Bijbel III

De Indiaanse Nachten III

 

De Steen der Chocolade

 

Himmit

 

Witte Drop

1.

1. En zij tot Brannan gekomen krijgen een witte chocolade ziel en een witte drop geest als Khnum. Zij dan zullen de klokken in Brannan zien, en de meesters der scholen. En ziet, het waren hun meesters, en de scholieren waren hun mede-scholieren. 2. Zo blijft dan hier alles hetzelfde, maar het is anders. Zo zijn dan meesters dokters. 3. En zo zullen zij hun verhalen horen, zij die tot Brannan gekomen zijn, en zij zullen de doemers niet kennen. 4. Zo zullen dan honderd doemers hen niet kunnen neerhalen, ook al komen zij met duizenden, want Khnum staat boven hen. 5. Zo zullen dan miljoenen doem-kabouters hun gedachten niet storen, al zouden er een miljard doem-bilmagelns op hen af komen. Hun mond wordt niet gesnoerd. 6. Zij dan hebben de Khnum als hun vrede, zijn wijsheid als hun leidsraad. 7. Ook al zouden ontelbare doemleeuwen en doemfarao's hen proberen af te houden van hun hoop en vrede, zij zullen niet schrikken, want Khnum is hen tot schuilplaats. 8. En Khnum zal spreken tot die doemers, en hen bestempelen als leugenaars. Want zij zijn leugenaars vanaf den beginne, om hen allen van Brannan af te houden. 9. En zo zal er een poort zijn in de Ravalon Madok, en de Esmeralda zal als witte chocolade om hen heen zijn. 10. Want ziet, zij is als de witte chocolade en de ziel van Khnum. En Khnum heeft haar aan een ieder gegeven die trouw is aan Zijn Woord. 11. Volkomen trouw is hij die tot de schuilplaatsen van Khnum wordt geleid. En de witte drop zal hem tot geest zijn. 12. Zo weet gij dan ook allen, dat drop de vrucht is van het lijden, en chocolade de vrucht is van de dood.

2.

1. En zij tot Brannan gekomen, zullen de geesten der huizen zijn, en zij zullen vaste grond kennen door het zinken in de aarde, door de muren, de daken en de vloeren heen. 2. En zij zullen zijn als dansende op het plafond, en hun botten zullen genezen worden, en in hen zullen gegraveerd zijn de namen van Brannan en zijn letteren. 3. Ja, de wijsheden van Khnum zullen veelvuldig in hun botten gegraveerd zijn, en zij zullen Nut kennen. 4. Zij dan laten de bloemen van elven achter, om op te stijgen tot de poort van veiligheid. 5. Ja, tot veelvuldige trouw zullen zij komen. Zo is dan Nut de aanvoerder der oranje leugenaars, als de bleek oranje octopus. Ja, de octopus-kroon draagt Nut, als het penseel van sterkte. 6. Ja, de pen is Nut's zwaard, en Nut's zakdoek zijn zegel. Zo is Nut dan als het ijslicht Geb ontvlucht, en heeft elvenbloemen achter gelaten. 7. Vele elvenzakdoeken heeft Nut achtergelaten. Zij dan die tot Brannan gekomen zijn zien Nut's klokken. Nut dan zal spreken tot het ijs, met de penseel als zwaard. 8. Nut's tong is een palet. Zij allen die tot Nut komen zullen het zien. 9. En er zal een pad zijn tot het diepste van Brannan, en het land achter het gordijn zal open gaan. Ja, want vele landen bergt Brannan in zich, en zij zal de paden tonen. 10. En zij zal de vrucht der zwakheid tonen. Rode drop is wat Nut mij gaf. 11. En de vrucht van angst zal komen in etappes, in kostbaar zijde zal het verschijnen. 12. En het zal de leugenboeken openen, en sluiten met kostbare zegelen. 13. En het zal spreken over het maanlicht, zevenvoudig, en het zal schijnen als de lichten van het ijs. Ja, het zal de ijsmeisjes achter zich laten. Ook zal het niet spreken over marsepein. 14. En Khnum zal dan de vrucht der angst brengen tot hen die Hem trouw hebben gevolgd. En Khnum zal spreken, en de woorden zullen vallen uit zijn mond. 15. Ja, als het groene drop zal hij zijn. En zij zullen hem volgen tot in alle eeuwigheden. En het geheimenis van Khnum ligt in het gegeven dat hij de groene drop tot hart heeft, als het hart des geestes. 16. En Nut dan heeft de rode drop tot geesteshart. Ja, het hart des geestes dan is groot, en machtig tot het wissen van vele tranen. 17. Gij dan, wanneer gij angstig zijt : gij hebt angst, opdat gij het groene drop zult kunnen bemachtigen. En ziet dan, zij groeit op hoge plaatsen.

3.

De bevrijding van Geb

1. En Nut dan heeft de roze chocola tot ziel, en zij heeft de roze drop tot geest. De roze chocola is dan de vrucht der scheiding, en de roze drop is dan de vrucht der leugen en onwetendheid. 2. Zo spreken dan de marsepein en het ijsje over een diepere waarheid en zij mogen niet voor hun tijd opgewekt worden. 3. Zo is dan de banaan de vrucht van wanhoop en depressie, gevende de doden hoop en nieuw leven, om nieuwe wijsheid te verkrijgen. 4. Zo is dan het ijsje de vrucht van gevangenschap en het marsepein de vrucht van slavernij. 5. De vrucht van armoe dan is het rode ijs, en de vrucht van honger is de bruine chocola. 6. Zo is dan de ba van Nut dieper dan haar geesteshart, en deze is de blauwe banaan. De ka van Nut is de roze banaan. Haar akh is de gele banaan, en haar khu is het roze ijs. Haar sahu dan is het blauwe ijs. 7. Zo is dan de ba van Khnum ook dieper dan zijn geesteshart, en deze is de gele banaan. Zijn ka dan is de rode banaan. Zijn akh dan is de blauwe banaan, en zijn khu is de witte banaan. Zijn sahu dan is het groene ijs. 8. Het groene ijs dan is de vrucht van de doorn. Zo behoort dan het groene ijs op diepe plaatsen te liggen. 9. En gij dient er wel aan te doen het groene ijs op te wekken, want zonder dit zult gij niet tot de groene eeuwigheden kunnen komen. 10. En wanneer gij dan door de doorn het groene ijs hebt bereikt, dan zult ge Geb vrijzetten. 11. Zo dan, draagt uw tatoeages tot het einde, opdat gij de aanraking van Geb zult ontvangen. 12. Gij dan die voor uw tijd naar het groene ijs grijpt, gij zult sterven door een kus. 13. Goed dan is het voor een man om een juk in zijn jeugd te dragen. Hij dan worde behouden voor de verkeerde paden die ten dode leiden. 14. Nu dan is het groene ijs de vrucht van eeuwig leven en onsterfelijkheid. 15. Zo dan zal Geb uit zijn gevangenis worden bevrijd waar hij was opgesloten door hen die hem voortijdig hadden gegrepen.

