VIA De Camino naar Santiago de Compostela
Een reisverslag van een fietstocht © 1998
Dit verslag is een een dagboek van een intense beleving van een unieke tocht die ik in 1998 ondernomen heb. Het is de internet-versie, dus zonder toevoeging van layout-technische aspecten en/of fotomateriaal.
Het maakt onderdeel uit van mijn website waarin ik mijn fietstocht vanaf de Noordkaap tot Gibraltar beschrijf.
Op 21 juni 2003 heb ik voor een goed doel 7707 km gefietst vanaf de Noordkaap, via de Jutlandroute door Denemarken, de Camino vanaf Haarlem tot Santiago de Compostela, om vervolgens via Portugal (Lissabon / Faro) naar Gibraltar. Die tocht startte dus vanaf het meest Noordelijke puntje van Europa en eindigde op het (nagenoeg) Zuidelijkst puntje van Europa, in Gibraltar.
Bezoek ook mijn website www.home.versatel.nl/vankaaptotkaap voor meer info!
Wil je een ingebonden, met foto’s geïllustreerd exemplaar van dit dagboek?
Neem dan even via Email contact met mij op: ruudstolte@zonnet.nl
Waarom fietsen naar
Santiago de Compostela ?
Een vraag
die me wel duizend keer gesteld is. Want: hoe kom je er toe om een dergelijke
tocht te willen ondernemen? Het antwoord is eigenlijk heel simpel.
Twee keer eerder ben ik vanuit Villach
(Oostenrijk) teruggefietst naar Uithoorn, mijn woonplaats. De eerste keer was
in 1995 en de laatste in 1996. Lange afstandsfietsen en fietsvakantie is min of
meer een hobby geworden. In 1997 kon ik vanwege een polsoperatie geen
fietsvakantie houden. Toch blijft het bloed kruipen waar het niet gaan kan. Ik
wil niet opnieuw op de fiets vanuit Oostenrijk, maar heb plannen voor een
andere tocht. Maar welke? Er zijn vele mogelijkheden binnen Europa. Zo heb ik
mijn oog laten vallen op een beschreven route naar Rome (1600 kilometer). Ik
word ook geattendeerd op de Camino
de Santiago. Het is
één van de vroegchristelijke pelgrimroutes en loopt tot Santiago de Compostela,
aan de noordwest kant van Spanje, ongeveer 250 kilometer boven Portugal. Vanuit
Amsterdam bedraagt de totale afstand ongeveer 2500 kilometer. Ik zoek
documentatie materiaal en word ‘gegrepen’ door Santiago de Compostela. Waarom?
Bij de bibliotheek haal ik wat video-materiaal en via het Spaans verkeersbureau
krijg ik wat boekjes toegestuurd. Mijn gegevensverzameling, maar ook mijn
belangstelling groeit.
Naast
Jeruzalem en Rome mocht Santiago de Compostela zich reeds in de vroege
middeleeuwen in een uitgebreide belangstelling verheugen. De eerste pelgrims
verschenen in 830 en vanaf de tiende eeuw hebben honderdduizenden Europeanen de
tocht naar Jacobsstad gemaakt. De armen te voet, de enkele rijken te paard.
Ieder hoopte getooid met het herkenningsteken, de Jacobsschelp, ooit terug te keren van deze lange
tocht. Voor de één was het een boetetocht na een misdaad, om een gunst af te
smeken of een religieuze beleving, voor de ander een kennismaking met andere
culturen of gewoon de zucht naar avontuur.
Allen hadden
echter een gemeenschappelijk doel voor ogen, waarvoor soms jarenlang van
doorzetten nodig was: het graf van Sint Jacob. Volgens de legende is de apostel
Sint Jacob rond het jaar 44 in Jeruzalem onthoofd. Zijn volgelingen brachten
zijn lichaam in een bootje zonder roer en door de stroming gedreven aan land in
Iria Flavia, het huidige Padrôn. Verder landinwaarts hebben zij hem begraven.
Pas
eeuwen hierna, in 813, werd de kluizenaar Pelayo in een droom gewezen op het
vergeten graf. De heuvel waarin het graf werd gevonden, was ‘s
nachts op bijzondere wijze door de sterren verlicht. Zo is de naam ‘Compostela’
ontstaan, afgeleid van het Latijnse 'Campus Stellae' (=veld van sterren). Later
is daar een kerk gebouwd, de voorloper van de huidige imposante kathedraal van
Santiago. Het nieuws verspreidde zich en steeds meer bezoekers kwamen hier de
apostel vereren.
De
pelgrimage kwam op gang. De pelgrims waren voor een ieder herkenbaar gekleed;
ze droegen een zware mantel (pélerine) tegen de wind en regen, op het hoofd een
hoed met brede rand en een lange stok in de hand om de wolven of andere wilde
dieren van zich af te houden. Aan hun gordel hing een bedelzak of broodtas
('scarpe') en een leren veldfles.
Als herkenbaar symbool droegen
zij de Jacobsschelp. Keizer Karel de Grote behoorde reeds tot de vroege
pelgrims en verbleef enkele jaren in Santiago aan de uiterste grens van zijn
enorme rijk.
De orde
van Benedictijnen stichtte kloosters langs de Camino. Zij
boden onderdak en verzorging
aan de pelgrims. De gebouwen die hiervoor bestemd zijn heten
in Spanje 'hospitales' en in Frankrijk 'hospices'.
De route
kreeg grote bekendheid in Europa.
Historici hebben berekend dat in de
middeleeuwen ongeveer 10% van de
mannelijke bevolking de pelgrimstocht
heeft ondernomen. Ik raak steeds meer gefascineerd door Santiago de
Compostela.
Vanuit
heel Europa komen de pelgrimswegen ten zuiden van de Pyreneeën bijeen. Ook
vanuit Nederland loopt een route, zelfs verbonden met Scandinavië. Zo zijn
Haarlem en Leiden twee bekende pleistersteden, op één dag lopen van elkaar. Er
loopt ook een route via Maastricht, Aken, via de Ardennen, schuin door
Frankrijk naar de Pyreneeën. Uit diverse beschrijvingen blijkt dat er een
fietsroute is, die nagenoeg dezelfde route is, zoals de oude Camino
oorspronkelijk heeft gelopen.
Déze
tocht wil ik ondernemen. Maar: ook weer alleen? Ik spreek de talen niet. Wie
zou er mee willen gaan? En ook nog wel zo’n eind? In mijn omgeving vind ik
niemand die dit avontuur aandurft. Velen hebben wel van Santiago de Compostela
gehoord, maar er naartoe op de fiets? Alleen durf ik het toch niet aan. Lang
heb ik de gedachten, dat het wel een droom van mij zal blijven…..
Medio
april 1997 ontvang ik als abonnee het maandblad FIETS. Mijn vrouw Hannie
attendeert me op een heel kleine advertentie: ‘
pelgrim (42), zoekt fietsmaatje naar santiago de compostela, april 1998’, gevolgd
door een telefoonnummer.
De
volgende dag bel ik het telefoonnummer. De advertentie is geplaatst door Thom
Verkerk uit Valkenswaard. Telefonisch vertellen wij elkaar in het kort over de
eigen bedoelingen om naar Santiago te gaan. Thom en ik spreken af om elkaar
eens te ontmoeten. Dat gebeurt medio mei 1997.
We
vragen elkaar heel zakelijk uit: wat zijn jouw eigen wensen om deze tocht te
ondernemen. Daarnaast wordt met elkaar besproken: de financiële consequenties,
fietscapaciteiten, overnachtings- mogelijkheden, de gewenste route en de maand
van vertrek. Onze individuele behoeften liggen dicht bij elkaar. Het klikt
tussen ons. Thom belooft mij binnen één week terug te bellen, want hij heeft
meerdere reacties op zijn advertentie gekregen. Na een paar dagen belt Thom:
uit alle kandidaten wil hij het liefst met mij deze tocht ondernemen. Ik stem
toe. WE GAAN!
Ondanks
dat het in de tijd nog een eind weg is, word ik sindsdien steeds meer
geconfronteerd met ‘de pelgrimstocht’. Bij de fietsvakantiewinkel in Woerden
haal ik allerlei informatie. Ik lees er wat reisverhalen en koop er ook het
benodigde kaartmateriaal. Daarna zijn Thom en ik een paar keer bij elkaar
gekomen om wat zaken met elkaar af te spreken. Ook de wederzijdse echtgenoten
hebben kennis gemaakt. Meer en meer worden de details over onze reis ingevuld.
Voor de
bepaling van onze fietsroute kiezen we zeker niet voor de makkelijkste. Ten
zuiden van de Pyreneeën komen alle pelgrimswegen bijeen in het plaatsje Puente
la Reina. Om daar naar toe te rijden zijn een aantal alternatieven.
Er loopt
een relatief vlakke route via de westzijde. Die gaat via Antwerpen, Compiegne,
Tours en Bordeaux. Een wat moeilijkere, bergachtige route gaat via Maastricht,
Aken, langs de Ardennen naar Montmedy, de bedevaartsoorden Vezelay, Rocamadour,
langs het Centraal Massief naar Brive en St. Orolon de Marie. Wij kiezen voor
deze route, die wij schatten op iets meer dan 2500 kilometer.
Ook mijn
directe omgeving raakt door mijn virus van Santiago geïnfecteerd. Tot ik door
collega Jaap den Butter gevraagd word of
ik mij laat sponsoren. Nee, dat was nog niet in mij opgekomen. Zowel Thom als
ik betalen onze eigen reiskosten. Wat Jaap bedoelt, is mij te laten sponsoren
voor een goed doel: het Stichting Ronald McDonald Kinderfonds. Deze stichting
verleent aan ouders van zeer ernstig zieke kinderen onderdak in één van de
naast het ziekenhuis gelegen opvanghuizen. De stichting is uitsluitend van
donaties afhankelijk. Jaap stelt voor om ons te laten sponsoren voor één cent
per afgelegde kilometer. Oftewel: 2500 kilometer maal één cent, 25 gulden per
sponsor. Ik vind het een uitstekend idee
en bespreek dit met Thom. Hij is ook direct gemotiveerd en zal vanuit
Valkenswaard een actie opzetten. Ik zal dit vanuit Uithoorn doen. Het blijkt
achteraf een onderschatte bezigheid: er zit heel veel administratie aan
verbonden. Onze actie melden wij begin oktober aan bij het Stichting Ronald
McDonald Kinderfonds. Ook openen wij een aparte rekening, uitsluitend voor deze
sponsor actie.
Het
grootste probleem blijkt om vooraf de terugreis te regelen. De meest luxe
variant, per vliegtuig is een kostbare zaak. Eén keer overstappen in Madrid of
Barcelona en de kosten: ongeveer 1400 gulden per persoon. Per trein is ook
mogelijk, maar voor ons geen alternatief. Eén keer per dag rijdt er een aparte
goederentrein vanuit Spanje naar de Franse Pyreneeën. Daar wordt de fiets
overgeladen, maar niet in de TGV. Daar mag geen fiets in. In ieder geval moet
de fiets in Parijs nogmaals overgeladen worden en als bijzonderheid geld: de
fiets niet op slot mag staan. Ondanks dat de fiets verzekerd is, heeft deze
manier van transporteren een grote kans dat je je fiets toch kwijt zal raken.
Per touringcar blijkt ook niet mogelijk. Touroperators laten niet toe, dat
onder in de bus een fiets wordt meegenomen. Zelfs niet door een maatschappij
die twee keer per week per bus de hele route aflegt.
Uiteindelijk
komen we terecht bij maatschappij SAIA. Ook deze touroperator rijdt twee keer
per week vanuit Santiago de Compostela naar Nederland en laat wél toe, dat een
fiets in de bagageruimte wordt meegenomen. De kosten zijn voor een enkele reis
een kleine 350 gulden. Begin februari hebben we voor deze reisvariant geboekt.
Thom
heeft voor ons beiden via de Jacobshoeve te Vessem geloofsbrieven
(‘Credencial’) ontvangen. Hiermee wordt, meestal bij kerken / refugio’s, een
stempel gevraagd die overeenkomt met de stad, ter bevestiging dat pelgrim de
doortocht heeft gemaakt. Aan het eind wordt in Santiago de Compostela een
Compestelana (‘Postelaat’) in ontvangst genomen. Een officieel certificaat van
de geestelijkheid, als bewijs dat men de reis te voet, te paard of per fiets
volbracht heeft.
Om
praktische redenen besluiten we om onze fietstocht niet begin, maar uit te
stellen tot eind april 1998. Uiteindelijk word als vertrekdatum zondag, 26
april 1998 vastgesteld. Vanwege de nodige publiciteit zullen wij om exact 11.00
uur vanaf de Dam in Amsterdam vertrekken.
Ter voorbereiding
op deze megatocht rijd ik de nodig trainingskilometers. Iedere gelegenheid pak
ik aan. In het weekeind rijd ik tochten van rond de 100 kilometer. Ook voor
training rijd ik éénmaal volledig bepakt naar Hattem en de volgende dag weer
terug. Half april heb ik een kleine 1300 kilometer ‘in de benen zitten’.
In onze
voorbereiding nemen Thom en ik nog onze lijst door van de spullen, die we mee
moeten nemen. We stemmen alles op elkaar af. Sommige zaken zijn dubbel: zoals
plakmateriaal en reparatiemateriaal voor de fiets. In ieder geval kocht ik een
dikke NOMAND slaapzak (geschikt tot –6
graden, gewicht 1.5 kilogram) en een zichzelf opblazend slaapmatje. Eerdere
ervaringen met een ‘gewoon’ slaapmatje waren niet zo positief. Ook heb ik
waterdichte fietstassen aangeschaft (AGU Aquarius). Omdat velen mij een
regenpak afraadden heb ik een goede poncho gekocht. Ook heb ik een
benzinebrander aangeschaft, om in geval van nood ons eigen eten te kunnen
koken.
En hoe
dichter de datum van vertrek naderbij komt, des te meer wordt het een
verwezenlijking van een langgekoesterde wens, die in vervulling gaat komen. Nog
één week voor ons vertrek is het koud, guur weer. Geregeld zijn er nog
sneeuwbuien, maar gelukkig is er geen nachtvorst meer.
In dit
reisverslag beschrijf ik mijn persoonlijke belevingen van deze wel zeer
bijzondere en unieke tocht.
DAG 1
De hele
nacht heb ik liggen woelen. Ik val wel snel in slaap, maar ben vaak wakker. Om
kwart over vier schrik ik wakker. Mijn vrouw Hannie slaapt rustig naast me. Ik
kijk sla mijn handen achter het hoofd en kijk naar het plafond: vandaag gaat
het beginnen. Ik doezel af en toe nog wat weg, maar om kwart voor zeven ga ik
er uit. Ik douche mezelf en trek de wielren kleding aan.
Over
mijn trui doe ik het SNS-shirt aan. SNS is één van onze sponsors ten behoeve
van de Stichting Ronald McDonald Kindertehuizen. Alles gaat vrij relaxed. Ik
check de tassen. Eigenlijk valt er niets na te kijken, want dat heb ik al
dertig keer gedaan! Volgens mij ontbreekt niets meer aan de bagage. Rond half
negen is iedereen wakker. Met z'n viertjes drinken we een kop koffie en eten
een broodje. Voor mijn gevoel heerst er een gespannen, vreemde sfeer. Iedereen
weet wat er gaat gebeuren, maar er wordt niet over gesproken. We doen 'gewoon'.
Langzamerhand
ga ik de tassen naar de auto brengen. Als ik buiten kom is er recht voor ons
huis met een paal een bord in de grond geslagen "SANTIAGO DE COMPOSTELA - 2500 km". Een geintje van
buurman Ton. Er is niemand die mijn lol meemaakt. Ik vind het een uniek
cadeautje! De Twinny Load is snel op de trekhaak van de Nissan gemonteerd.
De vier
tassen, de slaapzak en de tent zijn in de kofferruimte van de auto verdwenen.
De fiets is binnen een oogwenk op de Twinny Load vastgemaakt. Net voordat ik in
de auto wil stappen, komen de buren Ton,
Ida en Paul aan. Ze wensen me veel succes. Het afscheid is kort. Als enige
zwaaien zij ons van het verlaten binnenterrein uit.
Het is
stil in de auto. Onze oudste zoon Rob zegt helemaal niets. De enige die
honderduit praat, is onze jongste zoon Peter. Z'n mond staat niet stil! We
rijden nu naar de Bestevaerstraat in Amsterdam. Daar hebben Thom en ik
afgesproken bij zijn schoonmoeder. Dat is ons 'tussenstation', als vertrekpunt
naar de Dam.
Rond
kwart over tien rijden we de Bestevaerstraat in. Wel via een omweg.
Uiteindelijk zien we op de hoek Bestevaerstraat / Jan van Galenstraat Thom
staan. Hij wenkt ons. Hannie keert de auto en stopt bij Thom. Aan de kant van
de weg laad ik de fiets af en monteer de tassen, tent en slaapzak. Thom loopt
ons vooruit en wijst ons de weg naar zijn schoonmoeder. Ik loop met de fiets de
lift in en stal de fiets op de galerij. Binnen drinken we een kop koffie.
Eindelijk
is het half elf. We gaan weg. De familieleden die ons uitzwaaien, rijden op
eigen gelegenheid naar de Dam. Wij rijden op de fiets. De brug over de
Kostverlorenvaart gaat vlak voor ons open. Het geeft me de gelegenheid om even
wat spulletjes beter op mijn fiets te installeren. Via de Marnixstraat en
Rozengracht komen we rond kwart voor elf aan op de Dam.
Het is
er druk. Er staan bekenden, die ik niet verwachtte: mijn maatje Gerry en zijn
vrouw Ans, maar ook hun dochter Anita met haar vriend. Ook studiegenoot Joanke
Tito met haar man! Er worden heel wat foto's van ons gemaakt. Veel
voorbijgangers blijven nieuwsgierig staan kijken wat die twee mannen wel aan
het doen zijn. Wij doen niets, gewoon even poseren!
Het is
trouwens veel sneller 11 uur dan ik dacht. Heel kort en eigenlijk ook veel te
snel neem ik afscheid van mijn dierbaren. Joanke drukt me iets in de hand.
Niemand ziet het. Ik moet haar beloven dat ik het pakketje pas zal bekijken als
het moeilijk wordt en écht niet meer gaat.
Rob en
Peter geef ik beiden een zoen. Hannie kijkt me na de afscheidskus héél indringend
aan (of was dat maar een gevoel van me?). Ik wil niet toegeven om emotioneel te
worden. Ik wil toch naar Santiago de Compostela? Hier heb ik toch zo lang naar
toegeleefd? Nou dan!
Hannie
heeft ook 'geregeld' dat er een motorrijder klaar staat om ons te gidsen.
Klokslag 11 uur stappen we op de fiets. Het verkeer wordt door de motoragent
stopgezet. Onder begeleiding van zwaailicht en sirene rijden we weg. Ik kijk
nog even om en zwaai achteromkijkend naar mijn dierbaren.
Op de
Dam komt net tramlijn 25 langs. De tram stopt en bestuurder belt langdurig. Hoe
is het mogelijk: mijn vriend Chris is de trambestuurder en hij vouwt zijn beide
handen naast zijn hoofd ineen, steekt daarna z'n duimen omhoog wenst ons op die
manier veel succes.
Over de
vrije trambaan gaat het richting Muntplein. De motorrijder rijdt veel sneller
dan wij. Halverwege raken Thom en ik ook nog even met de fietssturen in elkaar,
wat bijna een valpartij oplevert.
Op het
Weteringcircuit gaat de motorrijder ons voor, richting Ferdinand Bolstraat. Het
verkeer wordt voor ons stopgezet. Thom en ik rijden rechtdoor, terwijl de
motorrijder linksaf slaat en tegelijkertijd afscheid van ons neemt.
Voor
mijn gevoel is het nu stil. Thom en ik zijn vanaf dit moment alleen en gaan nu
echt op weg naar Santiago de Compostela in Spanje. Op de hoek Ferdinand
Bolstraat / Ceintuurbaan staan we voor het stoplicht te wachten. Thom en ik
drukken elkaar de hand. We wensen elkaar veel succes toe en hopen op een goede
afloop van deze monstertocht.
We
rijden over de Rijnstraat. Het is een drukte van belang. Veel publiek loopt
langs de stalletjes van de bazaar. In de kerk op de hoek bij de Lekstraat
willen wij onze eerste stempel halen. De kerkdienst is nog aan de gang. Aan de
achterzijde komen we bij het parochiehuis. De koster wil ons wel aan een
stempel helpen. Of één van ons mee wil lopen. Thom gaat mee. Het duurt vrij
lang voordat hij terug is. De koster blijft maar met ons kletsen. Hij vindt
Santiago een mooi reisdoel, maar de poolcirkel is volgens hem veel mooier. Daar
gaat hij vaak naar toe. We komen niet
van hem af: hij blijft maar doorpraten. De stempel die we uiteindelijk van de
koster ontvangen is van de THOMASKERK.
Onder
het viaduct van de Kennedylaan zien we opnieuw Chris, die net uit zijn tramlijn
25 stapt. Thom en ik stoppen heel even en praten heel kort met hem. We gaan
verder. Langs de Amstel gaan we richting Ouderkerk. Langs de mij bekende route
gaan we door Abcoude, richting Loenen.
Net
over de brug over het Amsterdam Rijnkanaal stoppen we voor onze eerste break.
In een bushokje eten en drinken we wat. Na een klein half uur rijden we door.
Langs
Loenen en Utrecht gaan we naar Bunnik. We gaan langs een familielid van Thom,
oom Roel en krijgen er wat te eten en te drinken. Oom Roel is een gezellige
man, die ons veel vraagt. De soep is na een uurtje echt op en we gaan verder op
pad.
De wind
waait sterk en we hebben hem recht op kop. We praten veel onderweg en rijden
langs de kastelenroute richting Wijk bij Duurstede. De pont komt er net aan en
we kunnen meteen er oprijden. Langs de rivier rijden we over de dijk. In de
laatste 15 kilometer begin ik mijn benen een beetje te voelen. De wind begint
zijn tol te eisen.
Toch
bereiken we rond 17.00 uur Tiel en komen bij het huis van schoonzus Dora en zwager
Rini. Daar zullen wij onze eerste nacht doorbrengen. Dora heeft een gigantische
pan spaghetti én macaroni gemaakt. Het gaat er best in. We scheppen wel drie
keer op!
We
praten nog wat na en rond 22.00 uur gaan we naar zolder, onze slaapplaats. Ik val
snel in slaap maar word door Bobby, de hond wakker gemaakt. Ineens staat hij op
de zolder en is nieuwsgierig aan het snuffelen. Ik heb vergeten het kinderhekje
af te sluiten.... Ik val weer snel in slaap.
DAG: 98.4 MAX: 34.0 TIJD:
4.46 GEMIDDELD: 20.6
DAG 2
Het
blijkt, dat Rini vroeg op moet staan. Dat had hij ook gezegd, maar hij had er
niet bij verteld, dat het om half vier is. De boiler staat vlak boven onze
hoofden en maakt ons wakker met een gigantisch geborrel, geklepper en geratel.
Ik slaap wel weer snel in, maar krijg een paar keer een por van Thom, die naast
me op de grond ligt. Kennelijk omdat ik wat snurkte.
Rond
half acht staan we op. Het slaapmatje is snel opgevouwen. Het is buiten in
ieder geval droog weer. Het ziet er wel dreigend en wat heiig uit. We eten een
boterham en maken ons weer op voor de reis. Onze fietsen trekken we uit het
veel te kleine schuurtje.
Gisteren
bleek al dat mijn teller iets afwijkt met die van Thom. In plaats van dat ik op
de fietscomputer de wielomtrek aanpas, druk ik abusievelijk op de reset-knop.
De teller staat weer op nul. Nou ja, dan maar helemaal vanaf niets beginnen....
Om
kwart voor negen rijden we weg. Neefje Roy rijdt ons voor en loodst ons Tiel
uit. Hij brengt ons naar de pont bij Wamel. Roy rijdt weer terug en wij wachten
op de pont. Het is nogal guur weer, vooral zo aan het water. Het duurt ook
gigantisch lang, voordat onze oversteek mogelijkheid er aan komt. Aan de
overzijde rijden we langs de oever van de Waal. Het gaat lekker met een lichte
wind in de rug. We kletsen veel onderweg en houden goed het tempo erin. Thom
kent vanaf hier goed de weg. Probleemloos rijden we langs Dreumel, Rossum en
Hedel. Het is een uur of half elf als wij Den Bosch binnen rijden. Wij gaan het
kantoor van de PNEM binnen, het werk van Thom. Daar krijgen wij veel reacties
van spontane collega's van Thom. Eén collega van hem vraagt wel honderduit naar
onze reis. Het is net elf uur als wij weer verder gaan.
Thom
kiest voor een wat rustiger route, die wel wat omrijdt. Via Sint Michielsgestel
en Gemonde rijden we richting Liempde. Het weer wordt steeds mooier en op een
gegeven moment gaat zelfs de lange broek uit. Het begint wel wat harder te
waaien, maar we kunnen de teller op ruim 21 kilometer per uur houden. Ik moet
er wel wat moeite voor doen om het tempo vol te houden. Thom gaat het
ogenschijnlijk wat makkelijker af.
Nabij
Best staan we stil bij een stoplicht. Een wat oudere man op de fiets komt naast
ons staan. Aanvankelijk zegt hij niets, maar als we al weer verder rijden,
horen we achter ons wat gehijg. Hij probeert ons in te halen. Hij herkent de
Jacobsschelp op onze tassen en vraagt ons of wij op weg zijn naar Santiago! Het
verbaast mij, dat we nu al iemand tegen kwamen, die het pelgrimsteken herkent.
Vlak bij Eindhoven begint het wat te spetteren, maar we houden het redelijk
droog. In ieder geval geen regenjacks aan, of zo.
Laat in
de middag komen we in Valkenswaard aan. De chauffeur van een voorbijrijdende
brandweerauto herkent Thom en claxonneert. Bij de kerk halen wij onze tweede
stempel. Nauwelijks zijn we bij Thom's huis, of
het begint gigantisch te hozen! Wat een mazzel dat we op tijd binnen
zijn ! De hele middag en avond komen er vrienden en kennissen van Thom langs om
ons succes te wensen. Elly maakt stamppot andijvie (met een bal gehakt) voor
ons klaar.
Het is
rond 22.00 uur als ik plat ga. Ik ben toch wel moe. Buiten is het droog en de
weersvoorspelling is redelijk, met wat kans op een regenbui.
DAG: 85.17 MAX: 34.2 TIJD
4.25 GEMIDDELD: 19.2 TOTAAL:
193.5
DAG 3
Thom
klopt rond half acht op mijn kamerdeur. Ik was al wakker, maar lig nog gewoon
in mijn slaapzak. Op ons gemak gaan we ontbijten en de tassen van de fiets
inpakken en opladen. Elly had nog wat extra krentenbollen voor ons gekocht. De
bidons worden gevuld en rond kwart voor negen rijden we weg. We worden
uitgezwaaid door Elly, Simone en een kleine 20-tal buurtbewoners.
In
ieder geval moeten we langs Roermond om daar langs een voormalige werkplek van
Thom te gaan. Ook daar collega's (en sponsors) van hem, die ons succes willen
wensen.
Om de
drukte wat te ontlopen, rijden we richting Weert. Langs Baexum rijden we
richting Roermond, waar wij rond half twaalf aankomen.
We
parkeren onze fietsen voor het gigantische gebouw. De ontvangst van Thom’s
collega’s is heel lauw. Er is weinig response. We zijn er ook vrij snel klaar:
al om 12 uur zitten we op de fiets, richting Maastricht.
Het
zonnetje komt er af en toe door. Het is nu een graad of veertien en we hebben
een lichte wind op de kop. Thom past zijn tempo aan mij aan. Toch kunnen we een
gemiddelde van 21, 22 kilometer per uur blijven rijden. Ik merk dat ik te
weinig eet en drink. Vooral eten: Thom eet wel het drievoudige van wat ik eet!
Voorbij
Sittard krijgen we de eerste heuvel. De afdaling bij Beek gaat heel vlot. Onder
aan de rotonde moeten we de weg vragen, maar na wat zoeken komen we toch weer
op de route. Tegen half vier rijden we Maastricht binnen. Het is inmiddels
lekker warm geworden. Langs de oever van de Maas kleden we ons uit (althans: de
lange broek en trui).
Ik stel
voor om nog even naar het centrum te rijden om een foto te maken voor de kerk
op het Vrijthof. Na een kleine omweg komen we op een hartstikke leeg plein. Wat
een tegenvaller! Bij een bank halen we bij de flappentap nog even wat
Nederlands geld voor de camping voor vannacht. Thom weet de weg naar Eijsden,
onze volgende doel. Het is tevens ons einddoel voor vandaag, want in Eijsden is
de camping. We blijven oostelijk van de Maas rijden.
'De weg
verandert Thom, klopt dat?' 'Dat hoort zo', zegt hij. Ongemerkt blijken we België binnen te rijden.
We rijden een brug over en vragen een oude man de weg naar Eijsden. Hij
verstaat geen Nederlands. Eijsden? Aha, Eijsdén ! Met handen en voeten legt hij
ons uit, dat Eijsden aan de overkant van de Maas ligt en dat we een stuk door
moeten rijden om daarna weer terug te rijden.... Kortom, een kilometer of
twaalf weer terug naar Nederland.
Eijsden
is een heel klein plaatsje. In de pastorie willen we een stempel halen. Helaas
is er niemand, alles is dicht. Dan maar naar de camping. De camping ligt in een
heuvelachtig terrein, waar geen vlak stukje te ontdekken is. Het gras is
doorweekt. Drijfnat. Het is een grote baggertroep. Een campinggast vertelt dat
we het treffen: het is vandaag de eerste redelijk mooie dag! Het heeft de afgelopen week alleen maar
gehoosd.
Tijdens
het opzetten van de tent begint het te gieten en te onweren. Het is gelukkig
maar van korte duur. Snel even douchen. In de douchecabine blijk ik in mijn
haast vanwege de opkomende regenbui allerlei spullen uit de tent vergeten mee
te nemen. Terug om het douchemuntje te halen. In tweede instantie blijken we
alle twee onze shampoo vergeten te zijn. Weer terug.
In het camping-restaurant
kunnen we gelukkig wat eten. Vanwege het nog zeer prille campingseizoen blijkt
het een karige keuze: uitsluitend pannenkoeken. Voor twee heel dunne
pannenkoeken betaal ik 20 gulden.
Dan
maar snel naar bed. Ik voel me moe en val snel in slaap.
DAG: 124.1 MAX: 47.0 TIJD
6.49 GEMIDDELD: 19.2 TOTAAL:
317.6
DAG 4
Ik word
om half acht wakker. De camping is nog heel stil. Als ik de rits van de tent
opendoe, zie ik een stralend blauwe lucht. De bestelde broodjes zullen pas
tussen half negen en negen uur bij de campingwinkel geleverd worden, dus we
kunnen rustig aandoen. De tent ruim ik vast leeg. De tent is drijfnat. Op ons
gemak laden we de fietsen op. We halen het brood, eten nog wat en rijden pas om
half tien van de camping.
Het
eerste stuk van onze route is louter afdaling. Al na een paar kilometer merk
ik, dat de structuur van de wegen iets verandert. Er zijn geen fietspaden meer
en het asfalt zit vol met gaten. Logisch, denk ik. We rijden België binnen! Na
een kilometer of tien gaan we linksaf richting 's Gravenvoeren. De eerste
heuvels komen er aan. Het zijn van die korte, steile heuvels. Een paar
kilometer klimmen en dan weer heel kort dalen. Thom rijdt bij iedere klim bij
me weg. Ik probeer hem bij te houden, maar gaandeweg merk ik, dat het onbegonnen werk is. Ik wil wel, maar kan hem
gewoon niet bijhouden. Toch wil ik me niet kapot rijden en probeer zoveel
mogelijk mijn eigen tempo vast te houden. Na een lange afdaling komen we onder
spoor van Limbourg. Daar gaan we eerst even wat eten en drinken. Het is
redelijk weer, zodat we buiten op het terrasje gaan zitten. We drinken een
kopje koffie en doen even later op de tegenovergelegen markt wat inkopen. Daar
kopen we kaas, bananen en wat vleeswaren. Als we weer in het zadel gaan,
krijgen we meteen een heel steile klim voor de kiezen. Niet erg lang, een
kilometer of twee, maar goed genoeg om bijna te moeten gaan lopen. Ik kan
gelukkig in het zadel blijven.
Het
blijft de hele dag klimmen en dalen. Ik ervaar het als een martelgang. Veel
blijven eten en drinken is het devies. Ik houd me er aan. In de richting van
Stoumont krijgen we weer een pittige klim voor de kiezen. Het wordt naar 525
meter hoogte klimmen. Tijdens de afdaling masseer ik mijn dijbenen en schudt ze
wat los. Even voorbij het spoor bij Stoumont ontdekken we twee kleine campings.
Het is er vol met caravans. Even staan we te overleggen. Stoppen we of rijden
we door? We kiezen voor het laatste. Tenslotte is het nog redelijk vroeg in de
middag. Na een tijdje komen we in Lierneux aan. Volgens de routebeschrijving
moet hier een camping zijn. Bij navraag blijkt dat hier geen camping is. Of een
paar kilometer terugrijden of mogelijk doorrijden naar Joubiéval. Opnieuw
kiezen voor het laatste. Het zijn nog zeven loodzware kilometers. Uiteindelijk
zien we aan de linkerzijde de camping. Het is even wat omrijden. Via het lange
grindpad rijden we in de richting van de receptie. Het is doodstil op de
camping. Je hoort en ziet niemand. Er staan louter wat caravans, maar die maken
geen bewoonde indruk. Dat klopt ook, want de camping is gesloten. Het seizoen
is nog niet begonnen. Juist op dat moment komt een wat oudere man uit het
campinghuis. Het is de camping-eigenaar. In wat gebroken Frans / Nederlands
legt hij ons uit, dat de camping nog gesloten is. Maar voor ons maakt hij wel
even een uitzondering. Voor 20 gulden per persoon mogen wij ons tentje
neerzetten. We doen het en kopen bij hem een flesje bier.
De
tenten zijn snel opgezet. We staan redelijk dicht bij een grote weg, die
behoorlijk wat herrie maakt. In het campinghuis ga ik snel onder de douche.
Buiten begint het al wat kouder te worden. Eigenlijk hebben we geen alternatief
om ergens te gaan eten, dus maken we voor het eerst een noodrantsoentje klaar.
Het smaakt best. Ik bel nog even naar huis en krijg Hannie aan de lijn. Omdat
ik maar weinig Belgisch geld bij me heb, houd ik het gesprek kort en zakelijk:
het gaat goed met me, alleen mijn benen doen gigantisch zeer. Het begint
inmiddels al donker te worden. Ik kruip doodmoe in mijn slaapzak en val heel
snel in slaap.
DAG: 101.5 TIJD
6.21 GEMIDDELD: 15.9 MAX:
57.3 TOTAAL: 419.1
DAG 5
Tjonge,
wat was het koud vannacht. Een paar keer werd ik wakker. Niet alleen de kou aan
mijn hoofd maar vooral vanwege de pijn aan mijn benen. Als ik mijn benen strek,
doet dat enorm pijn. Gewoon vanwege de overbelasting, denk ik. Het is zeven uur
als ik op sta. Het is koud en enorm mistig buiten. Het zicht is niet meer dan
een meter of vijftig. De tent is door- en door nat. Bij het inpakken sla ik de
tent een paar keer uit om maar zo min mogelijk water mee te hoeven slepen. Een
tafeltje om wat te gaan eten is snel gevonden. Thom is een muesli-eter. Ik
probeer het ook. De brander gaat aan en ik maak een noodrantsoentje muesli. De
muesli valt me zwaar tegen. Niet om te eten. De smaak gaat wel, maar als ik het
in mijn mond steek, drink ik onbewust eerst de melk er uit. Wat in de mond
overblijft is een droge bal met muesli, wat nauwelijks weg te krijgen is. Bij
Thom niet. Hij eet bijna de hele tweepersoons maaltijd. Hij vindt het heerlijk!
Rond
kwart voor negen rijden we van de camping weg. Langs de slagbomen en meteen
weer op de route. We krijgen meteen een heel pittige klim, richting Montleban.
Thom rijdt snel bij me weg. Ik kan hem niet bijhouden. Onderweg eet en drink ik
tegen heug en meug. Ik heb nauwelijks honger, maar verplicht mezelf om te eten.
Het is hier een schitterende natuur. Bij Cetteru rijden we door het bos en aan
het eind gaan we naar links. De klim in. Het is een beste klim van een paar
kilometer! Thom is al snel uit het zicht verdwenen. In mijn eigen tempo kom ik
boven.
Thom
heeft ergens langs de kant van de weg een stoeltje gevonden en heeft die voor
mij geïnstalleerd. Kan ik even uitrusten. Dat doe ik dan ook. Terwijl Thom met
een van de lokale bewoners een babbeltje staat te maken, zit ik op het stoeltje
een banaan te eten. Tjonge, wat doen mijn benen zeer! Na een kwartiertje gaan
we weer verder. Gelukkig een vrij lange afdaling. Het klimmen en dalen blijft
maar doorgaan. Gelukkig gaat het in de loop van de dag met mijn benen steeds
beter. Ze doen niet meer zo'n pijn. Wellicht omdat er niet meer zo zwaar
geklommen hoeft te worden. Ik weet mijn tempo zo aan te passen dat ik net uit
de pijngrens blijf. Wel voel ik af en toe mijn rechterknie.
Na
Michamps worden de heuvel wat minder steil. Wel langer, maar dat vind ik niet
zo erg. In Bourcy halen we in de supermarkt wat eten en drinken. Melk, kaas,
brood, spaghetti, boter en wat bananen. Licht glooiend komen we in Bastogne
aan. Op een parkeerplaats langs de doorgaande route stoppen we. Midden op de
parkeerplaats staat een geschutskoepel van een tank uit de Tweede Wereldoorlog.
Schuin links van ons zien we het Museum van het Ardennen offensief.
Ik steek
de brander aan en kook wat spaghetti. Droge spaghetti, want we hebben er niets
bij. Alleen wat boter. Het is te eten, maar zeker geen culinaire hoogstand. We
blijven er een half uurtje zitten. Het zonnetje doet ons goed. Na een klein
kwartiertje bereiken we het centrum van Bastogne. Op een plein vinden we een
VVV-kantoortje. Daar halen we maar onze stempel, denken we. Want al onze
eerdere inspanningen om bij een lokale pastorie iets te halen, liepen op niets
uit. Alle pastorieën zijn gesloten, maar gelukkig is de VVV van Bastogne open.
De vriendelijke dame antwoordt ons in het Frans, maar als ze merkt dat wij
Hollanders zijn, spreekt zijn ons in gebrekkig Nederlands toe. Ze geeft een
stempel in de geloofsbrief en wijst ons de weg hoe wij weer op de route komen.
Schuin
het plein oversteken en weer een beetje klimmen. De route valt mee. Het weer is
goed om te fietsen. Het is een graad of veertien, de zon schijnt af en toe
tussen de wolken en we hebben een lichte wind in de rug. Bij Remoiville raken
we even van de route, wat ons een paar kilometer omrijden kost. Naar Sure is
het een steile afdaling van 12 %. We rijden een stukje langs de snelweg en gaan
richting Lescheret.
Op een
klein landweggetje komen we voor het eerst een paar fietsvakantiegangers tegen.
Twee jonge vrouwen zitten in de kant van de weg een broodje te eten. Omdat Thom
ver voorop rijdt, is hij eerder bij hen dan ik. Zodoende heeft hij het gesprek
al aangeknoopt. Zij zijn met de trein naar Luik gereden en zijn nu een weekje
aan het rondtoeren. De zware fietstassen verraden dat zij heel veel spullen bij
zich hebben. Ook zij volgen de route van het groene boekje: dezelfde route die
wij volgen. Het gesprek duurt maar heel kort. Wij gaan verder. De heuvels
blijven, maar ik wen er steeds meer aan. Ik rijd gewoon mijn eigen tempo.
