de douchedeur open en kijk in adamstenue over de (lege) camping...

Na de wasbeurt rijden we in 'gewone' kleren weer terug naar Arzua, om wat inkopen te gaan doen. Thom belt eerst naar de busmaatschappij om te controleren, dat wij daadwerkelijk op vrijdag mee kunnen. 'Niente probleme'. In de tegenovergelegen supermercado kopen we pasta, saus, vlees, toetje, sinaasappel en een fles wijn, een goede fles wijn. De filiaalhouder helpt ons. Hij wijst de goede wijnen aan. Maar van 2000, zakken we af naar 500 Peseta’s. Die wijn voldoet ook aan onze norm van ´goede wijn´. Met vier volle boodschappentassen rijden we weer terug naar de camping.

Het is redelijk koud buiten en er staat vrij veel wind. Samen maken we het eten. Het smaakt me meer dan prima. Ook drinken we wat wijn. Ieder twee bekertjes. Na het afwassen gaan we in het kleine restaurant een kop koffie drinken. Het dagboek wordt bijgewerkt. De koffie is op en wordt bij Thom vervangen door bier. Ik neem een rum-cola. Terwijl ik het dagboek bijwerk, denk ik dat ik maar vroeg ga slapen. Morgen de laatste 50 kilometer. Dan zijn we er, in Santiago. Ik heb nog geen idee wat me zal overkomen. Voorlopig voel ik nog niets. Geen emoties, geen opluchting of zelfs een voldoening van: ik ben er! Het fietsen is mooi, inspannend, ontspannend, indrukwekkend, maar ik ben het zeker niet zat. Ik leef ook zeker niet naar het einde toe.

Is Santiago een hoogtepunt? Ik weet het niet, voorlopig voel ik dat niet als zodanig. Morgen ben ik er. Ruim 2800 kilometer gefietst. Ik verlang weer naar huis. Naar Hannie en de kinderen.

Er gaan ook  geruchten dat Franse vrachtwagenchauffeurs de tolwegen zouden blokkeren. Als het té gek wordt nemen we desnoods maar het vliegtuig terug naar huis. Rond half tien bel ik naar huis. Ik krijg eerst Rob aan de lijn, die heel belangstellend is. Waar ben je, hoe gaat het? Dan Hannie. Fijn om haar weer te horen. Zij zegt dat de staking van de vrachtwagenchauffeurs vanavond al voorbij zou zijn. Afwachten, dus. Ik maak me er niet zo druk om. De fietsvakantie is bijna afgelopen.....

DAG:  59.0       TIJD: 3.55        GEMIDDELD: 15.0        MAX:  56.0       TOTAAL: 2774.3


 

 

DAG 32

Hondengeblaf op afstand. Ik word er een paar keer wakker van. Toch slaap ik goed. Rond half acht word ik wakker. Het lijkt wel of  het licht gaat regenen. Het is ook erg grauw buiten. Ik was me en ruim de spullen in. Tijdens het inruimen wordt het duidelijker: af en toe valt er een stevige druppel. Ik ruim de tent wat sneller op en rijd de fiets onder het afdak voor het restaurant. Thom is nog niet zo ver. De korte, felle buien veranderen in een meer permanente regen. Eerst druppels, daarna met bakken! We staan samen onder het afdakje. De campingbeheerster kijkt ons medelevend aan. Thom wil aanvankelijk niet in de poncho gaan rijden, maar heeft  geen keuze. Ik doe het in ieder geval wel en uiteindelijk: Thom ook.

De klim naar de hoofdrijbaan is pittig. Het is niet koud en de regen valt loodrecht naar beneden. Gelukkig is het niet druk op de N547. We gaan linksaf, onder een viaduct, richting Touro. Na zo'n 18 kilometer gaan we in Touro in een cafeetje een kop koffie drinken.

De fietsen stallen we voor het café. Twee knapen hebben enorme belangstelling voor onze fietsen, maar halen geen kattenkwaad uit. Het regent nog steeds, hoewel het af en toe wat minder wordt. Na een uurtje gaan we weer verder. Het wordt onderweg steeds droger.

Na Rodino is het nog best wel wat klimmen. Vlak voor Santiago gaan we in een zijweggetje nog even wat eten. In het bos. Ik ben een beetje opgewonden. Thom ook, lijkt me. In de verte zien we op de heuvels veel woningen. Is dat Santiago? Zijn we er nu bijna? We verwachten het beeld op de Vreugdeberg. Het beeld wijst naar de kathedraal in Santiago. We komen het beeld niet tegen. Wel komen we in de buurt van de stad, die omgeven is door een snelweg. Het is toch inmiddels droog geworden. Het is aanhoudend klimmen en dalen.