4.

1. Draag dan het ijsje diep in u, opdat het u niet zal vergiftigen, en gij niet aan de ijsmeisjes ten prooie zult vallen. Grijpt dan niet voortijdig naar het ijsje, opdat gij niet in uw lot ter pletter valle. 2. Streef er dan naar uw sahu en khu door ijs te laten zuiveren. Dan zult gij tot de doorzichtige boeken der ijsjes komen, en gij zult u vullen met hun rijkdommen en wijsheden. 3. Laat dan geen verachtelijke kennis u leiden, en volg ook het pad der doemers niet. Gij dan zijt tot de zeeschelp gekomen. 4. De zeeschelp dan zal u kracht verlenen, en u dieper naar binnen zuigen. 5. Zo is dan Nut als de kleine zeemeermin en de vos, als de kleine vlam en het kleine licht, en zij zal de deuren openen.

 

Brannan

1.

1. En zo dan zijn de oude boeken van Brannan dan vol vuur, en gij doet er goed aan niet voor uw tijd naar te grijpen. 2. Langzaam zult gij in Brannan ontwaken, en gij zult uw kracht daar vinden, als de vrucht van zwakheid. 3. Verheug u dan ook in uw zwakheden, want in uw zwakheid bent ge sterk. En gij hebt de macht om stenen te breken. 4. Zo is dan ook Zetdonia diep in Brannan, als de stad van ijs, de brug tot Nut, want daar waar het ijs zoet wordt, daar is zij. 5. En zo zal Zetdonia dan kamelen zenden tot het land van Nut, en gij zult Brannan kennen. 6. En gij zult de uren van Brannan kennen, en de minuten, en gij zult haar seizoenen kennen. 7. Ja, zeven ijslichten stralen vanuit Zetdonia, vanaf een verdieping, en zij leiden tot het zoete van Nut. 8. En gij zult de schelp van Nut kennen, en de schelpen in de schelpen, en het zal voor u zijn als het intreden tot de diamant. 9. Ja, de gesteentes van Nut zult gij kennen, en gij zult hun namen kennen, en het zal zijn als het zoete ijs, als de vrucht van gevangenschap. 10. En Nut zal tot u spreken, en gij zult intens verrukt zijn over haar aanrakingen. 11. En vele oude boeken zullen tot u komen, en zij zullen zich aan u onderwerpen. 12. En de vruchten des doods zullen opkomen, en het zal zijn als uitgespreid chocola. En dan zullen de poorten tot het oude geopend worden. 13. En gij zult uzelf terugvinden op oude paden, en in oude boeken, en gij zult intens verrukt zijn over de aanrakingen van Nut. 14. En gij zult komen tot de landkaarten en atlassen van Brannan, en zij zullen u zijn tot leidsraad en tot rechtssnoer. 15. En gij zult het Brannan Kompas terugvinden, en gij zult de elvenbloemen achterlaten. Zo zult gij vleugels hebben, om met Nut te vliegen. Zij dan zal u leiden tot de geheimenissen der leugenaars.

2.

1. En Brannan zal grootworden, en haar vleugels uitspreiden. En zij zal om zich heengrijpen en grip vinden. Zij dan zal zijn als een lichte wolk aan de hemel. 2. En Brannan zal haar gezichtsveld uitvouwen, en zij zal gaan als over rails. 3. In haar dan zijn alle vruchten van het lijden en de vruchten der dood. In haar dan is eeuwig leven en onsterfelijkheid. Maar zij dan die voortijdig van deze vruchten eten zullen de eeuwige dood sterven. 4. En daarom heeft de eekhoorn ook altijd het chocola verborgen gehouden, opdat gij niet door de vrucht des doods te eten voor eeuwig zou sterven. 5. Gij dan zult groot worden in Brannan, en gij zult de mond van Brannan ontvangen, onderscheidende de dag en het uur. 6. Want zeven dagen zitten er in een Brannan maand, en drie maanden in een Brannan jaar. Zo zitten er eenenveertig uren in een Brannan dag, en tien minuten in een Brannan uur. 7. De seconden in een Brannan minuut zijn zeven, en de seconden van Brannan duren telkens zeven aardse jaren. 8. Zo zijn dan de zevenjaars-seconden van Brannan een groot geheimenis. 9. Hebt gij dan zeven aardse jaren geleden, dan hebt ge een seconde in Brannan geleden. En deze seconden brengen dan veel vrucht. 10. Bent gij dan in de seconden van Brannan tot stilstand gedreven ? Dan zijt gij zalig tot het dragen van veel vrucht, en zo zijt gij Brannan binnengekomen. 11. En de seconden zullen uitgroeien tot schilden op uw gezicht en lichaam. 12. Daarom : Zalig zij die tot Brannan zijn gekomen, en zijn seconden hebben leren kennen. Dit dan is het geheimenis der chocola. 13. Zo is het lijden op aarde dan slechts een paar seconden geweest, opdat gij Brannan zoudt binnenkomen. 14. Ja, als snel vuur daalde het op u neer, om in ijs te veranderen. Ja, moeizaam was uw strijd op aarde, maar door Brannan kwam het als de bliksem over u. 15. Alles dan in Brannan komt en gaat snel. Dit dan is het geheimenis van het drop. 16. Zo zitten er dan drie jaren in een Brannan eeuw. De jaren van Brannan dan maken de ijsjes. 17. De eeuwen van Brannan maken het fruit, en de maanden van Brannan maken de marsepein, de dagen van Brannan de groentes. 18. Zo vormen dan vele eeuwen van Brannan een seizoen, en zo is er dan het Geb-seizoen, het Nut-seizoen, het Sebek-seizoen, en nog veel meer seizoenen, want Brannan kent vele seizoenen. 19. En de seizoenen dan zijn als vleugelen om tot de warme gebieden van Brannan te komen.

3.

1. En deze blauwe tepelen zijn de oogsten van de dood, transformerende de hitte. En het werd getransformeerd tot tranen. En deze tranen brachten leven voort, en de vruchten van dood en lijden. 2. Ja, vruchtbaar waren deze tranen. Ook kwamen er slangen uit de blauwe tepel, en zij waren als de roofkruizen, als de ladders en de rails. 3. Zo is dan de roze tepel de oogst van het lijden, en de witte tepel de oogst van de angst.