We
naderen ongemerkt al meer en meer de Franse grens. Nog voordat we een klim
ingaan, ziet Thom aan de rechterzijde een fietsenwinkel. Thom stopt om voor ‘de
zekerheid’ toch maar wat extra remblokjes te kopen. Zeker als we de afdaling in
de Pyreneeën zullen krijgen. Als we de winkel verlaten, kijkt Thom zijn fiets
na. Het blijkt, dat de achterremblokjes van zijn fiets al behoorlijk ingesleten
zijn. Al die tijd heeft hij met een aanlopend remblokje gereden ! Hilariteit,
natuurlijk. Ik lach een beetje als een boer met kiespijn, want het houdt dus
eigenlijk in, dat mijn fietsmaatje nóg sneller kan rijden !!!
Bij
Léglise stoppen we bij de kerk. Even de pastoor zoeken. Weer vergeefs.
Langzamerhand beginnen we de moed te verliezen om 'gewoon' bij een kerk even
een stempeltje voor onze geloofsbrief te halen. Nog een kleine 15 kilometer en
dan hebben we het wel weer gehad voor vandaag. Het einddoel is Jamoigne. De weg
is nu wat vlakker. In Rossignol halen we op de hoek bij een slagerij nog wat
ham. Eén grote dikke plak, voor de spaghetti. De bank is gesloten en de
flappentapper werkt niet. Langs een kanaaltje vinden we de camping. We melden
ons bij de receptie. Het is vrij druk. Er wordt een soort kermis opgebouwd.
Gelukkig is het voor een feest wat morgenavond gaat beginnen. Wij zullen er dus
geen last van hebben. In de kantine eerst een klein biertje. Nadat we de tent
opgezet hebben gaan we douchen.
Ook
gaan de fietskleren in de wasmachine en de droger. De wasmachine gaat niet
helemaal zoals wij dachten. Iets is er fout in de programmering gegaan, want in
plaats van één, hebben we twee muntjes nodig. De droger is ook niet helemaal
goed ingesteld. De kleren komen er maar een beetje droger uit, dan ze er in
gegaan zijn.
Terug
bij de tent gaat weer de vlam onder de brander. Spaghetti met fijngesneden ham.
Het is gewoon lekker! Na het eten drinken we in het bargedeelte een lekker
biertje, een DUVEL. Dat hebben we wel verdiend, vind ik. Aan een klein tafeltje
gaan we meteen het dagboek bijwerken. Het is al bijna negen uur. Het Belgisch
geld is opgemaakt (nee, niet aan het bier). Ik bel morgen wel naar huis.
Terwijl ik het dagboek bijwerk denk ik aan thuis.
Het is
nu al weer de vijfde dag en ik begin ze al een beetje te missen. Nou, niet écht
missen, maar gewoon... Waren ze er maar bij, meedelen in mijn plezier! Het is
half tien en ik ga naar mijn matras. Het gaat goed met me. De pijn in mijn
benen is bijna verdwenen en we liggen redelijk goed op schema.
Nog maar
dertig kilometer en dan zijn we al in Frankrijk!
DAG: 98.7 TIJD
5.50 GEMIDDELD: 16.8 MAX:
54.5 TOTAAL: 517.8
DAG 6
Ik heb
goed geslapen. Ik ben wel een paar keer wakker geworden. Telkens keek ik op
mijn horloge om me maar niet te verslapen (...!). Om zeven uur sta ik op. Thom
slaapt nog. De tent klappert. Het waait best. Als ik de tent openrits, zie ik
dat het nog nevelig donker is. In ieder geval geen zon te zien. Na het wassen
'kraken' we een bankje bij een leegstaande caravan. We eten wat brood met
leverpastei en kaas. Het begint een beetje een vaststaand ritueel te worden:
zeven uur op en rond half negen rijden we weg.
Even
buiten de camping bel ik van mijn laatste 20 Belgische Francs naar huis. Heel
kort. 'Ik hou van je. Het gaat goed met ons.' Op Hannie´s vraag of deze rit
zwaarder is dan de rit naar Oostenrijk kan ik haar niet meer antwoorden. De
verbinding wordt verbroken, omdat mijn geld op is.
Het
zijn een paar korte klimmen, maar we rijden door een schitterend bos (het foret
d'Orval). Tijdens een korte afdaling rijden we langs de muur van de abdij. Aan
de voorzijde van het gebouw stoppen we even. Een schitterende abdij, die nog
steeds in gebruik is. Nadat we ons bij de receptie gemeld hebben, vragen we de
portier om een stempel. We kunnen kiezen uit verschillende soorten stempels.
De man
lijkt blij dat hij eindelijk weer kan praten met een paar vreemdelingen. Hij
kletst ons de oren van het hoofd. Eigenlijk komen we haast niet weg. Bij de
receptie neemt hij voor ons album nog even een foto.
Hij
waarschuwt ons voor een vals plat dat ons nog te wachten staat. Hij probeerde
zelfs een paar Nederlandse woorden, maar uiteindelijk kunnen we toch bij hem
weg.
We
rijden inderdaad een vals plat van een kilometer of tien. Bij Limes moeten we
de hoofdrijbaan verlaten om rechtsaf te gaan in de richting van Avioth, de
Franse grens. De klim begint vrij rustig, maar het laatste stuk is toch
behoorlijk steil. We komen zelfs langs een piepklein douane kantoortje met een
daarbij behorend 'soldatenhuisje'. In de klim worden we door een oudere vrouw
aangemoedigd: 'Tres dur, c'est ne pas?'. Thom is al weer snel bij me weg en
wacht boven aan de beklimming op mij.
We
rijden door naar Avioth. Een vreemd gevoel overvalt me. Al in Frankrijk. Het
lijkt of we ik weet niet hoever al van huis zijn. In Avioth belt Thom naar
huis. Hij moet langs de kerk een stukje omhoog fietsen, want daar is de enige
telefooncel. Ik wacht wel beneden. In een bushokje. Ik eet ondertussen een
LIGAkoekje en drink wat. Na een paar minuten verschijnt Thom weer en we gaan
verder op pad.
We
moeten boodschappen doen. Het is vandaag de 1e mei en bewoners waarschuwen ons
dat de winkels vanmiddag gesloten zijn. In Thonelle zijn geen winkels, ondanks
dat dit wel in onze routebeschrijving staat. Het wordt doorrijden naar
Montmedy. Mont Medy, spel ik in gedachten. Mont betekent berg….
Klopt.
Op een splitsing kunnen we kiezen tussen beneden langs (de oorspronkelijke
route) of boven langs, richting Montmedy.
Een
keuze hebben we niet. We hebben boodschappen nodig, dus het wordt klimmen
geblazen. Een lange, gestage klim. Uiteindelijk komen we in Montmedy aan. We
vragen naar de plaatselijke supermarkt. Het heeft geen zin, want alles is
vandaag gesloten. Bewoners reageren verbaasd: natuurlijk is alles dicht. Het is
toch de eerste mei? Ik kan er niet eens boos om worden.
We
zoeken de route op en nemen eerst een steile afdaling van 13%. Beneden komen we
toch redelijk snel weer op de route. Het is een provinciale weg die we over een
kilometer of wat volgen. Het verkeer raast vrij dicht langs ons heen. Ik vind
het niet gevaarlijk. Toch moeten we nog wat te eten hebben.
De
dichtstbijzijnde redelijk grote stad is Stenay. In Baalon vragen we naar een
supermarkt. Die is er niet, dus moeten we toch in Stenay zijn. Het is wel zeker
7 kilometer omrijden, maar we hebben geen keus. Ik begin gewoon wat honger te
krijgen. Stenay ligt boven op een heuvel (hoe kan het anders). Als we de stad
binnenrijden, zien we dat het een drukte van jewelste is. Het lijkt wel of de
hele provincie hier verzameld is. Er is een grote markt met wel duizenden
bezoekers. De fietsen worden op een rotonde geparkeerd en Thom gaat de markt op
om wat brood te kopen. Het duurt nogal, maar uiteindelijk verschijnt hij met
twee stokbroden en twee appelgebakjes. Op een stoeprand peuzelen we de
lekkernij op. Plotseling valt Thom's fiets om. Gelukkig is er niets beschadigd.
Na een
stief kwartiertje gaan we weer op pad. Thom vindt snel de route. Bij Mouzay
gaan we over wat rustiger wegen rijden. Op een landweggetje stoppen we opnieuw
en eten nu wat brood met kaas en leverpastei. Het weer ziet er erg dreigend
donker uit. Na een lange afdaling komen we in Lion de Dun. Het begint
aanvankelijk te motregenen, maar dat houdt snel op. Het begint te regenen. Vlak
voor de klim stoppen we in een bushokje. Ik haal vast de poncho te voorschijn
en eet ondertussen een stroopwafel. Thom heeft inmiddels bij de aanliggende
huizen contact gekregen met een lokale bewoonster. Hij komt niet van haar af.
Ze is ongeveer 1.60 meter groot, weegt ongeveer 85 kilo en heeft maar één
boventand. Wat Thom ook probeert, hij komt niet van haar los. Even later komt
zelfs opa naar buiten. Gekscherend vraag ik Thom of hij kan regelen dat wij bij
haar kunnen overnachten…. Ik slaap wel op zolder! De Franse vrouw heeft geen
idee, waarom wij zo’n lol hebben.
Tijdens
ons oponthoud komen er twee in rode poncho's geklede fietsers voorbij. Alleen
achtertassen en een rugzak hebben ze bij zich. Ze groeten, maar ik versta ze
niet. Het lijken Nederlanders, gok ik. We zijn ze tijdens het rijden niet meer
tegengekomen. Ongeveer een half uur wachten we in het bushokje. We kleden ons
echt om. In de poncho dus.
De klim
naar Dun-dur-Meuse wordt een natte bedoening. Samen besluiten we om door te
rijden tot Varennes, nog een kleine 22 kilometer. Thom baalt zicht- en hoorbaar
van de regen. Ik heb er wat minder last van. De twee stokbroden boven op de
achterbagage worden snel broodpap. Ik houd de moed er in. Het is niet echt
prettig rijden, maar het valt me niet echt zwaar. Blik op oneindig, verstand op
nul en gewoon doortrappen. Het gaat me redelijk af. De pijn in mijn benen voel
ik niet meer en ik kan Thom ook in een klimmetje redelijk bijhouden.
We
trappen nu gemiddeld rond de 24 kilometer per uur. Thom wil niet naar een
camping. Het is veel te nat. Maar in Varenne is geen gite-de-hotel. Het is
inmiddels droog geworden en we rijden dan toch maar de municipal op. De camping
heeft wel bezoekers, maar de receptie is gesloten. We zetten gewoon de tent op.
De campingbezoekers zijn bezig de caravans opnieuw te plaatsen. Het wordt een
cirkel. Er komen steeds meer bezoekers, die elkaar hartelijk, maar vooral
luidruchtig begroeten.
Na het
douchen gaan we het dorp in. Er is geen bank waar we kunnen pinnen. De winkels
zijn dicht. Als we weer terug op de camping zijn, komt de campingbeheerster
langs. Het vorstelijke bedrag van 27 FF (een kleine 5 gulden per persoon)
moeten we betalen. De eerste bank is pas op een kleine 50 kilometer verderop,
zegt de beheerster. Thom heeft geen Frans geld bij zich. Om nu weer een
noodrantsoen aan te slaan, lijkt ons geen goed idee. Dan maar weer terug naar
het dorp. Er is één restaurant en die gaat pas om 19.00 uur open. Weer terug op
de camping schrijf ik het dagboek bij. Om kwart over zeven gaan we weer naar
het dorp. We bestellen in een restaurant een goed diner. Nauwelijks zitten we
aan tafel, als de deur opengaat en de twee fietsers van de middag binnenkomen!
Ze stellen zich voor als Ben en Gert.
Het
zijn twee zwagers, ongeveer 65 jaar oud en komen uit Tilburg. 'Wij zullen maar
niet vertellen waar wij helemaal naar toe gaan', zegt Gert. Hij wacht even.
'Naar Santiago de Compostela', zegt hij hoopvol. 'Wij ook', is het redelijk
korte antwoord. Aan tafel wisselen we veel ervaringen uit. Zij zijn al
anderhalve week onderweg en hopen er rond 16 juni aan te komen.
Ik
betaal na afloop het eten met een creditcard en bel rond half tien nog even
naar huis. Ik bel collect call. Dat bevalt prima. Beter dan telkens een
telefoonkaart te moeten kopen. Uiteindelijk moet ik de rekening toch zelf
betalen, nietwaar? Ik vertel Hannie waar we zijn en maak onze plannen voor
morgen bekend. Peter zit tijdens het telefoongesprek mee te luisteren. Op een
moment, dat Hannie's gesprek even stil valt, komt hij ertussen: 'Pap, je moet
maar weer snel naar huis komen, hoor.'
Onze
tenten staan vrij dicht bij de douche cabines. De kleding hangen wij in de
ruimte om te drogen. In de tent werk ik bij een zaklampje mijn dagboek bij. Het
is kwart over tien als ik definitief onder zeil ga. Ik voel me niet moe, maar
moet veel gapen.
Morgen
nog een klein stukje tot aan Chalons-sur-Marne. Nog een grove 70 kilometer.
DAG: 88.3 TIJD
5.06 GEMIDDELD: 17.2 MAX:
65.5 TOTAAL: 606.1
DAG 7
Ik kom
moeilijk in slaap. Ik draai me vaak om, maar kan de slaap niet vatten. Ik hoor
de kerkklok nog twaalf uur slaan. Af en toe doezel ik weg, maar kom toch niet
goed in slaap. Om kwart over drie word ik wakker van de regen. Ik droom veel.
Ik droom dat het niet goed met me gaat, ik haal Santiago niet. Ik droom over
honkbal, over de meest gekke dingen. Om zeven uur ben ik wakker en ga me vast
wassen en aankleden. Het regent nog steeds. Thom slaap nog. Ik ruim het wasgoed
uit de douche cabines op. Thom wordt maar niet wakker. Ik moet hem wel vier
keer roepen, voordat ik antwoord krijg dat hij wakker is. Onder het afdakje bij
de douche cabines maak ik een noodrantsoen muesli warm. Ik krijg het maar
moeilijk weg. Thom niet.
We
rijden rond negen uur van de camping. Het is inmiddels een beetje minder gaan
regenen. Eerst een klim naar het plaatselijke postkantoor. Thom wil een
Eurocheque inwisselen om wat Frans geld op voorraad te hebben. Vergeefs. De
cheques worden niet geaccepteerd. Dan maar weer terug naar het dorp. Bij de
bakker halen we wat brood, chocolade, pasta en een Mars voor onderweg. Weer
dezelfde route terug, dus weer de klim.
Boven
aan de heuvel komen we Ben en Gert tegen. Ze waren net een boterhammetje aan
het oppeuzelen. Als verontschuldiging zeggen ze, dat in het hotel geen ontbijt
geserveerd wordt. Ik geloof dat niet. Terwijl zij bij het Amerikaans monument
uit de Eerste Wereldoorlog blijven staan, nemen wij afscheid van hen en gaan op
pad.
De
daaropvolgende klim is lang, maar niet steil. We rijden door een prachtig
natuurgebied. Thom neemt weer een behoorlijke voorsprong. Ik zie hem niet meer.
Ik draai mijn eigen tempo. In de afdaling doe ik mijn beenbescherming af. Dit
zijn een soort gamaschen tegen het opspattend regenwater. De afdaling duurt lekker
lang. Zonder te hoeven trappen kom ik makkelijk over de 30 kilometer per uur.
De afdaling is ruim 4 kilometer. Beneden wacht Thom op me en we rijden weer
samen op.
Door
wat uitgestorven dorpjes rijden we in de motregen. De poncho hoeft nog niet om,
maar echt prettig rijden is het niet. De weg loopt glooiend door geweldig grote
koolzaadvelden en opkomend graan. De wind waait best. Inmiddels regent het af
en toe. Door het plaatsje Hans komen we in Somme-Bionne. Het is een lange,
rechte weg met aan beide zijden dunne, jonge boompjes.
De
westenwind hebben we recht op kop. Het drukt wel het tempo, maar niet ons
humeur. Zo vlak rijdend, zijn Thom en ik redelijk van gelijk niveau (althans
Thom rijdt niet van me weg). Thom bestudeert de kaart en ziet dat er een
kortere weg is tussen Somme-Bionne en la Croix-en-Champagne. Terwijl Thom nog
op de kaart staat te kijken, rijd ik alvast de weg in. Onder het
spoorwegviaduct is het nog steeds een asfaltweg. Ik wenk Thom. 'Kom maar',
gebaar ik hem. Om geen tijd te verliezen, rijd ik vast door. Thom gebaart dat
hij eraan komt en dat ik vast door kan rijden. Na een kilometer of drie houdt
de asfaltweg op en wordt langzamerhand een onverharde weg.
Er
zitten eerst nog wel wat klinkers tussen, maar het wordt steeds meer een
verharde kleiweg. Teruggaan? Nee, teruggaan komt niet in ons woordenboek voor.
Thom is inmiddels aangesloten. Gezamenlijk rijden we voorzichtig verder. De weg
is glooiend.
In de
kommen van de heuvels staan enorme plassen op de weg. Nou, weg... Het mag geen naam meer hebben. Het is een baggerpad
waar we zwoegend doorheen rijden. De fietsen zien er niet meer uit. Van die
zandgele, plakkerige klei komt over de banden, het frame, de ketting en de
remblokken. Ik rijd voorop. In een kom probeer ik uit een geul te rijden.
Alleen het voorwiel wil, maar het achterwiel blijft nog even in de geul rijden.
Het is precies genoeg om goed onderuit te gaan. SPLETS! Geen gevaarlijke val,
want ik kan vrij gemakkelijk uit de klik-pedalen komen en weet naar links weg
te rollen. 'Wat doe jij nou?' hoor ik achter me. Verschrikkelijk, wat zie ik er
uit. Mijn kleding, de tassen, mijn fiets: één baggerbende. Mijn achteruitkijk
spiegeltje ben ik kwijt en vind ik niet meer terug. De fiets en de bagage zagen
er al niet meer uit, maar nu zit écht alles onder de klei. Na een kort
oponthoud lopen we door de bagger en na een kleine 500 meter kunnen we weer
voorzichtig fietsen. Het gaat, maar tjonge wat zie ik er uit, ik lijk wel een
fietsende zwerver !
Inmiddels
begint het weer te regenen. Het maakt mijn aanblik alleen maar armoediger. In
La Croix-en-Champagne komen we weer op een asfaltweg en zitten weer op de
reguliere route. In het eerstvolgende dorp stoppen we. We vinden een afdakje in
St.Remy-sur-Bussy. Ik stook de brander op en maak wat instantkoffie. Thom
smeert het brood. Het regent best. Een hond blaft de hele tijd, maar komt niet
dichterbij. Onder het afdak wordt het gewoon heen en weer lopen, want een
gelegenheid om te zitten is er niet. Lokale bewoners spreken ons aan. Thom doet
het woord. Ik begrijp er niet zoveel van.
Ons
drinken is bijna op en Thom vraagt bij een woonhuis om wat water. Een hele fles
mineraalwater wordt ons aangeboden, die we dankbaar accepteren. Het hoost
inmiddels. Langer wachten heeft niet
zoveel zin. Poncho om en maar weer rijden. Na Bussy-le-Chateau rijden we in
puur zuidelijke richting naar Courtissois. We rijden eerst over het viaduct
over de autosnelweg (de A4) en kruisen even later de N3. Na een paar kilometer
komen we in L'Epine. Het dorp heeft een prachtige kathedraal. Samen hebben we zin om wat te drinken en
zoeken een restaurantje. De fiets wordt gestald. We doen de poncho over de hele
fiets, zodat vooral het zadel een beetje droog blijft. Binnen drinken we een
bakkie koffie en worden weer wat warmer. We blijven er een kwartiertje.
Als we
weer naar buiten komen, staat de eigenaresse van de aanliggende antiekwinkel
ons al op te wachten. Ik versta er niet veel van, maar begrijp wel degelijk dat
ze enorm loopt te mopperen op Thom. Waarom hij zijn fiets tegen haar 'etalage'
geplaatst heeft. Dat kost klanten! Thom verontschuldigt zich eerst, maar ze
blijft gewoon doormopperen. Thom doet wat je volgens mij het best kan doen in
zo'n geval: gewoon je spullen inpakken, niets terug zeggen en wegrijden.
We zoeken
de route. Het is even wat omrijden, maar we komen weer op de route. Een grote
groep soldaten is op patrouille. Thom knijpt in zijn 'eenden-bel'. Het rare
kwaakgeluid roept evenzo vreemde reacties bij de soldaten op.
We
zitten gezellig te kletsen als we (achteraf gezien) een afslag missen.
Eigenlijk hadden we bij Milette linksaf gemoeten, maar we zijn gewoon rechtdoor
gereden. Ik denk, dat we zeker zes kilometer te ver gereden hebben. We rijden
weer terug en komen weer op de route naar Chalons-sur-Marne. Ik zeg tegen Thom
dat ik al eerder in deze stad geweest ben, maar in de stad gekomen herken
ik niets. Eerst zoeken we dan maar een
bank om wat geld op te nemen.
Thom
wil het liefst niet in de tent slapen. Tenslotte is alles nog nat van
vanmorgen. We rijden door het centrum naar de kathedraal. Daar halen we een
stempel voor onze geloofsbrief. Door het winkelcentrum rijden we naar de
plaatselijke VVV. De VVV-er wijst ons de weg naar een hotelletje. Eindelijk
daar aangekomen, blijkt dat het hotel gesloten is. Dan maar naar de nabij
gelegen jeugdherberg. Vol. In het voorbijrijden stoppen we bij de supermarkt en
kopen de inmiddels gebruikelijke zaken: melk, sinaasappelen, spaghetti, brood.
We halen er ook wat ratatouille bij en verwennen ons zelf met een flesje
goedkope wijn. Moet kunnen, vinden we. Inmiddels is het droog geworden.
Ik
praat een beetje op Thom in en uiteindelijk gaat hij akkoord dat we een camping
opzoeken. De camping wordt gevonden. Het is een 5 sterren municipal. Het is er
niet druk. Voor ons beiden betalen we 75 FF. Bij het inschrijven komt een grote
Opel Senator met een behoorlijke caravan erachter de camping oprijden. Een
Nederlander. In het receptiegebouwtje komt hij tijdens het inschrijven naast
ons staan. Hij merkt dat wij ook Nederlanders zijn en beklaagt zich over de
voor hem verschrikkelijk hoge prijzen, die ze op deze camping vragen. We gaan
er niet op in. Wat een ge-eikel, denken wij.
De
natte tenten zetten we op en het begint... weer te regenen. Na het douchen gaan
we meteen de was doen. Dat is mogelijk omdat er een wasmachine en wasdroger
beschikbaar zijn. Ondertussen zoeken we een afdakje. Daar gaat de brander aan
en ik kook de spaghetti met ratatouille. Thom kent ratatouille niet. Vanwege
het taalgebruik noemt hij het maar gemakshalve trappatoni-saus. Probleem. Ik heb wel een Leatherman
multifunctioneel mes bij me, maar daar zit geen kurkentrekker op. Thom gaat op
pad en gaat naar 'onze' Nederlandse vriend. Thom legt uit dat wij een probleem
hebben: geen kurkentrekker. Onze vriend belaagt zich dat hij ook een probleem
heeft: hij heeft het afwasborsteltje vergeten....(!) We eten onder het afdakje onze avondmaaltijd.
Het is maar goed dat weinigen ons gezien hebben. Ik geloof, dat het er best
armoedig uitgezien moet hebben. Na een korte speurtocht ontdekken we een
verwarmde TV-kamer. Daar eten we ons eten maar op. De fles wijn is snel
soldaat. We halen de kleding uit de wasdroger, maar ook nu is de kleding niet
goed droog. Mijn sokken zijn niet schoon geworden en verdwijnen is de afvalbak.
Omdat er toch weinig campinggasten zijn, hangen we ons wasgoed in de TV-zaal te
drogen op. Ook de schoenen zetten we bij
de verwarming. Het is inmiddels al bijna 21.00 uur. Ik bel naar huis, maar
krijg geen verbinding. Dan morgen nog maar even proberen. In de lekker warme
TV-zaal werken wij beiden ons dagboek bij. Het is er behoorlijk warm (of is het
de wijn die toeslaat?) Ik overdenk de dag. Ik ben niet echt moe. Mijn benen
doen geen pijn meer en ook mijn rechterknie voel ik niet meer. Wel mijn rechterhand
en polsgewricht. Morgen wat meer het opzetstuur gebruiken om het gewricht wat
te ontzien.
Thom en
ik pakken de kaart en nemen (zoals elke avond) de route voor de volgende dag
nog even door. Nu hebben we de hele kaart van Frankrijk voor ons liggen. Onze
gemiddelde dagetappe is niet groter dan drie vingerdiktes. Zo verder
redenerend, maken we een grove schatting van het aantal dagen, die we nog door
Frankrijk moeten rijden. Ik schrik een beetje. Dat ziet er niet zo goed uit!
Want als we zo doorgaan, is een rustdag uit den boze. Het aantal kilometers is
véél meer dan onze inschatting. Ik vraag me af wij onze planning wel kunnen
halen ! Het is ruim half tien als we naar de tent gaan. Het regent weer. We
zien wel wat het morgen wordt. Doel is in ieder geval Troyes.
DAG: 85.6 TIJD
5.22 GEMIDDELD: 15.8 MAX:
39.0 TOTAAL: 691.7
DAG 8
Ik heb
vannacht slecht geslapen. Vaak moest ik denken aan dat we veel sneller moeten
rijden om ons doel te kunnen halen. We hebben tijdnood, we moeten opschieten.
Het wordt buffelen, afzien. Vannacht ben ik vaak wakker geworden. Het is koud
geweest en het heeft behoorlijk geregend. Om precies 7 uur ben ik wakker en
kleed me in de tent aan. Het regent nog steeds. Ik maak Thom wakker. Meteen
nadat hij wakker is, hoor ik hem op het weer vloeken. Snel pakken we alles in.
In 'onze' TV-zaal is het nog steeds lekker warm. Ik krijg de muesli niet weg en
probeer het ook niet. Ik eet gewoon weer ouderwets brood. Thom niet. Hij blijft
trouw aan het bruine spul met warme melk. Vlak voordat we vertrekken bel ik
vanuit de telefooncel nog even naar huis. Opnieuw krijg ik geen verbinding.
Rond kwart voor negen rijden we van de camping weg. Een Nederlandse toeriste
wenst ons een goede reis toe. Tjonge, wat is het koud vanmorgen. Het is
steenkoud. We zitten snel op de route (op de Ruelle de St Jaques). De wind is
sterk, maar we hebben de wind in de rug. Het wordt langzamerhand droger.
Althans, het regent wat minder.
Na een
kleine vier kilometer komen we Gert en Ben aan de kant van de weg tegen, juist
voordat we de afslag D4 nemen. Op de routebeschrijving staat D2, dus ze waren
kennelijk met elkaar aan het overleggen. Omdat wij groetend voorbij rijden, is
dat voor hen het teken dat dit waarschijnlijk de goede weg is. Op ruime afstand
volgen zij ons. Bij Ecury rijden we langs een klein vliegveld voor
sportvliegtuigjes. Het is het begin van een lange rit langs lange,
onoverzichtelijke, gigantisch eindeloze velden. Allemachtig, wat een velden.
Kilometers lang. Oneindig. Waar je ook kijkt: geen mens, geen huis, geen auto's
te zien. Thom en ik speculeren wat het als pelgrim (maar dan te voet) moet
betekenen. Het houdt in, dat je heden ten dage wel twee dagen geen mens tegen
zou kunnen komen.
In het uitgestorven,
kleine plaatsje St Quinten komen we een rijdende bakker tegen. We stoppen en
kopen wat brood. Daarnaast kopen we ieder een caramel puddingbroodje en eten
het meteen op. Langs Dommartin-Lettrée rijden we rechtdoor en komen bij de
kruising met de N4. Het drukke verkeer raast voorbij. Vanzelfsprekend rijden we
rechtdoor, althans we houden schuin links aan. Het gaat bijna verkeerd. We
moeten een kleine vijftig meter eerst naar rechts om dan weer rechtdoor in de
richting van Poivres te rijden. Gelukkig merken we het op tijd. Het is er erg
stil en de weg is licht glooiend. We rijden door velden en rijden dwars door
een militair terrein. Door Trouans naderen we Dousnon. Het is een vrij lange
klim, met een dito afdaling. We rijden door L'Huitre. Daar tref ik eindelijk
een telefooncel, die werkt. Ik bel naar huis en krijg Hannie aan de lijn. Het
blijkt, dat zij gisteren naar schoonzus Anneke en zwager Erik geweest is. Nu
bel ik haar wakker, maar ze vindt het niet erg. Alles gaat thuis naar wens. Ik
vertel haar waar we zijn. Ik spreek af dat ik haar morgen opnieuw zal bellen.
We
stappen weer op de fiets en gaan richting Montsuzain. Mont Suzain? Mont, berg?
Ja. Een
berg. Een lange klim. Een heel lange klim. Tijdens de klim merk ik dat er een
tik in het crankstel van mijn fiets zit. Het wordt alleen maar erger, lijkt
het. Aan de top stoppen we even om wat eten en drinken. Thom kijkt mijn fiets
na. Het kan geen kwaad, zegt hij. Er zit geen speling in het crankstel. Ik
vertrouw op Thom. In de afdaling kruisen we voor de tweede keer de autosnelweg.
Het is
dalen en klimmen in de richting van Luyéres. Op een kruising stoppen we even om
wat foto's te maken. We zitten nu al redelijk in de buurt van Troyes. Na de
foto's gaan we meteen klimmen in de richting van Montmoret. Mont Moret? Weer
een berg?
Ja,
maar gelukkig een kleine berg. In de beklimming worden we ingehaald door een
bromfiets-autootje. Thom bedenkt zich niet. Hij trekt aan zijn stuur, staat
bovenop de pedalen en al krakend van de kracht op zijn materiaal gaat hij in de
achtervolging. Hij haalt het autootje bijna in. Ondertussen zie ik dat hij al
ruim een kilometer voorsprong op mij heeft. We kruisen opnieuw de snelweg en
krijgen een hele lange afdaling in de richting van Troyes.
Langs
een elektriciteitsmaatschappij rijden we Troyes binnen. Het is nog steeds erg
koud. Een thermometer wijst precies 10 graden aan. Als we de stad binnenrijden,
overleggen we eerst met elkaar. Opnieuw in de tent? Nee, die is nog drijfnat.
Het ziet er ook niet uit dat die op tijd zal drogen. Alles wordt dan op een
gegeven moment nat en klam. Samen besluiten we om een jeugdherberg te vinden.
We
moeten dan wel even van de route af, richting Rossiéres. Na wat omzwervingen
komen we er uiteindelijk. Bij het inschrijven bestellen we meteen een diner en
een petit-dejeuner voor de volgende ochtend. De bagage laden we van de fiets
af. Vanwege mogelijke diefstal worden we geadviseerd onze fietsen af te sluiten
en uit het zicht onder een poort neer te zetten. We betalen bij de receptie meteen
contant: 114 FF per persoon. De kamer is een sober vertrek. Drie stapelbedden.
Dat is het. Er is een gezamenlijk toilet en één douche. Ach, ik ben allang
blij. Nadat we de bagage op de kamer gestald hebben, gaan we buiten de tent te
drogen ophangen. Over de doelpalen hangen wij aan iedere kant van een
voetbalveldje onze tent te drogen op. Het waait stevig, dus die zal wel snel
drogen. Het douchen is een beetje primitief. Het enige wat er schoon is, is het
water (denk ik).
Ik neem
de tijd om mijn tassen opnieuw in te richten en de spullen goed te verdelen.
Nadat ik hiermee klaar ben, loop ik naar beneden. In de herberg is het een
lawaai van jewelste. Er is een familiefeest aan de gang. Het lijkt mij een
eerste communie, of zo. Ik zoek het voor mij meest rustige plekje om het
dagboek bij te werken. Ondertussen maak ik een sinaasappel schoon en in
afwachting van het diner ga ik mijn dagboek bijwerken.
Terwijl
ik daar mee bezig ben, komen Ben en Gert binnen. De receptionist schatte dit
meteen in dat alle Nederlanders bij elkaar horen, dus: we hebben er twee
kamergenoten bij. Voor de zekerheid geef ik Thom wat oordopjes, want het
schijnt dat ik af en toe wat snurkgeluiden produceer. Ondertussen hebben wij de
tenten al weer opgeruimd. De vrij sterke wind heeft er zorg voor gedragen, dat
de tenten goed droog zijn.
Rond
half negen worden wij geroepen voor het diner. Het wordt in een aanliggend
gebouw geserveerd. De maaltijd bestaat uit een lauw pasteitje, een koude
karbonade en een grote bak warme pasta. Het lijkt een beetje op macaroni,
alleen dan zonder saus. Het kost me moeite om het naar binnen te krijgen. De
'waard' komt tijdens het eten langs. Met een peuk in de hoek van zijn mond,
deelt hij het dessert uit. Een roomijsje uit een bekertje. Met z'n viertjes gaan
we nog even een kop koffie drinken in de inmiddels lege recreatiezaal. We
worden niet gevraagd om weg te gaan, maar duidelijk is dat het bedienend
personeel weg wil. Het is 22.00 uur, dat ik mijn bed op zoek. De planning voor
morgen is om ieder geval even onder Auxerre te komen.
DAG: 108.1 TIJD
5.30 GEMIDDELD: 19.6 MAX:
59.0 TOTAAL: 799.8
DAG 9
Ik heb
goed geslapen. Het bed was hard, maar goed. Ik heb gewoon in mijn slaapzak
geslapen. Precies om 7 uur word ik wakker. Mijn kamergenoten zijn er ook vroeg
bij. Het petit-dejeuner is inderdaad petit. Een kop slappe koffie, twee stukjes
stokbrood en marmelade. De fietsen zijn snel opgebouwd. Gelukkig is al het
materiaal droog en de tassen opnieuw goed ingepakt. Het is bijna kwart voor
negen. Onze inschatting is, dat we Ben en Gert niet meer tegen zullen komen en
we nemen afscheid van hen.
We
rijden weg bij Rossiéres. Het is koud en guur. Een stevige noordenwind blaast
ons in de rug. Ik schat het niet warmer dan een graad of acht. De uitgeademde
lucht wasemt in de koude lucht. Snel zitten we op de route. We kiezen ervoor om
een alternatieve route te nemen, die ook in de routebeschrijving staat. Volgens
de beschrijving kent deze route minder heuvels, maar is wel wat korter (wat kan
het tegenzitten). In ieder geval nemen we deze route, mede omdat we wat in
tijdnood zitten.
De
route verloopt vrij snel. We rijden door St Panagne, Roncenay en Machy. Er
zitten toch best wel wat pittige klimmetjes is, maar de afdalingen zijn best
wel fijn. De wind is guur en voelt schraal aan op het gezicht. Bij Auxon komen
we weer op de oorspronkelijke route. De D374 volgen we een kleine tien
kilometer. Ervy de Chatel is het eerste
dorp waar we een winkel tegen komen. In de MAXI supermarkt kopen we brood, muesli,
kaas, bananen, fruit, chocolade en ham. Snel doorrijden, niet te lang wachten.
We
rijden door een prachtig natuurgebied. Bossen, lange rechte einden en ook weer
graanvelden. Overal zien we dat er wateroverlast is. Langs de wegen staat er
water. Zelfs een zijweg is afgesloten omdat er water over de weg stroomt. De
natuur is wel veel afwisselender dan gisteren. Onder het spoor van de T.G.V.
komen we. Juist op dat moment komt er een T.G.V. voorbij gereden. Een denderend
geraas en zo snel die kwam, is hij ook weer weg. We volgen een lang recht eind
richting Ligny-le-Chatel. In het dorp zoeken we een bankje. Ik steek de brander
weer aan en maak een kopje soep. We eten wat brood en uit hetzelfde kopje
drinken we nu koffie en eten brood met brie. Langzamerhand komt het zonnetje er
door! Als de zon door de wolken breekt, voel je meteen dat het lekker warm is.
Na een
klein half uur gaan we weer verder. De zon komt wat vaker er doorheen. Het
wordt ook wel wat warmer, maar het blijft guur. Naar Bleigny-le-Chateau is het
een lange, zware klim. Nog even wat klimmen over de A6. We hebben een
fantastisch uitzicht over Auxerre. Vanaf de berg kun je de hele stad overzien!
De lange afdaling is een grote beloning.
Onderaan
moeten we wat rustiger aandoen. Voor al het verkeer is het maximum 50 kilometer
per uur, dus we moeten wat in de remmen. Even wachten we voor een verkeerslicht
en steken schuin over. Bij het tankstation halen we voor het eerst benzine voor
mijn brandertje. De tankwacht rekent 3,3 FF af. Hij kijkt niet blij. Maar ja,
het is ook nog geen liter wat wij nodig hebben.
We
raken het spoor een beetje bijster. De routebeschrijving klopt niet helemaal en
rijden 'op gevoel'. In ieder geval richting centrum. Voorbij het tweede
stoplicht komen we bij een brug: de Yonne. Over de brug koopt Thom iets in een
fietswinkel (de eerste die we op onze route in Frankrijk tegenkomen). Langs het
water van de Yonne rijden we en zien daar de borden voor de richting Vaux.
Gelukkig, we zitten weer op de route.
Onder
het spoor door gaan we richting centrum. Het is vrij makkelijk te vinden. Ook
rijden we langs het voetbalstadion van Auxerre. Eigenlijk is dat stadion
helemaal niet zo groot. We volgen de borden richting Vaux en rijden langs de
Yonne.
Na een
paar kilometer moeten we volgens de route over een brug. Volgens de
beschrijving moeten we de D362 volgen. In de beschrijving is de pijl naar
rechts, langs het water, maar in werkelijkheid is de weg rechtdoor. We gaan
rechtdoor. Volgens de routebeschrijving kruisen we de N6. Uiteindelijk komen we
op die weg, maar het is een T-splitsing: er valt niets te kruisen. Teruggaan?
Ik dacht het niet! We volgen de N6. Het zware vrachtverkeer wijkt wel zoveel
mogelijk uit, maar dat gaat niet altijd. Het is er druk en toch wel een beetje
gevaarlijk. Je voelt de zuigende kracht van voorbij rijdende auto's. De eerste
kruising gaan we links, meteen weer rechts en rijden parallel aan de N6. Na een
paar kilometer zitten we weer op de route.
Het is
een mooie, rustige weg, met af en toe een heuvel. We rijden langs de Yonne. Bij
Vincelottes stoppen we bij een terrasje. Het is goed weer en we willen wat
drinken. Mispoes! Het terras is tot 18.00 uur gesloten. Thom baalt er enorm
van: eindelijk een terras, is het nog dicht ook!
In de
eerstkomende bocht dreigen we fout te rijden. Maar de bedoeling is, dat we
langs het water moeten blijven rijden. In de pastorie proberen we (weer)
vergeefs een stempel voor de geloofsbrief te halen. De route naar Sery verloopt probleemloos. Het
wordt tijd om de camping te zoeken. Volgens de routebeschrijving moet er eentje
te vinden zijn in Mailly-la-Ville. Het is wel iets naast de route. Na een korte
klimpartij komen we in het dorpje. Thom stelt voor dat we een stempel gaan
halen in de lokale school. De school gaat net uit en wij vragen aan een lerares
een stempeltje. We gaan de school binnen en komen bij de directeur aan.