Thom geeft een lichte schreeuw: JA, DE KATHEDRAAL!

In een bocht ontdekt hij als eerste de twee imposante torens van de kathedraal van Santiago de Compostela. Ik zie ze nu ook. We zetten de fietsen aan de kant. Pak je beker!, zegt Thom. Hij doet het ook. Met een laatste slok wijn van de fles van gisteravond toasten we. Met de zelfontspanner maakt Thom ook een foto van dit moment.

We zijn er! Maar ook de laatste kilometers naar onze eindbestemming krijgen we zeker niet cadeau. Weer moeten we fors op de pedalen. Het gaat redelijk op vleugels.

Onder het spoorwegviaduct door moeten we nog een heel forse, steile klim nemen. Tussen de auto’s door laveren we door de stad. Linksaf, rechtsaf en uiteindelijk komen we op een redelijk groot, maar druk plein.
Midden op staat een gebouwtje van de VVV. We gaan naar binnen en vragen naar overnachtingsmogelijkheden. Thom wil in de refugio. Ik niet. De camping is ook geen alternatief, want het is erg nat geweest. Dan maar een hostal. De mevrouw van de VVV geeft ons een adres. Met de fiets aan de hand, moeten we lopend de binnenstad in.

Nog geen tien meter lopen we het voetgangersgebied binnen: daar is Jean! Geschoren en tiptop gekleed! Hij was toch gisteravond aangekomen. Totaal kapot. Hij wijst ons zijn hostal (naast de VVV) en we spreken af, dat wij hem om 20.00 uur ophalen voor een gezamenlijk diner.

We nemen afscheid en lopen door. Eigenlijk gaan we eerst naar de kathedraal. Heel gemakkelijk vinden we het enorme binnenterrein met de imposante kathedraal. In volledige fietsbepakking fotograferen wij elkaar en laten ons daar fotograferen. Daarna gaan we weer op zoek naar onze hostal. De door de mevrouw van de VVV bedoelde hostal is vol. Er kan niemand meer bij. De hostellier helpt ons verder op weg. In het oude dorp is er nog een hostal: EL RAPIDO.

Wij op zoek naar de hostal. Het moet ergens boven een café zijn. Maar: daar barst het in de binnenstad van. Net als de restaurants en souvenier winkeltjes. In het restaurant melden we ons. Een oude vrouw geeft ons informatie. We begrijpen elkaar niet zo goed (of ze doet alsof). We krijgen geen duidelijke informatie wat ons twee overnachtingen gaat kosten. Zij toont ons de kamer. Heel eenvoudig. Nogmaals: wat kost het? Ze schrijft het op: 5000 Peseta’s voor twee personen. Oké, we gaan akkoord.

Het is zeker niet luxe, maar we hebben tenminste een bed! De fietsen kunnen in de hal. Onze fietstassen slepen we naar boven. De kleine kamer is snel ingeruimd en gaan we even douchen. Ik kleed me aan: witte sokken, bootschoenen, lange broek, ons T-shirt en mijn blauw fleecejack.

Samen met Thom ga ik weer terug naar de kathedraal. Een enorm imposant gebouw. Er zijn veel mensen, permanent. We gaan wel gezamenlijk naar binnen, maar in de kathedraal zoeken we afzonderlijk ons eigen weg. Het gebouw wordt momenteel verbouwd. Er is enorm veel bladgoud. Een enorm orgel staat in het midden van het gebouw. Ik loop door de kathedraal. Ik heb me voorgenomen om voor een aantal dierbaren juist in deze kathedraal een kaarsje aan te steken. Het is een deceptie. Een kaarsje aansteken gaat niet: er zijn wel een aantal houten bakken, waar plexiglas over heen ligt. Er bestaan wel tien van die bakken: groot 2 bij 0,5 meter. In de bak zijn tientallen 'kaarsjes'. Je moet er eerst 10 Peseta’s in een gleuf duwen, dan gaat er één van de elektronische kaarsjes aan. Fluctuaties in de stroomvoorziening zorg er voor, dat het lijkt dat de 'kaars flakkert'. Gatver... Ik steek geen 'kaarsje' aan. In ieder geval vond ik dít een enorme teleurstelling.