Walvissen van Mehn

1.

In het district Sepanda van de witte chocolade sterrenhemel te Brannan, daar waar de ster Mehn is, daar bruist het zilver, de zilveren stem, en daar is de zilveren kamergenoot. Rijst op allen die bevrijd zijn geworden door Brannans eerste leugen-omnibus, oh gij oranje leugenaars in zebra-boten, en komt tot de tweede leugen-omnibus, als een dag van verademing. Ja, het vuur achtervolgt u, en de angst, en zeker ook het depressieve, maar gij zijt tot de vruchten daarvan gekomen. Eet hen dan wel, en dringt tot hen door, tot Mehn. Daar waar de zwarte panter op u wacht. Wachtende om door glas heen te breken, om de kat te bevrijden. Ja, Nut zal door de glazen breken. Zo is dan Mehn als het witte zilver, met de chocolade-weg, leidende tot het diepere Brannan, daar waar de tijger is. Tot Mehn zijt gij gekomen, oh bezoeker der raadselen. Gij hebt de stem der leugen gehoord.

Zo is hier dan het witte zilver veelvoudig gezuiverd, en schuimen de vlokken met genezing. Oh gij van de eerste leugen-omnibus, blijft dan niet staan in het eerste, maar komt tot het tweede, oh oranje leugenaar, oh zoon van Horus de geweldige. Zo hebt gij dan gehoord dat chocola de vrucht des doods is. Hier dan is de witte chocolade, en de chocolade van het witte zilver, veelvoudig gezuiverd. Gij dan hebt de angst gekend als een leugenaar, en nu zijt gij zelf een leugenaar geworden.

En stap dan in de zebra-boot van Mehn, en reist langs de oranje leugenbollen, dieper de leugen in. Want in de leugen is bevrijding. Gij bent op weg naar de tekenfilm-omroepster, de muis. Ga tot de muis, en wordt een leugenaar, opdat gij leve. Tot Mehn zijt gij gekomen. Hier woont die tekenfilm-omroepster. Klopt aan haar deuren, opdat zij bij u binnenkome om maaltijd met u te hebben. Klopt aan haar deur als een jehovah getuige, aanhoudend en de voet tussen de deur, wanneer zij eenmaal heeft geopend. Breek dan in als een inspecteur van waren, en vertel haar dat je een oranje leugenaar bent. Dan zal zij alle geheimen met je delen.

2.

Tot Mehn bent gij gekomen, tot het diepere Brannan, waar vreemde poeders rondstuiven. Ja, vreemde woestijnen zijn hier, waar de bakkerbomen staan. Autistische helden komen hier. Als een walvis van Brannan voel ik me, zo teder, en zo uitgestrekt, zacht pulserende stralen bij elke beweging, om Brannan langzaam te verwarmen. Walvissen van Brannan, zo wijs en zo zacht, nemen ze je mee naar het land van buitengewone pracht. Als de zee in de woestijn voel ik mij, de Brannan zee. Zoveel zeeen zijn hier, glinsterende in de woestijnen, in Brannans woestijnen waren wij. Ik voel mij rustig en kan weer ademen, alsof ik honderd jaren heb geslapen. Mijn tranen komen langzaam naar boven. Ik kan weer praten. De walvissen van Mehn zijn hier, zij zwemmen met mij, en zingen met mij, zoals ze dat eens deden met mijn opa. Tot Mehn ben ik gekomen, als het zachte van Brannan. Hier maak ik mijn woning, en zal ik verder reizen. De warmte spreekt tot mij, een ziedende warmte, geheel troostende mij. 

Tot de leugenaars van Mehn zijt gij gekomen, zij zijn van het zachte. Zij staan op de loer als de paarse gordijnen, om je door de woestijnen van Mehn te brengen. Woestijnen van Mehn, waar vreemde poeders rondstuiven, van vreemd stekende planten, maar wanneer zij steken voel je het zachte. Allen zijn zij bakkerbomen, en zij komen tot de niemand om te steken, om hem het zachte te laten voelen. Ik dan kom uit een diepe gevangenis, opgesloten door een draak. Maar nu wordt ik gestoken door de zachtheid. Door bakkerbomen wordt ik gestoken, door bakkerbomen krijg ik mijn dromen, om dieper tot Mehn te gaan. 

3.

Wijs geworden ben ik. De leugenaars nemen mij mee naar hun kamer. Ik zeg : 'Brannan heeft mij geholpen, Brannan bracht mij deze faam.' Maar zij liepen allen weg van mij, en zeiden : 'Kom mee tot Mehn.' En zo kwam ik tot de dieptes van Brannan, in Mehn, waar de vreemde poeders rondstuiven, waar de bakkerbomen staan. Zoveel leugenaars in de bomen, zoveel leugenaars maken naam. Wijs geworden ben ik, een nieuwe rust, tot de bakkerbomen ben ik gekomen, zoveel deuren in de woestijn. De woestijnen zijn bloeiende, hier in Mehn, diep in Mehn. En er zijn zeeen in woestijnen, de zeeen van Mehn. Wijs geworden ben ik, met de walvissen van Mehn zwem ik. Ook met de haaien van Mehn kan ik gewoon zwemmen. Ze hebben zulke mooie ogen, en ze hebben groot plezier, alleen kunnen ze niet praten. Ik kijk hen dieper aan, in hun keel zit een banaan. Wel kunnen ze zingen, wel kunnen ze spelletjes doen, die haaien van Mehn, die haaien van de grote tekenfilm. 

En daar vind ik de omroepster van de tekenfilms van Mehn, aan de woestijnzee zit zij, in het zand, met al die bakkerbomen, die stekende planten, zij steken oh zo zacht, dat je er dronken van wordt. Aan de woestijnzee zit zij, met opgeheven hand, waar zijn de waterlichten, ik heb ze hier net geplant. Tot een koning maakte ik hen, tot een koning vouwde ik hen, al die koningen van Mehn, al die koningen der tekenfilmen, zoveel leugenaars maken naam, zoveel leugenaars zijn hier te vinden. En ik zeg : 'Brannan heeft mij geholpen, Brannan bracht mij deze faam.' Maar zij is toen van mij weggelopen, en nam mij mee, tot Mehn. Wil je dieper tot Mehn komen, wil je dieper tot Mehn gaan, volg dan de tekenfilm-omroepster. Zij maakt koningen van waterlichten. Tot de ijslichten bracht zij mij, en tot de haaien van Mehn. Teken een haai van Mehn, teken een walvis van Mehn, en al die andere dieren, de dieren van Mehn.