Althans, deze twee zijn de enige volwassenen in de school. Wat een middeleeuwse
toestand! Alsof we in een school anno 1900 binnenkomen. Oude houten banken en
tafels uit één stuk, alles netjes in een rij. De directeur is verbaasd over
onze vraag, maar we krijgen een stempel. Even later gaan we verder op pad, op
zoek naar de camping.
We gaan
klimmen, naar Mailly-le-Chateau, maar vinden geen camping. Drie keer linksaf,
een sterke afdaling en we staan weer op het punt waar we een kwartier geleden
omhoog gingen! Verder zoeken. De camping moet aan de oevers van de Yonne
liggen.
We
rijden wat om. Op een kruising vragen we een vrouw de weg. Vanwege een
schilderbeurt was zij met een gasbrander bezig de verf van het hek te branden.
We vragen haar de weg en om wat water. Dat kregen we, als we meteen de gasfles
naar binnen dragen. Ze legt uit waar de camping is. Ondanks dat ze zegt dat de
kans heel klein is dat we hem zullen aantreffen, schrijft ze voor ons op waar
we een pastoor kunnen vinden.
De
pastoor vinden we niet, maar uiteindelijk wel de bordjes met het opschrift
camping. De 'camping' bestaat. Het enige wat wij aantreffen is een
receptiehuisje, midden in het water. De Yonne is door de regenval buiten haar
oevers getreden en de camping staat helemaal blank.
We gaan
weer terug, dezelfde route. Volgens de routebeschrijving moeten we nabij
Chatel-Censoir nog een camping tegenkomen. We volgen de route, maar bij Merry-sur-Yonne
komen we een camping, annex gite-de-etappe tegen en rijden het terrein op. Er
staan een paar caravans. Het waait er behoorlijk. We melden ons bij de
receptie. De receptioniste vertelt ons, dat we in de tent kunnen overnachten,
maar ook in de gite. Thom en ik overleggen. Het weer is niet zo best, dus de
keuze valt op binnen te gaan slapen. We zijn de eerste gasten van dit jaar.
Alles is nog zoals het in het najaar afgesloten is. Na het betalen voor de
overnachting gaan we naar de kamer. Binnen ruikt het een beetje muffig. Omdat
er toch niemand is, kiezen we er voor om ieder zijn eigen kamer (slaapzaaltje
met twee bedden) te nemen. Ik breng mijn tassen naar boven. Eerst even douchen.
Het duurt lang, voordat het water een beetje warm wordt.
We gaan
naar de receptie en vragen waar het dichtstbijzijnde restaurant is. Foutje.
Alles is nog gesloten in de omgeving. En een restaurant is er zeker niet! We
hebben nog wel wat te eten, maar is het wel genoeg? Van de mevrouw van de
receptie krijgen we een pakje spaghetti en een fles wijn. We wassen onze
kleding en hangen het buiten in de wind te drogen op.
De gite
is vannacht niet bemand. De receptioniste gaat straks weg. Ze geeft ons de
sleutel en verzoekt die morgenochtend in de brievenbus te doen. In het
keukentje koken we opnieuw spaghetti met ratatouille (trappatoni-saus), waar de ham doorheen gebakken wordt. In de
recreatiezaal eten we het op. Het smaakt ook nog. Het is in en rond het gebouw
doodstil. Een beetje spookachtig.
In een
telefooncel van de camping bel ik naar huis. Hannie vraagt of ik iets voor het
korpsbericht wil schrijven. Ik wil wel, maar heb ik daar niet zoveel zin in.
Thuis gaat alles goed. Het gesprek is kort. Morgen bel ik weer. In de
recreatiezaal schrijf ik in het dagboek.
Het is
inmiddels alweer de negende fietsdag. De tijd vliegt voorbij. Ik ga om 22.00
uur naar mijn kamer. Ik voel me niet moe. Ik kleed me uit en ga op de rand van
het bed zitten. Als ik verder naar achteren schuif, zit ik bijna met mijn kont
op de grond. Het spiraal is een beetje slap. Het andere bed heeft hetzelfde
mankement. Ik haal mijn slaapmatje tevoorschijn en laat het vol lucht lopen. Ik
slaap gewoon op mijn slaapmatje, op de grond.
Ik val
snel in slaap. Morgen Vezelay.
DAG: 126.4
TIJD 6.38 GEMIDDELD: 19.0 MAX:
54.2 TOTAAL: 926.2
DAG 10
Vannacht
ben ik een paar keer wakker geworden. Telkens dacht ik dat ik iets hoorde. Dat
kan hooguit Thom zijn, want het gebouw zou leeg moeten zijn. Het is precies
zeven uur, als ik wakker word. De wielren kleding is nog niet droog. De natte
wielrenbroek trek ik aan. We hebben geen eten meer bij ons. Thom springt op
zijn fiets en rijdt naar het dichtstbijzijnde dorp om wat brood te halen. Het
dorp ligt zes kilometer verderop. Ondertussen ruim in de rommel op en bind de
bepakking op mijn fiets. Thom’s spullen leg ik buiten alvast klaar. Binnen een
half uur is Thom terug. Samen eten we het brood met de leverpastei, die we
gisteren ook van die vriendelijke mevrouw gekregen hebben.
Het is
kwart voor negen. De fietsen zijn weer vol beladen en we zijn klaar voor onze
volgende etappe. Het is wel koud, maar het is stralend mooi weer. Het waait
haast niet. Het fietsen gaat me niet lekker af. Ik 'zit niet'. Verzitten helpt
niet. Na een paar kilometer komen we in Chatel-Censoir aan. Thom weet de weg,
want hier is hij zojuist geweest. Door het bos komen we in Asniere en moeten we
behoorlijk op de pedalen. Ik heb het gevoel, dat ik nauwelijks vooruit kom.
Thom geeft me wat brood van hem. Het gaat wel wat beter, maar nog lang niet
goed.
We
komen over een heuvel en zien in de verte Vezelay liggen. Onmiskenbaar zie je
helemaal boven op de heuvel het dorp met de torens van de kathedraal. De klim
er naar toe is lang en zwaar. Thom is snel uit het zicht verdwenen. Boven
aangekomen, zit Thom op een terrasje. Hij heeft al koffie voor ons besteld.
Ik sta
nog een beetje op mijn benen te trillen van de inspanning. Ik eet opnieuw een
broodje en drink de koffie. Het zonnetje komt erdoor. Met de fiets gaan we door
de stadspoorten van Vezelay en gaan verder lopend naar boven, in de richting
van de kathedraal. Het is een héél steil stukje. Boven in de kathedraal gaan
Thom en ik ieder onze eigen weg. Eventjes een moment voor jezelf. In de
kathedraal steek ik twee kaarsjes aan. Eén omdat ik het beloofd heb, de ander
uit persoonlijke overwegingen.
In het
aanliggend souveniers winkeltje (het barst ervan) proberen we een stempel voor
onze geloofsbrief te krijgen. Vergeefs. Er wordt nogal narrig geantwoord. Thom
laat zich niet uit het veld slaan en loopt naar het aangrenzende klooster. Hij
spreekt een oude non aan. Zij verwijst ons door en even later is een priester
bereid ons een stempel in de geloofsbrief te geven. We lopen met de fiets aan
de hand naar beneden. Onder in het dorp kopen we nog wat ansichtkaarten. Ik
verstuur er drie. Eén naar huis, één naar het werk en één naar het korpsbericht
(in plaats van een stukje te hoeven schrijven).
We doen
ook nog even wat boodschappen. In de bakkerij halen we een puddingbroodje (met
caramel). Ik voel me al wat beter. Ik merk gewoon dat ik 's ochtends véél meer
moet eten! Ik kom anders gewoon niet vooruit!
Bij de
bakker worden we aangesproken door een paar Fransen. Zij herkennen de schelp op
onze fiets. Zij hebben de tocht al vier keer gemaakt. Het contact is kort. Ook
een Nederlander komen we tegen. Hij is lopend onderweg naar Santiago. Hij komt
uit Goor, nabij Hengelo en is al vanaf 1 april onderweg. Zijn slaapzak is niet
waterdicht, dus hij heeft een nieuwe slaapzak post restante op laten sturen.
Op onze
vraag of hij ook nog Nederlandse fietsers tegengekomen is, zegt hij dat er een
fietser uit Purmerend ook naar Santiago onderweg is. De man zou alleen rijden
en maakte een beetje zonderlinge indruk. In de hoop de man tegen te komen,
geven we die fietser de bijnaam ‘de beul uit Purmerend’. In de komende dagen
hebben we hem niet ontmoet. Overigens valt mij op, dat we in Vezelay maar vrij
weinig pelgrims tegenkomen.
Na ruim
een uur verlaten we het stadje. Een heel lange afdaling is onze beloning. Het
rijden, maar ook het klimmen gaat me nu een stuk beter af. De bewolking zet op
en er komt ook meer wind. De hele dag houden we de wind op kop.
Nabij
Bazoches komen we een wandelaar tegen. Hij staat aan de linkerkant van de weg
en is net van plan zijn rugzak om te doen. We stoppen en maken even een
praatje. Het is een Belg die uit Antwerpen komt. Ook hij is begin april van
huis vertrokken en wil via Le Puy naar Santiago. Heel even blijven we bij hem
en rijden daarna door. Na een klein kwartiertje stoppen we aan de kant van de
weg om een kopje soep te drinken en een boterhammetje te eten. Tijdens onze
pauze komt de Belg voorbijlopen. We bieden hem aan een kopje soep mee te
drinken, maar dat slaat hij beleefd af. Hij loopt door.
Onze
pauze duurt een half uur voordat we weer op pad gaan. Het ziet er niet naar uit
dat we Nevers zullen halen. Het waait sterk en het weer ziet er ook dreigend
uit. De afdaling is lang en gestaag. Er zijn een paar heel venijnige heuvels te
nemen. Bij St Revirien krijgen we een heel steile klim. We gaan maar
langzamerhand een camping zoeken. Volgens de beschrijving moet er eentje bij
Prémery zijn. Kennelijk raken we van de route af, want we moeten eerst een eind
klimmen om dan vervolgens weer af te dalen.
De
municipal ligt niet ver van de weg. Het is er heel stil en we zetten onze tent
achter een hoge haag. Dan vangen we tenminste wat minder wind. Het gras is er
nog niet gemaaid. Het staat zeker 40 cm hoog. Ik trap het gras plat, met als
resultaat drijfnatte voeten. De tent staat snel. Er is geen campingbeheerder.
Tegenover
ons komt een Duitse auto te staan. Erachter een enorme tandem asser. De oude
bestuurder (ik schat hem in de zeventig) moet alles zelf installeren; zijn
vrouw blijft in de auto zitten. Als de schotelantenne goed staat, komt zij pas
uit de auto. Het is koud. Het regent af en toe heel licht en het waait best. In
de prima douches ga ik me wassen. Ook de kleding gaat in het sop.
Na het
wassen hangen we het binnen te drogen.
We
rijden naar het dorp om wat eten te halen. Bij een kleine supermarkt kopen we
sinaasappelen, muesli (speciaal voor mij!), chocolade, kiwi's, aardappelen,
bloemkool en wat gehakt. Ook trakteren we ons zelf op een flesje wijn.
In deze
winkel is geen kurkentrekker te koop. Het heet op z'n Frans een Tirez Bousson,
legt het winkelmeisje uit. Ze schrijft het met rode konen op een kladpapiertje.
De rode konen kwamen trouwens, omdat Thom 'Je t'aime' tegen haar zei.
We
rijden naar een veel grotere supermarkt, die aan de rand van Prémery staat. De
STOCK is wel dertig keer groter. Ik blijf met de boodschappen buiten staan en
Thom gaat naar binnen voor de Tirez Bousson. Het weer is heel dreigend. Donkere
wolken komen over ons heen. We houden het vast en zeker niet droog. Op de
camping maken we ons eten klaar. Het begint wel even te regenen, maar het houdt
weer op. Het eten smaakt ons best goed.
In de
nabij gelegen telefooncel bel ik weer naar huis. Hannie is er niet en ik krijg
Peter aan de lijn. Hij vraagt waar ik ben. Ik probeer het hem uit te leggen.
Hij denkt dat ik in de buurt van de Puy de Dome ben. Ik laat hem maar in die
waan. 'Nog drie nachtjes slapen, pap, en dan ben ik jarig!' Ik beloof hem dat
ik morgen weer zal bellen. Hannie is pas om 21.00 uur thuis. De
campingbeheerder komt het terrein oprijden en we betalen voor de overnachting.
Ik duik
de tent in. Het is vochtig koud buiten. In de tent werk ik het dagboek bij.
Thom doet ondertussen de afwas. Morgen zien we wel waar we uitkomen. Ik neem even
wat rust door languit op mijn slaapzak te blijven doezelen. Ik wacht tot 21.00
uur en ga naar de telefooncel om Hannie te bellen. We praten even wat bij. Ik
leg uit wat de plannen voor morgen zijn. Ik duik snel de tent in, want ik voel
me moe. Het is half tien.
DAG: 89.5 TIJD:
5.21 GEMIDDELD: 16.6 MAX:
52.4 TOTAAL: 1015.7
DAG 11
Ik ben
vaak wakker geweest vannacht. Verderop balkt een ezel, terwijl aan de andere
kant een aantal honden aan het blaffen zijn. De fabriek van Premery maakt een
zoemend geluid, wat de hele nacht doorgaat. De penetrante lucht van de fabriek
is nadrukkelijk aanwezig. Ook word ik een paar keer wakker van de regen en de
stevige wind. De tent klappert af en toe. Ik doezel vaak weg, maar word om
precies zeven uur weer wakker. Ondanks dat ik zo vaak wakker geworden ben, voel
ik me goed uitgerust. Als ik de rits van de tent open doe, kijk ik naar een
zwaar bewolkte lucht. Het is droog, maar het waait enorm. Het is koud. De wind
komt uit het westen, dus waarschijnlijk hebben we die de hele dag recht op kop!
De
brander gaat weer aan. Tegen heug en meug eet ik de muesli met warme melk. Het
is niet te eten, maar ik moet wel! Al eerder is gebleken, dat ik op brood niet
zo goed kan rijden. Ik stamp de muesli werkelijk naar binnen. Ook nu rijden we
rond half negen weer van de camping weg. Onze Duitse mede kampeerders wensen
ons veel succes. We rijden Prémery uit en rijden langs de herriemakende
fabriek. Wij weten niet wát ze er produceren, maar de gifgele rook voorspelt
niet veel goeds. Het ziet er niet uit: alles is verroest en in de gemetselde
muren ontbreken hele stukken. Achter de gebroken ramen zien we mensen in witte
stofjassen lopen. Ze hebben mondkapjes op. In de onmiddellijke omgeving van de
fabriek stinkt het enorm.
We
rijden snel door en krijgen meteen de eerste lange klim voor de kiezen. Zes
kilometer lang. Thom blijft bij me rijden en samen komen we aan de top. In de
daaropvolgende afdaling loopt er iets aan bij het achterwiel van mijn fiets.
Het wordt steeds erger, dus ik stop. Thom rijdt achter me en stopt ook. Ik kan
niet vinden wat het geluid veroorzaakt. Het spatbord zit nog vast. Maar als ik
aan de bagagedrager kom, zie ik wat het probleem is: de bagagedrager is
afgebroken! Precies bij de as van het wiel, dus helemaal onderin. Thom is
handig. Hij heeft zware tie-raps bij zich. Hij monteert er drie en repareert zo
de bagagedrager. 'Dat houdt wel', zegt hij. Ik vertrouw hem, maar ben er niet
gerust op. Tijdens het rijden voel ik elke keer, als ik door een kuiltje of
over een bobbel rijd, in gedachten de boel afbreken. Het gebeurt gelukkig niet.
We
rijden richting Nevers over een lange, rechte weg. Vlak voor de N933 is de weg
licht glooiend naar beneden. Thom en ik besluiten om even wat aan de kant van
de weg te gaan eten. We plaatsen de fietsen tegen een heg en gaan op de rand
van het trottoir zitten. Terwijl we onze boterham oppeuzelen komt er een
politiebusje voorbijrijden. De chauffeur stopt de auto midden op de rijbaan en
roept ons iets vanuit het geopende raampje toe. Zelfs Thom verstaat hem niet.
De gendarme parkeert de politieauto aan de kant van de weg en stapt uit.
Opnieuw een verhaal wat we niet verstaan. Hij gebaart dat we weg moeten. Wij
snappen er niets van. De gendarme gaat over in gebarentaal en zegt daarbij: broemm…, wijst op het voorbijrijdende
verkeer, vervolgens op zijn benen en zegt krak
!
We
snappen hem! We mogen niet op de rand van het trottoir zitten. De benen moeten
van de weg, want anders worden onze benen door voorbijrijdende auto´s er af
gereden. We knikken en reageren begrijpend. Zonder dat we een proces-verbaal
van hem krijgen, doen we wat de man
vraagt en nemen afscheid van hem.
In
Nevers proberen we een fietswinkel te vinden. Vergeefs. Als ik aan de
bagagedrager kom, merk ik dat alles toch wel stevig vastzit. Ik neem de gok: we
gaan gewoon verder.
Vlak na
Nevers worden we volgens de routebeschrijving omgeleid om bij een héél oud
aquaduct uit te komen. In onze routebeschrijving is de historie van het
aquaduct beschreven. Korte tijd later zitten we weer op de hoofdrijbaan. We
rijden over een brug en komen bij een kanaalbrug. Na een paar honderd meter
stoppen we bij een parkeerplaatsje voor automobilisten.
Ondertussen
maak ik de bekende soep tijdens onze koffiepauze. Een hond maakt het wat
lawaaiig voor ons. Hij blijft constant blaffen. We eten wat en na ruim een half
uur gaan we weer op pad. Het is nog steeds redelijk koud en de wind is sterk en
recht op de kop. Nabij Apremont zijn een paar lange beklimmingen te nemen. De
route 'loopt' vanzelf en is goed te berijden. In Sancoins halen we bij de
Gendarmerie een stempel. Ze kijken ons een beetje vreemd aan. Achteraf gezien
rijden we de stad via de verkeerde weg uit.
We
zitten op de D951. De echte heuvels zijn verdwenen. Het is vrij rechttoe,
rechtaan. De wind is sterk. Ik kom niet boven de 16, 17 kilometer per uur. Ik
schat dat het zeker windkracht zes is: de vlaggen staan strak. Thom biedt aan
om kop te nemen. Ik maak er dankbaar gebruik van. Thom sleurt me over lange,
rechte en oneindige wegen in de richting van Charenton.
Volgens
de routebeschrijving moeten we langs een kerkhof komen, maar die kunnen we niet
vinden. We vinden het wel best. Dan maar gewoon over de hoofdrijbaan
doorrijden, want eigenlijk willen we zo snel mogelijk naar de camping van St
Armand Montrond.
Thom
heeft me al meer dan vijfentwintig kilometer gesleurd, als we tussen Charenton
en St Armand Montrond bij een wegrestaurant stoppen en een biertje bestellen.
De enige die in het lokaal 'normaal' lijkt, is de serveerster. De gasten
gedragen zich niet echt netjes. Er wordt tussen dronken kerels geschreeuwd,
waar wij ook bij betrokken worden. Snel besluiten we om te vertrekken.
De
laatste twaalf kilometer rijd ik weer mijn eigen tempo. In Armand Mondrond doen
we eerst wat inkopen. Melk, brood, fruit en wat hartigs voor op brood. We
besluiten ons zelf vanavond maar eens op een luxe diner te trakteren in een
restaurant.
De
camping vinden we redelijk snel. De tent plaatsen we in de buurt van het
receptiehuisje. De douches zijn lekker warm. Het is niet druk op de camping. Ik
bel naar huis. Eerst krijg ik Peter aan de lijn, dan Hannie. Het lijkt
standaard, want er zijn opnieuw geen bijzonderheden van het thuisfront te
melden. Toch bel ik iedere dag, gewoon om even elkaars stem weer te horen.
Morgen zal ik haar niet bellen, want dan moet ze werken. Peter gaat uit
logeren.
Tegen
de avond gaan Thom en ik naar de 'stad'. Redelijk dichtbij de camping zien we
Hotel Post. Het ziet er verlaten uit, maar toch gaan we naar binnen. We hebben
er een fantastisch diner. Een compleet vier gangen menu met alles erop en
eraan. De prijs valt ook nog mee. We genieten van het avondeten en werken
tussen de maaltijdgangen door ons dagboek bij. Wat een luxe! Er komen nog wel
wat andere bezoekers binnen, maar echt druk wordt het niet in het restaurant.
Het is al over 22.00 uur als we in het donker naar de camping rijden. Ik voel
me behoorlijk moe, maar niet uitgeput. Ik kruip in de slaapzak en denk vaak aan
thuis.
Heel
vaak.
DAG: 110.2 TIJD:
6.43 GEMIDDELD: 16.3 MAX:
48.6 TOTAAL: 1125.9
DAG 12
Ik ben
een paar keer wakker geworden, omdat de 'nachtwacht' van de camping (een paar
jonge jongens) nogal luidruchtig plezier met elkaar hadden. Thom had helemaal
te klagen, want die heeft niet alleen de 'nachtwacht' gehoord, maar ook mij:
een snurkende fietsmaat. Achteraf
verklaarde dit ook, waarom ik Thom een paar keer moest roepen om hem
wakker te krijgen. Het is heel stil op de camping. De caravan naast ons wordt
ook verplaatst. De chauffeur laat zijn diesel gewoon stationair lopen. Thom
maakt nog even een heel kort praatje met de man.
Ook nu
rijden we weer rond kwart voor negen van de camping weg. Ik heb mijn maag zo
vol mogelijk met muesli gepropt. In het dorp bel ik nog even naar huis. Ik
vertel ons reisdoel en zeg Hannie dat ik morgen opnieuw zal bellen. 'Ik houd
van je', is ons laatste contact.
Het
weer ziet er goed uit, ondanks dat er wat dreigende wolken zijn. Het is
gelukkig loos alarm, we kunnen de lange broek voor het eerst in de tas laten
zitten. Thom en ik rijden in T-shirt met korte mouw. Ondanks de kou hebben we
ons goed met zonnebrand-crème ingesmeerd. Snel zitten we weer op de route en
volgen een stukje de D951. We rijden een kleine C-weg bijna voorbij. Snel keren.
Terug richting snelweg, er onderdoor in de richting van Chatelet. De
routebeschrijving gaat probleemloos. We kunnen genieten van weer een heel
andere natuur. Het is wat heuvelachtig, maar het is een mooi bebost gebied.
Na een kleine
25 kilometer komen we aan in Chatelet. De dorpskern is heel klein, dus we zijn
er snel weer uit. We rijden nu richting St Jeanvrin. Thom had van kennissen een
ingezonden stukje uit het tijdschrift Libelle ontvangen. In St Jeanvrin woont
een Nederlandse vrouw, die geschreven heeft dat iedere Santiago-ganger bij haar
uitgenodigd wordt om een kop koffie te komen halen. Dat doen wij dus ook. In
een dorpje denken we dat we al zijn. Het blijkt verkeerd: de inwoners kennen
haar wel, maar... in het volgende dorp.
Het
huis van Elly Toda - van Galen, op het adres Le Bourg 18370, is voor ons
moeilijk te vinden. Achteraf gezien, als we gewoon de route volgen, kom je er
vanzelf langs! We melden ons bij het betreffende huis. Het ontvangst is
hartelijk en…. inderdaad wordt er meteen koffie gezet. Thom en ik hebben ieder
apart een stukje in haar Santiago-gastenboek geschreven. De zeer gastvrije Elly
vertelt, dat het vandaag de eerste mooie zomerse dag is. De afgelopen periode
heeft het uitsluitend geregend. We zitten bijna een uur bij haar. Onder belofte
dat wij een kaartje zullen sturen, nemen we hartelijk afscheid. Ze zwaait ons
na.
We
rijden door naar Chateaumeillant. Nabij Néret rijden we verkeerd, maar via een
alternatieve route komen we toch weer op de oorspronkelijke route. Boven aan
een bergtopje bij Montlevic staat een mooi kasteeltje met een prachtig park er
omheen. Het is al bijna 13.00 uur en we gaan even zitten.
In het
zonnetje is het genieten geblazen! We genieten van het uitzicht en eten en
drinken wat. Na een half uurtje gaan we weer verder. In het eerstvolgende dorp
(Lacs) halen we in het gemeentehuis een stempel voor onze geloofsbrief en
rijden daarna door naar La Chatre. Op een kruising van wegen staan we te
overleggen welke route we moeten nemen.
Een
ongeveer 45-jarige wielrenster stopt bij ons. Ze is erg behulpzaam en wijst de
weg. Sterker nog, ze stelt voor om een stuk met ons op te rijden. Ze praat erg
veel met Thom, half Frans, half Engels. Ik rijd achter hen. Thom rijdt haar
gemakkelijk los in een klim, terwijl zij helemaal geen bagage heeft…..
We rijden langs Sarzay, waar we bij een mooi kasteel stoppen. Zij maakt nog wat
foto's van ons en praat met de lokale bevolking.
Zij
heeft ook geen haast. Wij ook niet, maar we willen wel na een kwartier verder.
Ze rijdt weer met ons op. In de afdaling rijdt ze voorop. Na ruim tien
kilometer komen we bij Mouhers en ik wil wel weer even stoppen om wat te eten.
Thom is het met me eens en kondigt onze voorgenomen pauze aan. Zij wil
doorrijden. We nemen afscheid van elkaar en op een klein marktplein eten en
drinken we wat.
Het
drinken van Thom is op en hij vraagt aan een deftig geklede dame of zij une
petit 'l eau voor hem heeft. Dat wel. Maar ze wil Thom toch even vertellen dat
zij de burgemeester van dit gehucht is....
Het is
erg warm en we drinken veel. We maken ons op voor de laatste 30 kilometer,
richting Crozant. Het is maar goed dat we nog wat te drinken ingeslagen hebben,
want dat bleek hard nodig.
De hele
dag moeten we al klimmen en dalen, maar dit laatste stuk spant werkelijk de
kroon! Een ongelofelijk mooie natuur, maar dat zie ik niet meer zo. Stampen en
doorgaan om maar boven te komen!
We
komen uiteindelijk vlak voor Crozant aan bij een riviertje. Rondom zijn er
ruïnes. Na de brug volgt een zware beklimming naar het dorp van onze
eindbestemming. Het is erg steil. Thom is snel uit het zicht. Tijdens het
rijden roept hij me nog iets toe. Ik versta hem niet. Boven aan het dorp komen
we een heel klein winkeltje tegen. We doen meteen inkopen, want in de buurt
moet een camping zijn. Het winkeltje wordt beheerd door een wel héél oud, klein
vrouwtje.
Binnen
is het een uitdragerij. Het lijkt een beetje op de winkel van Malle Pietje. We
hoeven niets zelf te pakken, dat doet zij wel. Ondertussen overleggen we wat we
eten. Ik heb wel trek in witte bonen. Thom gaat akkoord dat dit ons avondmaal
wordt. We doen onze bestelling bij de oude vrouw. Aardappelen liggen links.
Eieren moet ze van achteren halen en de bonen liggen rechts bovenaan op de
plank. Nee, de witte bonen in tomatensaus ligt weer aan de andere kant. Het is
een genot om te zien. Ze loopt van voor naar achteren. Alles is er, alleen niet
waar je het verwacht.
We
willen ook nog wat zout. Een kilo is te veel. Ze doet wat los zout in een
puntzakje voor ons. Ze praat veel tegen ons. We nemen ook nog een fles wijn mee
(20 Francs). Trés bon, verzekert ze ons.
Na het
afrekenen lopen we naar de fietsen. Op een gegeven moment heeft ze in de gaten
dat er een Jacobsschelp op onze fietsen zit. 'Olá, Saint Jacques de Compostela!
Moment, s'il vous plait'. Thom en ik kijken elkaar aan. Wat bedoelt ze nou? Uit
een rek haalt ze twee appels uit de kist. Ze wrijft de appels op en geeft die
aan ons. 'Bon route!', zegt ze. De appels nemen we aan en bedanken haar.
De camping
is niet ver. Na een paar honderd meter fietsen moeten we een heel klein stukje
naar beneden rijden en komen we op een etage-camping aan. Met uitzondering van
de receptionist is er helemaal niemand. Thom rekent meteen voor ons beiden af.
De zon
staat nog volop op de camping. Een zonnig plekje is snel gevonden. Ruimte zat.
Thom gaat op een ruime afstand van mij staan. Hij wil ook wel eens verschoond
zijn van mijn gesnurk en kunnen doorslapen, zegt hij. In de wasruimte gaan we
douchen en wassen meteen de kleren. In de zon hangen we het te drogen.
Ondertussen begin ik met het eten. Het is snel klaar en het smaakt ons beiden
goed. De fles wijn wordt opengetrokken en inderdaad, het is best een goed
wijntje. De campingbeheerder komt nog even bij ons langs en maakt een praatje.
We maken na het eten de fles wijn soldaat en werken het dagboek bij. De zon
gaat achter de bergen schuil en het wordt snel koud.
De
kleding is nog niet droog, dus die hangen we maar in de wasruimte (er is
behalve Thom en mij toch niemand op de camping). Thom en ik lopen de kaart nog
even na. De planning voor morgen is om in St Leonard de Noblad aan te komen,
ongeveer nog 95 kilometer fietsen.
Ik heb
een beetje pijn in mijn achterwerk. Het voelt schraal aan. Morgen even Peter
bellen, want dan is het zijn verjaardag. Thom en ik hebben nu zo'n beetje de
helft van het aantal kilometers afgelegd.
Ik ga
vroeg naar mijn slaapmatje. Met een beetje mazzel zijn we zondag in Rocamadour!
DAG: 110.0 TIJD:
6.22 GEMIDDELD: 17.2 MAX:
58.7 TOTAAL: 1235.9
DAG 13
Tjonge,
wat heb ik goed geslapen. Ik ben niet één keer wakker geworden. Het is hier ook
doodstil. Thom is al wakker en bezig zijn spulletjes op te ruimen. Ik volg hem.
Rond kwart over acht bel ik eerst naar huis. Peter is jarig en hij gaat zo
meteen naar school. Hij neemt zelf op. Ik begin te zingen: “lang zal hij
leven”. Hij begint meteen te praten: 1) hij heeft een reep gehad 2) een
waardebon voor visspulletjes. Vandaag blijft Jenny bij hem logeren. Ik wens hem
een fijne dag toe.
Thom en
ik gaan weer aan de muesli. Achteraf gezien wordt het vandaag een heel zware
etappe. Al na een paar kilometer moet ik al extra eten, want anders zou ik
helemaal niet meer vooruit komen. Er moet heel veel geklommen worden. Iedere
keer wel een 6 tot 7 kilometer lang en heel lange afdalingen. Aanvankelijk is
het bewolkt en koud, maar na een uurtje kunnen we in de korte broek rijden. Bij
Chapelle-Baloue gaan we verkeerd. Na enige kilometers merken we dat we weer
naar het noorden rijden, richting St Sebastian.
Waarom
dat 'zo maar gebeurde' weet ik niet, maar na een lange afdaling kunnen we weer
terugrijden. Het humeur van Thom is (heel tijdelijk) tot het nulpunt gedaald.
De pijn
in mijn zitvlak is verdwenen. Ik denk dat de oorzaak te vinden is, dat ik in de
andere wielrenbroek rijd.
Na een
uurtje rijden komen we in La Souteraine aan. We willen in de kerk (of de
pastorie) een stempel voor onze geloofsbrief. De kerk is leeg. Er is niemand.
Via omwonenden
worden we gewezen waar de pastoor is. Waarschijnlijk in de kroeg (..) Daar is
hij niet. Twee mannen lopen met ons mee naar het huisadres van de pastoor. Ook
daar is hij niet. Het kost ons ruim drie kwartier en we geven uiteindelijk de
moed maar op.
Dan
maar even boodschappen doen. Helemaal de tijd vergeten: het is al twaalf uur en
de winkels sluiten! Thom gaat nog snel een bakkerij binnen en koopt wat brood
en koeken voor ons. We gaan verder. De stadspoorten uit de routebeschrijving
kunnen we niet vinden, maar we vinden wel de D10, richting St Priest. Na een
paar kilometer komen we over een snelweg. Die staat niet op onze kaart. Ook
klopt onze beschrijving niet helemaal, denken we. Rechtdoor is het richting St
Priest en links loopt de D1.
We gokken:
rechtdoor de D10. Na een paar kilometer bemerken we dat we toch verkeerd
gereden zijn: we hadden toch linksaf gemoeten.
Samen besluiten we om niet terug te gaan en door te rijden. Het is
behoorlijk klimmen geblazen.
Het is
toch een mooie route, waarbij we de D74 een kilometer of acht volgen. In St
Bénévente zitten we weer op de route en rijden langs de abdij. Die abdij is
lang zo mooi niet als die van Orval.
Een
paar kilometer verder stoppen we even en gaan eten. Ik heb honger en sla een
noodrantsoentje aan. Ik eet wat macaroni. Na een half uurtje pauze gaan we weer
op pad. Ik rijd een stuk lekkerder met een volle maag. In een lokaal hotel
halen we wat water, want we drinken erg veel. Wat een klimpartijen! Het houdt
maar niet op. Het gaat de hele dag maar door.
Na
Marioux en Chatelus moeten we nog 'maar' 30 kilometer. Alleen, als je maar met
zo'n 7, 8 kilometer per uur de berg opkomt, dan gaat het niet zo snel. We
bereiken le Chatenet. Nog tien kilometer.
In de
afdaling merk ik, dat mijn fiets een beetje begint te slingeren. Dat had ik nog
niet eerder meegemaakt. Ik onderzoek mijn fiets. Inderdaad wordt mijn vrees
bewaarheid: een slag in het wiel. Thom ziet dat de buitenband ook een scheur in
het canvas vertoont. Nu maar even doorrijden en morgen laten repareren.
We
zoeken in St Leonard de Noblad een camping. Het is ongeveer drie kilometer
afdalen, daar is er ééntje. De camping is makkelijk te vinden. Het ligt langs
een riviertje. Alleen: de camping is gesloten. Het gaat pas begin juni open.
Geen probleem voor ons. We rijden onder de slagbomen door en zoeken gewoon een
plaatsje. Ondanks dat de camping verlaten is, is het er niet stil. Het
riviertje kent een gemaal, verderop is een brede waterval, boven ons is een weg
en daarboven loopt een spoorlijn. Die herrie gaat dag en nacht door. Thom is er
niet blij mee. Even staan we te overleggen, maar we hebben geen alternatief. Ik
kijk wel of ik kan slapen, want een andere camping is toch weer op een
behoorlijke afstand.
De
douchecabines en de toiletten zijn (nog) afgesloten. Aan het begin van de
camping is een invalidentoilet en -douches. Daar maken we dan maar gewoon
gebruik van. Ons laatste noodrantsoen wordt aangeslagen. Het moet wel, want
alles in de buurt is gesloten. We eten zwijgend ons laatste pakje macaroni op.
Rond
kwart voor negen bel ik vanaf de camping naar huis. Ik krijg Hannie aan de lijn
en ze wenst ons veel succes voor morgen. Het is nog te vroeg om te gaan slapen.
Thom stelt voor om naar het dorp te fietsen en daar even wat te gaan drinken.
Zo
gezegd, zo gedaan. Op een terrasje drinken we een biertje. Het terras ligt
langs de weg en kijkt uit over een groot parkeerterrein. Tegen duisternis neemt
één van de terrasgasten afscheid van zijn maatjes. Iedereen ziet dat hij
nauwelijks op zijn benen kan staan, zo dronken is hij. Onder gegniffel en
gelach loopt hij naar zijn auto en stapt ook daadwerkelijk in. Iedereen heeft
lol, totdat hij rechtuitrijdend midden in de deur van een geparkeerde auto
rijdt. Die auto is van één van de andere terrasgasten. Er wordt niet moeilijk
gedaan. Twee vrouwen lopen naar hem toe, halen hem uit de auto en rijden hem
met zijn eigen auto weg (naar huis, vermoed ik).
Rond
tien uur rijden we in het donker de berg af. Ik heb geen licht op de fiets.
Thom wel. Ik rijd achter hem aan. In het pikdonker vinden we onze tent en gaan
snel slapen. Het is koud. Morgen eerst mijn band vernieuwen.
DAG: 104.8 TIJD:
6.56 GEMIDDELD: 15.1 MAX:
52.9 TOTAAL: 1340.7
DAG 14
Ondanks
dat ik vroeg wakker ben, draai ik me nog een paar keer om. Het heeft geen zin
zo vroeg op te staan, want we moeten toch wachten tot de winkels open zijn.
Rond acht uur kom ik uit de tent.
Eerst
even wat eten. We rijden weer de berg op, naar het centrum van St Leonard de
Noblad. Recht tegenover het terrasje van gisteren is de lokale VVV. Thom doet
het woord. De vriendelijke receptioniste weet ons te vertellen, dat in deze
stad geen fietsenwinkel is. Vandaag is er wel (toevallig) een ATB-route
uitgezet. Ze belt de organisatie, waarna we verwezen worden naar een winkel aan
de rand van de stad. Die verkoopt ook fietsbanden. Wellicht kan men ons daar
helpen.
Het is
even wat zoeken, maar met de kaart komen we er redelijk snel. Het is een
grasmaaiersbedrijf. Ze verkopen er van alles. Thom legt in het Frans uit
waarvoor wij komen. De jongeman kan ons helpen. Hij zoekt wat in het magazijn,
maar heeft geen slicks in de maat 26 inch. Wel gewone ATB-banden met noppen. De
keuze is dus niet zo moeilijk: de ATB-band er maar op. We helpen de jongeman in
het demonteren van de band en vragen hem of
hij de voorband om de achterband wil monteren. Dat wil hij wel. Echter,
als de voorband er af ligt, zien we dat ook die band niet zo jofel meer is! Dan
maar twee nieuwe banden. Het blijkt dat de banden heel erg uitgedroogd zijn.
Als je met je vinger in de wang van de band drukt, scheurt die meteen weg. De
slag in het wiel wordt op het gemak er uitgehaald. Als de band erom gemonteerd
is, controleert Thom of mijn wiel inderdaad weer goed is. De kosten vallen nog
wel mee: 180 FF.
We
halen bij de Intermarché meteen wat boodschappen. We rijden weer terug naar de
camping en gaan daar maar eten, want het is inmiddels al twaalf uur geworden.
Om halféén rijden we van de camping weg. De banden maken wel veel meer lawaai,
maar lopen redelijk.
Langs
de historische brug krijgen we meteen een klim van een half uur voor de kiezen.
Het blijkt een voorbode voor de rest van de dag! Wat ik dacht een rustige dag
zou zijn (zo'n 65 kilometer) valt dat behoorlijk tegen! Na St Germaine rijden
we al klimmend en dalend naar Le Porcherie. Ik moet regelmatig in de kleinste
versnelling rijden. Dat houdt ook in: niet sneller dan vijf kilometer per uur.
We
raken de weg kwijt, maar bij Bertranges komen we weer op de route. Alles gaat
volgens plan, maar wat een klimpartijen!
We rijden door een schitterende natuur, maar ik heb nauwelijks tijd om
er van te genieten. Nabij Condat moet ik weer een tijdje in de allerkleinste
versnelling. Thom wacht regelmatig op me. Ook hij zegt dat het hem zwaar valt.
Rond
zes uur komen we eindelijk in Uzerche. We rijden door een lange berg-tunnel
onder een spoor. In een winkel doen we nog wat boodschappen. Achter ons staan
een Nederlandse moeder en dochter. We raken in een klein gesprek. Ze bewonderen
onze moed om deze tocht te ondernemen.
We
vragen de winkelier naar de camping en krijgen het advies om een stukje langs
de weg door te rijden, dan hoeven we tenminste niet te klimmen. We volgen zijn
advies. De camping ligt aan het water van de Vézére. Onder een tunnel moeten we
rijden, wat lijkt alsof we onder de pilaren van de huizen rijden. Misschien is
het ook wel zo.