Thom en ik treffen elkaar weer, gaan naar buiten en vinden een terrasje. Aan de rand van het voetgangersgebied bestellen we een biertje. Ook hier zitten we nét en daar komt het Drents echtpaar uit Portomarin langs lopen. We herkennen elkaar. Het is nu ónze beurt om een biertje weg te geven. Nog even wordt er wat met elkaar gepraat en dan nemen voor de tweede keer afscheid.

Thom en ik gaan weer terug naar onze hostal om onze geloofsbrief op te halen. We willen de geloofsbrief overhandigen om de Compestellana te verkrijgen. Daarstraks waren we er al, maar toen werd er net gesloten. Het is al druk met pelgrims. We komen de Duitse fietsers tegen, die we in Ceibreiro tegen waren gekomen. Thom en ik zijn aan de beurt. Een vrouw inspecteert onze geloofsbrief aan de hand van de stempels. Ze schrijft een Compostelaat uit voor Thom.

Als ze mijn Compostellana wil schrijven vraagt ze naar mijn geboortenaam: Rudolf. Ze zoekt de naam op in een groot boek en begint te schrijven.

Na de vierde letter interrumpeer ik haar. Ik zie dat ze Rodulf schrijft. Glimlachend legt ze uit: LATIN. En ze schrijft voluit: Rodulfum Stolte. Aan een naastliggende tafel zit een man van middelbare leeftijd. Hij is in het zwart gekleed. Duidelijk een geestelijke.

Hij staat ons beiden vriendelijk te woord. Waar komen we vandaan, hoe ver we gereden hebben, was het een zware tocht, enzovoort. Hij tekent met een mooie handtekening de Compestellana. Het kostbaar relikwie nemen we dankbaar in ontvangst en brengen het meteen naar de hotelkamer.

Tegen half acht gaan we naar de hostal van Jean. Het ziet er aanmerkelijk luxer uit, dan onze El Rapido. Een receptionist vangt ons op en vraagt of wij even op de heer Remazeilles willen wachten. Er is een aparte ontvangstruimte, inclusief TV. We wachten. Het is al acht uur en Jean verschijnt nog steeds niet. We geven hem nog even, onze Franse vriend. Tien over acht, uiterlijk. Alsof hij het wist. Tien over acht komt hij binnen en verontschuldigt zich. Gezamenlijk gaan we naar de binnenstad. Jean weet voor ons een goed restaurant.

Wij volgen hem, want hij weet de weg. Binnen zegt Jean dat we Vieira moeten eten. Een oester, gereserveerd in een traditionele schelp de Saint Jacques. Je moet er tenminste twee eten, zegt Jean. Eén Vieira kost 900 Peseta’s. Wat maken de kosten ook uit. Het is tenslotte ons feest! De ober komt langs en neemt de bestelling op. Twee Vieira, razorblades (een Engelse vertaling van een schelpdier in een lange schelp) en inktvis. De Vieira is wel lekker, maar dat komt hoofdzakelijk door de saus, waarin de oester is gedompeld. De razorblades zijn ook wel lekker van smaak. Op een houten bord wordt de inktvis geserveerd. De moten zijn vrij groot en hard. De cayennepeper is overdadig aanwezig en houdt de inktvis op smaak. Ik ben er niet kapot van.

De wijn vloeit rijkelijk onder aanvoering van Jean. Als Jean de ober roept, reageert deze niet meteen. De ober heeft meer aandacht voor twee voetbalspelers van het team van Santiago die ook in het restaurant zijn. Jean is er zichtbaar boos om. Als hij de ober in (naar mijn gevoel) vloeiend Spaans even duidelijk maakt dat dit geen correcte behandeling is, buigt de ober alsnog als een knipmes. Jean staat er op om de totale rekening te betalen ('Because you're my Dutch friends').

We gaan met Jean nog ergens anders wat drinken. Jean geeft ons zijn adres. Als we ooit in de buurt van Biarritz / St Jean de Luz zijn, moeten we beslist een keer langskomen! Het is al vrij laat als we definitief afscheid nemen van Jean. Om half zes moet hij het vliegtuig halen. Thom en ik gaan nog even een afzakkertje halen. Eén biertje in het tegenover ons gelegen restaurant. Redelijk aangeschoten zoek ik om half twee mijn bed op.

Ik kleed me uit en val snel in slaap.

DAG:  53.1       TIJD: 3.50        GEMIDDELD: 13.7        MAX:  50.3       TOTAAL:  2827.4

 

 

DAG 33

 


Ik heb héél goed geslapen. Thom ook. Als ik hem vraag of ik vannacht nog gesnurkt heb, zegt hij dat hij mij niet gehoord heeft (oorzaak drank?) We nemen vandaag een rustige dag. Inkopen doen, de kathedraal bezoeken, de fietsen in orde maken, de stad in. Lekker rustig. Eerst richt ik de tassen opnieuw in.