In een optocht naar de Virgo-toren van Mehn, waarop de omroepster staat, wanneer zij beweegt, vallen alle soldaten neer. En dan vloeit de chocolade weer over het land, en de ijslichten komen aan het strand. En ik zei : 'Brannan heeft mij geholpen, Brannan bracht mij deze faam,' maar zij is toen van mij weggelopen. En ik sprak : 'Loop niet weg,' en zij sprak : 'Volg mij, ik laat een lijntje voor jou achter.' En zij bracht mij tot deze woestijn, tot de slangen van Mehn, zo zacht als fluweel, met al die mooie kleuren, weten zij mij op te beuren. Dit is het einde niet. En zij bracht mij tot de tijgers van Mehn, in grote woestijnen stonden zij, kijkende om zich heen. En zij waren als de bakkerbomen, de leugenaars van Mehn. 

4. 

En zij kon tekenen, die omroepster van Mehn, zij had de octopus-kroon, en een slangen-ei diep van binnen. En Mezedium was haar naam, als een bleke oranje octopus, als een bakkerboom, maakte zij faam. En zij stond daar en maakte elke ochtend een frisse duik in de woestijnzeeen van Mehn, om haar vriend, Matas, de waterplant op te zoeken. En weet je wie in die toren woonden ? De leeuwen van Mehn. Zij schrijven daar de nachtverhalen, over de nachtzeeen van Mehn, en hun nachtpaleizen. Zij zijn de leugenaars van Mehn, met al hun verhalen. Met hun pennen creeeren zij de zeeen, ja, zelfs de toren waarin zij leven. Zij dan hebben Mezedium op de toren getekend, duikende in al hun verhalen, als een omroepster is zij. Al die leugenaars van Mehn, met al hun verhalen, en al hun vreemde talen. Na de winter wordt het donker, het donkere seizoen, het nachtseizoen, met al hun nachtzeeen en nachtpaleizen. 

 

Mehn

1.

De lichten van Mehn zijn aan, de ijslichten en de steenlichten, en ook de lichten van het oer. De leugenaars van Mehn staan op de daken, om hun verhalen in de nachten te verkondigen. Als het nachtseizoen is aangebroken, dan zijn er verhalen de hele dag door. Dan hoeven de kinderen niet naar school, maar hebben ze koor. De leugenaars van Mehn, zij lachen in de nacht, zij laten de steden steeds smelten, om nieuwe inkt te hebben. Zij dragen de octopus-kroon, en hebben een slangen-ei diep van binnen, opstijgende tot de troon. Alles past in hun verhalen, als over een brug in de lucht, een waterbrug, rennen zij naar betere dagen. 

Er is dan zoveel over de bakkerbomen geschreven, de leeuwen van de Virgo-toren hebben hen gemaakt. Langs zeeen groeien zij, diep in de woestijnen, en de lichten van Mehn maken hen vrij. De torenleeuwen van Mehn, als een weduwe en een merel, ja, als een mus, is zij naar hen op zoek. Zij glijdt dan langs de daken, en als een oude bezem gaat zij over straat. Dan komt zij langs de winkel van de eekhoorn, die verbergt zijn chocola. Ik ben daar in dat huis boven die winkel geweest. Ik heb hun kastjes en spelletjes gezien. Hier komen de leugenaars tezamen, die lichten van Mehn. Ik ben bij de koning van Mehn geweest, maar hij wilde mij niet spreken. Hij was een oranje leugenaar, zeer zacht waren zijn steken. Hij heeft de bakkerbomen gemaakt. Ja, een torenleeuw is hij, een moeder van vele namen. En toen ik terug kwam wilde hij me zien, maar toen was ik al verdwenen. Hij kwam te laat, pas in de hel kwam ik hem tegen. 

En hier dan is het altijd te laat, waar slangen wonen, waar zij hun spelletjes spelen, en waar hun treintjes staan. Ja, hoog op de zolder, daar is het aldebaran van Mehn, starende naar de sterren van lynx. Hier vallen de lichten altijd. Hier komen de torenleeuwen om chocolade voor hun vaderen te vragen, maar de eekhoorn zegt telkens nee. 'Laat hen zelf die chocolade maar spinnen, ze hebben de Mezedium, laat die het maar doen.' En dan moet Mezedium rennen, van de zee naar het land en terug, als een sleutel van een vissenstaart, spint zij de dromen van de leeuwenkoningen. Zij is het spinnenwiel der leugenaars. 

2.

Zij is het spinnenwiel der leugenaars, als een vogel wordt zij, om chocolade te brengen, want de eekhoorns geven het niet. Zij hebben hun winkels wijd verspreid, en verkopen vele dingen, maar chocola verkopen ze niet. Ik ben bij de keizer van Mehn geweest, maar hij wilde mij niet spreken. Een leugenaar was het, en pas in de leugen kwam ik hem tegen. Het was een eekhoorn, die al die leeuwen en hun torens had gemaakt. In den beginne schiep hij het, en hij wilde zijn chocola niet geven. Dat moest Mezedium zelf maar spinnen. Vele koningen heeft hij, die keizer.

Zij moesten het chocola zelf maar zoeken, de lente werden ze niet. Na hun winter kwam de nacht, waarin zij hun verhalen schreven, over de nachtzeeen en hun paleizen. Nu willen ze dan een eekhoorn worden, een eekhoorn van Mehn. Volg die eekhoorn op z'n pad, maar volgen kun je hem niet. Het chocola zal hij je niet geven, je moet het zelf maar spinnen. Hier is het altijd te laat. Slangen worden hier geboren, en de treintjes van aldebaran in Mehn. Op hoge zolders en hoge tafels staan zij, achter glas, met lange rails.

Mezedium de muis is zij, zij draagt en is een raar kruis, een spinnenwiel is zij, om de steden te laten smelten. Nu kan zij borduren met de treintjes aan haar zij. Een raar kruis is zij, een spinnenwiel, waar slangen worden geboren, daar rijdt zij. Zij wordt van vis tot vogel, en van vogel tot vis, om in haar ketel chocola te bereiden, voor de octopus-kroon.

3.

De eekhoorns van Mehn, de trots van een verleden zo wijd. Hebbende chocola, alleen om naar te kijken. De eekhoorns van Mehn, de scheppers der leeuwen zijn zij, met al hun leugens, hebben zij hun tijd overwonnen. Nu zijn zij dan keizers, de keizers van Mehn. De eekhoorns van Mehn, met z'n allen staan ze sterk, om het chocola te bewaken. De winkels hebben zij, om zaken af te leiden, tot de miezerigheden van het bestaan.