Na een
paar honderd meter komen we op de camping. Ook nu staan er hekken. De camping
is dicht. De hekken negeren we en stellen gewoon onze tenten op. Als de tenten
staan, komt een ongeveer 22-jarige man op een geel scootertje langs.
Hij
stelt zich voor als de campingbeheerder en incasseert 46 FF van ons. Hij wijst
ons de douches, die helemaal aan het eind van de camping zijn. De
dichtstbijzijnde zijn nog gesloten. Het nieuwe douchegebouw is netjes ingericht
en daar gaan we douchen. Een campingbezoeker heeft voor andere gasten een
presentje in de douchecabine achtergelaten.
Weer
bij de tent gaan we eerst even eten. We eten broccoli, aardappelblokjes en daardoorheen
wat gebakken spek. Het is erg lekker. Als dessert eten we wat yoghurt met
muesli, maar zonder suiker. De zon verdwijnt en het wordt al wat kouder. Het is
er erg vochtig, zo langs het riviertje. We lopen naar de telefooncel en ik bel
nog even naar huis. Het is rond 22.00 uur en ik kruip mijn slaapzak in.
Tjonge,
wat een dag !
DAG: 62.4 TIJD:
4.11 GEMIDDELD: 14.8 MAX:
52.8 TOTAAL: 1403.1
DAG 15
Het was
behoorlijk koud vannacht. Ik ben een paar keer van de kou aan mijn hoofd wakker
geworden. Ik word weer rond 7 uur wakker. De tent is van binnen en van buiten
drijfnat. De slaapzak voelt heel klam aan. Het zal ongetwijfeld te maken hebben
met het riviertje, de Vézére. Ik ruim de drijfnatte tent in. Thom is wat
langzamer vandaag. Hij doet echt rustig aan. We eten muesli met yoghurt. Ik
loop nog rond op de camping om wat foto's te maken, terwijl Thom zijn tent
inruimt. De camping kunnen we rond kwart over acht al verlaten. De zon schijnt
volop, maar het is toch erg koud. Nagenoeg dezelfde route als we gisteren
gekomen zijn, rijden we in tegengestelde richting het dorp Uzerche uit.
Het
dorp kent maar één doorgaande weg en die gaat steil omhoog. Het verkeer staat
af en toe stil, omdat er aan de weg gewerkt wordt. Tjonge, wat een klim.
Tijdens het klimmen voel ik mijn krachten wegvloeien. Ik wil wel, maar het gaat
niet. Al in het eerste gedeelte ben ik aan het eten om maar op kracht te komen
/ te blijven. Het is ruim vier kilometer in de allerkleinste versnelling. Thom
rijdt ver voor me uit. Het duurt bijna een uur voordat we boven zijn. Ik moet
veel eten.
Boven
aan de berg gaan we naar links, richting Ceyrat. Het is nog steeds klimmen. Ik
blijf nagenoeg constant eten, maar ik word er niet beter van. We rijden
richting Lagruiére. Het is een steile afdaling, maar meteen daarna ook weer
steil klimmen. Naar Donzenac is het een mooie weg. Eindelijk een afdaling die
wat langer duurt. Acht kilometer lang hoeven we niet te trappen en rijden door
een mooi bos. Werkelijk schitterend! Alle tijd nemen we om ervan te genieten.
Maar, zoals altijd na een afdaling, komt er een klim. We rijden Donzenac
binnen. Het verkeer moet nog wat verder klimmen, maar wij kiezen er voor om af
te snijden, door een stukje tegen richting in te rijden.
We
zoeken een plekje om wat te drinken. Verderop zie ik een tankstation en ga voor
3 Francs eerst even een litertje benzine voor onze brander halen. Na een paar
honderd meter klimmen gaan we een klein café binnen. Er wordt volop gegokt op
de paardenrennen. Veel mannen en een paar vrouwen. We drinken de koffie en gaan
ook even naar het toilet. Tegen het middaguur gaan we weer op pad. Eerst
beginnen we met een afdaling. Ik voel me ook een stuk beter dan een uurtje
geleden. Zou ik toch weer vanmorgen te weinig gegeten hebben?
Bij
Ussac gaan we linksaf, richting Brive. Weer klimmen dus. Na een kleine veertig
kilometer zoeken we in Brive een plekje om wat te eten en te drinken. Een
bushokje voldoet ook, dus daar stoppen we even. Het is bloedheet vandaag.
Terwijl we de soep drinken, komt er een reddingshelicopter overvliegen. Het
apparaat landt op het terrein van het nabij gelegen ziekenhuis. We eten wat
brood met Camembert en drinken daarna nog wat melk en een kopje koffie. Thom
haalt in het tegenovergelegen restaurantje een paar bidons met water.
Kort na
één uur stappen we weer op de fiets. Er zijn nagenoeg geen afdalingen meer en
we blijven op een soort hoogvlakte rijden. Ik geniet van prachtige vergezichten.
Na ongeveer acht kilometer krijgen we weer een klimmetje en komen in
Jeguals-Nazareth. In de verte zie ik een kasteel boven op de top van een berg,
waar we indirect toch naar toe rijden. Het blijkt Turenne te zijn. Onderaan,
dus bij het begin van het dorp, vullen we opnieuw de bidons. Na een paar
honderd meter moeten we rechtsaf, een steile klim in de richting van Martel.
Thom heeft vleugels.
Het is
maar een afstand van slechts drie kilometer, maar ik moet het wel in de
kleinste versnelling doen. Ik doe er meer dan een half uur over om boven te
komen. Omdat boven aan de berg geen bewijzering staat, vraagt Thom aan een
groep jongelui de weg. Zij helpen ons vriendelijk op weg.
Ik eet
en drink heel veel. Het fietsen gaat steeds beter. Ik ben wel moe, maar niet
kapot (zoals ik me vanmorgen voelde). Opnieuw krijgen we nog even een heel
steil stuk. Daarna zijn er nog wel heuvels, maar wat langer en minder steil.
Naar Meyrinhac is het een vals plat. Dat voelde ik eerst niet, maar ik kon niet
sneller dan 15 kilometer per uur.
Maar
gelukkig: we zijn er bijna. De weg loopt gestaag door en we rijden langs
velden. De bordjes geven het aan Rocamadour: 12 kilometer. Het is al bijna
17.00 uur. Ik reken snel: rond een uur of zes staan we op de camping. Mis!
Volgens
de routebeschrijving gaan we rechtsaf. Het is een berg. En wat voor één! Klik,
klik, klik. Ik rijd weer in de kleinste versnelling. Thom rijdt snel bij me
weg. Al bijna honderd kilometer hebben we er opzitten en dan krijg je als
afsluiting dit nog voor de kiezen! Het gaat langzaam. Ik kan niet sneller. Ruim
vijf kilometer klimmen. De vliegen dansen om mijn bezweet gezicht. Ik hoef
gelukkig niet af te stappen. Ik blijf rijden. De weg wordt weer wat vlakker.
Voor drie kilometer. Dan opnieuw: klimmen. Voor me komt een herderin met een
grote kudde schapen. Ik blijf er achter rijden en maak even een foto. Thom
staat boven al geruime tijd op me te wachten. Samen rijden we door naar de
camping. Er zijn er twee. De eerste ziet er wel mooi uit en heet Le Comp'hostel.
We
rijden door naar de tweede camping, maar ik vind het wel genoeg. Thom ook, dus
we rijden weer terug en melden ons bij de receptie. Vooraan op de camping is
een kampeer plaatsje en we zetten onze tenten op om maar snel te drogen. De
douches zijn mooi en het water is lekker warm. Het is al bijna acht uur.
Ik bel
even naar huis en spreek met Hannie, Rob en Peter. Rob zegt dat hij thuis zijn
best doet, Peter wil voor zijn verjaardagsgeld een hengel kopen en met Hannie
neem ik de 'gewone' zaken door. 'Ik houd van je', besluiten wij ons gesprek.
Morgen zal ik opnieuw bellen. Thom en ik lopen door naar een restaurant.
We
kijken vanuit het restaurant over de hele vallei en zien de gebouwen van
Rocamadour, die tegen de rotsen aangeplakt lijken te zijn.
Buiten drinken
we een biertje en we willen ook buiten eten. Dat kan niet: uitsluitend binnen
wordt geserveerd. In het restaurant krijgen we de kaart. Ik heb wel zin in een
biefstuk. Thom ook. Na een kwartiertje wordt het diner opgediend. Het is een
culinair hoogstandje. Althans: het ziet er heel mooi opgemaakt uit en de
biefstuk is maar heel klein. Ondanks dat de portie klein is, smaakt het prima.
Ik heb er net genoeg aan. De ober maakte een zeer verveelde indruk. Alles lijkt
hem te veel.
Gelukkig
hebben we morgen een rustdag. We lopen nog wat door het dorp. Het is inmiddels
al donker geworden. Het uitzicht over de vallei is heel mooi. Het dorp staat in
de schijnwerpers. Ik probeer een foto te maken van dit prachtige beeld. Het is
warm buiten. Samen lopen we rustig terug naar de tent. Het is bijna half elf en
we zoeken de slaapzak op. Het is doodstil op de camping. Het waait niet. Ik
laat de voorluifel open om wat meer ventilatie in de tent te houden. Het is
volle maan. Moe, maar voldaan kruip ik in de slaapzak.
Ik denk
aan thuis. Morgen rustdag.
Lekker.
DAG: 103.0 TIJD:
6.45 GEMIDDELD: 15.4 MAX:
56.1 TOTAAL: 1533.1
DAG 16
Ik heb
lekker geslapen. Er is wel veel wind geweest, maar dat zal te maken hebben met dat
we nogal hoog zitten. Ik ben wel weer om zeven uur wakker, maar doezel vaak
weg. Ik sta om half negen op. Het is al warm. Zo, rustdag vandaag. Het geeft de
gelegenheid om alles even schoon te maken en de tassen opnieuw in te richten.
Thom is
ook al wakker en samen ontbijten we. Ik eet weer gewoon brood en maak een kopje
koffie. Alles gaat lekker op het gemak, geen stress om maar weer op pad te
gaan. Als eerste gaan we alle kleren in een grote bak spoelen en wassen. Van
onze Belgische 'buurvrouw' krijgen we wat wasmiddel.
Weer
terug bij de tent, knopen we alle scheerlijnen aan elkaar en hangen die tussen
twee bomen op. Van de buurvrouw lenen we wat wasknijpers. Het is warm, het
waait een beetje, dus de was zal wel snel droog zijn.
Tegen
11 uur gaan we op de fiets naar Rocamadour. We zetten de fiets bij het kasteel.
Bij de receptie halen we een stempel voor onze geloofsbrief. In de tuin speelt
een oudere man op een harp. We gaan via de trap naar beneden. Het is een vrij
steile afdaling, met veel 'haarspeld' bochten. In het laatste gedeelte is in
iedere bocht een soort kapelletje waar de laatste fasen van het leven van Jezus
zijn afgebeeld. In het middenstation komen we op een soort pleintje.
Ogenschijnlijk kunnen we te voet niet meer verder. Er is een lift. Kosten: 15
FF voor een retourtje. Al ons kleingeld schrapen we bij elkaar. Zo, dat zijn we
ook kwijt. De lift brengt ons naar beneden. We komen in een onderaardse tunnel,
die naar de enige dorpsstraat leidt. Het dorp is uitsluitend op toeristen
ingesteld. Overal prullaria. We lopen wat door de straat en gaan bij een
terrasje zitten. Daar bestellen we koffie met appelgebak. Ondertussen werken we
ons dakboek bij.
Ongewild
zijn we getuige van een enorme dorpsrel. Een oudere man fungeert als
parkeerwachter (dat kon je uitsluitend zien aan de pet die hij opheeft). Een
winkelier parkeert zijn auto buiten de aangewezen plek en wordt door de man
verzocht de auto weg te halen. De winkelier weigert. Heerlijk om dat zo mee te
maken. Het Franse temperament viert hoogtij. Veel gebaren en een hoop
geschreeuw. De winkelier komt even later weer terug en het schouwspel begint
opnieuw. Prachtig om dit van afstand zo te zien! Het appelgebak is op en we
gaan weer verder. We maken wat foto's en kopen ansichtkaarten. In het hoger
gelegen kasteel koop ik als aandenken een heel klein medaillon.
Alles
gaat echt op het gemak. Al eerder hebben Thom en ik overlegd of we binnen de
geplande tijd in Santiago aan zullen komen. In ons huidig tempo zal dat een
heel krappe planning worden. Ondanks dat we ons nu niet over de kop willen
jagen, moeten we toch ons dagelijks conto van 100 kilometer halen. Op een kaart
stel ik Thom voor om niet via Orolon de Marie te gaan maar vanaf Rocamadour al
wat meer westelijker te gaan in de richting van St Jean Pied de Port.
Uit
informatie blijkt, dat deze pas ook niet zo hoog is, slechts 1000 meter in
plaats van de 1650 meter in Orolon. Ook het aantal kilometers scheelt: een
dikke honderd kilometer korter. Na berekening blijkt, dat het waarschijnlijk
een dikke anderhalf tot twee dagen in de totale reisplanning zal schelen. Ik
had het gevoel, dat Thom lang aarzelde, maar uiteindelijk beslissen we dat we
toch voor de andere route kiezen. Onze nieuwe route gaat via St Jean Pied de
Port.
In de
dorpsstraat kopen we ieder kaarten van de route tot aan St Jean Pied de Port.
Ieder kopen we er twee: één detailkaart vanaf Rocamadour tot aan Les Landes en
één kaart tot aan St Jean Pied de Port. We gaan weer terug naar de tent en
ruimen het droge wasgoed op.
Ik loop
nog even mijn fiets na. Er zit toch weer wat speling in de bagagedrager. Thom
kijkt er naar en we gaan improviseren. De oude tie-raps worden losgeknipt. In
de holle buis van de bagagedrager rammen we met een flinke steen een aluminium
tentharig. Die zit muurvast. Met twee andere tentharingen wordt een spalk rond
de breuklijn gemaakt. Opnieuw wordt het geheel met drie zware tie-raps
vastgezet. Uiteindelijk ziet het er solide uit.
In de
middag zitten we op een ander terrasje. We eten een pizza en drinken er een
biertje bij. We raken in gesprek met een Engels echtpaar. Dat had mede te maken
met ons ruud en thom on tour
T-shirt, dat wij aanhebben. Op de rug staat in een landkaart onze route
afgebeeld: van Amsterdam tot aan Santiago. Ook zij zijn te fiets op doorreis.
Zij maken per dag niet meer dan 50 kilometer en overnachten dan in een hotel.
De bagage wordt nagestuurd. Het valt op, dat we hier veel nationaliteiten
tegenkomen. In het kantoor van de plaatselijke VVV staan twee Amerikaanse
fietsvakantiegangsters. De ene maakt een zeer vermoeide indruk, terwijl de
ander aan de receptioniste vraagt wat de kortste route naar Cahors is. Daar
worden ze vandaag nog verwacht... Dat wordt heavy, denk ik nog. Het is al vier
uur en Cahors is zeker nog 60 kilometer.
Tegen
de avond doen we vlak bij de camping nog wat inkopen. Aardappelen, bietjes en
de man twee hamburgers. Ik kook en bak. Het smaakt me beter dan de biefstuk van
gisteren. Na het eten gaan we nog even een kopje koffie halen. Ik probeer in
een telefooncel naar huis te bellen, maar de verbinding komt niet tot stand.
Thom en ik nemen op de kaart even de route door, zoals we die morgen gaan
rijden. Doel is Villeneuve. Op de kaart strepen we aan hoe we rijden.
Ondanks
dat we afspreken bij elkaar te blijven rijden, omcirkelen we op de kaart de
plaatsnamen waar we elkaar zullen ontmoeten, in geval dat we mekaar kwijtraken.
Goed, alles is weer klaar voor de reis van morgen. De dag is omgevlogen,
ondanks dat we niet veel gedaan hebben. Ik kruip om 22.00 uur in mijn mandje.
Heerlijk,
zo'n rustdag.
DAG 17
Zonder
aanwijsbare reden ben ik vannacht een paar keer wakker geweest. Ik slaap weer
in en sta om precies zeven uur uitgerust op. Ik maak Thom wakker. Terwijl ik de
bagage inruim komen onze Belgische buren uit de camper even langs. Of we voor
het vertrek nog een kopje koffie lusten. Dat slaan we niet af.
De
koffie is lekker. De buurman heeft, speciaal voor ons, de Nederlandse zender
van de wereldomroep aangezet. Of hij is hardhorend, of hij wil ons plezieren,
maar de radio staat veel te hard. We praten over wat koetjes en kalfjes en
krijgen een tweede kopje aangeboden. De buurvrouw geeft ook de tube wasmiddel
aan ons mee. Thom neemt de tube aan en bergt het op.
We
nemen rond half negen afscheid en gaan
weer op pad. We gaan dus de alternatieve route nemen. Eerst krijgen we een
gigantische afdaling en komen onder in het dal bij Rocamadour. De klim is
gestaag en lang. Ondanks dat ik goed ontbeten heb, begin ik al in de klim
meteen met eten. Het klimmen gaat goed. Na de klim komen we in Cazou en gaan
linksaf, in de richting van Poudurac.
Het is
goed te zien hoe hoog we nog rijden, als we in Carluzet aankomen. Er moet toch
behoorlijk geklommen en gedaald worden, maar het fietsen gaat me goed af. Via
de D677 gaan we naar Labastide de Murat. In het centrum van het dorp haalt Thom
nog wat geld uit de flappentap. Een Nederlandse rentenier spreekt ons aan. Hij
woont in dit dorp. We praten niet lang met hem. Na een paar kilometer komen we
bij de N20 uit. Het is er gigantisch druk, voornamelijk met vrachtauto's. Bij
een parkeerplaats gaan we even stoppen. Het is tevens een monument uit de
wereldoorlog. We eten en drinken wat.
Aanvankelijk
waren we van plan om via Cahors te gaan rijden, maar daar zien we vanwege de
drukte toch maar van af. Thom stelt voor om af te steken, binnendoor via de
D127. Het blijkt een gouden greep. De weg is vrij smal, maar bestaat uit louter
afdaling. Wel zes kilometer lang! Het is gewoon mooi en fijn tegelijk.
Na
Gigouzac rijden we vanzelfsprekend Catus binnen. Het is een klein dorp. Thom
stelt voor om onze geloofsbrief uit te breiden met een stempel van de
gendarmerie. De politiepost ziet er verlaten uit. Ik stel voor om door te
rijden, maar Thom is vasthoudend. Het hek staat open en we lopen door.
Uiteindelijk komen we aan de deur. Op ons aanbellen wordt niet opengedaan. Ik
stel opnieuw voor om te vertrekken. Thom loopt om het huis van de
gendarmeriepost. Door een open kelderraam ziet hij kennelijk iemand staan en
roept hard: 'Bonjour, messieurs'. De politieman staat stijf in zijn laarzen.
Daar had hij nooit op gerekend! Hij doet uiteindelijk open en geeft ons de
stempel. Hij was wel een beetje geschrokken, erkent hij.
We gaan
weer verder. Aan het meer Lac Vert stoppen we. Ik maak weer soep en koffie. De
broodjes die we gekocht hebben, zijn toch niet meer zo lekker. Het zijn een
soort Berliner bollen, maar dan helemaal uitgedroogd! Aan het meer wordt ook
gevist. Uit balorigheid gooien we wat kleine stukjes brood in het water.
Aanvankelijk zien we de vissen er van vreten, later niet meer..... Thom en ik
speculeren wat daar de oorzaak van kan zijn.
We
rijden weer verder over de D911 door het dal van de Lot van Rostassac naar
Fumel. Er is veel wijnbouw in deze Cahorsstreek. Ondanks dat we vlak langs de
rivier rijden zitten er af en toe best wel wat pittige klimmetjes is. Het
verkeer is vrij druk en rijdt vlak langs ons heen. Het rijden gaat me prima af.
Ik heb goede benen vandaag.
Het is
inmiddels al 15.00 uur geworden. Tijd op de camping op te zoeken.
Even
voorbij Fumel staat een bord dat de camping nog twee kilometer is, maar die
camping hebben we nimmer gevonden. In de richting van St Silvester rijden we en
worden ingehaald door een wielrenner, die kennelijk zijn trainingsronde doet.
Hét teken voor Thom om even wat strakker op de pedalen te gaan staan. Hij haalt
de man bij en blijft een stuk met hem oprijden. Ik doe wat rustiger. Ondanks
dat ik een goede dag heb: dit red ik niet.
In St
Silvester, zo'n achttien kilometer voor Villeneuve vinden we een camping. Het
ligt nét buiten de bebouwde kom. Linksaf is het in de richting van de camping
en we rijden verder over een onverhard pad. Ik spreek mijn twijfels uit of het
wel de goede weg is. Toch klopt het: na een kleine kilometer komen we op de
camping. Niet al te luxe, maar ik ben blij dat we stoppen. Nabij een meertje
zetten we de tent op. Ik breek een tentstok, althans: het aluminium van de
tentstok scheurt. Thom helpt me. Met een beetje passen en meten lukt het om de
stok te repareren. Nadat de tenten staan, gaan we even douchen en meteen de
kleren wassen.
Het
weer slaat een beetje om. Het is bewolkt en het ziet er dreigend uit. Op de
fiets rijden we weer terug naar het dorp om daar wat inkopen te gaan doen. In het
centrum is een mooie, grote supermarkt. Ik koop er meteen een paar
bootschoenen. Het loopt toch wat fijner dan de lichtgewicht slippers.
Terug
bij de tent beginnen we meteen met het eten klaar te maken. Het begint ook te
regenen. Gelukkig duurt het niet lang, hooguit een uur. Na het eten werk ik het
dagboek bij. Terwijl ik dat doe, bemerk ik dat ik toch een beetje zenuwachtig
begin te worden. De tijd om naar Santiago te komen begint toch wel krap te
worden. Zullen we het wel redden? We hebben nog maar zestien hele dagen! De
Pyreneeën komen er nog aan en wie weet wat ons nog in Spanje te wachten staat?
Na het
eten bel ik naar huis. Terwijl Thom op de kinderschommel zit, krijg ik Hannie
aan de lijn. Gewoon weer even de dagelijkse dingetjes doorgenomen en de plannen
voor morgen uitgelegd. We gaan in ieder geval richting Les Landes.
Ik voel
me niet zo moe.
DAG: 114.6 TIJD:
6.11 GEMIDDELD: 18.6 MAX:
52.1 TOTAAL: 1627.7
DAG 18
Het
heeft vannacht af en toe geregend, maar toch was ik vaak wakker. Aan de oevers
van het meer leek het wel een wedstrijd tussen de eenden en de kikkers. Over en
weer werd gekwaakt! Wat een rotherrie. Het bleef maar onophoudelijk doorgaan.
Terwijl we ons ontbijt naar binnen werken, zien we dat er een aantal auto's de
camping afrijden. De vrouwen zwaaien hen na. Zo te zien, wordt de camping dus
echt als tweede huis gebruikt... Onze drijfnatte tenten pakken we in en rekenen
bij de campingbeheerder af. De prijs valt best wel mee.
Om
kwart over acht gaan we weer op pad. In Villeneuve doen we nog een paar kleine
boodschappen. Thom ziet de drukke wegen, zoals we die gisteren bereden hebben,
niet meer zo zitten. Hij stelt voor om wat meer binnenweggetjes te gaan rijden.
Op onze kaart zijn dat de gele D-wegen, in plaats van de rode wegen. Ik aarzel.
De rode wegen zijn wel wat drukker, maar over het algemeen zijn die ook wat
minder heuvelachtig. Uiteindelijk ga ik met Thom's voorstel akkoord.
We
nemen de binnenwegen. Ach, en hij heeft ook gelijk. Het is veel veiliger op de
D-wegen. Direct gaan we op de D118 en moeten meteen goed op de pedalen. Het
zijn twee hele beste jongens! Na een kilometer of vijftien stoppen we even bij
een boerderij. Nooit erg in gehad: er lopen drie honden los. Ze grommen en
blaffen en komen steeds dichterbij. Gelukkig bijven ze op afstand. De soep en
koffie worden gemaakt en we eten een boterham.
Het is
hier fantastisch mooi. Een werkelijk schitterende natuur. Het is vandaag erg
warm. Ik drink heel veel. Na een kleine veertig kilometer komen we in Payssas
aan. Het is een heel klein dorp met een mooi marktplein, direct achter de kerk.
De tijd is er stil blijven staan. Op het plein met de vele bomen is ook een
bakkerij. Niet groter dan tien vierkante meter. Daar kopen we wat brood. De
vrouw die ons helpt, zegt in het Nederlands: 'Dank u wel'. Thom neemt mij in de
maling, als ik opmerk dat ze goed Nederlands spreekt. (ik zei alleen maar 'BON'
en stak mijn duim op).
In
hetzelfde dorp halen we ook een stempel. Voor de afwisseling in een
postkantoor. Thom legt de baliemedewerkster (er was er maar één en die zat nog
achter kogelvrij glas ook), wat wij wilden. Er komen er drie personen aan te
pas. Vanachter het glas kijken ze naar ons, luisteren en dan beurtelings weer
weg. Uiteindelijk is een vrouw, kennelijk als opperhoofd van het postkantoor,
die ons de gevraagde stempel wil geven. En precies wat je van de post kan
verwachten: op de verkeerde bladzijde op de geloofsbrief en uiteraard op de kop
prijkt nu het stempel van het postkantoor Prayssas. 'Merci, madame', zegt Thom,
maar ik weet dat hij daar niets van meent...
We
blijven nog redelijk op de hoogvlakte. De wegen zijn zeker niet druk. Tijdens
het rijden maken we nog even een foto van elkaar. De afdaling naar Port de St
Marie is heel lang en vrij pittig. Er zitten veel bochten in de weg en de
snelheid loopt op tot dik boven de 50 kilometer per uur. In het dorp raken we
een beetje de weg kwijt. Veel te lang blijven we rechtdoor rijden, terwijl we
linksaf onder het spoor zouden moeten. Weer terugrijden. Via een paar
verkeerslussen komen we over de rivier de Garonne, in de richting van
Feugarolles.
Het is
een lange, rechte weg. In de verte zie ik alweer de volgende bergen opduiken,
maar vlak ervoor moeten we gelukkig rechtsaf.
Samen overleggen we om toch maar eerst weer even wat te gaan eten en
drinken. Aan de kant van de weg eten we het brood op. De auto's scheuren hier
werkelijk met minimaal 120 kilometer per uur voorbij. Dat is allemaal niet zó
erg, maar wel dat ze de gevallen kleine boomblaadjes opwaaien en in de soep en
het eten laten komen!
Na een
kleine pauze gaan we weer verder langs de drukke D930. Eerst waren we van plan
om naar Mont de Marsan te gaan rijden, maar daar zien we vanwege de drukte toch
maar van af. Een stuk rustiger rijden is
de D109. Er zitten wel veel lange klimmen in, veel vals plat, maar het is in
ieder geval rustig om te rijden. Het is wel enorm heet vandaag. Ik drink heel
veel. De benen zijn ook niet meer dezelfde als gisteren. Het gaat me niet écht
makkelijk af, maar houd vol. Het is een martelgang in die hitte.
We
rijden door de typische Les Landes natuur. Veel pijnbomen en rechte wegen. Het
is er wel mooi, maar ik heb er weinig oog voor. Het is gewoon doorrijden
geblazen! Het is al kwart over één. In een lange klim rijdt Thom een kleine 300
meter voor me uit. Ik probeer, zoals altijd, een beetje in zijn spoor te
blijven. Halverwege de klim zie ik, dat hij omkeert en weer terug rijdt. 'We
gaan even stoppen', zegt hij. 'Waarom, doorrijden', is mijn korte antwoord.
‘Het is veel te warm’, zegt Thom en voegt de daad bij het woord door af te
stappen. Aan de aan de kant van de weg stoppen we en onder de beschutting van
wat pijnbomen zitten we in de schaduw. Thom gaat op zijn rug liggen. Dat doe ik
ook, maar wel nadat ik mijn slaapmatje gepakt heb. Thom volgt mijn voorbeeld.
Om even voor 2 uur word ik weer wakker. Dat was even lekker!
We
ruimen het matje op, drinken nog wat en gaan weer op pad. Nog een 25 tot 30
kilometer is onze planning. Het is weer heel veel klimmen, maar kennelijk
vanwege onze rustpauze heb ik er niet zoveel moeite mee. Het gaat lekker. Thom
rijdt af en toe heel ver vooruit, maar wacht regelmatig op me. De afspraak is,
dat we uit zullen komen in Gabarret.
We
rijden door en rond half zes rijden we het dorpje binnen. Een werkelijk
schitterende camping vinden we voor wel héél weinig geld (27 Franc voor ons
beiden). We zetten de tent op en gaan douchen. Ik was mijn kleding en hang het
te drogen. Het is nog steeds mooi en warm weer. We hebben geen zin om eten te
koken.
Een
Fransman zoek contact en vindt die, vanwege mijn zeer beperkt Frans
vocabulaire, bij Thom. De man praat honderduit over zijn fietservaringen. Ik
volg het niet. In mijn blote bovenlijf werk ik het dagboek bij, terwijl zij
zitten te kletsen. Thom vraagt hem of hij weet waar wij in de buurt goed kunnen
eten. De man wijst ons een restaurant en rond 19.00 uur gaan we er naar toe.
De
Fransman heeft niet overdreven. Het is een klein restaurant en het ziet er
gezellig uit. Ik bestel opnieuw biefstuk en het driegangen menu smaakt me
werkelijk voortreffelijk. Pas tegen 10 uur rijden we weer terug naar de
camping. Het is er stil. Ik ben toch wel behoorlijk moe.
Vanwege
de warmte laat ik de luifel open om wat meer ventilatie in de tent te krijgen.
Ik val
snel in slaap.
DAG: 95.0 TIJD:
5.45 GEMIDDELD: 16.5 MAX:
54.1 TOTAAL: 1722.7
DAG 19
Ik word
een paar keer wakker van de warmte. Later in de nacht werd het kouder en werd ik
dáár wakker van. In plaats van bovenop, ging ik nu ín de slaapzak. Het is ook
vochtig geworden. Het is weer zeven uur als ik wakker word en uit de tent
kruip. De gewassen kleding is niet helemaal droog geworden. Ik ruim ondertussen
de tent op en maak het welbekende muesli-ontbijt. Oh jee. Gisteravond hebben we
al de melk opgedronken. De muesli is voor mij normaliter al niet om te eten,
maar zonder melk krijg ik het zeker niet weg... Thom rijdt eerst naar het dorp
en haalt daar voor ons twee liter melk. Het was weer ouderwets genieten met de
overheerlijke muesli...
Het is
wat later dan normaal als we van de camping wegrijden. Het is al over 9 uur.
Het is fantastisch mooi weer. Er staat veel tegenwind. Het wordt zeker
doortrappen. Naar Cazoubon is het maar tien kilometer. Het is warm en we gaan
weer op pad. Via Estang rijden we naar La Houga. Veel korte, maar pittige
klimmetjes. Bij een meer drinken en eten we wat. Het is een mooi uitzicht.
Nog
maar tien kilometer en we zijn in Aire-sur-L'Adour. Daar willen we de inkopen
voor vandaag doen. Om te voorkomen dat we weer precies om 12 uur voor een
gesloten winkel staan, zoeken we nu bijtijds de Intermarché. We hebben nog
tijd. Een half uur. De wegwijzers staan goed aangegeven. Nog maar 5 minuten...
Waarschijnlijk (en eigenlijk zeker!) wordt hiermee de auto-minuten bedoeld. Het
is flink op de pedalen staan. Doorrijden, want anders hebben we niets te eten!
De vijf autominuten duren op de fiets véél langer dan je denkt. Weer een
heuvel. En nog één, maar we redden het. Precies om vijf voor halféén komen we
hijgend de winkel binnen. Even snel boodschappen doen. De omroep-installatie
waarschuwt de klanten dat ze gaan sluiten. Toch willen we precies dat kopen wat
we écht nodig hebben. Opnieuw de omroep installatie. Ze sluiten nu écht. Ik
denk dat we alles hebben. Thom ook. Brood, kaas, melk. Als laatste klanten
rekenen we bij de kassa af.. Direct na ons wordt het pand afgesloten.
Met al
60 kilometer op de teller rijden we verder, de stad uit. Vlak voordat we de
stad uitrijden komen we een bord tegen, hoeveel kilometer het nog naar Santiago
de Compostela is: nog maar 945 kilometer! Het valt me niet eens tegen! Thom zet
zijn camera op de grond en maakt met de zelfontspanner een foto. Dat lukt niet.
Nog een foto.
Die 945
kilometer valt me hartstikke mee! In mijn gedachten had ik tussen de 1100 en
1200 kilometer gerekend. Als het nog maar 945 kilometer is, hebben we daar nog
globaal ongeveer tien dagen voor nodig..… Het is een pak van het hart. Onbewust
heb ik me nog steeds zorgen gemaakt of we het binnen de afgesproken termijn wel
zullen halen. Maar nu valt het me best mee. Niet dat ik het nu zal
onderschatten, maar het geeft me een beetje zekerheid over de nog af te leggen
afstand.... We rijden door.
Nog
vóór de grote klim, net buiten Aire, gaan we nog even eten. Het vaste ritueel.
Brood, kaas, soep, melk. Ik voel me wat minder gespannen. Na een uur gaan we
weer op pad. Lange, steile hellingen, Thom is weer ver vooruit. Ik laat hem
lekker gaan en rijd mijn eigen tempo. Het waait nog steeds heel fel. Puur op
kop. Ik rijd op de vlakke weg niet sneller dan zo'n zestien kilometer per uur.
De D2 volgen we tot aan Geaune.
In het
gemeentehuis halen we een stempel voor onze geloofsbrief. Voordat we verder
gaan, vullen we meteen de bidons. Er staan al 75 kilometer op de teller. Nog
maar tien kilometer tot aan Hagetmau. Daar is volgens de kaart de camping. Rond
een uur of vijf rijden we de stad binnen.
Nergens
een spoor van een camping te vinden. De VVV is in het centrum van de stad. Een
vriendelijke mevrouw vertelt Thom dat we tenminste 10 kilometer verder moeten
rijden naar Monsequr. Daar is de dichtstbijzijnde camping. Volgens de kaart is
het 10 kilometer omrijden. Het is ook een behoorlijk stuk van onze route af! We
gaan rekenen. Het makkelijkst is om door te rijden naar Orthez. Maar dat is nog
een dikke 25 kilometer verder op de route. De dagteller staat al op 87
kilometer en ik ben het een beetje zat voor vandaag. De keuze is of om- of
doorrijden. Dan maar doorrijden.
We
rijden langs een auberge. Gesloten. Doorrijden. Net als Thom baal ik enorm.
Maar we hebben geen alternatief. We nemen de klim de stad uit en komen
(toevallig) langs een gite-de-France. Thom gaat informeren. De prijs voor een
kamer is 250 FF voor twee personen. Het heeft geen zin om door te rijden, dus
de keuze is snel gemaakt: we overnachten in de gite. Als we door zouden rijden,
bestaat de kans dat we er mogelijk kapot aan zullen komen. Het is een zeer
sobere en eenvoudige overnachtingsplaats. In de ene kamer is er een
tweepersoons bed, in het aanliggende kamertje een eenpersoonsbed. Vanwege de
bekende redenen van het nachtelijk geronk, besluit Thom in het
eenpersoonskamertje te gaan slapen. Onze slaapplaatsen zijn snel ingericht.
Omdat
we onvoldoende eten bij ons hebben, rijdt Thom eerst nog naar de
dichtstbijzijnde Intermarché en haalt daar wat melk en muesli. Na een
kwartiertje is hij weer terug. Even douchen. Het is gewoon lekker om even
languit op bed te liggen. Boven het bed is een TV met satelliet-verbinding en
samen kijken we naar het wereldnieuws. De fietsen kunnen in de kleine
werkplaats gestald worden.
Het is
al kwart voor zeven. Ik heb inmiddels al gedoucht en zit op het terrasje mijn
dagboek bij te werken. Ik drink een biertje. Thom sluit even later aan. We
besluiten om ook hier vanavond maar te gaan eten. Het is zeker niet overdadig.
Gewoon.
Met een
beetje mazzel halen we morgen St Jean Pied de Port. Dat is volgens de kaart nog
wel een 100 kilometer. Vanuit de hotelkamer bel ik rond half acht naar huis. Ik
krijg Peter aan de lijn. Hij is vandaag op schoolreisje geweest. Naar de
Efteling. Hij is erg enthousiast over zijn ervaringen. 'Waar ben je, pap?'. Ik
noem de plaats, maar in gedachten ben ik bij hem.
En bij
thuis.
DAG: 90.1 TIJD:
5.23 GEMIDDELD: 16.6 MAX:
51.8 TOTAAL: 1812.8
DAG 20
Ik
slaap uitstekend in het tweepersoonsbed. Af en toe word ik wakker van het
voorbijrazende verkeer, want we slapen immers aan de doorgaande weg. Op precies
zeven uur ben ik weer wakker. Ik was me en kleed me aan. Door het geopende raam
hoor ik dat het geluid van het voorbijrijdende verkeer anders klinkt. Ik doe de
ramen verder open en zie dat de weg nat is. Het regent niet, want de voorbij
rijdende auto's gebruiken de ruitenwissers niet. In het hotel drinken we nog
even een kop koffie. We besluiten om er niet te ontbijten, want aan een
petit-dejeuner hebben wij toch niet genoeg. Bij de hotelier rekenen we af.
Inclusief diner en overnachting 570 FF.
Het is
weer half negen als we in het zadel klimmen. Even buiten het dorp stoppen we en
maken de muesli eetbaar. Het krachtvoer krijg ik, zoals gebruikelijk, maar
moeilijk weg. Het begint een beetje te motregenen.
Al na
een paar kilometer krijgen we een klim van 10% te nemen. Het gaat langzaam,
maar ik kom goed boven. Thom staat boven op me te wachten en maakt een foto van
me als ik bijna boven ben. Thom heeft vandaag kennelijk zin om veel alleen te
rijden. Hij rijdt steeds verder vooruit en op een gegeven moment zie ik hem ook
niet meer. Nou ja, de weg is recht en lang. Eigenlijk kunnen we mekaar niet
misrijden. Het weer houdt zich redelijk. Het motregent niet meer, maar het is
nog wel erg dreigend. Een uur later (en 25 km op de teller) kom ik in Orthez.
De
wegbewijzering is tweeledig: één voor vrachtverkeer en een paar honderd meter
verderop voor gewoon verkeer. Thom is nergens te zien. Ik rijd een paar honderd
meter beide afslagen in, maar zie Thom niet. Ik rijd weer terug en neem de
eerste afslag, die van het vrachtverkeer. Ik rijd veel kilometers in Orthez.
Thom is nergens te vinden. Mijn humeur zakt tot ver onder het nulpunt. Links,
rechts, weer terug, naar het centrum, een marktplein, weer terug. Ik rijd me
een slag in de rondte en vind Thom niet. Uiteindelijk vind ik Thom. Ik ben boos
op hem. Achteraf gezien was de locatie heel logisch waar hij stond, want hij
stond bij een kruising richting Salles-de-Bean. Nou ja, gelukkig hebben we
mekaar weer gevonden.
In een
winkeltje kopen we nog even wat te eten. Brood en chocolade. De chocolade eten
we meteen op. Mijn slechte humeur is snel voorbij. De acht kilometer naar
Baigts-de-Bean is puur naar het westen. De sterke wind en de opkomende regen
hebben we recht in het gezicht.
We
rijden nog niet in de poncho, maar zou het wel moeten. Na acht kilometer moeten
we naar links, richting Salles-de-Bean. Voor het eerst een bordje ESPAGNE. Na
een paar kilometer stoppen we in een wegrestaurant. Het is binnen lekker warm.
