|
|
|
De geestelijke
schatten van
India
India
is het
moederland van
de speculatieve
theologie.
Sedert 2000
jaar spanden
daar een
theologie en
filosofie zich
tot het
uiterste in, om
de goddelijke
immanentie en
transcendentie
op de drie
wegen te
omschrijven,
welke later
door de
westerse
theologie
gevolgd zijn:
de weg der
ontkenning, der
oorzakelijkheid
en der
verlichting.
Ja, zelfs het
oude boeddhisme
heeft in zijn
slechts
schijnbaar
agnosticisme de
zuiverheid van
het godsbegrip
willen
vasthouden,
want nirwana,
het met duizend
sluiers omhulde
heilsgeheim, is
niets anders
dan het
onuitsprekelijke,
oneindige,
hoogste goed,
zoals de
mystieken van
alle tijden het
schouwden en
vertolkten.
Uit innerlijke noodzaak is daarom het mahayana-boeddhisme tot de speculatieve theologie teruggekeerd, ja het heeft de kloof, die in het hinayana-boeddhisme tussen de sfeer van het heil en die van het lijden bestond, met gedurfde metafysische concepties overbrugd. Het meest geweldigeechter is de strijd om de zuiverheid, de kracht en de scherpte van de godsgedachte als strijd om het advaita (niet-tweeheid) door de beide grootste godgeleerden van India, Sankara en Ramanoeja, gevoerd, een geestelijke strijd, die pas Rudolf Otto voor het westerse denken in zijn gigantische grootte duidelijk heeft gemaakt. Deze strijd om de zuivere godsgedachte kon niet gevoerd worden door mensen, die alleen maar intellectualisten en dialectici waren, maar alleen door vromen, wiens denken geschoold was in de mystieke meditatie, de toestand, waarin de asceet het bewustzijn van alle individualiteit verliest, zijn eigen incluis, waarin hij wordt het al.
Daarom schuilt achter de haarfijne negaties en onderscheidingen van de grote vedantische en boeddhistische theologen een heilig en vurig verlangen naar God als het hoogste goed en het enige heil.
In
deze koele
wateren van de
uit de
meditatie
geboren Indiase
beschouwing
storten zich de
warme stromen
van overgave en
liefde uit.
Ons gehele
leven is niets
dan genade...
deze belijdenis
van Augustinus
zou je als
motto boven de
godsmystiek van
India kunnen
zetten.
Haar melodie
zet zacht in in
de Bhagavad
Gîtâ; zij wordt
duidelijker
hoorbaar bij
Yamana Moeni,
zij bruist in
machtige
akkoorden door
de theologische
geschriften van
Ramanoeja, maar
het
allerheerlijkst
klinkt zij ons
uit de verzen
van de
mahayana-boeddhisme
en de
lofliederen van
de
hindoeďstische
gelovigen
tegen, van
Mânikka
Vâsagar,
Nâmdev,
Toekârâm, Kabîr
en Toelsî Dâs.
Als in plaats
van de Indiase
gods- en
heilandnaam de
christelijke
zou worden
bezongen is er
weinig verschil
met de
christelijke
liederen te
bemerken. Het
grote thema van
deze
lofliederen is
het wonder van
het heil en de
genade: de
zondige ziel
wordt door de
liefdevolle God
verkoren, door
Hem uit haar
verdorvenheid
bevrijd en
toegelaten tot
de zaligheid
van de
vereniging met
God.
Hij
openbaarde zich
mij en bracht
mij innerlijk
licht,
Verbrak mijne
zondebanden,
die mij boeiden
En stilde vol
genade mijn
verlangen
En maakte mij
één met de
schaar zijner
vrome dienaren;
Dit grote
genadewonder
versta ik niet.
Dit verlangen komt niet voort uit de kleine harten van de mensen, maar uit God zelf. Niet de mens verlangt en strekt zich uit naar God; neen, God is hem voor en wekt in zijn hart het verlangen naar Hem. 'Gij verlangde naar Mij, zoals Ik verlangde naar u'. 'Slechts wie Hij verkiest, is in staat Hem te begrijpen'. De voorwaarde echter voor dit genadegeloof is het geloof, dat God liefde is. God is het hart van het grote erbarmen, zoals God in het mahayana-boeddhisme wonderschoon genoemd wordt. En deze goddelijke liefde troont niet in oneindige verten, maar zij buigt zich neer naar de mensen en neemt een waarneembare gestalte aan in een avatâra (nederdaling, belichaming); zij wordt vlees, maar volgens hindoeďstische en boeddhistische opvatting niet éénmaal, maar talloze malen. In de Bhagavad Gîtâ is het de wil van de Heilige om tot vervolmaking te komen, die Hem drijft in steeds nieuwe lichamen op aarde te verschijnen; bij de bhakti-gelovigen en mahayana-boeddhisten is het louter barmhartigheid, die de oneindige dwingt zich te incarneren. Zijn incarnaties zijn echter niet beperkt tot de veelvuldige verschijningslichamen, die telkens weer aan verandering onderhevig zijn, waarin hij zich hult; hij belichaamt zich dus ook in een beeld, vooral in een godenbeeld en vertoeft zo, ruimtelijk en tijdelijk begrensd, bij zijn vereerders. En aan dit sacramentele onderpand van de goddelijke tegenwoordigheid ontsteekt zich steeds opnieuw de vlam van de liefde van de gelovigen voor hun Heiland-God.