Lapsalvania dan heeft Brannan gezuiverd, door de Grote Witte Oorlog en de Grote Marazanta, werd Brannan het domein van de Witte Gouden Hand. Een groot keizer is hij, zo almachtig. Hij heeft de eekhoorns van Mehn overwonnen, die leugenaars, die treiteraars, in het spel. De Witte Gouden Hand, ja, hij is koning, schenkende de witte chocola overvloedig.

Zo worden de bananen dan overvloedig geschonken door hem, en zij komen uit hun vele schillen, opdat zij die volgehouden hebben hun zegels zien. En deze zegels zijn nieuwe postzegels om met de diepere bewoners van Mehn te communiceren. Nu dan is het tijd dat de heerschappij valle in de hand van de wolvenmuggen. Leeuwen, kom tot de eekhoorntoren. Hier zal de Witte Gouden Hand regeren, en zijn leeuwen zullen koning zijn. En dan zullen de wolvenmuggen alle macht overnemen, stap voor stap. De generaals der oranje leugenaars zijn zij. Ja, Brannan en Mehn zijn in hun handen, en zij zullen daar hun toren en poort opzetten. Op hoge koetsen zitten zij, als de spot zijn zij.

De wolfmuggen van Mehn, zij kunnen door de kleine gaten heen. De wolfmuggen van Mehn, zij hebben de Gouden Hand om zich heen. Zij verkopen de postzegels op het stadhuis, op hoge koetsen zitten zij. Zij dragen de zegels van bananen en van chocola. Tot de kleuren van drop komen zij. In de bakkerbomen zullen zij brouwen, de nieuwe melk en sappen. Alle karsuiken zitten op de daken, en breken vrij. Ja, wolfsmuggen zijn zij, nu vrijgekomen, en ook de putsen komen vrij, en de karazuur. Op de strozalk vallen zij, om ook hen te bevrijden. Oranje leugenaars zijn zij. Het fruit ligt in hoge handen, de zegels vangen zij op, om gordijnen te openen, te laten dalen, en op te hijsen. Zij kennen alle namen.

4.

Een nieuwe orde stichten zij. Verhalen schrijven zij, die leugenaars van Mehn. Heb je hun sterrenkaarten gezien ? En de landenkaarten van Mehn ? Grijp dan niet naar wat brandt, maar doe het met de gouden hand. De gouden hand zal 't overnemen, de heerschappij over Mehn, om de laatste bruggen te openen, als Abraham Lincoln zal hij zijn. Al die presidenten van Amerika, waren maar wat leugenaars van Mehn, machines van Las Vegas. Zij sliepen allemaal met Amy.

Een nieuwe orde stichten zij, als het nieuwe amerika van Mehn. Zij zuiveren de indianen van Mehn, veelvuldig. Van een oude indiaanse secte zijn zij. Een vreemde cultus is het, die oranje leugenaars, met hun opperhoofden, de wolvenmuggen. Aan hoge snelwegen staan zij, om het verkeer te misleiden. Vreemde zegelen drukken zij op hen, opdat zij met de ouden kunnen spreken.

Een vreemde cultus is het, die wolfsmuggen. Zij laten de gordijnen dalen, en trekken hen weer op, om zielen door de woestijnen van Mehn te leiden. Waar gaat dat heen ? Tot het Californie van Mehn. Een vreemde octopus staat daar, terwijl de Mezedium staat in Washington, en het slangen-ei stijgt vanuit Arabie, alles in Mehn. In een Mehn-Arabische woestijn, daar groeien de vruchten. Tot California stijgen zij, waar de ketel wordt geroerd. In Boston vallen zij allen in slaap, het zilver leidt hen tot California, langs paarse gordijnen, daar zullen zij verdwijnen. In de ketel gaan zij, via het spinnenwiel in Washington. Een vreemde Vegas-Machine.

In Bagdad worden de vruchten gestolen, om in Spanje te worden bedrogen, door Oranje Leugenaars. Een vreemde Vegas-Machine. Op hoge wegen staan zij, de wolfsmuggen, om hen tot rails, treinen, en slangen te maken, tot racecars op de hoge daken. Tot oude chocolade worden zij. Nooit zal ik er meer op kloppen. Zij zijn de Oranje Leugenaars. Wolfsmuggen hebben zij als hun vaderen. Over Judas hebben zij gelogen. Een Jezus-Judas-gezicht dragen zij, maar 't is gewoon een masker. Vuile leugenaars zijn zij.

Vuile Leugenaars, jullie zullen mij niet meer flessen. Over Judas hebben jullie gelogen. Vreemde Vegas-Machines zijn jullie, met vreemde ogen, en vreemde verhalen, om de massa's te flessen tot vruchtwater. Gemene lelies zijn jullie. Wolfsmuggen tot de bejaardenhuizen, om tot de oude van dagen te praten.

Op mijn kop werd het zegel gedrukt. Ik werd van hier naar daar gedrukt. Met een ezelshorloge raakte ik op de vlucht. Tot een zebra-horloge kwam ik, op een zebra-boot, tussen nog meer van die oranje leugenaars. Oh, wat ben ik bedrogen. Ik ging van leugen tot leugen. Wolfsmuggen, 't spijt me, maar hier stopt de reis. Over Judas hebben jullie gelogen. Laat me nu jullie papieren zien, en jullie atlassen, en breng me tot de gouden hand. Jullie leider is hij, de leugen der leugens. En ik vond een gouden leugen, stekende zacht, zo zacht. Als een bakkerboom werd ik, totdat ik zelf ook een wolfsmug was. In welk leger zal ik nu dienen ? Van leugen tot leugen reizen wij. Waarvoor vechten wij, en wat bevechten wij ? In de leugen wordt alles onduidelijk. Wolfsmuggen, 't spijt me, maar hier stopt de reis. Over Judas hebben jullie gelogen. Ben ik dan nu in jullie masker opgesloten ? Alleen de nog grotere leugenaar zal aan jullie ontkomen. Ik schreeuw het uit tot de leeuwenthee, de leugenthee, die de advocaten drinken. Hoe moeten we de crimineel bevrijden ? Voor een gerechtshof van leugenaars sta ik. De grootste leugen zal winnen, oh bakkerboom, steek mij diep, en maak mij dronken van de leugen, want tussen zulke leugenaars redt ik het niet.

Oh, bakkerboom, autistische draak, draak van Mehn, ik kom tot uw leugenthee, uw leeuwenthee. De wolfsmuggen zitten achter mij aan. Op hoge snelwegen staan zij, drukkende de zegels op al mijn race-auto's en treinen. Tussen wolfsmuggen sta ik, als tussen zwarte flessen. Help mij. Oranje leugenaars, leugenaars van Mehn, omroepsters der tekenfilmen, neem mij mee. Tot het geheim der bakkerbomen, die leugenwaterval, bij de bronnen der leugens, vulde ik mijn flessen, voor een nieuw carnaval. En ik viel in slaap in Brannan en ik viel in slaap in Mehn, een diepe slaap der bakkerbomen, waar brengt het mij heen. Ze steken hier zo zacht, zo zacht, ik wordt er dronken van.