Buiten is er een druilerige regen.
Onder
het genot van een kop koffie hopen we op beter weer.
Na een
half uurtje gaan we weer verder. Sauveterre-de-Bearn is na een uurtje bereikt.
Het is al één uur en we hebben 53 km op de teller. Het wordt weer klimmen naar
St Palais. Het wordt inmiddels wel wat beter weer. Het is toch wel kil en vochtig.
De klimmen zijn lang, maar niet echt steil. Behalve het laatste stukje naar St
Palais. Boven aan de top maken we wat te eten en drinken. Soep en koffie uit
hetzelfde bekertje. Na een klein halfuurtje gaan we weer op pad.
We
vinden een Intermarché en kopen weer de gebruikelijk spulletjes. In het centrum
van het stadje maken we wat foto's. We rijden gewoon rechtdoor, over de brede
weg. Opnieuw gaan we de klim in. Thom
rijdt voorop. Ik ben hem snel uit het zicht. De klim is lang en redelijk steil.
Ik kijk op mijn tellertje en zie dat we al ruim drie kilometer geklommen
hebben. Ik kijk omhoog om te zien hoever we nog moeten. Thom komt de berg naar
beneden rijden! Hij wuift met zijn hand dat we terug moeten! Als hij dichterbij
gekomen is, legt hij het uit: we rijden nu op de D11 weer naar het noordwesten.
We moeten terug naar het zuidwesten, de D933!
De
afdaling naar het centrum van het dorp is snel gemaakt. Op een kruising in het
centrum blijkt, dat we gewoon niet opgelet hebben. Er staat echt duidelijk een
wegwijzer St Jean Pied de Port. De nog resterende 35 kilometer gaan
aanvankelijk nog wat heuvelachtig. Opnieuw krijgen we een klim van 10% te
nemen. Een klim van een kilometer of drie lang. Het gaat nog steeds goed met
mijn benen. Even stoppen we om het laatste eten wat we nog hebben op te maken.
Ook eten we een sinaasappel voordat we weer op pad gaan. Thom rijdt weer
voorop. Ik in mijn eigen tempo er achteraan.
In de
bocht bij het dorp Ainhice zie ik Thom staan. Hij wenkt. Als ik bij hem kom
zegt hij dat hij nog even wat wil eten, voordat we de klim richting St Jean
Pied de Port gaan. Hij wijst op een bord, dat aangeeft dat er sandwiches te
koop zijn. Het is nog maar acht kilometer tot aan ons einddoel. Ook ik heb
vanwege het vele klimmen honger gekregen.
We
rijden de enige smalle dorpsstraat in en komen bij een soort herbergje en gaan
er naar binnen. Het is er oud, erg oud. Er zitten twee mannen aan een tafel en
wij schuiven bij een tafel aan. Het is er donker binnen. Een oud vrouwtje
vraagt wat wij willen hebben. Een sandwich lijkt ons wel lekker. Ze vraagt wat
we er op willen hebben en demonstreert een drietal soorten paté (die zaten
overigens in blik). Dus kiezen we maar wat. Ze praat honderduit tegen ons en
ook de beide mannen doen mee. Het gaat allemaal te snel voor mij. Ik kan het
gesprek niet volgen. Thom vertaalt af en toe wat.
De
beide mannen zijn Baskische Fransen en vragen over onze tocht. Hoe we rijden,
waar we de grens overgaan, enzovoort. Ondertussen wordt voor onze neus de
sandwich gemaakt. Het is een rond, bol brood, ongeveer 20 cm in doorsnee en 10
cm hoog. In de lengterichting wordt het doorgesneden en daarna in de breedte.
Een blik paté wordt opengemaakt en in zijn geheel op de homp brood gesmeerd.
Thom bestelt voor ons beiden ook een glas koude melk. De aangeboden suiker hoef
ik niet in de melk. Thom ook niet. Het brood is droog, maar de paté smaakt
prima. Ondertussen wordt er wat afgekletst. Af en toe lach ik maar wat mee. Ik
heb geen idee waar ze het over hebben. Ik weet wel dat de Fransman Thom
probeert uit te leggen, dat we via Arneguy gaan. Arneguy is de grensplaats, het
eerste Spaanse dorp voor de Pyreneeën. Met handen en voeten wordt de
conversatie voortgezet, maar na ruim drie kwartier moeten we toch afscheid
nemen.
Het is inmiddels
al vijf uur en we vertrekken als we nog maar acht kilometer hoeven te rijden.
Die laatste kilometers blijken gigantisch mee te vallen. Daar waar wij
verwachtten te moeten klimmen, blijkt het nagenoeg uitsluitend afdalen! Nog
voor half zes rijden we St Jean Pied de Port binnen. In de Intermarché doen we
eerst nog wat inkopen en stouwen die in de fietstassen. Op zoek naar de
camping. De eerste camping die we tegen komen, ligt aan een rangeerterrein van
treinen.
We
rijden er naar toe, maar de keuze is snel gemaakt. Hier moeten we niet zijn.
Alles staat heel dicht op elkaar en het zijn uitsluitend woonwagens. Nee, dan
maar verder rijden. Door de bocht naar rechts en dan moeten we nog even wat
klimmen, voordat we in het oude stadsgedeelte uitkomen.
Bij de
stadwal staat in een bloemenperk de Baskische naam voor de stad: DONOBANE
GARAZI. Naar links rijden we door de poort de oude stadmuren binnen. Er is een
heel kleine municipal. Het heeft ongeveer 60 plaatsen en er is plaats genoeg.
Het terrein is overal erg schuin en we zoeken de meest geschikte plaats.
Noodgedwongen zetten we de tenten redelijk dicht bij elkaar. Hierna gaan we
douchen in een wel wat primitief douchehok.
Op de
camping zijn ook wat Santiago-gangers. Er is een Nederlands echtpaar. De vrouw
heeft gips om haar been. Ze vertelt dat zij zes dagen geleden vanuit Hendaye
vertrokken waren en te voet onderweg waren naar Santiago. In de Pyreneeën is ze
uitgegleden en heeft haar enkel gebroken. Ze wil niet naar huis. Ze wacht op de
camping, totdat het gips er af mag. Dan willen zij de reis voortzetten. Zowel
Thom als ik proberen haar van dit toch zeer naïeve idee af te brengen. Al snel
blijkt, dat dit kansloos is. We laten haar maar in de waan.
Een
stukje verderop staat een wat ouder Amerikaans echtpaar. Ook met hen hebben we
kort contact. Zij zijn vanaf Le Puy onderweg naar Santiago. Zij zijn ook
vandaag aangekomen en hebben, net als wij, morgen een rustdag. Het contact is
heel kort. Thom en ik gaan niet meer uit eten of nog wat te eten maken. De dikke
sandwich van daarstraks was voldoende. Rond 20.00 uur bel ik vanaf de camping
nog even naar Hannie. Ik vertel waar we zijn en dat we morgen een rustdag
nemen. Zodoende denk ik dat ik in ieder geval wat beter over de Pyreneeën kan
komen.
We
lopen nog wat rond in het schilderachtige, maar zeer toeristisch ingesteld
dorpje. Terug bij de tent maken Thom en ik de fles wijn nog even soldaat. Het
is inmiddels al 22.00 uur en ik ga naar mijn slaapmatje.
Ik ben
moe en val snel in slaap.
DAG: 103.0 TIJD:
6.01 GEMIDDELD: 17.0 MAX:
55.5 TOTAAL: 1915.8
DAG 21
Wat heb
ik slecht geslapen vannacht! Het terrein van de camping is zó schuin, dat ik
constant onder in de tent glijd. Een paar keer kruip ik weer omhoog, maar het
onbegonnen werk. Het is rond half negen dat ik uit de tent kruip. Het is
rustdag, wat het synoniem is voor wasdag. Het is mooi, droog weer, dus om negen
uur hangen de kleren al aan de lijn om te drogen. Net als vorige week tijdens
de rustdag doen we ook rustig. We nemen het er van.
In het
dorp koopt Thom bij een alternatieve uurwerkwinkel een Jacobsschelp van koper.
Hiermee kun je door middel van een zonnewijzer de tijd aflezen. Ik zoek iets
anders. Achteraf gezien heb ik er spijt van, dat ik ook niet een dergelijk
souvenir gekocht heb....
Terug
op de camping spreken we met wat andere Nederlandse campinggasten. We worden
opnieuw geattendeerd op de fietser uit Purmerend. Hij zou hier een paar dagen
geleden aangekomen zijn en inmiddels al weer vertrokken. De ‘beul uit Purmerend’
is dus al weer weg…..
Ik werk
het dagboek bij. Morgen belooft een pittige dag te worden! Op de kaart neem ik
met Thom de route door. Met een beetje geluk komen we morgen in de buurt van
Pamplona. Ik zie wel. Met mijn benen gaat het redelijk goed. Als het droog weer
blijft, zie ik er niet zo tegenop.
Vanwege
het nachtelijk schuiven in de tent, verplaats ik de tent een meter of wat naar
een iets horizontaler gedeelte van het terrein. Onze tenten komen daardoor wat
verder uit elkaar te staan. Ik denk dat de tent nu ook wat vlakker staat.
Achteraf blijkt het een 'gouden greep' te zijn. De campingbeheerder had op de
camping bordjes geplaatst met het opschrift 'gereserveerd', maar daar hadden
wij geen aandacht aan besteed. In de namiddag komen we weer op de camping
terug. Alle kampeer plaatsen zijn bezet. Nou, bezet.... De camping is werkelijk
overspoeld met motorhomes van de Nederlandse Caravan Club! Onze Duitse buurman
is helemaal de pineut. Op het plekje van zijn eigen motorhome had hij op 'zijn
plekje' een tafel staan voor zijn groepje fietsers. Met nadruk hád, want tijdens zijn afwezigheid
was zijn kampeerplaats door twee Nederlandse motorhomes bezet. De Nederlanders
hadden netjes zijn tafel ingeklapt en aan de kant gezet.
Het is
een lawaai van jewelste. Overal staan die motorhomes, en zeker niet de
kleinste! Er zitten complete vrachtauto's tussen! En gezellig! Het lijkt wel of
het complete Spijkerkwartier uitgelopen is. Het Haagse en Rotterdamse dialect
is niet van de lucht. En maar schreeuwen naar mekaar, vooral wie de leukste is.
Gelukkig wordt het rond 20.00 uur wat stiller. De dames en heren gaan in de
zondagse kleren het dorp in: ook alles georganiseerd.
Ik bel
nog even naar huis en krijg Hannie aan de lijn. Ze wenst ons sterkte voor de
zware dag van morgen. Wij worden door onze 'gewone' Nederlandse buren
uitgenodigd voor een kopje koffie. We praten ook even wat met onze Amerikaanse
fietsvrienden. De Nederlandse vrouw met haar gebroken been heeft inmiddels via
de verzekering de beschikking gekregen over een rolstoel.
De dag
is snel voorbijgegaan. Om half elf gaan we plat. Ik hoor de mensen van de
Caravan Club weer op de camping komen, maar de herrie valt gelukkig mee.
Ik val
snel in slaap.
DAG 22
Ik word
weer om 7 uur wakker. Als ik de tent uit kom, zie ik dat Thom ook al bezig om
zijn spullen in te pakken. Onze Amerikaanse fietsvrienden zijn al klaar voor de
reis. Jemig, wat hebben die een spullen bij zich. Vier uitermate volle tassen.
We nemen afscheid van elkaar en wensen ze een goede reis. Misschien komen we
elkaar nog wel tegen!
Het is
kwart over acht als we de camping af rijden. Door een paar Nederlandse
campinggasten worden we uitgezwaaid. Door het centrum van de stad gaan we
linksaf en kopen bij de bakkerij nog wat broodjes voor onderweg. We rijden
door, maar na een paar kilometer komen we er achter dat we verkeerd rijden. Het
betekent weer terugrijden en komen terug op de route. Meteen gaat het bergop.
Nog niet zo steil, maar het is wel heuvelachtig. Thom neemt al afscheid van me.
We zien mekaar weer bij de grens.
Na
negen kilometer bereik ik de grens. Thom staat op me te wachten. Samen spreken
we af waar we mekaar weer ontmoeten. Boven aan de top. Ieder rijdt in zijn
eigen tempo omhoog. Fout rijden gaat niet meer, het is nu gewoon de pas over
rijden. We beginnen aan de klim….
Na een
paar kilometer, vlak na de grens, is in een bocht van de weg een totale
wegblokkade. De Spaanse POLICIA staat met de karabijn in de aanslag. Een auto
die mij zojuist inhaalt, moet aan de kant. Ik mag om de blokkade doorrijden,
gebaart de politieman. Ik had dit tafereel niet verwacht en ben er toch wel een
beetje van geschrokken.
De klim
is gestaag. Ik trap vrij gemakkelijk en kan de kilometerteller rond de 7, 8
kilometer per uur houden. Het eerste dorp dat ik tegenkom, Valcaros, is het
steilst. Ik schat het zeker op meer dan 10%. Maar ik kan in het zadel blijven
en doortrappen. De natuur is hier werkelijk fantastisch. Op de weg staan de
namen van bekende wielrenners. Kennelijk is hier een tijdje geleden een etappe
van de Tour de France geweest. Af en toe stop ik om een foto te maken. Ik kom
ook een kudde schapen tegen.
Het is
warm en ik drink veel. Er is geen moment dat het klimmen ophoudt. Constant
doortrappen. Het is doodstil. Na ruim twee uur klimmen en 25 kilometer op de
teller kom ik in een haarspeldbocht onze Amerikaanse vrienden tegen. Ik stop
bij hen en krijg een halve sinaasappel te eten. Heel even praten we nog wat.
Thom is hen al geruime tijd geleden voorbijgereden. We gaan gezamenlijk weer op
pad. Ik rijd snel bij hen weg. Het fietsen gaat me nog heel goed af. Op
kilometerstand 32 kom ik aan de top, de Puerto Ibaneta op 1057 meter hoogte.
Aan de top zie ik Thom aan de kant van de weg zitten. Als hij mij aan ziet
komen, springt hij overeind en maakt een foto van mij. Hij is al drie kwartier
(!) boven, zegt hij.
Ondanks
dat we redelijk tussen de bomen staan, waait het behoorlijk. Het is er redelijk
koud, als je zo stil staat. Wellicht omdat ik bezweet ben. Wat zal Thom het dan
koud hebben gehad. Aan de top is een klein kerkje. Er staan wat toeristen. Ik
drink nog wat water uit mijn bidon en we gaan maar weer snel op pad. De
afdaling begint. We rijden achter twee auto's, die voor ons een beetje de weg
ophouden. Het gaat toch wel snel, zo'n 55 kilometer per uur.
Na een
paar kilometer komen we in Roncevalles. Het eerste bedevaartsoord in Spanje.
Het is er gigantisch druk. Vele personenbussen en wel honderden auto's staan
aan de kant van de weg. Er staan ook mannen met rode baretten en in
donkerblauwe kleding. Het lijkt op een soort ordedienst, maar ze dragen ook een
vuurwapen. Het is het uniform van de Baskische politie.
We zetten de fiets op slot en zoeken tussen de vele toeristen een plekje om wat
te gaan drinken. Het is kansloos. Je komt niet eens het restaurant binnen, zo
druk is het. We lopen om en gaan naar
het kerkgebouw. Er komen op dat moment veel mensen naar buiten. Zowel oudere
als jonge mensen dragen een groot, zwart kruis. Het lijkt wel, of daar zojuist een
processie heeft plaatsgevonden. We gaan een soort pastorie binnen en willen
graag een stempel voor onze geloofsbrief. Er ligt een grote herdershond op de
grond. Net als de man die ons de stempel zou moeten geven, kijkt hij ons niet
aan. Uiteindelijk worden we 'toegelaten'. In een boek schrijft de man onze
namen op en de reden waarom wij onderweg zijn naar Santiago. Als laatste
krijgen we de felbegeerde stempel in de geloofsbrief.
We
wachten niet langer. Het is hartstikke druk in het dorp. Snel gaan we weer op
pad. De afdaling is niet zo erg lang. Het waait behoorlijk hard, maar het is
niet koud. Na een paar kilometer stoppen we aan de kant van de weg bij een
soort picknickplaatsje. We drinken de soep, gevolgd door wat brood en koffie.
De natuur ziet er hier meteen heel anders uit. Was Frankrijk nog groen en
boomrijk, hier zijn er veel meer bossages. Het ziet er wat 'dor' uit. Ook hier
moeten we toch weer klimmen. Het is rond het middaguur en we zien mensen de
picknickplaatsen gebruiken. Er wordt zelfs op deze plaats gebarbecued.
In het
plaatsje Erro stoppen we bij een cafe/restaurant. Buiten wordt er niet
geserveerd, dus gaan we naar binnen. Daar bestellen we met het woordenboek in
de hand wat te eten. We bestellen salade, een steak en een fles wijn (vino
Tinto). Als het geserveerd wordt, blijkt dat de Spaanse keuken er toch wel wat
anders uitziet dan de Franse. Niet dat het minder smaakt, maar het is allemaal
rechttoe, rechtaan. Het café raakt voller met mensen, die er even wat komen
drinken. Ouders met hun kinderen; alle leeftijden zijn vertegenwoordigd. Ik
vraag om de rekening, want ik ben de enige van ons tweeën die Spaans geld bij
zich heeft. Het kost 2300 Peseta’s. Ik heb echt geen idee hoeveel geld dat is,
maar geef de man een royale fooi van 200 Peseta’s. Achteraf gezien heb ik heb
hem nog geen 2,50 gegeven...
We
hebben er ruim drie kwartier gezeten. Weer buiten gekomen, voelde ik de hitte
en de zon op mijn huid branden. Meteen werd het weer klimmen. De wijn is
gelukkig niet in de benen gaan zitten. In een bocht staat Thom op me te
wachten. Hij blijkt bij onze Amerikaanse vrienden te staan. We begroeten
elkaar. Thom zegt hem als grapje, dat hij tijdens de beklimming in de Pyreneeën
zijn naam op de weg heeft zien staan. (Hiermee duidt hij op de namen van de
Tour de France-wielrenners). De Amerikaan reageert even snel en antwoordt
laconiek: ’Don’t call me miguel’, doelend op Tour de France-winnaar
Miguel Indurain. ‘Don’t call me miguel’ wordt
een uitspraak, die we nog vele keren onderling gebruiken.
We
blijven even van het uitzicht genieten. Hierna rijden we met z’n vieren wel
afzonderlijk, maar op afstand in tweetallen gezamenlijk op in de richting van
Pamplona. Er zijn nu meer heuvels en ik hoef met meer zo zwaar te klimmen. De
beide Amerikanen trappen best door. In de weinige klimmetjes halen we ze
makkelijk in, maar op de vlakke gedeeltes houden ze er goed het tempo in. Tegen
een uur of drie komen we met z’n vieren gezamenlijk in Pamplona aan.
Op zoek
naar de camping en naar een bank om wat Spaans geld in te slaan. We vinden de
bank en Thom en ik halen 5000 Peseta’s. In Pamplona wordt gebouwd en we zijn
heel snel van de route. We moeten in ieder geval richting Puente la Reina. Dit
houden we aan. Op een gegeven moment worden we zelfs door de politie begeleid.
Als zij denken dat we weer op de route zijn, geeft de chauffeur een gebaar van
'rechtdoor' en gaan zij een andere richting op.
We gaan in zuidoostelijke richting en vragen omstanders naar de camping. Ze
kunnen ons niet helpen: er blijkt in Pamplona geen camping te zijn. Net als
onze Amerikanen, overleggen we wat we gaan doen. Er blijkt wel een camping te
zijn, maar die is 17 kilometer terug. We kunnen ook doorrijden naar Puente La
Reina, zo'n 35 kilometer verderop. Wij kiezen voor het laatste. De Amerikanen
niet: zij gaan terug. Het afscheid is kort, maar hartelijk.
Wij
gaan door en zoeken het plaatsje Cizor Menor, dan zitten we weer op de route.
Het plaatsje wordt door ons niet gevonden. Uiteindelijk komen we wel op de
route, maar dat blijkt pas als wij al bij Paternián zaten. Het is een
alternatieve beschreven route naar Puente la Reina. De andere route gaat eerst
zuidelijk en dan naar het westen.
Onze
route is niet makkelijk. Het is constant klimmen. Dacht ik dat de Pyreneeën
zwaar zouden zijn: dit is het in ieder geval wél! We rijden door naar
Belascoáin. In het dorp stoppen we eventjes.
Het is een klein gehucht. Op het plein zijn vele mensen bijeen. De
kinderen spelen er en schenken geen aandacht aan ons. Onder de bomen is het
schaduwrijk en het scheelt in de temperatuur. Heel even blijven we er zitten.
Na een
korte rust gaan we weer verder. Na een lange klim is er ook een afdaling. De
weg is erg bochtig. Het uitzicht naar het dal is er mooi. We komen over het
riviertje Rio Arga. Thom maakt een foto van me als ik over de oude brug rijd.
Langs de rivier is het een mooie weg. Niet druk en licht glooiend. Tijdens het
rijden praten we veel met elkaar. Het is echt genieten, om zo over deze weg te
rijden.
In de
verte zien we een dorp. Ons einddoel, dachten we. Na een uur bereiken we de
top, maar het dorp is niet Puente la Reina. We moeten nog wat doorrijden en na
een klim kunnen we afdalen. In de verte zie ik al de eeuwenoude brug, die ik
herken van de foto's.
Tegen
half zeven rijden we over deze brug Puente la Reina binnen. Het is er
gigantisch druk: er is wat aan de hand? Met de fiets aan de hand lopen we het
stadje binnen. Het blijkt dat er midden op de smalle weg een groot stalen hek
geplaatst is. Door de straten van het oude dorp lopen stieren los! Vooral jonge
kerels tonen hun moed, door vlak voor de stieren uit te hollen. In portiekjes
schuilen zij, als de stieren té dichtbij komen. Ook hangen de uitdagers aan de
balkons.
De
stieren hebben geen kans om hun belagers te pakken te krijgen. Als een beest
stilstaat, krijgt hij van zijn uitdagers met een stok op de kop: hij moet in
beweging blijven. Thom maakt wat foto's van dit schouwspel. Een kwartiertje
blijven we er staan kijken, dan hebben wij (als nuchtere Hollanders?) het wel
gezien.
Fietsend
rijden we om de dorpskern heen, want het centrum is in zijn geheel afgezet. Als
vanzelfsprekend rijden we door de hoofdstraat. Het is overal erg druk. Als
eerste zoeken we een terrasje. Ondanks het late uur, is het er warm. Het
biertje smaakt heel erg lekker en we gaan daarna op zoek naar een slaapplaats.
De camping is 5 kilometer verderop. Thom wil
niet naar de camping. Een refugio is het alternatief.
We
zoeken en vinden de refugio, een overnachtingsplaats voor doorreizende
pelgrims. Bij de kerk melden we ons. Het duurt even, voordat er opengedaan
wordt. Een jonge monnik schrijft ons in. De kosten zijn beperkt: 300 Peseta’s
per persoon. We betalen en hij loopt met ons mee naar de aangrenzende refugio.
Het is er druk met pelgrims. Uitsluitend wandelaars. Fietsers zijn er niet.
Terwijl
de monnik ons uitlegt waar de douches zijn, vertelt hij in zeer gebrekkig
Engels, dat Puente La Reina twee
refugio's kent, maar dat de andere momenteel gesloten is. Deze refugio is
overvol. De slaapzalen beneden zijn allemaal bezet. In de overige lokalen
bestaat de slaapgelegenheid uit een los matras. In de zalen liggen de matrassen
op de grond en nagenoeg tegen elkaar. De matrassen waar een rugzak of handdoek
ligt, zijn al bezet. Het ruikt niet fris. Zonder het uit te spreken, komt het
niet in me op om hier te vertrekken. Als pelgrim moet je alles meemaken, dus
ook dít.
We
pakken ieder een matras van de hoge stapel en leggen die op de grond. Ik leg de
fietstassen er naast en ga me douchen. Het is te doen. Het enige wat schoon
lijkt, is het water. Het is in de hele refugio erg druk met pelgrims. Ondanks
dat we elkaar gedag zeggen, komt het niet tot een echte conversatie met
anderen. Als ik weer op de 'kamer' terugkom, overleggen Thom en ik met elkaar.
Het lijkt wel een cel, waar we in moeten slapen. Ik voel me er niet erg happy
mee. Thom komt op het idee om te kijken of er nog meer ruimten in de
refugio zijn, dan de aangewezen
slaapplaats van nu. In een aanliggende zaal is niemand. Het is een soort
leslokaal, maar dan héél oud. Er staan wat lange tafels en banken. Lang overleg
is niet noodzakelijk: we 'kraken' deze ruimte. Heel sneaky verruilen we van
zaal. De slaapmatjes leggen we neer en ruimen onze nieuwe slaapplaats in. Snel
en vooral: stil. Tegen de avond gaan we naar het dorp. Het is er erg lawaaierig
en smoordruk. In de dorpsstraat staan de auto's in file stil. Een terrasje is
snel gevonden en we gaan een biertje drinken. Al die tijd staat een politieman
het verkeer te regelen.
Ik bel
even naar huis. Er staan vier telefooncellen. Collect call telefoneren vanuit
de cel lukt niet. Ik werp een muntstuk van 500 Peseta’s in de gleuf en bel ons
nummer. Het enige wat ik hoor is: KLIK. Vervolgens hoor ik, zonder verbinding
te krijgen, mijn muntstuk in de geldbak van het telefoonapparaat vallen. Weg
geld. Toch wil ik doorgeven dat we over de Pyreneeën gekomen zijn. Na een paar
nieuwe pogingen krijg ik uiteindelijk toch verbinding.
Peter
vertelt over zijn nieuwe hengel. Rob is korter: hij wil alleen maar weten hoe
het gaat. Met Hannie spreek ik af, dat ik pas donderdag zal bellen. Zij moet
drie dagen op cursus en de kinderen gaan uit logeren. Terug op het terras is
het nog een drukte van belang. We drinken nog één biertje en gaan om half elf
terug naar de refugio. Stil sluipen we naar binnen.
Ik
kruip snel in mijn slaapzak.
DAG: 116.5 TIJD:
7.35 GEMIDDELD: 15.6 MAX:
66.2 TOTAAL: 2032.3
DAG 23
Wat een
verschrikkelijke nacht! Telkens schrik ik wakker. Elke keer denk ik, dat er iemand
'onze' zaal binnenkomt en ons zal vertellen dat we onmiddellijk moeten
vertrekken... Het gebeurt niet, maar echt lekker heb ik niet geslapen. Iedere
keer als Thom zich maar een beetje bewoog, was ik wakker. Ik hoor de eerste
wandelaar al om half zes door het gebouw lopen. Ik sta rond zes uur op. Bij de
douches en de toiletten is het een drukte van belang. Ik kom er nauwelijks bij.
Iedereen is even aardig tegen elkaar, maar tjonge... wat is alles smerig!
Thom
slaapt wat langer uit dan ik, maar tegen acht uur zijn we al klaar. Veel vroeger dan ons 'normaal'
patroon. We hebben nog niets gegeten, maar we zien wel. We halen wel iets in
het dorp en rijden een beetje rond. Maar hoe het mogelijk is: er is geen bakker
te vinden! Ook de winkels zijn nog dicht. Voor ons fotoboek maken we nog wat
foto's van de historische brug.
Volgens
onze beschrijving is in Maneru wel iets te koop. Het is maar 3,5 kilometer
rijden. Letterlijk en figuurlijk gaan we nuchter op pad. Net buiten het dorp
gaan we bijna verkeerd. Uiteindelijk blijkt, dat we de een stukje over de oude
Camino moeten rijden en we krijgen meteen een klim van 7% over twee en een
halve kilometer voor de kiezen. In het dorp Maneru blijkt helemaal geen winkel
te zijn. Nog een stukje rijden we door en zoeken een plekje waar we een
noodrantsoentje kunnen eten.
Na vijf
kilometer vinden een mooi stekje. Daar slaan we ons laatste tweepersoons
muesli-noodrantsoen aan. In ieder geval hebben we dan wat binnen. Tijdens ons
eten lopen wat groepjes Santiago-wandelaars voorbij. We groeten elkaar. Naar
Estella is het nog tien kilometer. Na een paar kilometer rijden hoor ik Thom achter me roepen: hij heeft een
lekke band. In de voorband zit een doorn, kennelijk opgelopen bij onze ontbijtplaatsje.
Thom verwisselt de hele binnenband en na een oponthoud van een klein
kwartiertje gaan we weer verder.
Opnieuw
krijgen we een klim van 7%. Hier worden we ingehaald door twee wielrenners. Een
man en vrouw rijden al pratend in een rustig tempo samen op. Ze hebben geen
bepakking bij zich. Het blijkt, dat wij hen al in de beklimming in de Pyreneeën
tegengekomen waren. Zij worden bijgestaan door een man in een bestelbusje, die
beide renners verzorgt.
In
Estella gaan we meteen het dorp binnen. Het is een oud stadje. In een
hoekwinkeltje halen we brood, melk, yoghurt en sinaasappelen. We verdelen het
gewicht over beide fietsen en gaan na een kwartier weer verder. We zitten snel op de route richting Logrono.
Hier passeren we brug over de Ega en gaan meteen weer een klim van 7% in. Het
is de eerstkomende tien kilometer vrij glooiend en we moeten vrij veel klimmen.
Het is bloedheet vandaag. We rijden een stuk over de drukke N111. Volgens de
kaart moet er voor Logrono toch nog
behoorlijk wat geklommen worden. We besluiten om ergens in Los Arcos te stoppen
en wat pauze te nemen.
Het
dorp bestaat uitsluitend uit een doorgaande weg. Op een marktpleintje vinden we
een terrasje. Onder een parasol werken we op ons gemak, onder het genot van een
biertje het dagboek bij. In een drogisterij haalt Thom een tube zonnebrandcrème
(factor 15). Het tweede biertje smaakt nog beter. Alles gaat echt rustig aan.
Het is veel te heet om iets te doen, laat staan fietsen. Het is inmiddels al 3
uur geworden, als we weer op de fiets gaan. We zoeken een plekje om te gaan
eten en nog voor de klim naar Sansol doen we dat. Wat brood, soep en een kop
koffie. Ook wat yoghurt.
De klim
is echt pittig, maar het uitzicht is werkelijk geweldig. Het drukke
vrachtverkeer rijdt vlak langs ons. De zware dieselwalm hangt als een deken
over de weg. Het stinkt. De afdaling en het laatste stuk naar Logrono gaat
gemakkelijk. De routebeschrijving loodst ons gemakkelijk door de stad. Op het
plein in het centrum stoppen we voor de kerk. In de twee torens huizen
tientallen ooievaars. Er zijn wel vijf nesten met jonge ooievaars. Ze vliegen
af en aan en met de snavels maken ze een klepperend geluid.
We
blijven er nog even zitten, want we moeten nog maar tien kilometer tot aan
Navarette. Daar is de eerstvolgende camping. Het is al 5 uur en nog steeds 35
graden. De winkels gaan net weer open. In een supermarkt haalt Thom wat
spulletjes voor ons avondeten. Op aanraden van een voorbijganger blijf ik bij
de fietsen. Ons is duidelijk geworden, dat je goed op je spullen moet passen:
er wordt nogal wat gestolen.... We gaan weer verder.
Ik
verlang al naar de camping. Waar we verkeerd gereden zijn weet ik niet, maar we
rijden aan de westkant van Logrono om de stad heen en komen op een rotonde.
Volgens de routebeschrijving rijden we rechtdoor in de richting van Burgos.
Plotseling staan we op een toerit voor een zesbaans autosnelweg! Dat kan niet
goed zijn. Terug. Aan een voorbijganger vragen we de weg naar Navarette. Toch
blijkt onze route de juiste te zijn. Er is geen andere weg, want naar Navarette
is dit de enige mogelijkheid....
Na vier
kilometer is er een afslag en dan kom je er zó. Thom en ik overleggen. Is er
een alternatief? Nee. Dan maar even doortrappen. Het leek wel een
wielrenwedstrijd. Vol op de pedalen, zo dicht mogelijk langs de vangrail. Zo rijden
we over de vluchtstrook totdat we na een kleine vier kilometer een afslag
krijgen. Zo snel mogelijk van de snelweg af! Bij de eerste afslag rijden we
onder de snelweg door en komen bij een soort recreatiegebied. Thom vraagt de
weg. Als we dwars door het recreatiegebied rijden, komen we vanzelf in
Navarette. Het eerste stuk gaat wel over een onverharde weg, maar het is
redelijk te berijden. Ik doe voorzichtig om mijn gebroken bagagedrager niet
extra te belasten. De weg wordt steeds slechter en steiler. Op een gegeven
moment moeten we zelfs lopen, er valt niet meer te rijden. Het is meer een
ATB-route.
We
komen niemand meer tegen om de weg te vragen. Gelukkig komen in een bocht twee
mountainbikers de berg af denderen. Thom geeft een schreeuw om ze de weg te
vragen. De 'achterblijver' hoort het en stopt inderdaad. Hij wijst ons de weg:
gewoon het pad blijven volgen. Inmiddels kunnen we weer voorzichtig fietsen. Op
een gegeven moment loopt ons pad parallel aan de snelweg. We rijden wat om,
even tegen richting in en komen uiteindelijk weer op de normale weg. Mijn
bagagedrager houdt het.
Na wat
zoeken vinden we de borden richting Navarette. Het is (weer) klimmen. De
camping staat al aangegeven, maar het is nog een dikke vier kilometer buiten
het dorp. De camping heeft een Duitse ANWB-erkenning. Niet ten onrechte. Het is
een heel mooie camping, maar er zijn nauwelijks campinggasten. De
campingbeheerder wijst ons een plekje. Achter een haag, een beetje uit de wind.
De grond is keihard en ik krijg nauwelijks de haringen de grond in. De
douchecabines zijn een genot. Mooi, ruim en vooral: schoon. Na het douchen was
ik meteen de kleding en hang het achter de tent te drogen.
De
campingwinkel is er wel, maar is nog niet geopend. De receptionist helpt ons.
Via een achterdeurtje krijgen we vier blikjes koud bier. Het eerste biertje is
zó weg. Samen maken we het eten. Onder
een afdakje van een picknickplaats eten we het op. Na het eten werk ik daar het
dagboek bij. Thom is aan het afwassen. Ik pak mijn fietscomputertje en tel
hoeveel kilometer we nog moeten gaan tot aan Santiago: nog 650 kilometer.
Ik
bespreek het niet met Thom, maar vandaag heb ik voor het eerst het gevoel van
'was ik er maar'. Niet dat ik het fietsen of de vakantie zat ben, maar ik begin
het gezin een beetje te missen. Eigenlijk gek, want we zijn net drie weken weg.
Het is me toch al eerder gebeurd dat ik zo lang van huis ben... Ik vind het een
beetje egoïstisch van me: zoveel mooie natuur en ervaringen, zonder dat ik het
met mijn gezinsleden kan delen.
Ik merk
dat ik moe ben en ga eerder naar de tent dan Thom.
Het is
nog geen 10 uur.
DAG: 86.6 TIJD:
5.49 GEMIDDELD: 14.8 MAX:
55.1 TOTAAL: 2118.9
DAG 24
Midden in
de nacht, rond een uur of twee schik ik wakker. Het stormt. De tent klappert en
de wind giert om de beschermende haag. Het regent niet. Ik val weer snel in
slaap. Om een uur of zes word ik opnieuw wakker: nu van krolse katten. Af en
toe dommel ik weg en ben weer precies om zeven uur op. Ook Thom is wakker
geweest van de storm en de katten. Vooral van de katten heeft hij last gehad.
Over mijn gesnurk hoor ik hem niet. De storm heeft geen zichtbare schade
aangericht. Op onze picknickplaats eet ik wat muesli-krachtvoer. Ik kan er maar
niet aan wennen, maar ik rijd er het beste op. De tenten zijn ingepakt en de
fietsen weer gereed.
Om
kwart over acht zijn we klaar en gaan weer voor de volgende etappe. De angst,
dat het hek van de camping op slot zit, blijkt ongegrond. De eerste vier
kilometer zijn weer retour naar het dorp, om weer op de oorspronkelijke route
te komen. Meteen weer klimmen, langs de drukke N120. Vrachtwagens rijden
opnieuw heel dicht langs ons. Het gaat allemaal goed, maar echt veilig is het niet.
Na een paar kilometer gaan we gelukkig van de snelweg af, richting Hércanos.
Onder de snelweg door komen we in Nájera. We komen over een spoorwegovergang.
Er zijn wel tien treinsporen naast elkaar.
Juist
als Thom het spoor overgaat, gaan de spoorbomen dicht. Ik stop. Het is
verbazingwekkend, hoeveel mensen er toch nog oversteken.. Een trein staat op
het station te wachten, terwijl de bomen nog dicht blijven.... Het duurt vrij
lang, voordat ik ook over ben.
Volgens
ons boekje moet er in Nájera een fietsenwinkel gevestigd zijn. De dop van
Thom's bidon heeft het begeven, dus hij wil een nieuwe. Er blijkt geen
fietsenwinkel in dit dorp gevestigd te zijn. Zo belangrijk is de bidon nog
niet, dus we rijden weer verder.
We
komen weer uit op de drukke N120. De route geeft de fietser wel een
mogelijkheid om (heel even) de N120 te verlaten, maar dan moet er een klim
genomen worden naar Hormilla. We zien er maar van af en blijven gewoon de N120
volgen. Ik rijd al geruime tijd voor Thom uit. Er is ook wat onderlinge
afstand. Na wat klimmen en afdalen kom ik een tankstation tegen. Ik tank voor
50 Peseta’s de tank van de benzinebrander vol. Ondertussen komt Thom
aangereden. Bij het afrekenen kopen we meteen een Mars-reep.
Naar
Santo Domingo de la Calzada is het een lange afdaling. Thom merkt dat er een
bult in de buitenband van zijn voorwiel zit. De binnenband is al zichtbaar,
maar hij zegt nonchalant, dat hij voorlopig nog wel kan doorrijden. In Santo
Domingo de la Calzada gaan we naar de kathedraal. Eerst halen we er in het
aanliggende museum een stempel voor de geloofsbrief. Na enig overleg gaan we
weer terug om ook een bezoek aan het museum te brengen. Er is veel te zien over
de historische route van de Camino. Uiteindelijk komen we ook in het
kerkgedeelte. Er is een hok ín de kerk, waar een kip en een haan gehuisvest
zijn. Dit heeft te maken met een legende. Ook zegt de legende, dat als de haan
drie keer kraait in het bijzijn van de pelgrim, de pelgrim veilig en gezond
Santiago zal halen. Het blijft stil in de kathedraal. Er zijn vele kunststukken
te zien. Ook aangetroffen relikwieën van pelgrims uit vroeger tijden.
Het is
inmiddels al 12 uur. De terrasjes zijn van het straatbeeld verdwenen, dus
rijden we maar door. De routebeschrijving verwijst ons naar Herramélluri. Een
mooie, maar oneindige weg. In de verte
zien we grote rotspartijen, die lijken op canyons. Midden in een weiland slaan
we af en zoeken een plekje om ons middagmaal op te eten. Alle tijd nemen we
ervoor, want: die hebben we. In de wijde omtrek is er geen mens te zien.
Midden
in een oneindig graanveld zitten we ons sinaasappeltje op te eten. Niemand te
zien. Toch komt er nog geen twee minuten later een allwheeldrive auto over de
onverharde weg oprijden! We zijn net
klaar en gaan weer rijden. Het stuk tussen Herramélluri en Belorado is lang,
eenzaam en vooral eentonig. Het is een beetje heuvelachtig, maar er valt weinig
te zien. We willen naar Belerado, ons einddoel voor vandaag. Daar is een
refugio, waar we willen overnachten. De eerstkomende camping is in Burgos, en
dat is nog vijftig kilometer verder. Midden op die oneindige weg staan twee
vrachtauto's en een politieauto. Het leek erop, alsof er een kleine aanrijding
plaatsgevonden had. We gaan er omheen en rijden door.