Alles wat ik niet meer nodig heb, gooi ik ook meteen weg. Zelfs het aller-, allerlaatste eenpersoons noodrantsoentje. Uiteindelijk is één van mijn voortassen helemaal overbodig geworden en kan ik in één van de grote tassen kwijt. We doen heel relaxed. We 'moeten' niet meer.

In het dorp gaan we te voet naar SAIA, de busmaatschappij, die ons morgen weer terug naar Nederland moet brengen. Het is een hele tippel. De vriendelijke SAIA mevrouw legt ons uit wat we moeten doen. In tegenstelling wat we aanvankelijk te horen kregen, moeten de fietsen wel degelijk in een kartonnen doos vervoerd worden. Uiterlijk zeven uur moeten we er zijn om ons in te checken. Ze geeft ons een adres, waar we de fiets kunnen laten verpakken.

Op zoek naar de fietsenwinkel. We vinden er één, maar dat is niet de bedoelde winkel. Binnen vragen we om twee kartonnen fietsdozen. Met handen en voeten leggen we het uit. De vrouw begrijpt ons. Ze vertelt ons, dat we ná vijf uur terug kunnen komen, dan heeft ze de fietsdozen.

We lopen weer terug naar het centrum. Daar lopen we wat rond en komen ook op een permanent boekenmarkt. Het is al bijna 12 uur. Dan begint één van de twee (en soms drie) pelgrimsmissen die iedere dag in de kathedraal gehouden worden. De kathedraal is nagenoeg vol. Enorm, wat een mensen. Ik durf geen schatting te maken, maar het zijn er wel heel veel. De mis duurt ruim drie kwartier. Ik versta en begrijp er niets van. Aan het eind van de mis wordt een 1.50 meter groot wierookvat aan een vuistdik touw door wel zeven geestelijken geslingerd.

Het is inmiddels al bijna één uur. Zoals afgesproken, scheiden de wegen van Thom en mij zich voor vanmiddag. Thom wil graag een middagje alleen zijn. We spreken af, dat we om 17.00 uur in de hostal elkaar weer ontmoeten. Ik slenter door het wel zeer toeristisch ingestelde Santiago. Af en toe valt er een korte bui. Ik zoek iets om mee naar huis te nemen. Maar wat? Het meeste is echt prullaria. Dan maar niets kopen.

Rond 15.00 uur loop ik door een van de steegjes. Op een terrasje zie ik Thom met Corrie, Harrie, Jeanne en Tom (de ligfietsers) zitten. Ik sluit aan. Het weerzien is hartelijk. Ze zijn nét aangekomen en zijn nu in gezelschap van Brian, een Engelsman. Even nog wat drinken en we spreken af, dat we elkaar om 20.00 uur ontmoeten om gezamenlijk te gaan eten. Wij blijven nog even bij Corrie en Harrie. Als hen de Compestellana uitgereikt wordt, maken we daar even een foto van.

Ik loop met hen op naar de VVV, want ze zoeken een overnachtings mogelijkheid. Daarna gaan Thom en ik op de fiets naar de fietsenwinkel. De fietsdozen moeten gehaald worden. De mevrouw heeft de fietsdozen al klaar staan. Eén grote en een kleine doos. Thom's frame is groter, dus ik kies de kleine doos. De doos moeten we kwijt. Morgenochtend kunnen we niet EN met volle bepakking EN met de doos rijden. Waar laten we die dozen? Thom stelt voor: op het busstation. We laten de doos wel achter. Ik vraag het de vriendelijke SAIA mevrouw. Geen probleem. De fietsdozen kunnen we daar wel kwijt, mits we ze wel vóór half zeven ophalen. Op de terugweg doen we ook meteen wat inkopen voor morgenochtend. Wat te drinken, broodjes en wat te snoepen. Ik denk dat we klaar voor de terugreis zijn. De fietsen worden weer in de hal van EL RAPIDO geplaatst. Thom moet nog wat inkopen voor het thuisfront doen.