En weer greep ik mijn ezelshorloge, en ik kwam tot de diepere zeeen van Mehn, en tot de oceanen. Hier zwommen de zevenzeeen-beesten, en een bleke oranje octopus nam mij mee. Tot de octopussen van Mehn bracht zij mij, tot de grotere leugens, de leugens der lach, maar het werd steeds serieuzer en saaier, totdat ik een groot licht zag. Zij dan was de koningin der oranje leugenaars, en bewaakte de grotere leugens, de leugens der lach, die alles serieuzer en saaier maakten. En zij droeg de ster van Mehn tot het graf, waar zij chocola oogstte. En zij gaf mij chocola, maar ik at het niet op. Het is alleen goed om naar te kijken. En ook bracht zij mij tot een andere ster, waar zij drop verbouwde, maar van het drop at ik ook niet. Het was slechts om naar te kijken. En zij stak mij met zachte leugens, en ik lachte, maar werd serieuzer en saaier. En zij haalde een wespenoog uit mij, en gaf mij het oog van Mehn. En het oog van Mehn gaf mij grote visioenen, en ik kwam tot een eiland in de zee. Stekende vissen zwommen hier omheen, maar zij staken slechts in zachtheid, om de visioenen te laten groeien.

En ik kwam in een vreemd zachtstekende schelp, en zachte stemmen omringden mij. En zij brachten de lach in mij, maar ik werd serieuzer en saaier. En ik kwam tot een plaats waar het eeuwige lijden, en het grootste lijden twee staven waren en een rails vormden, en de dood bereed hen, en zij die in hem waren, waren vrij. En ziet dan, deze staven, deze rails, was geheel van chocola. De dood dan heeft het lijden omgevormd, daar op het toppunt. En zo was dan de chocolade-dood, als een stier en een bison in Spanje, troostende hen die luisterden naar het grote leugen-woord. Want in de leugen is de grootste troost.

En de trein was geheel van drop, want het lijden had de dood omgevormd.

5.

Waar de Maya-markten zijn en de Maya-winkelstraten, waar een speelgoedwinkel staat, zoveel verdiepingen, waar oude boeken te koop zijn, dagboeken, met vreemde messen, en vreemde speren, gestoken in een gordelband, waar het strakke speelgoed staat, een vallende hand, totdat het verleden opengaat. Waar de Maya-markten staan, waar vreemde beelden die je kunt kopen, op de loop gaan. Waar de Maya-markten zijn, waar de Maya-hekserijen tot hun eeuwige lichten ingaan. Waar vreemde skeletten staan, vreemde botten, waar melk uitdruipt zo zacht. Die botten zijn het geworden, door een lange lange nacht, waar in de lelievelden, de pauwenmelk stroomt, waar de bottenmelk droomt, 't is verleden tijd.

Waar de Maya-markten zijn, de vreemde spelen, waar de Maya-markten zijn, hoe kun je je hier nu vervelen. In hoge winkels, in hoge torens, daar wonen vreemde wezens, als skeletten met druipende botten, waar het melkmetaal uit voortglijdt. Een azteekse gevallen engel, stichtte hier het reformatorische hout, in hokken probeerde hij hen te proppen, nu speelt hij muziek, hij is de held.

In zeven talen spreekt hij hen aan, de dromen duren lang hier, totdat het benauwd, dan komen zij, de maya's om hen vrij te maken. In zeven talen spreekt hij hen aan, totdat de hand weer valt, en wij stromen door het land, als afgewezen rivieren, om tot de Maya's te gaan. 

6.

Waar de blauwgezichten lopen, waar de groengezichten dromen, 't is nu geen tijd voor parade-paarden, wij lopen te dromen voor de haarden, wij zijn tegelijkertijd één in wezen, heldenvoer is duur, laat ons getrouw wezen tot de vloer. Waar mercedessen bloeien, kom nu hier, en breng mij water-plezier, door de grotten regent het, het druipt, 't is Maya-tijd. En die azteken, verdreven door de inca's, laat op de dag, je mag niet horen hoe zij een eind maken aan de dag. Ik heb het vierenveertig vrouwen verteld, zij nemen mij nu als een held, maar ik, ik ben te laat, ik hoor hem steeds nog praten over een verleden dag, een maya-markt, een tennisbal, een legerlading, op weg naar 't grote carnaval. 'T is carnaval vandaag, soldaten staan paraat om een eind te maken aan machines, een eind te maken aan hoge dromen, een eind te maken aan kabaal, ik denk dat ik jullie ga verlaten, ik denk dat ik overspring tot een ander carnaval, want het is carnaval vandaag, waarom zou ik voor jullie kiezen, een ander kostuum staat mij beter vandaag. Wortels op het vuur, kanibalen maken alles duur. 'T is verleden tijd, en ik heb geen spijt, ik maak een overuur, voor dit gedoe. Waar de blauwgezichten lopen, waar de groengezichten verder gaan.

Maya-goden aan het woord

Kom een stapje verder, en ga een eindje verder weg staan. Tot de paradox ben je gekomen, ook om daar los te breken. Zo spreekt Nacon, god van de oorlog : Wegen, gij staat op wegen, want gij moet verdergaan. Wolken, gij staat op wolken, want gij moet opstijgen, tot een nieuwe naam. Spreek in die andere talen, de leugen is zo oud, ja, verlies die talen, en zuiver hen als goud. Tot het schrift van de Maya bent gij gekomen.

Zo spreekt Ah Cun Chan, god van oorlog : Gij moet spreken, spreken in die nieuwe taal. Opent uw mond, en ik zal hem vullen. Gij moet lopen, lopen over die nieuwe baan. Ik geef een zet, en ben je tot steun. Gij moet ademen, diep ademen, want ik sta hier, en geef het jou, een nieuw verhaal, een nieuwe levenservaring. Komt dichtbij en gaat verderaf. De paradox spreekt, en gij moet eraan ontkomen.

Zo spreekt Itzamna, god van de lucht en de hemelen : Hier sta ik dan, op een nieuw verhaal, op een nieuwe rug, de zielen gesplitst. Gij kunt twee dingen doen, maar strek u uit tot het derde. Gij dan hebt meerdere koppen zoals de zevendood. wenkt mij, opdat ik tot u zal komen, en spreken. Ik heb u veel te zeggen, maar ook raadselen heb ik gegeven.