Na alle
graanvelden en grindafgravingen rijden we al om twee uur Belerado binnen. Een
vroegertje voor vandaag! De refugio is ook snel gevonden. Thom gaat informeren.
Jammer en helaas: de refugio is al vol. Zeker voor ons, fietsers, is er geen
plaats. Voorrang wordt (uiteraard) aan de voetgangers gegeven, maar zelfs dat
gaat niet meer. Alles is vol. Navraag levert op, dat we terechtkunnen in
Villafranca. Dat is zo'n vijftien kilometer verderop. Ach, het is nog vroeg; we
hebben alle tijd.
Rustig
aan rijden we Belerado uit en langs de N120 vinden we een klein wegrestaurant.
Het is inmiddels al vier uur en eten er wat. Het ziet er uit als Boeuf
Bourgonon. Het smaakt prima en we nemen
er ook een flesje wijn bij. Na ruim een uur gaan we weer rustig op pad. Buiten
is het een stuk kouder geworden, maar dat is snel over. Ook hier is het vrij
heuvelachtig. Het is weer klimmen geblazen. In Villafranca blijkt er geen
overnachtingsmogelijkheid. Doorrijden maar.
Zonder
het te merken, berijden we een route die over de Puerto de la Pedraja gaat. Het
is een pas over een lengte van ruim vijf kilometer, die 7% bedraagt. Het
verkeer gaat dicht langs ons heen. We moeten klimmen naar 1130 meter hoogte.
Zoals altijd, is Thom sneller boven dan ik. Het wordt steeds donkerder vanwege
de dreigende wolken. De afdaling gaat snel en is vrij lang. Wel een kilometer
of vijf. Ik haal nét de topsnelheid van 60 kilometer per uur.
Bij de
afslag Santovenir de Oca gaan we naar rechts, richting San Juan de Ortega. Daar
proberen we in de refugio te overnachten. Meteen bij de afslag hebben we de
wind volop in het gezicht. Het waait inmiddels enorm! Ook de eerste
regendruppels zijn voelbaar. Nog maar 6 kilometer. Het gaat inmiddels over naar
lichte regenval. De wind en de slechte weg verhinderen dat ik sneller kan
rijden. Schuilen gaat niet: er is geen huis te ontdekken. Er is maar één weg
naar San Juan de Ortega. Thom zie ik niet meer, die rijdt een eind voor mij
uit.
Het
regent al wat harder, als ik het terrein van de refugio oprijd. Het is al bijna
19.00 uur. Thom had ons inmiddels als pelgrim ingeschreven. Als ik mijn fiets
in een overdekte ruimte neetzet, begint het enorm te hozen. Een
verschrikkelijke bui, met veel wind. De bui duurt ruim een half uur en dan is
het al weer opgeklaard. Het blijft nog wel waaien. In de refugio is het
gelukkig ook niet zó extreem druk. In het aanliggende 'restaurantje' gaan we
eerst even wat drinken.
De hele
refugio is aanzienlijk beter dan Puente la Reina. Er zijn tenminste bedden en
verschillende zalen. We zoeken een ruimte en vinden die. Ik slaap boven, Thom
onder. In onze slaapzaal staan ongeveer veertien stapelbedden. Ik laad de fiets
af en ga douchen. Uit het gastenboek blijkt, dat er geen Nederlanders in de
refugio overnachten. Ook blijkt dat alle pelgrims te voet zijn, er is geen enkele
fietser. Net als in de voorgaande dagen, zijn we nog steeds geen fietsers
tegengekomen.
Ik werk
buiten op een bankje en vlak voor het kerkje, mijn dagboek bij. Ieder kwartier
slaat de kerkklok en ieder heel uur alle uren. Thom en ik gaan toch nog even
wat eten. Echt honger hebben we niet, maar we lusten wel iets. In het
restaurant eten we brood met ham.
Vanwege
de beperkte ruimte, schuiven een paar Duitse vrouwen bij onze tafel aan.
Tijdens ons eten praten we wat met elkaar. Zij doen als wandelaars in etappes
de route naar Santiago. Na het eten nemen we afscheid van elkaar.
Het is
een beetje vreemd hier. Helemaal in het niemandsland tref je een kerk en een
refugio. Je hoort hier vele talen. De meeste pelgrims te voet zijn 'einzelgängers'.
Ze zoeken, of willen, geen echt contact.
Het is
al een beetje donker, wanneer ik mijn stapelbedje opzoek. Op de slaapzaal zijn
nog een stuk of 10 andere pelgrims. Een paar slapen er al, dat blijkt uit het
gesnurk van de zaalgenoten.
DAG: 99.7 TIJD:
6.16 GEMIDDELD: 15.8 MAX:
60.7 TOTAAL: 2218.6
DAG 25
Ik word
een paar keer wakker van het gesnurk van mijn zaalgenoten. Maar om ongeveer
half twee word ik met een enorme schrik wakker. Met een luide knal lijkt het of
mijn bed afbreekt! Mijn bed stort in! Het is pik- en pikdonker. Ik durf me niet
te bewegen. Ik lig op mijn rug en luister. Onder me hoor ik Thom zachtjes
ademen. De overige zaalgenoten slapen, of snurken zachtjes. Als ik er uit wil,
zal ik tenminste Thom wakker moeten maken om mijn zaklampje te zoeken. Shit. Ik
kan helemaal niets doen. Alleen stilliggen. Voor mijn gevoel lig ik zeker een
uur muisstil. Als het maar een beetje licht wordt, kan ik er tenminste uit. Kan
ik een ander bed zoeken. Ik durf niet meer te slapen, want ieder moment kan het
bed verder instorten en dan val ik boven op Thom. Ik verroer me nauwelijks.
Toch dommel ik af en toe in. Echt slapen lukt me niet meer. Rond half zes staan
de eerste wandelaars op. Het geritsel van de plastic vuilniszakken maakt ook
langzamerhand de anderen wakker. Er is één raamluikje open. Het spaarzame licht
komt naar binnen. De andere wandelaars staan langzamerhand ook op. Het heeft
geen zin meer om een ander bed op te zoeken.
Rond
zeven uur kruip ik millimeter voor millimeter het bed uit. Heel voorzichtig kan
ik zonder brokken te maken het bed uit. Ik ga me wassen en pak ondertussen mijn
tassen in. Ik maak Thom wakker. Hij heeft slecht geslapen, zegt hij. Ik vertel
hem, dat ik ook slecht geslapen heb, vanwege het instortingsgevaar van mijn
bed. ´Mijn matras heeft midden in de nacht een knal gegeven, heb je dat niet
gehoord? 'Oh, dat?', is zijn laconiek antwoord. 'Je was zo hard aan het snurken
dat ik eerst met m'n handen jouw matras aanstootte, maar later deed ik dat met beide
benen...'. Het verklaarde de klap in het matras, maar ik was niet écht blij met
zijn oplossing. Mijn God, wat ben ik geschrokken....
Om acht
uur zijn we reisklaar. In de refugio is niemand meer. Wij zijn de laatste gasten.
In het aanliggend 'restaurantje' eten we ons ontbijt. Brood met grove ham. Ik
bestel er ook een kop koffie bij. We nemen er de tijd voor. Omdat we gisteren
te laat waren, gaan we nu nog even naar het kerkje. Het is helaas dicht.
Pas om
kwart voor negen gaan we weg. Het is koud en erg mistig. Ik kan niet verder dan
een meter of 50 rond me heen kijken. Het is ook erg stil, een beetje
spookachtig. Recht boven me is de lucht blauw. De laagliggende nevel zal dan
waarschijnlijk ook weer snel optrekken, denk ik. We komen nog een enkele
wandelaar tegen, die ons begroet. Ik rijd voorop en houd Thom in de gaten,
zodat we mekaar niet uit het oog verliezen. Vanwege het vocht rijd ik in mijn
GoreTex jack. Het gaat bergafwaarts naar Barrios de Colina over een slechte
weg. Na een viaduct rijden we langs de spoorbaan richting Burgos. De nevel is
inmiddels opgetrokken. We komen onder een natuurlijke bomenboog door. Thom
maakt er een foto van. Na een paar kilometer komen we op een soort driesprong
uit: een drukke snelweg, de zeer drukke N1 en links van ons een spoorbaan. Het
is een geweldige herrie. Je zult er maar wonen, in het dorp Quintanapalla, denk
ik. De routebeschrijving leidt ons over de eerdergenoemde zeer drukke N1.
Vrachtwagens rijden nagenoeg achter elkaar. Behalve de herrie is het ook zeer
gevaarlijk fietsen. Thom is er zeker niet blij mee. Hij moppert dat hij dit
maar niets vindt. Ik vind het ook maar niets, maar we hebben geen
alternatief....
Rond
kwart voor tien rijden we Burgos binnen. Het is al een stuk warmer geworden, al
een graad of 17. We gaan op zoek naar
een fietsenwinkel om de voorband van Thom's voorwiel te vervangen. We worden
vaak naar de fietsenwinkel verwezen. Achteraf gezien zaten we er al in één van
de eerste keren heel dichtbij. Een man had dit ons door middel van handgebaren
uitgelegd.
Hij
maakte van middel- en wijsvinger een V en wees daarbij met zijn andere hand óp
de wijsvinger. Hij heeft er mee bedoeld, dat wij direct óp de Y-kruising naar
rechts moesten. Niet begrepen, maar achteraf gezien wel duidelijk...
Uiteindelijk
worden we geholpen door een Duits(!) sprekende Spanjaard. Hij loopt het laatste
stukje met ons mee en treedt in de winkel op als vertaler. Thom koopt een wat
bredere band, dan waarmee hij oorspronkelijk reed en daar is hij achteraf heel
blij mee.
Het is
wat zoeken, maar uiteindelijk komen we toch weer op de route, in de richting
van de kathedraal. Ik maak wat foto's van de kathedraal, die rondom in de
steigers staat. Er wordt volop gerestaureerd. Bij een aangrenzend terrasje
drinken we een kop koffie en eten er wat appelgebak bij. Tijdens ons gesprek
worden we geïnterpelleerd door een echtpaar dat aan een ander tafeltje zit. Ook
Nederlanders. Zij zijn met de caravan onderweg. We wisselen wat ervaringen uit.
Ook vragen zij ons of wij wel eens ‘wild kampeerden’. Indien nodig, doen wij
dat, was ons antwoord. Zij doen dat niet, want het was hen onduidelijk of je
dan wel verzekerings-technisch wel gedekt zou zijn. Thom schoot in de lach,
toen ik hem zachtjes toefluisterde, dat bij een mogelijke overval het enige
waarvan je verzekerd bent, dat je in je broek schijt… Als even later ook nog
een Nederlandse bus met voornamelijk oudere mensen op het terras komt, is onze
fietstocht binnen de korte keren bekend. De oudjes zijn vol bewondering dat wij
de hele tocht op de fiets doen. Al die belangstelling vinden we maar niets.
Snel wegwezen, dus.
Het is
al tegen de middag dat we het plein met de vele klinkertjes verlaten. In Burgos
komen we voor het eerst sedert 2000 kilometer weer fietspaden tegen. Het is een
korte route van nog geen vier kilometer vol stoepranden, maar toch... Volgens de routebeschrijving komen we ook nog
even in de oude stad. We moeten er ook nog een stukje door een voetgangersgebied
lopen. Burgos ziet er oud, maar mooi en goed verzorgd uit. Vooral schoon. We
maken wat foto's. Het eerste stuk langs de N1 is weer erg druk, maar na een
paar kilometer buigen we een beetje noordwestelijk af. Bij een rijdende
groentewinkel in Tardajos halen we wat sinaasappelen.
In het
vlakke gedeelte naar Las Quantanillas komt ons een fietser tegemoet. Zijn fiets
is beladen met tassen. Tijdens het tegemoet rijden steken we de weg al schuin
over en 'dwingen' de man tot stoppen.
Het is een Nederlander. Hij is al een paar keer eerder in Santiago geweest. Ook
nu. Maar nu is hij vanuit Santiago weer op de terugweg naar huis. Hij woont in
Amsterdam, maar heeft een Limburgs accent. Hij raadt ons aan om even langs te
gaan in Palacios de Benaver, nog een tien kilometer van hier. Daar staat de tijd
echt stil, zegt hij. Onze ontmoeting is even snel voorbij, als dat die begon.
Nadat we hem succes gewenst hebben, gaan weer op pad. Een paar honderd meter
verder stoppen we om de sinaasappel op te eten. Er staan ons twee klimmen van
respectievelijk 3 en 5 kilometer te wachten. De brander gaat weer aan om een
kop soep te maken. Na een half uurtje pakken we weer de draad op.
Klimmen.
Ik rijd voorop en rijd volgens de route. Thom rijdt vlak achter me en geeft een
seintje dat hij in een wegrestaurant even wat water gaat halen voor zijn
bidons. Ik rijd vast door. Mijn klimvermogen is lang niet zo groot als die van
Thom. Omdat ik voorop rijd, vergeet ik helemaal of we ook nog wel naar Palacios
de Benaver zouden gaan. Daar hadden wij geen afspraken over gemaakt. Ik ben de
afslag al lang voorbij als ik in de klim achterom kijk. Ik zie ik Thom niet.
Normaal is hij altijd de snelste in de klim, maar hij had me allang in moeten
halen.... Ik stop en wacht even op hem.
Het
wachten duurt inmiddels al vijf minuten. Er zal toch niets gebeurd zijn? Ik
keer om en rijd terug. Eén, twee, drie, bijna vier kilometer terug. Daar komt
hij gelukkig aan. Er is kennelijk niets gebeurd en hij heeft ook niet de afslag
naar Palacios de Benaver genomen! 'Waar bleef je?', vraag ik hem. Hij legt me
uit, dat hij in het restaurant naar het toilet moest en meteen even wat
gedronken had. Het was een redelijke verklaring, maar ik was er toch tamelijk
pissig om. Ik maak me zorgen om niets en hij had het ook wel even kunnen
zeggen....
We
komen rond half drie aan de top. Met een bocht naar links gaan we in de
afdaling naar richting Yudego. Een heel
oud dorpje met smalle straten. Ongemerkt rijden we een cafeetje voorbij, maar
rijden terug om er even wat te drinken. De barvrouw schenkt ons het gevraagde
drinken in. We krijgen er ook tapas en olijven bij. De cafébezoekers praten
over de voetbalwedstijd van vanavond. De barvrouw probeert ons dingen uit te
leggen, die we niet snappen. Met het woordenboek en met handen en voeten komen
we er redelijk uit. Wij geven haar zelfs enige Nederlandse woorden, die zij
onmiddellijk opschrijft. Het wordt een half Nederlands-Spaanse les voor
beginners.
Tegen
half vier gaan we weer verder, want we moeten nog op zoek naar de camping.
Volgens de fietscomputer moeten we nog een kleine 20 kilometer. Vrijwel direct
buiten Yudego krijgen we een klim van twee kilometer te nemen. Een boer op een
voorbijrijdende tractor wijst ons de weg hoe we moeten rijden. Na de klim is
het een redelijk vlak gedeelte. In een bossage staan een man en een vrouw.
Fietsvakantiegangers. De eerste die we écht tegen komen. We stoppen en rijden
de halfrulle bodem in. We stellen ons voor. De fietsvakantiegangers zijn Harrie
en Corrie Oerlemans uit Liempde. We praten wat met elkaar. Ze waren net van
plan om weer verder te rijden. Ook zij hebben gehoord van ‘de beul uit
Purmerend’, maar zijn hem niet tegengekomen. Het is ook de laatste keer dat wij
over hem gesproken hebben. In nagenoeg hetzelfde tempo rijden we met z’n vieren op.
De rest van de route is veel bergafwaarts.
Om half
vijf rijden we gezamenlijk onze eindbestemming binnen: het plaatsje
Castrojeriz. Thom wil persé in een refugio, temeer omdat het weer er nogal
dreigend uitziet. Harrie en Corrie rijden ook naar de refugio. We melden ons bij
de receptie. Met handen en voeten wordt ons duidelijk gemaakt dat we nog even
moeten wachten. Bicicletta: prioritas due, Peatones: prioritas uno. We moeten
tot tenminste acht uur wachten of we tot de refugio toegelaten worden. Om de
tijd alvast te doden, hijsen we de fietsen in de tuin van de refugio. Corrie
geeft ons een bekertje wijn en al pratend wachten we af. Langzamerhand dringt
het tot ons door, dat wachten zinloos
is. Als pas om acht uur zal blijken dat we toch niet in de refugio kunnen, dan
moeten we alsnog naar de camping uitwijken. Dan is het zó negen uur voordat we
goed en wel staan. We besluiten om het besluit van de receptie van de refugio
maar niet af te wachten: het risico is
te groot.
Voor
ons vertrek vragen we toch een stempel voor onze geloofsbrief. Ook dat lukt
niet: niet slapen in de refugio, ook geen stempel van de refugio. Een heel
vervelende reactie, die we eigenlijk ook niet verwachtten!
We
rijden verder naar de camping, die in hetzelfde dorp is. De camping is nog niet
voor toeristen geopend. Er is wel een oudere vrouw aan het werk. Toch mogen we
er onze tent plaatsen. De invalide campingbeheerder incasseert ons geld. Thom
en ik hebben één plaats, Corrie en Harrie nemen een aangrenzende plaats. Ik zet
mijn tent op. In de doucheruimtes doen de douches het, maar daar is ook alles
mee gezegd.
Ik durf
niet mijn kleding te wassen, daar ziet het weer er volgens mij té dreigend uit.
Thom wast wel zijn kleding. Een minder gelukkige keuze, want het begint dikke
druppels te regenen. Niet permanent, maar genoeg om goed nat te worden. De tent
is inmiddels ingericht en ik heb me aangekleed. We besluiten om maar niet bij
de tent ons potje te gaan koken, maar gaan uit eten en rijden naar het dorp. In
een restaurant willen we eten. Mis. Het restaurant gaat pas om 19.00 uur open,
alles is nog gesloten. Teruggaan kan altijd nog, maar we blijven in het
aanliggende bargedeelte en bestellen een fles wijn.
Ondertussen
werken we het dagboek bij. Ik overweeg dat het een redelijk makkelijke fietsdag
was. Ik heb genoten van de permanent wisselende natuur. Het was weer heel
anders dan gisteren!
Ik denk
vaak aan thuis. Aan Hannie en de kinderen. Nog ruim anderhalve week en dan ben
ik al weer thuis. Ik geniet van mijn reis, maar verlang toch weer naar de
stemmen van mijn gezin. Gewoon weer even een knuffel.
Ondertussen
is het al tijd om te kunnen gaan eten. Het is al bijna half negen. De
Europacupfinale voetballen Real Madrid - Juventus staat op het punt om te
beginnen. De serveerster nodigt ons uit in een ander vertrek van het
restaurant. We mogen niet bij de TV blijven zitten. Hier wordt niet geserveerd,
maar daar is geen TV.
Kiezen
of delen: of eten of TV kijken, señor! Toe nou, mevrouw ! Er is geen mens in
het restaurant, alleen wij beiden. De chef wordt er bij gehaald en na wat
overleg mogen we er blijven zitten. De serveerster kijkt ons nadien nauwelijks
meer aan. Je merkt gewoon dat ze het er niet mee eens is, dat er juist híer
geserveerd wordt. We hebben er gewoon maling aan. Kom nou! Voor het diner laten
we ons eens lekker verwennen. Ik bestel vooraf gamba’s en als hoofdmenu een
biefstuk. Erg lekker. We kijken de voetbalwedstrijd af. De serveerster gaf haar eerste glimlach, toen we bij de
afrekening een fooi(tje) weggaven.
Op de
terugweg naar de camping is het behalve donker, ook erg koud geworden. De drie
kilometer zijn erg lang. Ik kruip steenkoud mijn slaapzak in. Wat is het koud!
DAG: 86.0 TIJD:
4.58 GEMIDDELD: 17.2 MAX:
47.0 TOTAAL: 2304.6
DAG 26
Ik heb
goed geslapen. Om precies zeven uur ben ik weer wakker. Ik ruim alvast de tent
op. Corrie en Harrie zijn al langer bezig. Wat een spullen hebben die bij zich.
Het lijkt wel alsof ze máánden weg gaan. Thom wil maar niet wakker worden. Ik
moet hem een paar keer roepen. Als ik al bijna klaar ben met inpakken, komt hij
naar buiten. Samen met Harrie rijd ik naar het dorp Castrojeriz. We zoeken en
vinden een panaderia (bakker). Harrie rijdt alvast met het brood terug, terwijl
ik wat melk wil kopen. Dat lukt niet.
Ik kom even na acht uur weer op de camping. De
kleding van Thom is niet helemaal droog geworden vannacht, ondanks dat hij het
onder een afdak had gehangen. In de voorruimte van de douche-/ wasruimte roept
Corrie ons. Ze heeft koffie gezet. In de wasruimte hebben we met z'n vieren ons
ontbijt. In ieder geval is het droog en vooral: gezellig.. We praten wat bij.
Ondertussen eten we brood en kaas. Het 'klikt' tussen ons. De goedlachse Corrie
en de wat zakelijker ingestelde Harrie zijn vriendelijke mensen.
Tijdens
het ontbijt vertelt Harrie een verhaal.
Harrie en Corrie zijn
ook door Pamplona gereden en kwamen ´s ochtends op de camping tot de ontdekking
dat onverlaten de fietspomp van de fiets gestolen hadden. Een
fietsvakantieganger kan niet zonder een fietspomp. Zij gingen daarom op weg
naar de grote stad Pamplona om in een fietsenwinkel een nieuwe pomp te kopen.
Terwijl Harrie op de
kaart staat te kijken hoe zij het beste kunnen rijden, komt er een wielrenner
langs. De man vraagt in het Engels of hij hen kan helpen. Harrie vertelt het
probleem en zegt dat zij op zoek zijn naar een fietsenwinkel. Er zijn maar twee
fietsenwinkels in Pamplona, die vrij moeilijk te vinden zijn. De man stelt voor
hen de weg te wijzen. Harrie verbaasde zich er al over dat de Spaanse,
futuristisch uitgedoste wielrenner zo goed Engels sprak.
Uiteindelijk komen ze
na een kleine 5 kilometer bij de winkel aan. Met zijn drieën gaan ze naar
binnen. De wielrenner wordt als Sinterklaas behandeld. De winkelbedienden
buigen als een knipmes voor hem. Na het afscheid van de wielrenner vraagt de
winkelchef aan Harrie of hij weet wie die man was. ´Nee, hoe zou ik dat kunnen
weten?´.
´Loop even mee´, zegt
de winkelbediende. In de gigantisch grote showroom hangen tientallen posters
van de wielrenner, die hen zojuist begeleid heeft. De man blijkt Miguel
Indurain te zijn, meervoudig Tour de France winnaar! Hoe kon Harrie weten wie
de onbekende fietser was, en dat Indurain in Pamplona woont (en traint)?
Harrie vertelde dat
hem het meest ergerde, dat hij niets had om zijn verhaal kracht bij te zetten:
geen handtekening van Indurain, geen foto, niets!
Geamuseerd
hoorden wij het verhaal aan. Tegen kwart voor negen zijn Thom en ik klaar met
het ontbijt.
Wij
ruimen onze spulletjes op. Corrie en Harrie zijn nog wel even bezig, zo te
zien. Allemachtig, wat hebben die een enorme hoeveelheid bagage bij zich! Als
Harrie even niet kijkt, stopt Corrie gauw wat extra bagage (dus: gewicht) in de
tas van Harrie. Ondertussen geeft ze mij een vette knipoog en drukt haar
wijsvinger op haar mond, ten teken “niets zeggen, hoor…”
We
nemen afscheid van elkaar en rond negen uur gaan Thom en ik weer rijden.
Tjeetje, wat is het koud. De wind komt uit het oosten, dus gelukkig hebben we
wind in de rug. Het gaat meteen lekker. Onder het praten door, draaien we een
redelijk hoog tempo.
Bij de
oude brug over de Rio Pisuerga maken we wat foto's. Haast komt niet in ons
woordenboek voor. De wegen zijn lang, slecht, maar het uitzicht is erg mooi.
Pas in Fromista komen we de eerste wandelaars weer tegen. Het is al weer
koffietijd. Op een terrasje drinken we koffie en eten een cake.
Op de
hoek staan drie politiemensen (Guardia Civil). Ze staan uitsluitend te praten
met elkaar, er is geen enkele activiteit. Eentje zou zó uit een gangsterfilm
kunnen komen: kaal geschoren, stoppelbaard en een flitsende zonnebril. Als er
een geüniformeerde met veel sterren aankomt wordt er druk gesalueerd. De
gangster (de laagste in rang) wordt niet meer aangesproken. Hij praat in
gebroken Engels met ons. Er komt ook een herder met een kudde schapen door het
dorp. De schapen vreten aan de hagen, die ze tegenkomen en laten in het dorp
een breed, vet tapijt van keutels achter.
We doen
in een heel kleine supermarkt wat inkopen voor vandaag. Als we naar buiten komen,
zien we net Harrie en Corrie aan komen rijden. Tijdens het opstappen zwaaien we
naar mekaar en we rijden door. Vanaf Fromista naar Carrión de los Condes is het
23 kilometer. We rijden over de gewone weg, terwijl er naast de weg een
fiets-/wandelpad is aangebracht. Toch rijden we over de hoofdrijbaan, omdat het
pad behoorlijk met gras overwoekerd is. Er staan op het pad ook pilaren, waar
tegels zijn aangebracht. Althans, hóren te zijn aangebracht. Kennelijk door
souvenirjagers zijn de tegeltjes met de Santiago-schelp er afgehakt. Het
grootste deel tegeltjes zijn verdwenen, of tenminste beschadigd. Na een groot
gebouw (het lijkt op een klooster) rijden we over een brug en komen weer uit op
de altijd drukke N120. Gelukkig is het nu niet druk. Over de vluchtstrook, met
de wind in de rug, rijden we vrij gemakkelijk 25 kilometer per uur.
Na zo'n
15 kilometer verlaten we weer de N120 en gaan naar rechts, richting Ledigos.
Even voorbij Quintanilla de la Cueza gaan we voor de tweede keer eten. Op een
soort picknickplaatsje maak ik weer een kopje soep, koffie en een broodje. Het
gras staat hier erg hoog. Een wat oudere man staat met een grastrimmer het gras
te maaien. Het maakt wel wat herrie, maar we kunnen er gewoon blijven dooreten.
De man wordt gadegeslagen door een iets jongere man, die zich met behulp van
stokken voortbeweegt. Hij gedraagt zich als een chef: hij geeft de oudere man
constant aanwijzingen waar en hoe hij moet werken.
Thom
ergert zich aan het gedrag van die jongere, invalide man. Als deze man even
weggaat, loopt Thom naar de grasmaaiende man en geeft hem een sigaar. Thom
heeft uit Nederland speciaal voor dit soort gelegenheden een doosje sigaren
meegenomen. De man kijkt stomverbaasd dat hem iets aangeboden wordt en steekt
de sigaar in zijn borstzak. Hij maait weer verder. Wij gaan ook weer op pad.
Nabij
Ledigos wordt het terrein wat heuvelachtiger. Regelmatig moet ik
terugschakelen, maar toch gaat het fietsen vrij gemakkelijk. Na de
klimpartijtjes zijn de afdalingen erg fijn. Soms halen we de 40 kilometer per
uur, zonder te hoeven trappen. Soms komen we wandelaars tegen. Met de grote
rugzakken is zowel de klim als de afdaling voor hen nagenoeg even zwaar.
Terwijl wij de fiets in de afdaling kunnen laten 'lopen', moeten zij ook in de
afdaling een inspanning leveren. Telkens als we wandelaars passeren, bellen we
eerst op afstand met de fietsbel. Meestal draait de wandelaar zich om en dat
geeft dan even de gelegenheid om elkaar in het voorbijrijden een BUEN CAMINO
toe te wensen.
Nog
maar 13 kilometer en dan zijn we bij ons einddoel van vandaag: Sahagún. Het
ligt een beetje op een heuvel. De weg er naar toe is lang en recht. Tegen 16.00
uur rijden we de stad binnen.
In een
telefooncel belt Thom naar het reisbureau in Santiago om te verifiëren dat wij daadwerkelijk
vrijdag de 26e mei terug gaan. Vanuit de telefooncel lukte dat niet: we krijgen
een faxlijn.
Op een
terrasje trakteren we ons op een biertje. In de tegenovergelegen Supermercado
doen we inkopen voor vanavond. We eten bloemkool, aardappelen en ham. Het duurt
even, voordat we de camping gevonden hebben. Het ligt aan de doorgaande route,
een beetje buiten de bebouwde kom. Het is er nog erg stil. Ik ga douchen en was
mijn kleren.
De zon
staat laag. Thom zet zijn tent een heel eind van me vandaan om vannacht maar
een beetje verschoond van mijn gesnurk te blijven. Hij zet zijn tent een beetje
voor de ingang van een Duitse caravan. Er is toch niemand, dus de kans om
weggestuurd te worden is heel klein.
Als we
de tent opgezet en ingericht hebben, maken we het eten in orde. We bakken de
ham door het eten. Het smaakt me prima. Het is al 21.00 uur dat ik naar huis
bel. Ik krijg Peter aan de lijn. Hij vertelt dat hij vier vissen met zijn
nieuwe hengel gevangen heeft. Hannie is benieuwd waar we al zijn. Wat is het
fijn haar weer even te horen. De dagelijkse dingetjes worden even doorgenomen.
Alles gaat thuis z'n gangetje. Nog ruim een week en dan hopen we in Santiago
aan te komen.
De reis
gaat best wel snel en goed, maar... ik mis mijn gezin een beetje.
DAG: 93.7 TIJD:
4.42 GEMIDDELD: 19.8 MAX:
53.0 TOTAAL: 2398.3
DAG 27
Het is
koud en vochtig geweest vannacht. Thom is ook om 7 uur wakker. Ik schijn
vannacht weer aardig hebben lopen ronken. Ik zeg Thom dat ik de hele nacht wakker
ben gebleven, maar dat ik er niets van mijn gesnurk gemerkt heb. Het is weer
tijd voor krachtvoer, de muesli. Ik eet weer uit het pannetje. Het is nogal
fris. Verderop is op de trap naar het receptiehuis wat zon. Samen gaan we op de
trap zitten en eten in het magere zonnetje het ontbijt. We kijken uit over de
doorgaande weg. Er komt een eenzame wandelaar voorbij. Zoals bij alle
wandelaars is ook zijn rugzak zwaar beladen. We groeten elkaar.
Het
eten is nog niet op, als Corrie en Harrie juist voorbijkomen fietsen. We roepen
hen. Door het gesloten hek praten we wat met elkaar en bespreken onze plannen
voor vandaag. Ons reisdoel voor vandaag is Hospital de Orbigo. Zij hebben geen
echte plannen. Na een kort gesprek nemen
we afscheid van elkaar.
De natte
tenten pakken we weer in. Na Sahagun is het een kleine vier kilometer over de
weg rijden. De gele pijlen, bestemd voor de wandelaars, wijzen ons bijna
vanzelf de weg. We moeten naar rechts en komen op een grindpad. Het is er niet
erg heuvelig, maar de weg ligt vol met stenen. Na een kilometer of vijftien
komen we op een picknickplaats twee wandelaars tegen. Zij liggen onder een boom
in de schaduw even uit te rusten.
Ook wij
besluiten even wat te rusten en te eten. Terwijl ik de benzinebrander aanzet,
begint Thom met de wandelaars een gesprek. Het is te ver om te horen wat ze
bespreken. Later begrijp ik van Thom dat het een Duitse vrouw en een Fransman
zijn, die samen optrekken naar Santiago. Als de soep bijna klaar is, komen
juist Corrie en Harrie langsrijden. Ook zij stoppen en met z'n vieren drinken
we soep en koffie. Terwijl Corrie de rug van Harrie insmeert, gaan wij weer op
pad.
Het
grindpad is nog een ruime vijftien kilometer lang. Ik rijd voorop. De wind is
in de rug en het gaat lekker. De stenen knoeperen onder de hard opgepompte
banden. Zoals wel vaker, raakt Thom wel eens uit het zicht, omdat hij een foto
maakt, of een 'sanitaire boodschap' moet doen. Meestal haalt hij me dan wel in.
Maar nu mis ik hem al een tijdje. De weg is lang en recht, maar wordt
onderbroken door het dorpje El Burgo Ranero. Dat ben ik al een kilometer of
vier geleden gepasseerd en ik kan het nog in de verte zien liggen. Geen zicht
op Thom. Ik wacht maar even, maar ga niet terug. Straks is hij weer even ergens
wat gaan drinken! Terwijl ik wacht, is het doodstil.
Alleen
de warme wind hoor ik blazen. Ik word opgeschrikt door een wel 60 cm lange,
dikke groene leguaan. Als ik me beweeg, is het beest ook meteen weg. Telkens
komt het reptiel weer terug. Ik sta al een dikke vijf minuten te wachten, maar
zie Thom nog steeds niet.
Dan
toch maar terug. Ik ben vlak voor het dorpje
El Burgo Ranero, als Harrie en Corrie juist de bocht omkomen. In het
voorbijrijden zegt Corrie, dat Thom verderop met een lekke band staat. Shit.
Niets van gemerkt. Ik rijd wat sneller terug. Ik rijd het dorpje weer door en
zie Thom aankomen. Zijn gezicht staat op onweer. Zonder wat te zeggen, rijdt
hij mij voorbij. Ik keer om en rijd achter hem aan. Hij rijdt een tijdje voor
me, duidelijk uit z'n humeur. Het duurt gelukkig niet lang.
Thom
heeft een lekke band gekregen vanwege de vele steentjes. Toen hij de band
geplakt had, had hij nog geen 200 meter verderop opnieuw een lekke band
gekregen. Nu het andere wiel. Hij baalde er enorm van dat ik hem niet in de gaten
gehouden had. Hij had nog wel geroepen, maar ik heb hem echt niet gehoord! Zijn
humeur is weer snel opgeklaard.
Aan het eind van de oneindige steentjes-weg komen we in Mansilla de las Mulas
aan. De fietsenmaker verkoopt Thom een buiten- en binnenband. De buitenband is
ook van wat breder formaat, dus iets steviger. Thom monteert de banden nog
niet. In ieder geval heeft hij nu, in geval van calamiteit, een goede band bij
zich. We rijden door over de hoogvlakte onder León. Het is vrij eentonig,
ondanks dat we over verschillende soorten wegen rijden. Het is af en toe best
wel klimmen.
Bij het
dorp Villagallegos zien we 'grotwoningen'. Het zijn kleine huisjes, uitgehouwen
uit de bergen. Later blijkt, dat dit een soort opslagruimten zijn. De bewoners
bewaren daar hun spulletjes, omdat het in de berg koeler is. Ook zijn er wat
bodega's (drinkgelegenheden) tussen.
Een
paar keer halen we Corrie en Harrie in. Gezamenlijk stoppen we bij Fontecha,
bij een stilgelegde wijnfabriek. Na een korte pauze gaan wij weer verder,
richting Hospital de Orbigo. Even raken we de weg kwijt, maar vinden die snel
weer terug. Bij Villar de Mazarife moeten we volgens de routebeschrijving weer
naar links. Een lange, rechte weg van wel zes kilometer lang. Een flinke wind
blaast ons in de rug. In de verte zien
we op dezelfde weg twee fietsers. Harrie en Corrie, denken we. We gaan iets
sneller rijden. Ondanks dat we wel twee tandjes opschakelen, halen we ze niet
in. De fietscomputer wijst aan, dat we nu 28 kilometer per uur trappen. Toch
halen we de fietser niet echt in. Het blijken twee ligfietsers te zijn. Dat
moéten Nederlanders zijn! .
Op de
eerstkomende kruising staan ze stil. Het zijn inderdaad Nederlanders. Het zijn
Tom Wiegers en Jeanne de Man, een echtpaar uit Dussen (nabij Hank). Tijdens het
rijden praten we wat. We komen niet veel fietsers tegen, laat staan
ligfietsers. Tijdens het tijden legt Tom Wiegers uit dat hij deze fietsen zelf
ontworpen en gemaakt heeft. Hij blijkt ingenieur te zijn en het ontwerpen van
ligfietsen als hobby te hebben. Na een paar kilometer komen we weer uit op de
altijd drukke N120. Het is nog maar tien kilometer tot aan ons einddoel. Het
begint een beetje traditie te worden. Zo aan het eind van de fietsdag, met nog
zo'n tien kilometer te gaan, eerst nog even wat drinken in een barretje, op de
drukke viersprong.
Er zijn
op die kruising drie barretjes. Tom en Jeanne verkiezen om door te rijden en we
nemen afscheid van elkaar. Wij plaatsen de fietsen tegen de gevel en gaan één
van de drinkgelegenheden in en bestellen een biertje. Nauwelijks zitten we, of
er komen twee Nederlandse wandelaars binnen. Thom herkent één van hen als
broeder Fons van der Laan. Hij is van het kerkgenootschap van de Jacobushoeve
uit Vessem. Daar heeft Thom onze geloofsbrief voor de Compestellana gehaald!
Fons is in Spanje in retraite. Zijn medewandelaar stelt zich voor als Ernest
van Geffen. Fons is Ernest tegemoet gelopen en samen lopen ze terug naar
Hospital de Orbigo. Daar is een dependance van de Jacobushoeve, waar Fons
verblijft. Ernest zal doorlopen naar Santiago. Fons nodigt ons beiden uit om in
de Jacobushoeve in Hospital de Orbigo te overnachten. Dan hoeven we niet in een
refugio. De Jacobushoeve heeft 24 bedden, die op dit moment nog niet gebruikt
worden. We kunnen er zó terecht. En als we nog meer fietsers/wandelaars
tegenkomen, mogen die daar ook overnachten. Het klinkt erg aanlokkelijk. Weer
eens in een echt bed slapen!
We
hoeven er niet lang over na te denken en accepteren het aanbod. Fons en Ernest
gaan weer op pad, want zij moeten nog een kilometer of zeven lopen. We spreken
af om elkaar weer te ontmoeten op de historische brug over de Rio Orbigo. Beide
mannen krijgen een ruime voorsprong van
ons en ondertussen kijken we uit of we Corrie en Harrie aan zien komen. Vergeefs.
Na een half uurtje gaan wij ook pad, richting Hospital de Orbigo.
Na een
kilometer of vier halen we Fons en Ernest in. Ze lopen over de vluchtstrook
langs de drukke provinciale weg. We bereiken de brug over de Rio Orbigo. Een
eeuwenoude, historische brug, waar we wat foto's maken. Het weer ziet er erg
dreigend uit.
Er
vallen af en toe grote druppels regen. Juist als Fons en Ernest in de verte aan
zien komen lopen, komen ook Corrie en Harrie over de brug fietsen. Zij zijn als
eerste bij ons en leggen het aanbod van Fons aan hen voor. Na kort overleg besluiten ook zij in de
Jacobushoeve overnachten. Even later stellen wij Corrie en Harrie aan Fons en
Ernest voor en met z'n zessen lopen we over de brug richting Jacobushoeve.
Na een
paar honderd meter komen we er aan. Het is een verbouwd huis. Het wordt
gebruikt om voornamelijk lichamelijk en verstandelijk gehandicapte kinderen
onderdak te bieden voor een korte vakantie. Als we er binnenkomen blijkt er nog
een Nederlands echtpaar binnen te zitten. Fons kent hen wel, maar wist niet van
hun komst. Overal in het huis zijn mooi ingerichte kamers met goede bedden. In
de hal kunnen we onze fietsen stallen.
Fons
wijst ons de weg in het huis. Het huis is tussen juni en september permanent
bezet. Nu is het uitsluitend in de weekeinden in gebruik. Waar we maar willen:
we kunnen in huis overal een bed uitzoeken. Ik zoek een slaapzaaltje met zes
bedden uit. Het wordt 'mijn' slaapdomein voor deze nacht: helemaal voor mezelf.