Wij spreken in ieder geval om 18.00 uur af bij de Tourist Information in het centrum van Santiago. Corrie en Harrie willen het liefst naar de camping. Ik ga weer verder om wat spulletjes te kopen. Het is (en wordt) prullaria. Twee sleutelhangers. Meer niet. Ik sta om zes uur bij de Tourist Information. Daar zouden we een tweetal posters van Santiago ophalen. Het is kwart over zes en Thom is er nog niet. Ik maak de inschatting, dat hij mogelijk bij de VVV staat. Daar waar we Corrie en Harrie ingeschreven hebben. Maar ook daar is Thom niet. Ik loop twee keer heen en weer tussen de Tourist Information en de VVV: geen Thom. Tegen half zeven komt hij aangelopen. Zijn excuus heb ik al eerder in de klim bij Palacios de Benaver gehoord...

Rond 20.00 uur zijn we met z'n zevenen weer bijeen. Jeanne en Tom, Corrie en Harrie, Brian en wij beiden. Thom en ik kunnen het restaurant van gisteravond (met Jean) niet meer vinden. Geen probleem. Er zijn voldoende restaurants. Wij vinden een eenvoudig restaurant. Nog voordat het eten geserveerd wordt, bel ik nog even naar huis. Heel kort. Morgen komen we naar huis. In het restaurant eten we een fantastische paella. Alles er op en er aan. Fantastisch.

Op het plein van Santiago nemen we afscheid van onze tafelgenoten. Van Corrie en Harrie krijgen we het privé-adres. Ik beloof hen te bellen. Het afscheid is hartelijk.

Thom en ik gaan terug naar EL RAPIDO. Slapen.

Heh, morgen weer naar huis. Lekker.

 

DAG 34


 

Ondanks dat ik het wekkertje van mijn radio gezet heb, slaap ik heel licht. Uit angst om me maar niet te verslapen. Thom verbaast zich als hij de wekker al om half zes af hoort gaan. 'Tijd zat', zegt hij. We laden de fietsen op en gaan om kwart voor zeven richting busstation. Zelfs in het laatste stukje naar het busstation moet ik nog regelmatig terugschakelen. Er moet toch weer geklommen worden, zelfs op deze allerlaatste dag.

We stoppen aan de voorzijde van het busstation. Samen lopen we naar het SAIA kantoortje, waar de vriendelijke mevrouw alweer aanwezig is. Ze geeft ons de beide fietsdozen. Ik demonteer de lowriders en de achterbagagedrager van de fiets. De laatste gooi ik meteen weg. Bij het afdraaien van de pedalen verbuig ik Thom's sleutel, waar hij niet blij mee is. De fietsdozen zijn inmiddels dichtgeplakt. Thom kan zijn hele fiets er in kwijt. Bij mijn fiets moeten de wielen apart blijven. Het blijft erg stil bij de hoofdingang van het busstation. Het is al bijna 10 voor half acht. Nog steeds geen bus! Ik loop naar binnen.

De SAIA mevrouw geeft een setje labels en zegt dat we verschrikkelijk moeten opschieten, want de bus staat al lang klaar. Alleen: aan de achterzijde van het busstation! We hebben nog maar vijf minuten. Het is hollen en vliegen. Met de bagage door het hele busstation, twee lange trappen af en daar staan vele bussen. De SAIA mevrouw staat me al zenuwachtig te wenken. Opschieten, gebaart ze. De fietsdoos en beide wielen lever ik af, maar de tassen staan nog (onbeheerd) aan de voorzijde van het station! Hollen. Onderweg kom ik Thom tegen. Ook aan het slepen. De tassen staan er nog. Drie fietstassen, een slaapzak en een tent. Ik sleep het in één keer mee. Hollend. Als allerlaatste wordt onze bagage in de bus geplaatst. Nog geen twee tellen later gaan de deuren dicht en we vertrekken vrijwel onmiddellijk.

Wat een gestress! Ik zie er niet uit. Vanwege het gesleep met de beide voorwielen zien mijn handen er uit als een bootwerker. Alles is smerig. In de bus hebben Thom en ik een ruime plek. Thom zit rechts, ik links in het midden van de bus. Zo kan ik tenminste mijn benen een beetje kwijt. Op een aantal bushaltes wordt gestopt. Er worden uitsluitend passagiers ingelaten. De eerste stop is in Ponferrada. We rijden een gedeelte van de route, die we eerder in de week ook gefietst hebben. Het is leuk om het zo weer terug te zien. De bus wordt langzamerhand steeds voller. Om twaalf uur is de eerste stop. Voor een kwartiertje. Allemaal tegelijkertijd naar het toilet en snel even iets te eten kopen. Om zes uur 's middags de tweede stop. Ik heb geen idee waar we zijn. De stop duurt een uur. In een overvol restaurantje eten we wat. Snel en zeker niet goed. De bus vertrekt weer. Het is hangen in de bus. Er is geen stoel meer vrij. Het is er benauwd en er is nauwelijks bewegingsvrijheid. Er wordt niet meer gestopt: alleen maar doorgereden.