Zo spreekt Mayahuel, godin van de drank : Ik heb u laten drinken, en in het dodenrijk laten dalen. Ik heb u de thee gegeven, en gij bent tot het dal der dorre doodsbeenderen gegaan, om de botten te melken, en nu in uw melk te gaan. Ja, gevoed heb ik u door de borsten der duisternis, en gij hebt uzelf gevoed. Ik ben meer waarde dan het licht, ik ben de duisternis, die het ware licht draagt. Kom tot mijn tempelen en boeken, lees hen in de duisternis, en wordt verlicht. Verlichten zal ik uwen zielen op de trap.

Zo spreekt Yaluk, opperhoofd der goden van bliksem : Ik zal u genezen onder mijn vleugelen, en u nieuwe namen geven. Ik zal u uw delen tonen die zo verwrongen zijn en in elkaar vergroeid. Ja, gij had gruwelen gezien, en gij had gruwelen verkondigd, maar dit is een dag van bevrijding. Ik geef u soldaten, en ik geef u carnaval. Gij moet lachen en vrolijk zijn, want ik heb uw lijden weggenomen. Ik heb u rust gegeven, een eeuwige rust. Kom, en laten wij elkaar vinden. Mijn bliksem is rein en voedend als melk. Uit het dorre dal kom ik, en stijg op tot u, om samen uit de put te stijgen, en te komen tot het nu.

Zo spreekt Ahau Chamahez, god van medicijnen : Ik breng u het arends-medicijn en het panter-medicijn. Ik heb u verteld over bomen en struiken, en hun geneeskrachtige werkingen. Ik heb u geleidt tot de geblokte ramen, en de geblokte visioenen. Gij zijt vrij. Ik heb u gehaald tot het dodenrijk, waarin gij nieuw leven hebt verkregen, en gij groeit nu als een kersenplant. Ik heb mijn handen op u gelegd om genezing te schenken aan de getrouwen. Vertrouw op mij, opdat ik u verder leidt. Mijn energie stroomt door uw lichaam, om u zielen aan te raken, en uw geest te zuiveren. Ik ben met u, op alle treden van uw pad. Ik sta voor u en achter u, met verlichting als de lantaarn. Ja, ik zuiver uw pad, ik breng het tot volwassenheid en volkomenheid. Ik toon u de glimlach van het verhaal, en leidt u door de gordijnen tot nieuwe machines. Ja, lichtmachines zijn zij, tot de rechtvaardigen gebracht.

Zo spreekt Cit Bolon Tum, god van medicijnen : Ik breng u genezing der raven, en ik schenk u de toegang tot eeuwige velden. Ik beweeg uw armen en benen, en geef u gevoel. Ik genees uw gevoel, en breng rust, en diepe vrede in uw botten. Ook breng ik zachtheid binnen, opdat het strome als de bottenmelk. Ik breng boodschappen van verleden tijden naar boven, en ziet, zij borrelen en dragen genezing, wijsheid en kracht, voor al hen die geloven en waardig spreken op het rechte pad.

Zo spreekt Tzultacaj, god van bergen en dalen : Ik stel een nieuw Maya-pantheon op, met meerdere goden. Ik spreek tot de bergen en de heuvelen, en zaad dale op hen neer tot nieuw gewas. Een nieuwe schepping zal komen, geheel nieuw, en ook de goden worden herschapen. De duidelijke zin van het woord zal hersteld worden, en de taal. Ik zal integreren, en het oer zevenvuldig, zij aan zij met armoe, telkens naar boven laten drijven. Tot armoe gezonden zijn wij verbonden.

Ah Chu Kak, god van oorlog : Mijn woorden zijn kracht en wijsheid, als het rode dat van de heuvelen druipt. Mijn Naam is Rodi Amel, als het wachtwoord der hemelen. Ik ben opgerezen om mijn woorden te spuwen, en te zeggen : Amel komt gauw. Ik ben de Rodi Arninpas, en de Rodi Zeterel. Ik kom weer. Ik voer oorlog in gerechtigheid, en in wijsheid, opdat de nieuwe wereld vorm krijgt, en het oude zal vergaan, om plaats te maken voor het oer. Het arme is bij me, en is gezuiverd zevenvuldig. Ah Chu Kak zal daden opstellen, om tot de hemelen te komen stap voor stap. Ah Chu Kak brengt het rode tot de bergen en de rivieren, en de heilige dans tot de winden, om het land te zuiveren. In rust en stilte ligt de hoop, en de genezing voor het nieuwe seizoen. Een oerstem ben ik, om licht der aarde te verspreiden. Ik heb de zaadspatel tegen de grond gezet, om de aarde te bevruchten. Gij dan zult kersenplanten voort brengen, en het rode der aarde, het vuile rode van diep onder de grond, en het rode ijs. Hier dan liggen de oerhelden opgeborgen, wachtende op de grote dag van Ah Puch, koning van de dood, uit zijn graf herrezen. De dood ligt dan onder zijn voeten, en hij heeft het leven in zijn fles.

De verzoening van Buchué en Bastet

Buchué, voorouder-godin der Chibcha's, die door haar zoon de wereld schiep, met alles wat daarop was. Zij dan is het diepe van Bastet. Zij dan is de morgenstond in haar hart, ja, vriendinnen zijn zij, en door deze woorden verzoend. Zij was het dan die sprak : Laat dan de kinderen los, want gij kunt ze niet dragen. Bouwt dan de brug, opdat zij eens kunnen volgen, en zij niet vergaan.

Zij leidde tot de Rode Kap, en de verbreking der dobbelsteen. Zo is dan het pad van Buchué een heilig pad, door het hart van Bastet, ja, haar geest is zij. Spreek dan, Bastet, want zij is uw stem. Rijs op uit de wildernis, en kleef aan de rotsen, opdat gij het pad zult zien, achter de berg, het groene pad. Zo is dan haar boodschap vol met raadselen. Ja, uit haar hand dan kwamen de Maritsa, zij die de warme dekens droeg, en Etsa. Zij gaf u de twee vleugelen, om tot de genezing te vliegen. Verlies daarom bewustzijn in haar aanwezigheid, opdat zij u een nieuw land geve. Ja, nieuw laag bewustzijn zal als een golf over u komen, en gij zult vliegen als de vogels, tot de steden van het oer. Zij heeft uw gebroken hart geheeld, en de boze lichten verbroken door de lichten der duisternis. Ja, de lichten van het oer zijn diep in haar. Ook heeft zij uw geest getekend met haar ijslichten, en in u de bloemen laten uitspruiten.

Necromorium

1.