Heeft Thom tenminste één keer geen last van mijn gesnurk. Wat een luxe heeft
ons onderkomen! Prachtige douches, toiletten en vooral: een goed bed! Als ik me
gedoucht heb, ga ik naar beneden. In de royale 'huiskamer' praten we met z'n
allen wat bij. Wij praten ook over onze ontmoeting met de ligfietsers en dat
zij in de refugio overnachten. Fons kent hen ook: Jeanne en Tom hebben hun
geloofsbrieven ook bij de Jacobshoeve gehaald !
Het is
al ruim over acht uur als we besluiten een gezamenlijke maaltijd in een
restaurant te gebruiken. Fons wil nog wel even langs de refugio om langs de
ligfietsers Jeanne en Tom te gaan. Het
is een eindje lopen. Onderweg kletsen we wat met elkaar. In de refugio treffen
we Jeanne en Tom aan. We blijven er een uurtje praten. In de refugio trekken
vooral de ligfietsen erg veel belangstelling van de overige pelgrims. Het is al
bijna 22.00 uur en we krijgen honger.
De
groep blijft bij acht personen: Jeanne en Tom gaan niet mee naar het
restaurant. In het door Fons uitgekozen restaurant bestellen we allemaal een
MENU PELEGRINO. Fons wordt vrij van kosten gehouden. Het is al half elf en we
moeten nog beginnen met eten.
Ik bel
ondertussen even naar huis. 'Moet je niet slapen?', vraagt Hannie. 'We moeten
nog eten!' antwoord ik. In het kort probeer ik uit te leggen wat er momenteel
gaande is. Ze snapt er niets van. Ze is erg enthousiast en nieuwsgierig. Het
gesprek is kort.
Als ik
weer aan tafel kom, wordt het eten net geserveerd. We eten salade, schnitzel en
een pelgrims-toetje. Het is erg gezellig. Om 23.00 uur komen er nóg mensen
binnen om te eten! Pas tegen middernacht komen we weer aan in de Jacobushoeve.
Ernest weet te vertellen dat Fons nu jarig is. Dus: even zingen. Er wordt nog
wat nagepraat en pas tegen kwart voor één ga ik heel moe naar bed.
Pfft.
Wat een dag !
DAG: 99.6 TIJD:
5.31 GEMIDDELD: 17.9 MAX:
51.8 TOTAAL: 2497.9
DAG 28
Ik heb
geslapen als een os. Als ik Thom zou moeten geloven, zal ik gigantisch gesnurkt
moeten hebben. Wat heb ik goed geslapen. Rond kwart voor acht sta ik op en ga me
wassen. Langzamerhand wordt iedereen in het huis ook wakker. Onze gastheer Fons
zit al in de 'huiskamer' en heeft alvast de ontbijttafel gedekt en koffie
gezet. Rond een uur of half negen is iedereen aan tafel. Ernest heeft
voorgesteld om brood te gaan halen. Na een kwartiertje komt hij al weer terug.
De winkels gaan pas om 09.00 uur open. We doen een pelgrimsgebruik: al het eten
wat we op voorraad hebben wordt op tafel gelegd en wordt gezamenlijk gebruikt.
Het wordt een gevarieerd ontbijt. Brood, toast, koekjes, paté, jam: van alles
is er.
Tijdens
het ontbijt vertelt Fons, waar hij vannacht over na heeft liggen denken. Op de
Jacobushoeve in Vessem wordt in een gebouw uit het jaar 1750 een stiltecentrum
gebouwd. Er zijn nog geen concrete inrichtingsplannen. Fons zou het fijn vinden
als deze zeven pelgrims de eerste steen voor het stiltecentrum zouden willen
leggen. Niet voor het gebouw, begrijp ik, maar voor een symbool waar onze namen
ingemetseld gaan worden. Zijn speech is indrukwekkend. Iedereen voelt zich min
of meer vereerd. De boel is snel opgeruimd en we nemen rond half 10 afscheid
van elkaar.
De hele
groep gaat uiteen. Alleen Corrie en Harrie komen we in een SPAR-winkel tegen.
Daar doen we wat inkopen voor de rest van de dag en halen er ook nog een
Hospital de Orbigo-stempel voor onze geloofsbrief. Corrie en Harrie kiezen er
voor om de drukke N120 te gaan rijden. Wij houden ons aan de routebeschrijving,
die toch zoveel mogelijk van die drukke wegen afgaat. Voorbij een
spoorwegovergang nabij Nistal zoeken we een plaatsje in het bos.
Aan het
ontbijt in de Jacobushoeve hadden we (uiteraard) niet genoeg. De in de SPAR
gekochte cornflakes zijn niet om te eten. Nog erger dan muesli! We maken nog
wat foto's en gaan richting Astorgia. In het centrum ligt de kathedraal. We
rijden er naar toe om een stempel te halen. De kortste weg er naar toe is een
héél steile klim van nog geen 100 meter. Ik probeer het niet eens. Thom wél en
komt (heel knap) fietsend boven. Bij de top komen we voor het laatst Corrie
tegen. Harrie was binnen bij de PTT om een post restante op te halen. Ook komen
we nog een Engelse pelgrim tegen, die we al eerder ontmoet hadden. In het
centrum liggen de wegen vanwege een verbouwing open. We rijden wat om en kopen
nog wat brood. Bij een terrasje drinken we een kop koffie.
Het is
al twee uur en we gaan op pad naar het Cruz de Ferro. Het ligt op 1500 meter
hoogte. De weg er naar toe is nog 38 kilometer. Na wat heuvels nemen we, naar
wat later blijkt, bij Catrillo de los Polvazares de verkeerde weg. De
routebeschrijving wijst ons naar links, terwijl we rechtsaf gemoeten hadden. Toch rijden we niet
terug.
Het is
veel klimmen en dalen naar Santa Colomba de Somoza. Inmiddels zitten we al op
bijna 1000 meter hoogte. Binnen zes kilometer moeten we naar 1150 meter. Een
klein stukje verderop stoppen we. Tijd voor de soep. Ik steek meteen de brander
aan, wat bij Thom niet in goede aarde valt. Een beetje geïrriteerd zegt hij,
dat het hier zo mooi is, dat we even van
de stilte zouden moeten genieten. We kijken uit over een mooi dal.
Na een
half uurtje gaan we verder, naar Rabanal del Camion. Het dorp kent een paar
gebouwen. Eén ervan is een refugio, waar we nog even een glas frisdrank
drinken. De klim gaat nu beginnen. De weg is mooi en het uitzicht naar Astorgia.
Ik maak wat foto's. Je kijkt wel 25 kilometer ver! Het is erg warm. De eerste
zes kilometer zijn rond de 8% stijging.
We
komen door het verlaten dorp Foncebadon. Er staan nog uitsluitend ruïnes. De
volgende 4 kilometer kent een stijgingspercentage van 12%. Ik zie Thom ver voor
mij uitrijden.
We
komen om een bocht en in de verte zie ik de van foto's bekende Cruz de Ferro.
Een hoop stenen. In het midden een houten staak met daarboven op een kruis. Er
staan wat toeristen, die net vertrekken. In het laatste stuk worden we
ingehaald door een volgende bus. Nu met schoolkinderen.
We
staan bij het Cruz de Ferro en lopen er wat tussen de kinderen rond. Op de
immens grote berg vind ik grotere en kleinere stenen met geschreven of
geschilderde teksten. Op de steen staat een persoonlijke boodschap van een
pelgrim op weg naar Santiago de Compostela.
Eindelijk
gaan de schoolkinderen weg.
Even
nemen Thom en ik de tijd voor ons zelf. Ook wij, als echte pelgrims, werpen
volgens ritueel, onze van huis meegnomen last af. Volgens de legende is het een
uiting dat de pelgrim vrij van zijn last is.
Ik werp
de ruim 2000 kilometer meegesleepte stenen van Hannie, Rob en Peter op de berg
van het Cruz de Ferro en even later de steen van de Jacobushoeve. Thom maakt
van mij foto's en ik van hem. We praten niet veel tegen elkaar. Ieder heeft op
dit moment zijn eigen gedachten.
De
volgende toeristen komen er aan. Een groep Franstalige Belgen stopt met de
auto, stappen uit en louter voor de foto gooien ze ook een steen op de berg.
Onder luid gekrakeel ook een groepsfoto. Zo snel als ze kwamen, zijn ze ook
weer weg.
Zonder
het met Thom te bespreken ben ik nogal teleurgesteld. Is dit nu de mythe? Is
dit nu hét Cruz de Ferro waarin alle verhalen zo over geroemd wordt? Het is
meer een toeristische attractie, een klomp verschillende soorten stenen. Als ik
goed kijk, zitten er zelfs stukken beton en afgebroken dakpannen tussen. Het
lijkt me sterk dat pelgrims dit als een van huis meegenomen last afgeworpen
hebben...
Onze
foto's zijn genomen. Het is koud en het loopt al tegen half zes voordat we
verder gaan. Eerst een klein stukje afdalen en dan weer richting radiostation
een klim van 12%. Een kleine twee kilometer. Niet ver, in ieder geval. De
afdaling is bloedlink.
De
waarschuwingsborden voor fietsers staan er niet voor niets. In een bocht begint
de afdaling pas écht. Het is net of iemand de fiets katapulteert. Binnen 100
meter zit ik al op de 60 kilometer per uur. Vliegen spatten uiteen op mijn
zonnebril. De weg is erg hobbelig, maar dat heeft alles met de snelheid te
maken. Ik knijp in de remmen, maar van afstoppen merk ik niets. Ik ben bang dat
mijn bagagedrager door de hobbelige weg af zal breken, maar gelukkig blijf ik
van deze ramp bespaard. Op de lange
stukken laat ik de fiets lopen. Ik kom boven de 70 kilometer per uur en durf
niet sneller.
Na acht
kilometer afdaling komen we na een haarspeldbocht in Riego de Ambros. Een dorp
met 20 huizen waar de tijd stil heeft gestaan. Midden op de weg staat een oude
man. Thom, die voorop rijdt, wordt met gebarentaal duidelijk een teken gemaakt:
'eten'. De man wijst op een klein gebouwtje. Thom kijkt me vragend aan: 'zouden
we nu voor een maaltijd uitgenodigd worden?'. Niet dus. Hij was klanten aan het
werven voor het piepkleine restaurantje. Ach, waarom ook niet: we besluiten om
even te gaan zitten en een biertje te drinken.
Thom
gedraagt zich anders, dan ik van hem gewend ben. Hij wil persé op dit moment
een brief naar huis schrijven. Hij vraagt en krijgt in het restaurantje een
kaart en een enveloppe. Ik laat Thom met rust.
Naar de
camping in Molinaseca is het nog maar een paar kilometer. Het is al half zeven
geworden, dus we moeten opschieten. De afdaling is veel langer, dan we dachten.
In de afdaling worden we ook nog
voorbijgereden door een fietsvakantieganger. Hij heeft een rood windjack aan.
Ook een pelgrim, zo te zien, ondanks dat we geen onderling contact hebben. Het
is al zeven uur geworden. Te laat om nog inkopen te doen, want de winkels zijn
al gesloten. Dan maar uit eten.
Eerst
de camping zoeken. Die vinden we in Molinaseca niet, dus rijden we maar door.
Er moet ook een refugio zijn. Die vinden we, maar rijden er langs en stoppen
niet eens. Onder een golfplaten afdak, aan de doorgaande weg, in de open lucht,
staan stapelbedden. Er liggen al mensen op en het wordt ook daadwerkelijk als
slaapplaats gebruikt. Het komt niet eens in ons op om te vragen of er een
andere mogelijkheid is.
Dan
maar doorrijden naar Ponferrada. Volgens de routebeschrijving zijn er alle
voorzieningen, dus ook een camping (dachten we). Zowel de camping als de
refugio zijn niet in Ponferrada te vinden. Ze zijn er gewoon niet ! Iedereen
die we aanspreken heeft wel tips, maar geen mogelijkheden. Verder rijden naar
een volgende camping is nog ruim 25 kilometer. Onbespreekbaar. Dan maar naar
een hotel.
We
komen ook een Fransman tegen. Hij bleek degene te zijn, die we in de afdaling
van Cruz de Ferro tegenkwamen. Ook hij is op zoek naar een slaapgelegenheid. De
Fransman spreekt ook goed Spaans, dus wij volgen hem een beetje in zijn (en
onze) zoektocht. Zo rijden we een paar plekken af. Vanwege het vele omrijden is
Thom’s humeur aanmerkelijk gedaald. Uiteindelijk weet de Fransman een paar
redelijk betaalbare hotelletjes in de buurt. We rijden achter hem aan.
Op een kruising
gaan wij naar rechts, de Fransman rechtdoor (naar een vier sterren hotel). Bij
de receptie van het hotel blijkt, dat we er kunnen overnachten. Onze keuze valt
op een tweepersoonskamer. De fietsen kunnen we in een soort opslagplaats onder
het hotel kwijt. De ruimte is afgesloten, dus we nemen het meest noodzakelijke
mee naar de hotelkamer.
Ik ga
me als eerste douchen. Als ik uit de douche kom, blijkt dat Thom verdwenen is.
In de lounge is hij alvast een biertje gaan drinken. Als hij teruggaat naar de
hotelkamer om zich te douchen, werk ik mijn dagboek bij. Er is maar één eetzaal
in het hotel. Die is hartstikke vol als wij willen gaan eten.
We
moeten bijna een uur wachten. Het is tegen half elf als we aan tafel kunnen. Ik
bestel een eenvoudige maaltijd. Eindelijk krijg ik telefonisch contact met
thuis. Ik vertel in het kort onze ervaringen en de plannen voor morgen. Het
gaat goed bij ons thuis. Rob vraagt enthousiast waar we zijn en Peter wil dat
ik snel naar huis toe kom. Hannie heeft
geen bijzonderheden.
Als ik
weer in het restaurant kom, wordt net het eten geserveerd. Ik kijk naar een
moede, uitgebluste Thom. Hij ziet er niet uit. Hij heeft dikke ogen. Het is hem
vandaag erg tegengevallen, vooral het Cruz de Ferro. Hij spreekt uit, dat hij
ook bang is dat uiteindelijk ook Santiago de Compostela tegen zal vallen. In
ieder geval mist hij heel erg zijn gezin. Als ik vraag of er ook nog andere
factoren zijn, antwoordt hij ontkennend.
Pas tegen
half twaalf gaan we weer naar de hotelkamer. Ik zit op bed het laatste gedeelte
van het dagboek bij te werken. Ondanks de vele klimmen van vandaag, voel ik me
niet zo moe. Het is stil op de hotelkamer. Thom en ik hebben nu weinig te
bespreken met elkaar. Eigenlijk verlang ik ook wel een beetje naar het eind van
de reis, Santiago de Compostela.
Ik
geniet nog steeds iedere dag van de natuur en de reis, maar maak me een beetje
zorgen om Thom. Hij is vanmiddag zo 'anders'.
Het
onweert buiten. Thom valt eerder in slaap dan ik.
DAG: 85.4 TIJD:
5.18 GEMIDDELD: 16.0 MAX:
68.5 TOTAAL: 2583.3
DAG 29
Vannacht
ben ik een paar keer door Thom aangestoten. Kennelijk omdat ik weer lag te
snurken. Ik slaap licht en ben vaak wakker. Om half acht sta ik op en ga me
wassen. Als ik klaar ben, wordt Thom net wakker. We spreken af, dat ik vast
naar het restaurant ga. Thom komt een kwartiertje later. Zijn humeur is weer
'gewoon'. Ik vraag er in ieder geval niet naar.
Het is
een wel heel karig ontbijt dat ons voorgeschoteld wordt. Eén broodje, een kop
koffie, een glas jus-de-orange en twee cakejes. Het is tegen negen uur als we
de hotelkamer verlaten. Bij de receptie betaal ik met de creditcard 14000
Peseta’s voor de overnachting en maaltijden. Ik lever de sleutels in. Bij het
laden van de fietstassen merkt Thom, dat hij zijn stuurtas kwijt is. Het laatst
is de tas op de hotelkamer gebruikt, dus die moet er nog liggen. Het blijkt
gelukkig het geval te zijn!
Het is
koud buiten. Voor het hotel ligt een benzinestation. Ik tank nog even wat
benzine voor het brandertje en we kopen nog wat extra te drinken. Het is immers
zondag vandaag. We rijden Ponferrada uit en komen langs een kerkhof voor
stoomlocomotieven. Thom maakt er een paar foto's van. We doen nog even wat
inkopen.
Ik heb
nog honger en in een pannaderia/supermercado kopen we nog wat spulletjes. Onder
ons eten door zien we de wandelaars weer voorbijkomen en groeten elkaar.
Ponferrada inrijden is makkelijker, dan op zondagochtend er uit te komen. De
wegen zijn goed, maar uitsluitend voor automobilisten aangegeven. Vlak voor een
snelweg zien we een man in een loods onder een huis werken. Thom rijdt er naar
toe om de weg te vragen. Het huis leek ineens wel een bijenkorf. Overal gaan de
klapluiken van de ramen open. Zo zie je niets en niemand en zo bemoeit iedereen
zich er mee.
We
blijken goed te rijden. Even voorbij de snelweg moeten we meteen naar links en
zitten zo weer op de route. Na een onverhard pad komen we door Cacabelos,
Pieros en komen zo in Vilafranca del Bierzo uit.
Tijd
voor de koffie, want zo meteen begint er weer een forse klim van een dikke 25
kilometer over een oude N-weg. Af en toe leidt de routebeschrijving ons van
deze weg af en worden we door heel oude dorpen gestuurd. Daar zijn die wegen
over het algemeen héél slecht. We klimmen van 511 meter naar 1110 meter. Na
Ambasmetas wordt het menens. Het stijgingspercentage loopt op naar 10%.
Thom
rijdt in zijn eigen tempo naar boven en wat langzamer, ik er achteraan.
We
spreken boven af. De klim gaat gestaag door. Het is een fantastische natuur
waar ik door heen rijd. Al slingerend gaat het omhoog. Een kleine honderd meter
hoger loopt de 'nieuwe N-weg'. Daar rijdt al het verkeer, voornamelijk
vrachtwagens. Op mijn weg word ik niet één keer door auto's ingehaald. Na ruim
25 kilometer klimmen komt mijn weg uit op de drukke N-weg, waar ik volgens de
routebeschrijving naar links moet. In de laatste kilometer tot aan de top van
de Porto de Padrafita do Ceibreiro (!) word ik ingehaald door een Nederlandse
vrachtwagen van transportbedrijf De Bruin uit Surhuisterveen.
De
wegwijzers wijzen al naar Ceibreiro. Dit is in ieder geval ons einddoel voor
vandaag. Ik ga naar links en zoek Thom. Hij staat buiten te praten met een
groep Duitse Santiago-gangers. Ook op de fiets. Hun tocht is nagenoeg geheel
verzorgd. In het restaurant drinken Thom en ik een biertje.
Het is
al half vier en volgens de beschrijving krijgen we nog een klim van 10 %. Na
een half uurtje gaan we weer op pad.
Nog 200
meter hoogteverschil. Het uitzicht is fantastisch mooi. Vanaf het dorp
Ceibreiro kijken we over een prachtig dal. Het is vrij koud en het waait nogal.
Thom
stelt voor om in de refugio te slapen. Het dorp is heel klein, dus de refugio
is snel gevonden. We lopen naar binnen. Het is er erg mooi, in ieder geval
netjes en schoon. Langs de bedden komen we een bekende tegen: onze Fransman die
we gisteren ontmoetten bij het zoeken naar het hotel. De man ligt er doodziek
op bed. Het lijkt wel of hij een zonnesteek heeft opgelopen! In het Engels
praten we wat met elkaar. Hij heeft teveel van zijn lichaam gevraagd. Hij vond
het verschrikkelijk zwaar vandaag en heeft veel, heel veel moeten lopen. Ook ik
vond het zwaar, maar lopen? En de route maar 40 kilometer? De onze was bijna 60!
Hij laat zijn route zien. Het blijkt dat hij wel een routebeschrijving heeft,
maar die is voor wandelaars! Fransman Jean wil niets van ons hebben: geen eten
of drinken (want iets anders hebben we niet). Het liefst wil hij gewoon even
met rust gelaten worden. Dat doen we ook.
De
refugio is al redelijk vol. Ik overweeg om te gaan kamperen. Niet dat er een
camping is, want daar ik alles veel te steil voor. De refugio: ik vind het maar
niets. Zoveel mensen in een kleine ruimte. Ik overnacht er alleen als het niet
anders kan! Ik loop wat rond het gebouw en een kleine 20 meter hoger vind ik
een duinkom, waar ik mijn tent neer zou kunnen zetten. Er is voor de rest
niets, helemaal niets. Thom kiest toch voor de refugio. Ik niet en zet mijn tentje op en besluit om te
gaan wild-kamperen.
Het
waait steeds sterker. In de refugio was ik mezelf en mijn kleren. Buiten hang
ik het op. De wind zal het wel snel droog krijgen. De kleding hangt strak aan
de waslijn. Thom en ik lopen een kleine 500 meter naar het 'bewoonde gedeelte'
van Ceibreiro. In het piepkleine kerkje leggen we een bezoekje af. We praten ook wat met andere pelgrims. Onder
andere met de organisator van de Duitse groep fietsers.
De zon
gaat langzamerhand onder en het wordt tijd voor wat te eten. In de keuken van
de refugio maak ik een van de laatste noodrantsoentjes klaar. Het zijn nu nog
maar uitsluitend éénpersoons maaltijden. In de verlaten keuken steek ik de
brander aan. Dát had ik beter niet kunnen doen. De brander walmt veel meer dan
ik verwachtte. Snel naar buiten met dat ding.
De ramen zetten we open om de walm te verdrijven. Een beetje in de luwte
van de sterke, koude wind kook ik buiten op de trap het water en maakt het eten
klaar. Binnen eten we het op. De walm hangt er nog een beetje, maar gelukkig
zijn er geen andere gasten die het kunnen merken.
Thom
heeft niet genoeg aan het eten, ik wel. Na het afwassen lopen we weer terug
naar Ceibreiro. In een klein restaurant eet Thom nog wat soep en wat
aardappelen en vlees. Ik beperk mij uitsluitend tot een biertje. We praten nog
wat en gaan tegen 10 uur weer terug naar de refugio.
Het is
ijzig koud geworden. Een koude, straffe wind. Het wordt al wat schemerig. In
een telefooncel bij de refugio bel ik weer naar huis. Rob neemt op en vraagt
hoe het met me is en hoe het gaat. Hannie heeft niet veel te zeggen. Ik ook
niet. Ik zeg dat ik van haar houd. Nog maar 200 kilometer. Thom belt ook nog
even naar huis. We zeggen mekaar goedenacht. Ik loop 50 meter naar boven naar
mijn tent en Thom gaat de refugio binnen. Tjonge, wat is het koud en het waait
behoorlijk. De tent klappert. Ik hoor alles om me heen. Het ritselen, het
hondengeblaf. Snel word ik wat warmer en val snel in slaap.
DAG: 59.4 TIJD:
4.36 GEMIDDELD: 12.8 MAX:
59.1 TOTAAL: 2642.7
DAG 30
Midden
in de nacht word ik een paar keer wakker. Niet van de kou, want het is best wel
te doen. Mijn NOMAD-slaapzak kan het wel aan. Nee, overal hoor ik in het
pikdonker honden blaffen. Blaffen en huilen. Het is ver weg, maar toch. Ik knip
mijn zaklampje aan. Het is half twee.
Opnieuw
word ik wakker. Mijn horloge wijst drie uur aan. Opnieuw van het blaffen en
huilen van honden. Ik val weer in slaap maar om 4 uur word ik weer wakker. Niet
van keffertjes: honden! Als er ééntje begint, wordt het van een andere kant
beantwoordt. Andere kant?, bedenk ik me. Daar staan helemaal geen huizen.
Zouden het loslopende honden zijn? Het lijkt wel of ze contact met mekaar
hebben door het janken en blaffen. Ook lijkt het of het wat dichterbij komt,
het geblaf. Het zal wel verbeelding zijn.
Om half
zes schrik ik wakker. Niet wakker worden, maar: WAKKER SCHRIKKEN ! Ik weet het zeker: er zijn meerdere honden die
met elkaar contact houden door blaffen en langdurig janken. Ze zitten dicht bij
mijn tent. Héél dicht bij mijn tent. Ik hoor het snurkende geluid de beesten
als ze diep ademhalen, voordat het gejank begint! Het zijn er tenminste twee,
mogelijk meer! Zonder te praten vloek ik.
In
ieder geval zijn het loslopende, mogelijk wel verwilderde honden zijn. Wat zijn
ze van plan? Het gejank zit voor mijn gevoel op nog geen 50 meter van mijn
tent, mogelijk zelfs dichterbij. Het is nog pikdonker. Ik durf geen geluid te
maken. Wat zijn die beesten van plan? Aan het geblaf te horen, zijn ze
tenminste van het formaat Duitse herder.
Weer
dat gejank. Blijf ik in de tent? Wat kan ik anders? In ieder geval zoek ik mijn
Leatherman-zakmes en lamp. Ik klap het mes open en leg het boven op mijn
slaapzak. Op mijn rug staar ik naar boven. Het is nog pikdonker. Ik bereken
mijn kansen en mogelijkheden. Ik voel mijn hartslag bonken. Hartslag 180, schat
ik. Ben ik bang? Ja. Ik ben bang. Moet ik in de tent blijven? Is het verstandig
om te blijven? Straks ruiken ze het eten wat ik nog in de tent heb en gaan ze
écht op zoek! Is de refugio nog open? Ik denk het wel. Ver? Nou, toch wel een
50 meter naar beneden lopen.
Weer
het gejank. Het lijkt weer dichterbij. Shit!. Wat moet ik doen?
Zachtjes
rits ik de slaapzak open. Laat ik in ieder geval dan maar even buiten kijken of
het al wat licht wordt. Met in de ene hand het zakmes, rits ik om maar zo min
mogelijk geluid te maken tandje voor tandje de binnentent open. Ik kan nog
niets zien. Donker. Ik pak in de hand van het mes ook de zaklamp erbij. Tandje
voor tandje maak ik de rits van de buitentent open. De tent is voor de helft
open.
Weer
dat gehuil van honden! Voor me gevoel staan ze NAAST mijn tent.
Ik
bedenk me niet. Rits open. Linkerhand lamp, rechterhand het mes. In mijn
onderbroek, op blote voeten HOLLEN, RENNEN! De honden blaffen! Twee, die, vier
honden; ik weet het niet. In het schijnsel van mijn zaklamp ren ik zo snel als
ik kan naar de refugio. Blaffen. Ieder moment verwacht ik van achteren gegrepen
te worden! Ik voel ze niet, ik zie ze niet, maar ze zitten achter me aan. Ik
storm de refugio binnen. De deur is gelukkig open. De glazen deur dendert open
en ik draai me meteen om. Ik zie niets in het donker, maar hoor de honden wel
tekeer gaan. Mijn hartslag heeft een wereldrecord bereikt. SHIT!!, denk ik
weer.
In de refugio
voel ik me nu in ieder geval veilig. Ik loop naar de keukenruimte en ga op een
houten bank zitten. Het is nog geen kwart voor zes. Wachten maar tot het licht
wordt. Het is koud in mijn blote body, maar ik durf nog niet terug te gaan naar
de tent. Door het open raam hoor ik nog steeds honden blaffen. Kwart over zes
komen de eerste wandelaars de keuken binnen. Ze zien me zitten en kijken wel
een beetje vreemd naar me.
Ik vind
het een beetje gênant, want ze kijken naar een kerel, uitsluitend in z'n onderbroek
en bij zich een zakmes en een zaklamp. Ze vragen niets aan me, kijken me niet
meer aan. Het zijn Spanjaarden. Wat voel ik me lullig. Het is al kwart over zes
en het wordt al wat lichter.
De zon
komt heel voorzichtig op. De drie wandelaars zeggen nog wel ADIOS tegen me en
vertrekken. In de gang hoor ik nog meer mensen. Ik besluit om maar terug te
gaan naar de tent. Ik verzamel mijn moed en ga naar buiten. Mijn mes
opengeklapt. Ik loop rechts om het gebouw en ga voorzichtig naar boven,
richting tent. Ik ben angstig, maar toch benieuwd wat ik aan zal treffen. Is
mijn tent leeg gevreten? Voorzichtig kom ik boven en kan de 'duinkom' overzien.
Op nog geen tien meter afstand van mijn tent zitten drie honden. Formaat:
Duitse herder. Ras: onbekend. Janken: ja, twee. Teruggaan heeft geen zin: ik
klem het mes wat steviger in mijn hand en loop door. Ze krijgen me in de gaten.
Eén staat op en loopt meteen weg. Ik merk, dat de andere twee honden twijfelen.
Ik loop door en ben ze op nog geen twintig meter genaderd. Ik loop door. De
vertwijfeling bij de honden slaat toe, als de tweede hond ook gaat staan en
zijn voorganger nakijkt. Ik loop door. De twee overgebleven honden staan nu
allebei. Ik loop resoluut door. De beide honden draaien zich om en lopen weg.
Ik loop nog steeds door. Bij de rits van de tent gekomen, leert een snelle
blik, dat ze niet ín de tent geweest zijn. Ik grijp wat kleren en doe wat warms
aan. Ondertussen houd ik de dieren in de gaten, maar die verdwijnen uit het
gezichtsveld. Ik voel dat ik tril. Kou? Spanning? Afreageren?
Ik duik
mijn tent in en kleed me alvast aan met mijn wielrenkleding. Ik kleed me warm
aan. Pet op, lange broek en windjack. Ik heb nog wel even de tijd, voordat Thom
wakker zal worden. De zon komt van de rechterkant van mij op. Eerst dieprood,
later geel. Ik kijk over het dal. Er ligt een enorm wolkendek in het dal.
Een
fantastisch gezicht! Een foto waard, denk ik en voeg de daad bij het woord.
Het is
koud, steenkoud. De zon komt steeds hoger. Het is inmiddels half acht en ik
besluit om maar alvast mijn tent op te gaan ruimen. Op het gemak, want ik heb
nog alle tijd.
Juist
als ik al klaar ben, zie ik dat Thom naar boven komt. Het is al bijna acht uur.
Hij wenst me goedemorgen en ik vertel hem mijn hachelijk avontuur. Samen eten
we muesli met warme melk. Samen kijken we naar het wolkendek onder ons, wat het
hele dal onzichtbaar maakt. Een werkelijk schitterend schouwspel.
Het is
al negen uur dat we bij de refugio weg willen gaan. Jean, de Fransman, staat al
beneden op ons te wachten. In tegenstelling tot ons, is hij in een korte
wielrenbroek gekleed. Fout Jean, verzorg je lichaam! We bieden hem aan met ons
op te rijden, maar daar zie hij van af.
We
gaan. Eerst een korte afdaling, maar daarna een klim eerst naar Hospital op 1270
meter en daarna over de Porto El Poyo naar 1335 meter. Het gebeurt niet vaak,
maar dit keer was ik eerder dan Thom. Ik maak nog even een foto van hem als hij
het laatste stukje klimmen overbrugt. We zijn nog geen 10 kilometer, maar wel
een uur verder. Boven op de top gaan we even een kop koffie drinken. Het is
inmiddels al lekker weer geworden en de lange broek kan uit.
Er
komen veel wandelaars aanschuiven: een Braziliaan, een Duitser, maar ook een
Engelse vrouw. Ze heeft een behoorlijk ontstoken ringvinger. Ze wil een dokter
bezoeken om de pijn van infectie te verminderen. Om haar pijn een beetje te
verminderen, leg ik bij haar een waterverbandje aan. Er komt ook een
Nederlandse vrouw uit Ouderkerk aan de Amstel bij ons aan tafel. Ze stelt zich
voor als Boukje Stopper. Ze reist helemaal alleen, net als zoveel anderen. We
blijven nog even zitten, maar het is al ruim kwart over tien als we weer op pad
gaan.
Een
korte afdaling, maar daarna toch weer een kleine klim. Er loopt een boer met
een kudde koeien midden op de weg. Thom maakt een foto. Daarna is het
uitsluitend afdalen. Heerlijk. Mooie, gladde wegen met lange en ruime bochten.
Geen trap hoeven geven en toch makkelijk 50 kilometer per uur naar beneden
suizen. Veertien kilometer lang! We rijden door Samos. In een kleine supermarkt
kopen we wat te eten en drinken. Als we buiten komen, komt Jean net langs. Hij
is doodmoe. Met zijn GSM belt hij om zijn terugreis te regelen. Wij rijden weer
door en laten hem achter. In een bocht aan een riviertje vinden we in een
schaduwrijk plekje een picknickplaatsje. De inmiddels traditionele soep,
gevolgd door een kop koffie wordt gemaakt. We eten brood met kaas en blijven
kijken naar wat werklui, die een soort dam aanleggen.
Na een
klein half uur gaan we weer verder. Er moet wat meer geklommen, maar ook
gedaald worden. Na twaalf kilometer komen we in Sarria aan. Een tamelijk grauw
stadje met hoofdzakelijk één doorgaande weg. In de stad kopen we beiden nog een
fotorolletje. Ook komen we weer wandelaars tegen. Met een Belgisch echtpaar
maak ik even een praatje. Richting Portomarin moeten we. Na de spoorwegovergang
krijgen we meteen een klim van vier kilometer te doen. Daarna weer klimmen (ook
zo'n vier kilometer) maar dan wat minder extreem. Toch zitten er venijnige stukken
tussen. In de klim komen we Jean weer tegen: hij eet wat en groet ons. Wij
rijden door. In Pacios gaan ook wij wat eten. We stoppen even bij een monument
voor een pelgrim, die aldaar verongelukt is. Het is nog een paar kilometer
klimmen. Dan volgt een mooie afdaling naar Portomarin. Thom rijdt ver vooruit.
Ik neem de tijd om even een foto te maken van de brug over het meer. Juist als
ik mijn fototoestel opruim, zie ik hem over de lange brug rijden. Ik schat dat
hij wel drie kilometer voor mij uitrijdt.
Ik ga
ook de afdaling in. Onderaan staat Thom al op mij te wachten. Hierna moeten we
linksaf, opnieuw een brug over, in de richting van het dorp Portomarin. Het is
nog redelijk vroeg, half vijf. De camping wordt door middel van borden
aangegeven. We rijden door Portomarin en volgen de borden. Het gaat naar
beneden, eerst rustig, daarna steiler. Steeds verder en verder worden we van
Portomarin afgeleid. Gaan we terug? Even overwegen we het, maar rijden toch
door.
We
dalen verder in de richting van het meer van Portomarin. De weg loopt dood en
we komen voor een groot ijzeren hek. Twee blaffende honden begroeten ons. Het
is toch echt de camping. Bij de receptie melden we ons. Een vrij jonge vent is
verbaasd, maar begeleidt ons. Het hek gaat open en we kunnen naar binnen. De
honden blaffen niet meer. De campinghouder loopt ons voor over het royale veld.
Er staan nog paarden. De paarden worden verjaagd naar een lager gedeelte van
het terrein.
Het is
nog warm. Thom en ik hebben alle ruimte. Er is niemand anders op de camping,
alleen wij beiden. Op ruime afstand van mekaar zetten we de tent op. Thom rolt
zijn slaapmatje uit en gaat liggen. Prima idee. Ruim drie kwartier later word
ik wakker. Hondengeblaf. Er komt een auto met caravan de camping oprijden. Ook
Nederlanders. Een ouder echtpaar met een minicaravan, een Eriba. We begroeten
elkaar en terwijl Thom en ik ons douchen, stellen zij de caravan op. Het is
heerlijk weer. Thom en ik wassen de kleding en hangen dit te drogen op. We
vragen en krijgen wat wasknijpers.
De
Nederlandse, Drentse buurvrouw komt even later langs met de vraag of wij beiden
zin hebben in een koud biertje. Nou..... Thom vertelt haar met een staalhard
gezicht dat wij wel koud bier lusten, maar het mijn schuld is, dat dat niet
lukt. ‘Mijn fietsmaatje Ruud heeft vergeten om dieselolie voor het aggregaat te
kopen en nu doet onze koelkast het niet meer. We hebben wel bier, maar zeker
geen KOUD bier.’ De vrouw kijkt Thom aan of ze tegen een ruimtewezen staat te
praten... Even later lacht ze als een Drentse boerin met enig kiespijn en
begrijpt enige tijd later onze vreemde humor. Toch krijgen we onze beloofde
koude biertjes. Met z'n vieren kletsen we wat. Zij zijn beiden gepensioneerd.
Met de oude Eriba en iets jongere Toyota zijn zij in ieder geval op weg naar
Santiago de Compostela. Niet via de autoroute, maar binnendoor. Zij volgen
daartoe dezelfde route, die wij ook volgen. Ruim een uur zitten we bij elkaar.
Inmiddels
hebben we trek gekregen en willen eten. Naar Portomarin is het zeker een vier
kilometer klimmen. Bij navraag bij de campingbeheerder, blijkt dat we ook op de
camping kunnen eten. Wat kunnen we eten? Ik kom er niet uit. De man legt uit
dat zijn moeder kookt. Muebien. Ach, we laten ons maar verrassen. Jammer en helaas, we
moeten buiten eten. Binnen is een vergadering van de lokale stamhoofden. Daar
kunnen we niet terecht. Het is inmiddels wat meer gaan waaien en we zitten
bovendien in de schaduw. Toch heeft het wel wat. We zien wel wat we te eten
krijgen. Het wordt een verschrikkelijk grote pan met soupa, salade en: spareribs. Goed gemarineerd en erg lekker.
Het is smikkelen en smullen!
Inmiddels
is het al weer 10 uur en ik bel nog even naar huis. Ik vertel Hannie dat het opschiet.
Nog een ruime 100 kilometer en dan zijn we er. Toch trekken we er even zo goed
toch nog twee dagen vooruit. We hebben tijd en het is lekker relaxed fietsen.
Met een wederzijds 'ik hou van je' sluit ik het gesprek af. Ik loop terug naar
de tent. Heh, het schiet op. Nog maar twee dagen. Dan zijn we er! Ik duik om
half elf mijn tent in.
DAG: 72.6 TIJD:
3.55 GEMIDDELD: 18.4 MAX:
59.0 TOTAAL: 2715.3
DAG 31
Ik heb
heel goed geslapen en word pas om half acht wakker. Ik ben uitgerust. Het lijkt
wel alsof de stress van het 'moeten rijden' er een beetje af raakt. We komen
immers binnen de onze gestelde termijn, dus op tijd, in Santiago aan. Het is
stil buiten. Het weer is wel iets veranderd. Er is aanmerkelijk meer bewolking.
Het is niet koud. Ik ga me wassen. Thom is nog niet wakker en ik laat hem nog
even liggen. In de tent werk ik mijn dagboek bij. Na een klein kwartiertje komt
Thom langs. Hij merkt dat ik al op ben. Ik ruim de tent verder op. Met Thom ga
ik weer naar het restaurant.
Daar
hebben we een petit-dejeuner besteld. Nu mogen we wel binnen eten. Het eten is
goed verzorgd. Zoveel koffie als we maar willen. Meteen rekenen we af en gaan
weer terug naar onze fietsen. We nemen afscheid van onze Drentse vrienden.
We
verlaten de camping via een ander hek en worden door de Nederlanders
nagezwaaid. Meteen: klimmen. We rijden eerst door tot in het dorp van
Portomarin. In de refugio willen we een stempel halen. Er is niemand. Het wordt
een beetje 'zelfbediening': we stempelen onze eigen geloofsbrief. Thom komt tot
de ontdekking, dat we geen bijdrage hebben gegeven voor onze overnachting
gisteren, in Ceibreiro. Als gebaar van goede wil, storten we nu wat geld in het
potje van deze refugio.