Na 15 uur reizen bereiken we om half elf 's avonds de Spaans-Franse grens. In het Spaans vertelt de buschauffeur dat er gestopt wordt in Bayonne. De passagiers in de richting van Eindhoven moeten overstappen. Wij dus. De spullen worden uit de bus gehaald. De aansluitende bus is er nog niet. We hebben geen idee hoe lang dat nog kan duren. In het restaurant van het busstation sla ik nog even wat te drinken in. Ook eten we er  nog wat. Ik bel nog even naar huis. Heel kort vertel ik waar we zijn.

De bus komt om kwart over elf het busstation oprijden. De bus is duidelijk van een ouder bouwjaar dan degene, die we eerder op de dag hadden. De chauffeurs maken een gehaaste, nerveuze indruk. Als onze fiets als laatste in de laadruimte geperst worden, schiet Thom uit zijn slof. Of ze maar even a.u.b. wat voorzichtiger met onze spullen om willen gaan! De chauffeur mompelt iets onverstaanbaars terug, maar zijn lichaamstaal verraadt, dat hij dat zelf wel uitmaakt!

Het is bijna half twaalf in de nacht als de bus in beweging komt. Op het verlaten perron zie ik, dat er een tas achterblijft. Omdat onze fietsen als laatste in de laadruimte geplaatst werden, zijn wij ook de laatste passagiers, die een zitplaats in de bus kunnen zoeken. Zoeken? Er valt niets te zoeken! Alle zitplaatsen zijn bezet. Uitsluitend twee plaatsen op de allerachterste rij. De stoelen hebben geen verstelmogelijkheden. Wel de stoelen voor ons. Het maakt de bewegingsruimte zo ruim als de bekende haring in een ton.  Het is verschrikkelijk benauwd in de bus. Het lijkt alsof de airco niet werkt. De stoelen en de zijpanelen stralen de warmte van de motor uit. Het is veevervoer optima forma. Na nauwelijks bewogen te (kunnen) hebben, is het half tien in de ochtend als we de eerste keer stoppen. We zijn nu al  26 uur onderweg. Ik heb opnieuw geen idee waar we zijn. Het lijkt op België, maar in het wegrestaurant kan gewoon in Franse Francs betaald worden. Ik ben kapot. Nauwelijks geslapen. In het wegrestaurant eten we wat en na een uur gaan we weer verder. Het is een verschrikking. Hangen, liggen, pijn, verveling.

Op een gegeven moment gaat tijdens het rijden de motor van de bus uit. De bus rolt uit en komt op de vluchtstrook tot stilstand. De drie chauffeurs sleutelen aan de motor. Uiteraard doet de airco het niet meer. Passagiers mogen uit veiligheidsoverwegingen de bus niet verlaten en binnen de kortste keren is het loeibenauwd in de bus. Na een half uur kunnen we weer verder. In Mons (België) gaan de eerste passagiers uit de bus. Hun eindbestemming. Ik benijd ze. Vanuit het raam houd ik onze bagage in de gaten, zodat deze niet vroegtijdig de laadruimte van de bus verlaat. Nadat we in Brussel opnieuw mensen op hun eindbestemming gebracht hebben, staan we opnieuw langs de snelweg stil.

Opnieuw een probleem met de motor van de bus. We pakken de routebeschrijving / spoorkaartje van de bus. Het blijkt, dat de route nog via Antwerpen en Breda gaat! We redden het nooit om op de geplande tijd in Eindhoven te zijn. Het is een vervelende gedachte, dat onze vrouwen vergeefs in Eindhoven op ons staan te wachten. Als de bus het weer doet, blijkt dat we gelukkig niet naar Antwerpen en Breda gaan, maar rijden rechtstreeks door naar Eindhoven. De planning halen we niet. In plaats van half twee, komen we om half drie aan. Wat een reis !