Maar niet slechts de tedere en vurige liefde tot God, ook in de innige broederliefde, beter gezegd, de liefde tot alle schepselen is uit het hart van de Indiase gelovigen ontsprongen. Hoe duidelijk merkbaar is toch het ruime en warme van deze, waarlijk religieus georiënteerde, liefde in de formule van de boeddhistische liefdesverklaring: 'De betoning van de liefde, die zijn hart vervult, strekt hij (de bedelmonnik) uit over een hemelstreek, evenzo over de tweede, derde, vierde, naar boven en naar beneden, in dwarse richting, naar alle zijden, volkomen, over de gehele aarde spreidt hij de kracht van zijn liefde uit, van grote, onbegrensde, van haat en boze wil bevrijde liefde, die zijn wezen vervult'. Maar deze liefde blijft niet quietistisch-contemplatief, zij wordt actieve liefde in de levende prediking, in de zelfopoffering voor anderen. 'Gaat heen en werkt tot voorspoed van vele mensen, tot geluk van vele mensen, uit medelijden met de wereld, tot welzijn, tot heil, tot geluk van goden en mensen'... Met deze aanwijzing zendt Gautama zijn jongeren tot de helpende en reddende daad uit. In het mahayana-boeddhisme is de eis van de liefde- en van de offerdaad het middelpunt van de verlosser-Boeddha geworden. Het gaat erom, eigen verdiensten voor het heil van anderen op te offeren; het gaat erom, al het lijden van alle schepselen op zich te nemen om hun verlossing te bewerkstelligen. Bij de wijding tot verlosser-Boeddha moet de ordinandus, het voorbeeld van Boeddha volgend, de gelofte afleggen, 'alle wezens zonder uitzondering tot verlossing te brengen, aan alle smart en lijden een einde te maken'. Reeds volgens de oude heilige boeken hield het leven van de verlosser-Boeddha het zichzelf offeren voor het welzijn van andere schepselen in. Door zich talloze keren in mens- en diergestalten te incarneren geeft de toekomstige Boeddha zichzelf op om anderen gelukkig te maken.
Zo
kunnen de
godsdiensten
van India bogen
op wondere
schatten.
Altijd weer zou
je bij de
grootheid en
zuiverheid van
de Indiase
geloofsgedachten
en de echtheid
en diepte van
het vrome leven
van hindoes en
boeddhisten met
Tertullianus,
vol jubel
willen
uitroepen: O
testimonium
animae
naturaliter
christianae
(O getuigenis,
dat de ziel van
nature christin
is!). Zeker is
er in de
Indiase
godsdiensten
ook heel veel
ontaard: het
ruwe bijgeloof,
de zelfzuchtige
werkheiligheid,
de hoogmoed van
de esoterische
gnosis en de
liefdeloosheid
van het
kastengevoel,
het asociale
quiëtisme en de
val uit de
hoogte van
subtiel
geestelijk
leven in de
lage aardse
pleziertjes.
Maar als we dit
naast alle
ontaardingsverschijnselen
uit de
geschiedenis
van het
christendom
zetten, dan zou
het in veel
opzichten
gevaarlijk
blijken te zijn
deze tegen
elkaar af te
wegen.
Je moet een
godsdienst niet
naar zijn
ontaarding,
maar naar zijn
beste en
diepste kanten
beoordelen.
Volgens Nathan Sřderblom is de hindoestaanse bhakti (liefde, overgave) een godsopenbaring in de ware en volle zin.
Dr. Friedrich Heiler: De openbaring in de godsdiensten van Britsch-India en de Christus-verkondiging, Amsterdam 1931
|
|
|
godsdienstfenomenologische
publicaties
|
William
James
Vormen
van
religieuze
ervaring |
Rudolf
Otto Indiase genadereligie en het christendom overeenkomsten en verschillen &
Religieuze
overeenstemming |
Rufus Jones
Quakers beeld van een humanitaire religie
|
Abraham
Joshua
Heschel God zoekt de mens Een filosofie van het jodendom |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
90-807300-2-5
€ 27,50 |
90-807300-3-3
€ 22,50 |
90-807300-4-1
€ 19,90 |
90-807300-5-X
€ 29,90 |
Rudolf Otto:
Het heilige
90-807300-1-7
22,5X14,5 cm
€ 24,90
William James:
Vormen van
religieuze
ervaring
90-807300-2-5
22,5X14,5 cm
€ 27,50
Rudolf Otto:
Genadereligie
90-807300-3-3
20X12,5 cm
€ 22,50
Rufus Jones:
Quakers
90-807300-4-1
20X12,5 cm
€ 19,90
A.J. Heschel:
God zoekt de
mens
90-807300-5-X
22,5X14,5 cm
€ 29,90