Thom
maakt nog even een paar foto's van de herbouwde kathedraal. Dit gebouw stond
aanvankelijk enige honderden meters lager op de heuvel. Maar vanwege het hoge
water van het meer is het gebouw steen voor steen afgebroken en in de
oorspronkelijke staat op een hoger gedeelte opnieuw herbouwd. De nummers van de
stenen zijn nog steeds zichtbaar. Na dit korte oponthoud gaan we weer op pad.
De eerste veertien kilometer zijn nagenoeg uitsluitend klimmen. Het valt me op
dat de natuur steeds meer verandert.
Was het
aanvankelijk veel bossen, nu wordt het een steeds kaler landschap. De dorpen
bestaan steeds meer uit een enkele rij huizen langs een doorgaande weg. Palas
de Rei rijden we nagenoeg ongemerkt voorbij. Opnieuw komen we weer op een brede
N-weg: de N547. Er is veel verkeer. In de vijftien kilometer naar Melide moeten
we geregeld weer op de pedalen. In een klein weiland gaan we weer even wat
eten, soep en koffie drinken.
De
route naar Melide is breed, heuvelachtig, maar behoorlijk eentonig. In een klim
zien we in de verte Jean, onze Fransman. Er zit absoluut geen kracht meer in.
Dat zie zelfs ik nog. Thom geeft even wat gas bij en terwijl hij inhaalt,
grijpt hij zonder wat te zeggen de Fransman onder het zadel en duwt hem de berg
op. Jean schrikt zich werkelijk te pletter, bijna een hartaanval nabij. We
rijden een tijdje beurtelings naast elkaar. Jean wil ten koste van alles toch
vandaag Santiago halen. We kijken hem een beetje weemoedig aan: gelet op zijn
conditie is het een vrijwel onmogelijke opgave! Hij trapt zwaar, maar in
hetzelfde tempo door. Een tijdje blijven we bijeen rijden, maar na een kwartier
blijkt, dat het onderlinge fietsvermogen toch wel behoorlijk uiteen ligt.
Thom en
ik nemen opnieuw afscheid van Jean en rijden door. Melide is een sobere stad.
Eén lange rechte weg met aan beide zijden een rij huizen. Ondanks de
doordeweekse dag is er niets te beleven. Een spookstad.
En hoe
het mogelijk is, de in de routebeschrijving genoemde afslag Rabadella vinden we
niet. Dan rijden we maar door over de N547. Het is er gelukkig niet druk. Weer
wat lange klimmen tussen de drie en vier kilometer. Het gaat me gelukkig goed
af, het klimmen. In het dorp Arzúa is een dorpsplein.
We
stoppen er en bestellen een glas wijn. Het is niet echt warm. De zon is
verdwenen en we zitten in de wind. Eigenlijk is het nét behaaglijk. We kijken
naar de mensen op het plein. Een lokale dorpsgek met plastic laarzen aan wordt
door een aantal jonge meiden in de maling genomen.
Het is
al bijna vier uur. Daar komt Jean aan! Ik spring op en bied hem een glas wijn
aan. Jean jammert. Het gaat niet goed, maar hij wil toch vandaag Santiago de
Compostela bereiken. Het doet een beetje vreemd aan: een vent van 50 jaar, die
ten koste van... (wie) zichzelf wil bewijzen dat hij toch in staat is om ...
(wat) te bereiken. Jean blijft niet lang bij ons: een kwartiertje, dan moet hij
al weer verder.
Wij
rijden naar de camping. Het is weer wat terug rijden, een paar kilometer. Het
is nagenoeg dezelfde spookstad als Melide. De camping is een afslag naar
rechts, naar beneden. Na een dikke kilometer komen we er aan. Een klein
terreintje. Het is in etages gebouwd. Boven de tenten, onder de caravans. We
zetten de tenten ruim uit elkaar op. Net als gisteren zijn wij toch de enige
kampeerders.... Heh, even op het matrasje in het gras liggen... Ik word weer om
vijf uur wakker!
Even
douchen en de kleding voor de laatste keer wassen. De douche is voor
kleinduimpjes. Zelfs voor de kleding is geen plaats en die hang ik maar buiten
op. De deur kan niet dicht. So what, er zijn toch geen ander campinggasten. Als
ik me buk om mijn benen te wassen, stoot ik met mijn kop de douchedeur open en
kijk in adamstenue over de (lege) camping...
Na de
wasbeurt rijden we in 'gewone' kleren weer terug naar Arzua, om wat inkopen te
gaan doen. Thom belt eerst naar de busmaatschappij om te controleren, dat wij
daadwerkelijk op vrijdag mee kunnen. 'Niente probleme'. In de tegenovergelegen
supermercado kopen we pasta, saus, vlees, toetje, sinaasappel en een fles wijn,
een goede fles wijn. De filiaalhouder helpt ons. Hij wijst de goede wijnen aan.
Maar van 2000, zakken we af naar 500 Peseta’s. Die wijn voldoet ook aan onze
norm van ´goede wijn´. Met vier volle boodschappentassen rijden we weer terug
naar de camping.
Het is
redelijk koud buiten en er staat vrij veel wind. Samen maken we het eten. Het
smaakt me meer dan prima. Ook drinken we wat wijn. Ieder twee bekertjes. Na het
afwassen gaan we in het kleine restaurant een kop koffie drinken. Het dagboek
wordt bijgewerkt. De koffie is op en wordt bij Thom vervangen door bier. Ik neem
een rum-cola. Terwijl ik het dagboek bijwerk, denk ik dat ik maar vroeg ga
slapen. Morgen de laatste 50 kilometer. Dan zijn we er, in Santiago. Ik heb nog
geen idee wat me zal overkomen. Voorlopig voel ik nog niets. Geen emoties, geen
opluchting of zelfs een voldoening van: ik ben er! Het fietsen is mooi,
inspannend, ontspannend, indrukwekkend, maar ik ben het zeker niet zat. Ik leef
ook zeker niet naar het einde toe.
Is
Santiago een hoogtepunt? Ik weet het niet, voorlopig voel ik dat niet als
zodanig. Morgen ben ik er. Ruim 2800 kilometer gefietst. Ik verlang weer naar
huis. Naar Hannie en de kinderen.
Er gaan
ook geruchten dat Franse
vrachtwagenchauffeurs de tolwegen zouden blokkeren. Als het té gek wordt nemen
we desnoods maar het vliegtuig terug naar huis. Rond half tien bel ik naar
huis. Ik krijg eerst Rob aan de lijn, die heel belangstellend is. Waar ben je,
hoe gaat het? Dan Hannie. Fijn om haar weer te horen. Zij zegt dat de staking
van de vrachtwagenchauffeurs vanavond al voorbij zou zijn. Afwachten, dus. Ik
maak me er niet zo druk om. De fietsvakantie is bijna afgelopen.....
DAG: 59.0 TIJD:
3.55 GEMIDDELD: 15.0 MAX:
56.0 TOTAAL: 2774.3
DAG 32
Hondengeblaf
op afstand. Ik word er een paar keer wakker van. Toch slaap ik goed. Rond half
acht word ik wakker. Het lijkt wel of
het licht gaat regenen. Het is ook erg grauw buiten. Ik was me en ruim
de spullen in. Tijdens het inruimen wordt het duidelijker: af en toe valt er
een stevige druppel. Ik ruim de tent wat sneller op en rijd de fiets onder het
afdak voor het restaurant. Thom is nog niet zo ver. De korte, felle buien
veranderen in een meer permanente regen. Eerst druppels, daarna met bakken! We
staan samen onder het afdakje. De campingbeheerster kijkt ons medelevend aan.
Thom wil aanvankelijk niet in de poncho gaan rijden, maar heeft geen keuze. Ik doe het in ieder geval wel en
uiteindelijk: Thom ook.
De klim
naar de hoofdrijbaan is pittig. Het is niet koud en de regen valt loodrecht
naar beneden. Gelukkig is het niet druk op de N547. We gaan linksaf, onder een
viaduct, richting Touro. Na zo'n 18 kilometer gaan we in Touro in een cafeetje
een kop koffie drinken.
De
fietsen stallen we voor het café. Twee knapen hebben enorme belangstelling voor
onze fietsen, maar halen geen kattenkwaad uit. Het regent nog steeds, hoewel
het af en toe wat minder wordt. Na een uurtje gaan we weer verder. Het wordt
onderweg steeds droger.
Na
Rodino is het nog best wel wat klimmen. Vlak voor Santiago gaan we in een
zijweggetje nog even wat eten. In het bos. Ik ben een beetje opgewonden. Thom
ook, lijkt me. In de verte zien we op de heuvels veel woningen. Is dat
Santiago? Zijn we er nu bijna? We verwachten het beeld op de Vreugdeberg. Het
beeld wijst naar de kathedraal in Santiago. We komen het beeld niet tegen. Wel
komen we in de buurt van de stad, die omgeven is door een snelweg. Het is toch
inmiddels droog geworden. Het is aanhoudend klimmen en dalen.
Thom
geeft een lichte schreeuw: JA, DE KATHEDRAAL!
In een
bocht ontdekt hij als eerste de twee imposante torens van de kathedraal van
Santiago de Compostela. Ik zie ze nu ook. We zetten de fietsen aan de kant. Pak
je beker!, zegt Thom. Hij doet het ook. Met een laatste slok wijn van de fles
van gisteravond toasten we. Met de zelfontspanner maakt Thom ook een foto van
dit moment.
We zijn
er! Maar ook de laatste kilometers naar onze eindbestemming krijgen we zeker
niet cadeau. Weer moeten we fors op de pedalen. Het gaat redelijk op vleugels.
Onder
het spoorwegviaduct door moeten we nog een heel forse, steile klim nemen.
Tussen de auto’s door laveren we door de stad. Linksaf, rechtsaf en
uiteindelijk komen we op een redelijk groot, maar druk plein.
Midden op staat een gebouwtje van de VVV. We gaan naar binnen en vragen naar
overnachtingsmogelijkheden. Thom wil in de refugio. Ik niet. De camping is ook
geen alternatief, want het is erg nat geweest. Dan maar een hostal. De mevrouw
van de VVV geeft ons een adres. Met de fiets aan de hand, moeten we lopend de
binnenstad in.
Nog
geen tien meter lopen we het voetgangersgebied binnen: daar is Jean! Geschoren
en tiptop gekleed! Hij was toch gisteravond aangekomen. Totaal kapot. Hij wijst
ons zijn hostal (naast de VVV) en we spreken af, dat wij hem om 20.00 uur
ophalen voor een gezamenlijk diner.
We
nemen afscheid en lopen door. Eigenlijk gaan we eerst naar de kathedraal. Heel
gemakkelijk vinden we het enorme binnenterrein met de imposante kathedraal. In
volledige fietsbepakking fotograferen wij elkaar en laten ons daar
fotograferen. Daarna gaan we weer op zoek naar onze hostal. De door de mevrouw
van de VVV bedoelde hostal is vol. Er kan niemand meer bij. De hostellier helpt
ons verder op weg. In het oude dorp is er nog een hostal: EL RAPIDO.
Wij op
zoek naar de hostal. Het moet ergens boven een café zijn. Maar: daar barst het
in de binnenstad van. Net als de restaurants en souvenier winkeltjes. In het
restaurant melden we ons. Een oude vrouw geeft ons informatie. We begrijpen
elkaar niet zo goed (of ze doet alsof). We krijgen geen duidelijke informatie
wat ons twee overnachtingen gaat kosten. Zij toont ons de kamer. Heel
eenvoudig. Nogmaals: wat kost het? Ze schrijft het op: 5000 Peseta’s voor twee
personen. Oké, we gaan akkoord.
Het is
zeker niet luxe, maar we hebben tenminste een bed! De fietsen kunnen in de hal.
Onze fietstassen slepen we naar boven. De kleine kamer is snel ingeruimd en
gaan we even douchen. Ik kleed me aan: witte sokken, bootschoenen, lange broek,
ons T-shirt en mijn blauw fleecejack.
Samen
met Thom ga ik weer terug naar de kathedraal. Een enorm imposant gebouw. Er
zijn veel mensen, permanent. We gaan wel gezamenlijk naar binnen, maar in de
kathedraal zoeken we afzonderlijk ons eigen weg. Het gebouw wordt momenteel
verbouwd. Er is enorm veel bladgoud. Een enorm orgel staat in het midden van
het gebouw. Ik loop door de kathedraal. Ik heb me voorgenomen om voor een
aantal dierbaren juist in deze kathedraal een kaarsje aan te steken. Het is een
deceptie. Een kaarsje aansteken gaat niet: er zijn wel een aantal houten
bakken, waar plexiglas over heen ligt. Er bestaan wel tien van die bakken:
groot 2 bij 0,5 meter. In de bak zijn tientallen 'kaarsjes'. Je moet er eerst
10 Peseta’s in een gleuf duwen, dan gaat er één van de elektronische kaarsjes
aan. Fluctuaties in de stroomvoorziening zorg er voor, dat het lijkt dat de
'kaars flakkert'. Gatver... Ik steek geen 'kaarsje' aan. In ieder geval vond ik
dít een enorme teleurstelling.
Thom en
ik treffen elkaar weer, gaan naar buiten en vinden een terrasje. Aan de rand
van het voetgangersgebied bestellen we een biertje. Ook hier zitten we nét en
daar komt het Drents echtpaar uit Portomarin langs lopen. We herkennen elkaar.
Het is nu ónze beurt om een biertje weg te geven. Nog even wordt er wat met
elkaar gepraat en dan nemen voor de tweede keer afscheid.
Thom en
ik gaan weer terug naar onze hostal om onze geloofsbrief op te halen. We willen
de geloofsbrief overhandigen om de Compestellana te verkrijgen. Daarstraks
waren we er al, maar toen werd er net gesloten. Het is al druk met pelgrims. We
komen de Duitse fietsers tegen, die we in Ceibreiro tegen waren gekomen. Thom
en ik zijn aan de beurt. Een vrouw inspecteert onze geloofsbrief aan de hand
van de stempels. Ze schrijft een Compostelaat uit voor Thom.
Als ze
mijn Compostellana wil schrijven vraagt ze naar mijn geboortenaam: Rudolf. Ze
zoekt de naam op in een groot boek en begint te schrijven.
Na de
vierde letter interrumpeer ik haar. Ik zie dat ze Rodulf schrijft. Glimlachend
legt ze uit: LATIN. En ze schrijft voluit: Rodulfum Stolte. Aan een
naastliggende tafel zit een man van middelbare leeftijd. Hij is in het zwart
gekleed. Duidelijk een geestelijke.
Hij
staat ons beiden vriendelijk te woord. Waar komen we vandaan, hoe ver we
gereden hebben, was het een zware tocht, enzovoort. Hij tekent met een mooie
handtekening de Compestellana. Het kostbaar relikwie nemen we dankbaar in
ontvangst en brengen het meteen naar de hotelkamer.
Tegen
half acht gaan we naar de hostal van Jean. Het ziet er aanmerkelijk luxer uit,
dan onze El Rapido. Een receptionist vangt ons op en vraagt of wij even op de
heer Remazeilles willen wachten. Er is een aparte ontvangstruimte, inclusief
TV. We wachten. Het is al acht uur en Jean verschijnt nog steeds niet. We geven
hem nog even, onze Franse vriend. Tien over acht, uiterlijk. Alsof hij het
wist. Tien over acht komt hij binnen en verontschuldigt zich. Gezamenlijk gaan
we naar de binnenstad. Jean weet voor ons een goed restaurant.
Wij
volgen hem, want hij weet de weg. Binnen zegt Jean dat we Vieira moeten eten.
Een oester, gereserveerd in een traditionele schelp de Saint Jacques. Je moet
er tenminste twee eten, zegt Jean. Eén Vieira kost 900 Peseta’s. Wat maken de kosten
ook uit. Het is tenslotte ons feest! De ober komt langs en neemt de bestelling
op. Twee Vieira, razorblades (een Engelse vertaling van een schelpdier in een
lange schelp) en inktvis. De Vieira is wel lekker, maar dat komt hoofdzakelijk
door de saus, waarin de oester is gedompeld. De razorblades zijn ook wel lekker
van smaak. Op een houten bord wordt de inktvis geserveerd. De moten zijn vrij
groot en hard. De cayennepeper is overdadig aanwezig en houdt de inktvis op
smaak. Ik ben er niet kapot van.
De wijn
vloeit rijkelijk onder aanvoering van Jean. Als Jean de ober roept, reageert
deze niet meteen. De ober heeft meer aandacht voor twee voetbalspelers van het
team van Santiago die ook in het restaurant zijn. Jean is er zichtbaar boos om.
Als hij de ober in (naar mijn gevoel) vloeiend Spaans even duidelijk maakt dat
dit geen correcte behandeling is, buigt de ober alsnog als een knipmes. Jean
staat er op om de totale rekening te betalen ('Because you're my Dutch
friends').
We gaan
met Jean nog ergens anders wat drinken. Jean geeft ons zijn adres. Als we ooit
in de buurt van Biarritz / St Jean de Luz zijn, moeten we beslist een keer
langskomen! Het is al vrij laat als we definitief afscheid nemen van Jean. Om
half zes moet hij het vliegtuig halen. Thom en ik gaan nog even een afzakkertje
halen. Eén biertje in het tegenover ons gelegen restaurant. Redelijk
aangeschoten zoek ik om half twee mijn bed op.
Ik
kleed me uit en val snel in slaap.
DAG: 53.1 TIJD:
3.50 GEMIDDELD: 13.7 MAX:
50.3 TOTAAL: 2827.4
DAG 33
Ik heb
héél goed geslapen. Thom ook. Als ik hem vraag of ik vannacht nog gesnurkt heb,
zegt hij dat hij mij niet gehoord heeft (oorzaak drank?) We nemen vandaag een rustige
dag. Inkopen doen, de kathedraal bezoeken, de fietsen in orde maken, de stad
in. Lekker rustig. Eerst richt ik de tassen opnieuw in.
Alles
wat ik niet meer nodig heb, gooi ik ook meteen weg. Zelfs het aller-,
allerlaatste eenpersoons noodrantsoentje. Uiteindelijk is één van mijn
voortassen helemaal overbodig geworden en kan ik in één van de grote tassen
kwijt. We doen heel relaxed. We 'moeten' niet meer.
In het
dorp gaan we te voet naar SAIA, de busmaatschappij, die ons morgen weer terug
naar Nederland moet brengen. Het is een hele tippel. De vriendelijke SAIA
mevrouw legt ons uit wat we moeten doen. In tegenstelling wat we aanvankelijk
te horen kregen, moeten de fietsen wel degelijk in een kartonnen doos vervoerd
worden. Uiterlijk zeven uur moeten we er zijn om ons in te checken. Ze geeft
ons een adres, waar we de fiets kunnen laten verpakken.
Op zoek
naar de fietsenwinkel. We vinden er één, maar dat is niet de bedoelde winkel.
Binnen vragen we om twee kartonnen fietsdozen. Met handen en voeten leggen we
het uit. De vrouw begrijpt ons. Ze vertelt ons, dat we ná vijf uur terug kunnen
komen, dan heeft ze de fietsdozen.
We
lopen weer terug naar het centrum. Daar lopen we wat rond en komen ook op een
permanent boekenmarkt. Het is al bijna 12 uur. Dan begint één van de twee (en
soms drie) pelgrimsmissen die iedere dag in de kathedraal gehouden worden. De
kathedraal is nagenoeg vol. Enorm, wat een mensen. Ik durf geen schatting te
maken, maar het zijn er wel heel veel. De mis duurt ruim drie kwartier. Ik
versta en begrijp er niets van. Aan het eind van de mis wordt een 1.50 meter
groot wierookvat aan een vuistdik touw door wel zeven geestelijken geslingerd.
Het is
inmiddels al bijna één uur. Zoals afgesproken, scheiden de wegen van Thom en
mij zich voor vanmiddag. Thom wil graag een middagje alleen zijn. We spreken
af, dat we om 17.00 uur in de hostal elkaar weer ontmoeten. Ik slenter door het
wel zeer toeristisch ingestelde Santiago. Af en toe valt er een korte bui. Ik
zoek iets om mee naar huis te nemen. Maar wat? Het meeste is echt prullaria.
Dan maar niets kopen.
Rond
15.00 uur loop ik door een van de steegjes. Op een terrasje zie ik Thom met
Corrie, Harrie, Jeanne en Tom (de ligfietsers) zitten. Ik sluit aan. Het
weerzien is hartelijk. Ze zijn nét aangekomen en zijn nu in gezelschap van
Brian, een Engelsman. Even nog wat drinken en we spreken af, dat we elkaar om
20.00 uur ontmoeten om gezamenlijk te gaan eten. Wij blijven nog even bij
Corrie en Harrie. Als hen de Compestellana uitgereikt wordt, maken we daar even
een foto van.
Ik loop
met hen op naar de VVV, want ze zoeken een overnachtings mogelijkheid. Daarna
gaan Thom en ik op de fiets naar de fietsenwinkel. De fietsdozen moeten gehaald
worden. De mevrouw heeft de fietsdozen al klaar staan. Eén grote en een kleine
doos. Thom's frame is groter, dus ik kies de kleine doos. De doos moeten we
kwijt. Morgenochtend kunnen we niet EN met volle bepakking EN met de doos
rijden. Waar laten we die dozen? Thom stelt voor: op het busstation. We laten
de doos wel achter. Ik vraag het de vriendelijke SAIA mevrouw. Geen probleem.
De fietsdozen kunnen we daar wel kwijt, mits we ze wel vóór half zeven ophalen.
Op de terugweg doen we ook meteen wat inkopen voor morgenochtend. Wat te
drinken, broodjes en wat te snoepen. Ik denk dat we klaar voor de terugreis
zijn. De fietsen worden weer in de hal van EL RAPIDO geplaatst. Thom moet nog
wat inkopen voor het thuisfront doen.
Wij
spreken in ieder geval om 18.00 uur af bij de Tourist Information in het
centrum van Santiago. Corrie en Harrie willen het liefst naar de camping. Ik ga
weer verder om wat spulletjes te kopen. Het is (en wordt) prullaria. Twee
sleutelhangers. Meer niet. Ik sta om zes uur bij de Tourist Information. Daar
zouden we een tweetal posters van Santiago ophalen. Het is kwart over zes en
Thom is er nog niet. Ik maak de inschatting, dat hij mogelijk bij de VVV staat.
Daar waar we Corrie en Harrie ingeschreven hebben. Maar ook daar is Thom niet.
Ik loop twee keer heen en weer tussen de Tourist Information en de VVV: geen
Thom. Tegen half zeven komt hij aangelopen. Zijn excuus heb ik al eerder in de
klim bij Palacios de Benaver gehoord...
Rond
20.00 uur zijn we met z'n zevenen weer bijeen. Jeanne en Tom, Corrie en Harrie,
Brian en wij beiden. Thom en ik kunnen het restaurant van gisteravond (met
Jean) niet meer vinden. Geen probleem. Er zijn voldoende restaurants. Wij
vinden een eenvoudig restaurant. Nog voordat het eten geserveerd wordt, bel ik
nog even naar huis. Heel kort. Morgen komen we naar huis. In het restaurant
eten we een fantastische paella. Alles er op en er aan. Fantastisch.
Op het
plein van Santiago nemen we afscheid van onze tafelgenoten. Van Corrie en
Harrie krijgen we het privé-adres. Ik beloof hen te bellen. Het afscheid is
hartelijk.
Thom en
ik gaan terug naar EL RAPIDO. Slapen.
Heh,
morgen weer naar huis. Lekker.
DAG 34
Ondanks
dat ik het wekkertje van mijn radio gezet heb, slaap ik heel licht. Uit angst
om me maar niet te verslapen. Thom verbaast zich als hij de wekker al om half
zes af hoort gaan. 'Tijd zat', zegt hij. We laden de fietsen op en gaan om
kwart voor zeven richting busstation. Zelfs in het laatste stukje naar het
busstation moet ik nog regelmatig terugschakelen. Er moet toch weer geklommen
worden, zelfs op deze allerlaatste dag.
We
stoppen aan de voorzijde van het busstation. Samen lopen we naar het SAIA
kantoortje, waar de vriendelijke mevrouw alweer aanwezig is. Ze geeft ons de
beide fietsdozen. Ik demonteer de lowriders en de achterbagagedrager van de
fiets. De laatste gooi ik meteen weg. Bij het afdraaien van de pedalen verbuig
ik Thom's sleutel, waar hij niet blij mee is. De fietsdozen zijn inmiddels
dichtgeplakt. Thom kan zijn hele fiets er in kwijt. Bij mijn fiets moeten de
wielen apart blijven. Het blijft erg stil bij de hoofdingang van het
busstation. Het is al bijna 10 voor half acht. Nog steeds geen bus! Ik loop
naar binnen.
De SAIA
mevrouw geeft een setje labels en zegt dat we verschrikkelijk moeten
opschieten, want de bus staat al lang klaar. Alleen: aan de achterzijde van het
busstation! We hebben nog maar vijf minuten. Het is hollen en vliegen. Met de
bagage door het hele busstation, twee lange trappen af en daar staan vele
bussen. De SAIA mevrouw staat me al zenuwachtig te wenken. Opschieten, gebaart
ze. De fietsdoos en beide wielen lever ik af, maar de tassen staan nog
(onbeheerd) aan de voorzijde van het station! Hollen. Onderweg kom ik Thom
tegen. Ook aan het slepen. De tassen staan er nog. Drie fietstassen, een
slaapzak en een tent. Ik sleep het in één keer mee. Hollend. Als allerlaatste
wordt onze bagage in de bus geplaatst. Nog geen twee tellen later gaan de
deuren dicht en we vertrekken vrijwel onmiddellijk.
Wat een
gestress! Ik zie er niet uit. Vanwege het gesleep met de beide voorwielen zien
mijn handen er uit als een bootwerker. Alles is smerig. In de bus hebben Thom
en ik een ruime plek. Thom zit rechts, ik links in het midden van de bus. Zo
kan ik tenminste mijn benen een beetje kwijt. Op een aantal bushaltes wordt
gestopt. Er worden uitsluitend passagiers ingelaten. De eerste stop is in
Ponferrada. We rijden een gedeelte van de route, die we eerder in de week ook
gefietst hebben. Het is leuk om het zo weer terug te zien. De bus wordt
langzamerhand steeds voller. Om twaalf uur is de eerste stop. Voor een
kwartiertje. Allemaal tegelijkertijd naar het toilet en snel even iets te eten
kopen. Om zes uur 's middags de tweede stop. Ik heb geen idee waar we zijn. De
stop duurt een uur. In een overvol restaurantje eten we wat. Snel en zeker niet
goed. De bus vertrekt weer. Het is hangen in de bus. Er is geen stoel meer
vrij. Het is er benauwd en er is nauwelijks bewegingsvrijheid. Er wordt niet
meer gestopt: alleen maar doorgereden.
Na 15
uur reizen bereiken we om half elf 's avonds de Spaans-Franse grens. In het
Spaans vertelt de buschauffeur dat er gestopt wordt in Bayonne. De passagiers
in de richting van Eindhoven moeten overstappen. Wij dus. De spullen worden uit
de bus gehaald. De aansluitende bus is er nog niet. We hebben geen idee hoe
lang dat nog kan duren. In het restaurant van het busstation sla ik nog even
wat te drinken in. Ook eten we er nog
wat. Ik bel nog even naar huis. Heel kort vertel ik waar we zijn.
De bus
komt om kwart over elf het busstation oprijden. De bus is duidelijk van een
ouder bouwjaar dan degene, die we eerder op de dag hadden. De chauffeurs maken
een gehaaste, nerveuze indruk. Als onze fiets als laatste in de laadruimte
geperst worden, schiet Thom uit zijn slof. Of ze maar even a.u.b. wat
voorzichtiger met onze spullen om willen gaan! De chauffeur mompelt iets
onverstaanbaars terug, maar zijn lichaamstaal verraadt, dat hij dat zelf wel
uitmaakt!
Het is
bijna half twaalf in de nacht als de bus in beweging komt. Op het verlaten
perron zie ik, dat er een tas achterblijft. Omdat onze fietsen als laatste in
de laadruimte geplaatst werden, zijn wij ook de laatste passagiers, die een
zitplaats in de bus kunnen zoeken. Zoeken? Er valt niets te zoeken! Alle
zitplaatsen zijn bezet. Uitsluitend twee plaatsen op de allerachterste rij. De
stoelen hebben geen verstelmogelijkheden. Wel de stoelen voor ons. Het maakt de
bewegingsruimte zo ruim als de bekende haring in een ton. Het is verschrikkelijk benauwd in de bus. Het
lijkt alsof de airco niet werkt. De stoelen en de zijpanelen stralen de warmte
van de motor uit. Het is veevervoer optima forma. Na nauwelijks bewogen te
(kunnen) hebben, is het half tien in de ochtend als we de eerste keer stoppen.
We zijn nu al 26 uur onderweg. Ik heb
opnieuw geen idee waar we zijn. Het lijkt op België, maar in het wegrestaurant
kan gewoon in Franse Francs betaald worden. Ik ben kapot. Nauwelijks geslapen.
In het wegrestaurant eten we wat en na een uur gaan we weer verder. Het is een
verschrikking. Hangen, liggen, pijn, verveling.
Op een
gegeven moment gaat tijdens het rijden de motor van de bus uit. De bus rolt uit
en komt op de vluchtstrook tot stilstand. De drie chauffeurs sleutelen aan de
motor. Uiteraard doet de airco het niet meer. Passagiers mogen uit
veiligheidsoverwegingen de bus niet verlaten en binnen de kortste keren is het
loeibenauwd in de bus. Na een half uur kunnen we weer verder. In Mons (België)
gaan de eerste passagiers uit de bus. Hun eindbestemming. Ik benijd ze. Vanuit
het raam houd ik onze bagage in de gaten, zodat deze niet vroegtijdig de
laadruimte van de bus verlaat. Nadat we in Brussel opnieuw mensen op hun
eindbestemming gebracht hebben, staan we opnieuw langs de snelweg stil.
Opnieuw
een probleem met de motor van de bus. We pakken de routebeschrijving /
spoorkaartje van de bus. Het blijkt, dat de route nog via Antwerpen en Breda
gaat! We redden het nooit om op de geplande tijd in Eindhoven te zijn. Het is
een vervelende gedachte, dat onze vrouwen vergeefs in Eindhoven op ons staan te
wachten. Als de bus het weer doet, blijkt dat we gelukkig niet naar Antwerpen
en Breda gaan, maar rijden rechtstreeks door naar Eindhoven. De planning halen
we niet. In plaats van half twee, komen we om half drie aan. Wat een reis !
We zijn
eenendertig uur onderweg geweest. Er zijn vier passagiers met eindbestemming
Eindhoven. Snel laden we de tassen en de fietsen uit de laadruimte van de bus.
We staan voor de hoofdingang van het station. Zowel Elly als Hannie zien we
niet. Even later komt Rob aanlopen. Beide vrouwen staan aan de andere kant van
het station en hij gaat ze halen. Ondertussen halen Thom en ik de fiets vast
uit de verpakkingsdoos. Hannie en Elly komen met de auto aangereden. Het ontvangst is kort en intens. Peter is
niet meegekomen. Vanmorgen had hij meegedaan aan een jeugd-viswedstrijd. Eén
van de organisatoren had verteld, dat Peter zeer waarschijnlijk in de prijzen
zal vallen. Nog even rijden we mee naar Valkenswaard. Elly trakteert ons op
bier en appeltaart. Ik ben hondsmoe. We vertellen Hannie en Elly onze eerste
ervaringen. Het is al over half zes, als we met z'n drieën richting Uithoorn
gaan. Op het binnenterrein achter onze woning zijn spandoeken en vlaggen
aangebracht. Veel buurtbewoners staan me op te wachten. Ik word alom overladen
met zoenen, bloemen en felicitaties. Het is heel hartverwarmend. Uiteraard wil
iedereen 'even' weten wat ik zoal heb meegemaakt. Ik houd het kort, want ik kan
wel een uur doorpraten. In de tuin hangen slingers.
Het is nu
half acht. Zesendertig uur na ons vertrek uit Santiago de Compostela. Ik heb
enorm dikke enkels van de busreis. Ik ga eerst in bad liggen. Ik ben moe. Dood-
en doodmoe.
Maar
intens en intens voldaan: I
k h e b
h e t v o l b r a c h t !
|
SPONSOR AKTIE |
Zoals
ik in de inleiding heb geschreven, hebben wij op initiatief van collega Jaap
den Butter onze tocht gekoppeld aan een goed doel: de Stichting Ronald McDonald
Kinderfonds. Deze stichting is uitsluitend afhankelijk van gelden van
particulieren en bedrijven.
Zij
heeft tot doel om ouders van ernstig zieke kinderen onderdak te bieden in één
van de academische ziekenhuizen. Familieleden hoeven dan niet permanent tussen
thuis en ziekenhuis heen en weer te reizen en zijn dan altijd in de nabijheid
van hun zieke kinderen. Inmiddels zijn er al acht van dergelijke tehuizen en de
laatste is in Groningen in aanbouw.
Wij
hebben onze familiekring, collega's en bekenden gemobiliseerd om ons voor de
Stichting Ronald McDonald Kindertehuizen te sponsoren. Eén cent per afgelegde
kilometer. Wij rekenden ons einddoel op ongeveer 2500 kilometer. Per sponsor
zou dit het bedrag van 25.= opleveren. Bij het allereerste begin hoopten wij
een bedrag van 5000,= te kunnen inzamelen.
Medio
oktober 1997 hebben wij in Valkenswaard speciaal daartoe twee rekeningen
geopend. Eén rekening bij de SNS-bank (ook één van onze sponsors voor 500.=) en
één bij de ABN AMRO bank.
Een
totaal onderschatte bezigheid was het verwerven, aanschrijven en registreren van
onze sponsors. Bij elkaar hebben wij ruim 400 sponsors bereid gevonden onze
tocht te ondersteunen. De meeste voor één cent per kilometer. Maar ook mensen,
die ons gewoon geld in de handen duwden. Een enkeling was goed voor een
dubbeltje per kilometer.
In
Uithoorn en Valkenswaard hebben wij voorafgaand aan de tocht een stukje in de
lokale kranten laten zetten, inclusief een foto. In Valkenswaard heeft het bij
Thom ook nog wat geld door onbekende inwoners opgeleverd. In Uithoorn heeft het
bij mij geen enkele reactie opgeleverd.
Na
afloop van onze fietstocht hebben wij in juli alle sponsors aangeschreven.
Iedere sponsor ontving bijgaande foto van ons beiden, op de fiets op het plein
voor de kathedraal van Santiago de Compostela.
Bovendien
kregen zij het verzoek het toegezegde bedrag over te maken op de betreffende
bankrekening. Bijna iedereen voldeed aan de toezegging. Sommigen zelfs meer. Op
de afrekeningen kwamen we in de omschrijving vele hartverwarmende teksten
tegen: ‘prestatietoeslag’, ‘kanjers’, ‘geweldig initiatief’, en dergelijke.
Desondanks
bleven er bij mij toch nog een tiental sponsors, die het toegezegde bedrag niet
overgemaakt hebben....
Thom en
ik spraken af dat we op vrijdag, 4 september het eindbedrag symbolisch zouden
overhandigen aan het Ronald McDonald Kinderfonds. Zowel Hannie als Elly waren
hierbij aanwezig.
We
werden in Amsterdam ZuidOost hartelijk ontvangen.
Voor de
nodige publiciteit hadden we ook gezorgd: een fotograaf van de lokale krant,
maar ook een redacteur/fotograaf van het korpsbericht. Thom had bij de SNS bank
voor een grote, symbolische 'cheque' gezorgd.
Mevrouw
Silvia Teeuwen nam namens de Stichting deze cheque in ontvangst met het
fantastische bedrag van 12.880.= ! Iets, waar Thom en ik best wel trots op
waren. Bij de Stichting was men verbaasd dat twee particulieren in staat waren
een dergelijk bedrag bijeen te brengen.
Na
afloop zijn Thom, Elly, Hannie en ik nog met z´n vieren uit eten gegaan.
In de Warmoesstraat
in Amsterdam hebben we in een Spaans restaurant een gezamenlijk diner genoten.
En hoe kan het anders: Paella.
Ondanks
dat Thom en ik nog steeds contact met elkaar hebben en geregeld met elkaar
bellen, was deze dag een fantastische afsluiting van een zeer enerverende
periode waar ik met veel plezier op terugkijk.
|
NAWOORD |
Bij het
schrijven van dit reisverslag heb ik mezelf een beperking opgelegd, want ik heb
wel twee keer zoveel schrijfmateriaal. Ook tijdens het nalezen schieten mij
telkens details en korte anekdotes te binnen. Ik heb ze onvermeld gelaten, want
het zou dit boekwerk alleen maar groter, dikker en mogelijk ook onleesbaar
maken.
Ik heb
niet geschreven over de vele boerderijhonden die ons nablaften en zelfs
aansprongen. De roofvogels die we gezien hebben en de urenlange, soms wel heel
diepzinnige, gesprekken die ik met Thom had tijdens het fietsen. De
onbedaarlijke slappe lach die we samen hebben gehad. De vele ontmoetingen met
wildvreemde en vooral hartelijke mensen. De borden met acces interdit en casado
privado. De eenzaamheid en de stilte, ondanks dat je mensen om je heen
hebt. Het zijn beelden, die in mijn hoofd zitten. Als ik mijn ogen dicht doe,
zie ik al die beelden weer voor me. Al zou ik het willen, het zijn beelden die
je moeilijk met een ander kunt delen. Het is teveel om ze allemaal te noemen.
Velen hebben inmiddels mijn reisverhalen aangehoord. Iedere keer betrap ik me
er op dat ik heel enthousiast ben, als ik mijn verhaal doe. Maar omdat de meeste
toehoorders het zelf niet beleefd hebben of een dergelijke ervaring ondergaan
hebben, denk ik dat ze moeite hebben om mijn verhaal écht te begrijpen.
Tenslotte
wil ik nog het volgende kwijt: In nagenoeg alle boeken lees je dat je als
toerist vertrekt en als pelgrim in Santiago de Compostela aankomt. Ondanks dat
ik me als een pelgrim gedragen en geleefd heb, voel ik me niet zo.
Is de
hele reis dan een teleurstelling voor me? Nee, absoluut niet! Ik heb vele
indrukken, ervaringen en werkelijk schitterende dingen meegemaakt, die ik nu
nooit mee zal meemaken en voor geen goud zou willen missen. Maar de wegen van
de Camino, de hype rondom Santiago de Compostela en vooral het massatoerisme in
Spanje: dát is me tegengevallen.
Al met
al is het een unieke ervaring geweest. Daar waar anderen zeggen 'dat zou ik nou
ook eens willen doen', allerlei argumenten aandragen waarom het ze vooral maar
niet zal lukken:
I
K H E B H E T
T O C H M A A R G E DA A N !
Ik ben
naar Santiago de Compostela gereden in dertig fietsdagen. Dertig dagen zonder
al te grote luxe. Alleen, met jezelf en geen hulp. Aangewezen op jezelf en
ondertussen nadenken wat nu echt belangrijk in het leven is. Tweeduizend
achthonderd en veertig kilometer over niet al te gemakkelijke wegen. Ik ben er
trots op. Onvergetelijk. Imposant. Overweldigend. Uniek. Indrukwekkend.
Ik zou
dit nooit hebben kunnen doen als ik niet de onvoorwaardelijke steun van Hannie
en de kinderen had gehad. Maar vooral van Hannie. Zij heeft er voor gezorgd dat
ik deze tocht k ó n maken. Zonder haar
backup had dit niet gekund en was het me bij voorbaat niet gelukt.
Voor
die steun ben ik haar enorm dankbaar.
Wil je
een ingebonden, met foto’s geïllustreerd exemplaar van dit dagboek?
Neem dan
even via Email contact met mij op.