We zijn eenendertig uur onderweg geweest. Er zijn vier passagiers met eindbestemming Eindhoven. Snel laden we de tassen en de fietsen uit de laadruimte van de bus. We staan voor de hoofdingang van het station. Zowel Elly als Hannie zien we niet. Even later komt Rob aanlopen. Beide vrouwen staan aan de andere kant van het station en hij gaat ze halen. Ondertussen halen Thom en ik de fiets vast uit de verpakkingsdoos. Hannie en Elly komen met de auto aangereden.  Het ontvangst is kort en intens. Peter is niet meegekomen. Vanmorgen had hij meegedaan aan een jeugd-viswedstrijd. Eén van de organisatoren had verteld, dat Peter zeer waarschijnlijk in de prijzen zal vallen. Nog even rijden we mee naar Valkenswaard. Elly trakteert ons op bier en appeltaart. Ik ben hondsmoe. We vertellen Hannie en Elly onze eerste ervaringen. Het is al over half zes, als we met z'n drieën richting Uithoorn gaan. Op het binnenterrein achter onze woning zijn spandoeken en vlaggen aangebracht. Veel buurtbewoners staan me op te wachten. Ik word alom overladen met zoenen, bloemen en felicitaties. Het is heel hartverwarmend. Uiteraard wil iedereen 'even' weten wat ik zoal heb meegemaakt. Ik houd het kort, want ik kan wel een uur doorpraten. In de tuin hangen slingers.

Het is nu half acht. Zesendertig uur na ons vertrek uit Santiago de Compostela. Ik heb enorm dikke enkels van de busreis. Ik ga eerst in bad liggen. Ik ben moe. Dood- en doodmoe.

Maar intens en intens voldaan:   I k  h e b   h e t   v o l b r a c h t  !

 

 


SPONSOR AKTIE


Zoals ik in de inleiding heb geschreven, hebben wij op initiatief van collega Jaap den Butter onze tocht gekoppeld aan een goed doel: de Stichting Ronald McDonald Kinderfonds. Deze stichting is uitsluitend afhankelijk van gelden van particulieren en bedrijven.

Zij heeft tot doel om ouders van ernstig zieke kinderen onderdak te bieden in één van de academische ziekenhuizen. Familieleden hoeven dan niet permanent tussen thuis en ziekenhuis heen en weer te reizen en zijn dan altijd in de nabijheid van hun zieke kinderen. Inmiddels zijn er al acht van dergelijke tehuizen en de laatste is in Groningen in aanbouw.

Wij hebben onze familiekring, collega's en bekenden gemobiliseerd om ons voor de Stichting Ronald McDonald Kindertehuizen te sponsoren. Eén cent per afgelegde kilometer. Wij rekenden ons einddoel op ongeveer 2500 kilometer. Per sponsor zou dit het bedrag van 25.= opleveren. Bij het allereerste begin hoopten wij een bedrag van 5000,= te kunnen inzamelen.

Medio oktober 1997 hebben wij in Valkenswaard speciaal daartoe twee rekeningen geopend. Eén rekening bij de SNS-bank (ook één van onze sponsors voor 500.=) en één bij de ABN AMRO bank.

Een totaal onderschatte bezigheid was het verwerven, aanschrijven en registreren van onze sponsors. Bij elkaar hebben wij ruim 400 sponsors bereid gevonden onze tocht te ondersteunen. De meeste voor één cent per kilometer. Maar ook mensen, die ons gewoon geld in de handen duwden. Een enkeling was goed voor een dubbeltje per kilometer.

In Uithoorn en Valkenswaard hebben wij voorafgaand aan de tocht een stukje in de lokale kranten laten zetten, inclusief een foto. In Valkenswaard heeft het bij Thom ook nog wat geld door onbekende inwoners opgeleverd. In Uithoorn heeft het bij mij geen enkele reactie opgeleverd.

Na afloop van onze fietstocht hebben wij in juli alle sponsors aangeschreven. Iedere sponsor ontving bijgaande foto van ons beiden, op de fiets op het plein voor de kathedraal van Santiago de Compostela.

Bovendien kregen zij het verzoek het toegezegde bedrag over te maken op de betreffende bankrekening. Bijna iedereen voldeed aan de toezegging. Sommigen zelfs meer. Op de afrekeningen kwamen we in de omschrijving vele hartverwarmende teksten tegen: ‘prestatietoeslag’, ‘kanjers’, ‘geweldig initiatief’, en dergelijke.

Desondanks bleven er bij mij toch nog een tiental sponsors, die het toegezegde bedrag niet overgemaakt hebben....

Thom en ik spraken af dat we op vrijdag, 4 september het eindbedrag symbolisch zouden overhandigen aan het Ronald McDonald Kinderfonds. Zowel Hannie als Elly waren hierbij aanwezig.

We werden in Amsterdam ZuidOost hartelijk ontvangen.

Voor de nodige publiciteit hadden we ook gezorgd: een fotograaf van de lokale krant, maar ook een redacteur/fotograaf van het korpsbericht. Thom had bij de SNS bank voor een grote, symbolische 'cheque' gezorgd.

Mevrouw Silvia Teeuwen nam namens de Stichting deze cheque in ontvangst met het fantastische bedrag van 12.880.= ! Iets, waar Thom en ik best wel trots op waren. Bij de Stichting was men verbaasd dat twee particulieren in staat waren een dergelijk bedrag bijeen te brengen.

Na afloop zijn Thom, Elly, Hannie en ik nog met z´n vieren uit eten gegaan.

In de Warmoesstraat in Amsterdam hebben we in een Spaans restaurant een gezamenlijk diner genoten. En hoe kan het anders: Paella.

Ondanks dat Thom en ik nog steeds contact met elkaar hebben en geregeld met elkaar bellen, was deze dag een fantastische afsluiting van een zeer enerverende periode waar ik met veel plezier op terugkijk.

 

 

 

 


NAWOORD


Bij het schrijven van dit reisverslag heb ik mezelf een beperking opgelegd, want ik heb wel twee keer zoveel schrijfmateriaal. Ook tijdens het nalezen schieten mij telkens details en korte anekdotes te binnen. Ik heb ze onvermeld gelaten, want het zou dit boekwerk alleen maar groter, dikker en mogelijk ook onleesbaar maken.

Ik heb niet geschreven over de vele boerderijhonden die ons nablaften en zelfs aansprongen. De roofvogels die we gezien hebben en de urenlange, soms wel heel diepzinnige, gesprekken die ik met Thom had tijdens het fietsen. De onbedaarlijke slappe lach die we samen hebben gehad. De vele ontmoetingen met wildvreemde en vooral hartelijke mensen. De borden met acces interdit en casado privado. De eenzaamheid en de stilte, ondanks dat je mensen om je heen hebt. Het zijn beelden, die in mijn hoofd zitten. Als ik mijn ogen dicht doe, zie ik al die beelden weer voor me. Al zou ik het willen, het zijn beelden die je moeilijk met een ander kunt delen. Het is teveel om ze allemaal te noemen. Velen hebben inmiddels mijn reisverhalen aangehoord. Iedere keer betrap ik me er op dat ik heel enthousiast ben, als ik mijn verhaal doe. Maar omdat de meeste toehoorders het zelf niet beleefd hebben of een dergelijke ervaring ondergaan hebben, denk ik dat ze moeite hebben om mijn verhaal écht te begrijpen.

Tenslotte wil ik nog het volgende kwijt: In nagenoeg alle boeken lees je dat je als toerist vertrekt en als pelgrim in Santiago de Compostela aankomt. Ondanks dat ik me als een pelgrim gedragen en geleefd heb, voel ik me niet zo.

Is de hele reis dan een teleurstelling voor me? Nee, absoluut niet! Ik heb vele indrukken, ervaringen en werkelijk schitterende dingen meegemaakt, die ik nu nooit mee zal meemaken en voor geen goud zou willen missen. Maar de wegen van de Camino, de hype rondom Santiago de Compostela en vooral het massatoerisme in Spanje: dát is me tegengevallen.

Al met al is het een unieke ervaring geweest. Daar waar anderen zeggen 'dat zou ik nou ook eens willen doen', allerlei argumenten aandragen waarom het ze vooral maar niet zal lukken:

 I K   H E B   H E T     T O C H   M A A R   G E DA A N ! 

 

Ik ben naar Santiago de Compostela gereden in dertig fietsdagen. Dertig dagen zonder al te grote luxe. Alleen, met jezelf en geen hulp. Aangewezen op jezelf en ondertussen nadenken wat nu echt belangrijk in het leven is. Tweeduizend achthonderd en veertig kilometer over niet al te gemakkelijke wegen. Ik ben er trots op. Onvergetelijk. Imposant. Overweldigend. Uniek. Indrukwekkend.

Ik zou dit nooit hebben kunnen doen als ik niet de onvoorwaardelijke steun van Hannie en de kinderen had gehad. Maar vooral van Hannie. Zij heeft er voor gezorgd dat ik deze tocht  k ó n  maken. Zonder haar backup had dit niet gekund en was het me bij voorbaat niet gelukt.

 

Voor die steun ben ik haar enorm dankbaar.

 

Wil je een ingebonden, met foto’s geïllustreerd exemplaar van dit dagboek?

Neem dan even via Email contact met mij op.

ruudstolte@zonnet.nl