1:1-2 Aanhef

1. Poezie van de Rode Roos ; de Geboorte van de Panterprins.

2. Is het een kus voor het sterven, om je poorten weer binnen te gaan ?

1:3-14 De bananen koningin

3. Ik zag je dansen in een stroom van rozen. Ze waren vochtig, bedekt door water, geschilderd door sappen van heldere dauw. Maar jij was de roodste van al deze rozen.

4. Je glimlach was helderder dan de zon, en jouw vleugels verspreidden chocolade stof. Jij danste daar, zwaaiende naar sterrestoffen, je omhelste herten, vliegende van bloem tot bloem, terwijl je een spoor van voet- en handafdrukken achterliet in de wolken.

5. Ik zag een andere roos, zwart als de duisternis, terwijl ze drie sigaretten rookte.

6. Ik zag ook een boom brandende in de woestijn.

7. Je was op zoek naar de bananen koningin. Ze wist van de zwarte roos en de brandende boom. Ze wist hoe hun zwarte olien jou achtervolgden. Ze was degene die de sleutel had naar het land van de vier kikkers.

8. Deze vier kikkers zaten op een hek. Dit land, ver over de gouden regenbogen en de morgenkanten. Ze rookten hun bellen, terwijl ze hun verhalen van liefde en oude kastelen verspreidden.

9. Het scheen dat ze niet werden tegengehouden door tijd of rede. Ze waren vrij in hun land dat was gecreeerd door henzelf.

10. Hun glimlachen waren bedekt met dauw en stromende mistbanken. Hun huid was bedekt met chocolade en pepermunt. Ze hadden de zwarte slaapliederen verslagen, die verspreid werden door de zwarte rokende roos.

11. Heb je wel eens tegen een slaaplied gevochten, proberende te ontwaken, terwijl dat niet lukt ? Zoals op je voeten proberen te staan, terwijl iemand je neer probeert te trekken ?

12. Het bed, een van de grootste slagvelden.

13. Het bed, waar de meest verschrikkelijke dingen gebeurden, waar de zwarte dwergen hun liederen zingen.

14. Het bed, de marteling.

 

 

2.

2:1-19 Chocolade vergif

1. Probeer te ontwaken, slik het slaaplied in, en spuug het weer uit.

2. Een leger van slaapliederen, een mand vol met gebroken ramen, oude giftige chocolade, gedompeld in drama en gedecoreerde tragedie, fluisterende in je oor, je ogen betoverende.

3. Stap niet in deze val, ga dit doolhof niet binnen.

4. Je voelt de zachte winden je kleine huis in het bos binnenkomen, hun voetstappen druppelende op je trap zonder het aan te raken.

5. Je voelt hun aanwezigheid in je slapende kamer. Je poppen slapen, je klederen slapen, je stoelen en klerenkasten slapen, en je kleine kastje.

6. Maar jij bent wakker starende naar je gordijnen, terwijl je de regen er doorheen ziet blazen, je bewust van de kleine sterretjes die de muren van je kleine kamer aanraken.

7. Het paarse plafond valt naar beneden, maar het schijnt je niet te bezeren.

8. De paarse muren vallen naar beneden, maar je glimlacht en steekt een kandelaar aan.

9. Je kent dit verhaal al, en het is alsof je het oude boek weer leest. Je bent er niet meer door beangstigd, want je voelt de veren van de oude vogel weer.

10. De rode roos glimlacht. Ze is met je in haar kamer, en de woorden verspreiden zichzelf vanuit haar wijde mond. De verhalen schijnen hier niet te stoppen, en ze stromen als verbrande doolhoven door de kamer.

11. Het is niet meer een geheim, je ziet de gouden sleutel.

12. De oude brandende boom is verbrand door een ander vuur, een vuur nauwer dan de vorige.

13. Zeven vuren zullen branden, om de laatste vlam te verteren.

14. Eens was er een dag waarop het vuur was weggebrand, het water was weggewassen, en alleen een paar dauwdruppels marcheerden door het land. Dezen waren de vier kikkers, wachtende op de laatste trein.

15. Niemand weet waar deze laatste trein naar toe gaat, en niemand weet waar deze trein vandaan komt, maar herten berijden deze trein, terwijl ze hun pijpen van chocolade roken. Zij weten het geheim van de rode roos. Zij zwommen in de zeven zeeen van rozen.

16. Wanneer er een verhaal opkomt, dan slikken ze het in en blazen het naar het verleden, waardoor hun trein vooruit komt. De toekomst bestond nooit, het was beschreven in het verleden, en het zal nooit tot leven komen. Alles wat we moeten doen is de geuren van de roos inademen en dan zullen we genoeg weten. Dan zullen we zijn wat we ooit zouden zijn. De geschiedenis heeft ons genoeg gegeven om uit te werken.

17. Wij zijn gebrandmerkt in het verleden, we worden beschreven in oude boeken. De toekomst bestond nooit. Het was een leugen van de zwarte roos. Alle tijden tuimelen neer en alle klokken schijnen te exploderen wanneer je in het oog van de rode roos kijkt.

18. Ze zal naar je knipogen, ze zal je haar hart geven, maar je zult nooit terug kunnen gaan naar de toekomst.

19. Wanneer chocolade wordt vermengd met banaan, dan zal de rode roos over de geschiedenis heenvliegen, waar de boeken van het leven staan beschreven, daar waar de koningin van banaan regeert. Jij zal een hart in je buik krijgen, zodat jij zult weten dat voedsel moet stromen, om de kindekens op te voeden. Je zal je hart slikken, en je zult de feesten kennen.

 

 

3.

3:1-14 Soldaat op een papieren schip

1. Ik verbrandde de oude pagina's van het boek miljoenen keren, maar het scheen niet uit mijn hoofd weg te gaan. Ten slotte kuste ik het boek en kwam de bladzijden binnen. Ik zag mezelf rondzwerven over blauwe zeeen,

2. in een papieren boot, zonder klederen, alleen met een paar witte strepen over me heen, tezamen met rode rozen en oude bladzijden van oude boeken om me te bedekken. Mijn geweer begeleidde mij, terwijl ik de haaien opvoedde.

3. Oude mythische vissen kwamen naar de oppervlaktes van deze blauwe zeeen.

4. Ze droegen witte gedecoreerde kettingen en oude verboden sprookjes stroomden om hen als vleugelen te dienen. Ik zag hen opstijgen vanuit de zeeen, om op wolken te zwemmen,

5. terwijl ze de gebieden van de zonnen en de oude klokken binnengingen.

6. Weer zag ik klokken exploderen en de sprookjes begonnen weer bij het begin.

7. Verre geluiden van het zuiden kwamen over mij, om de longen en de buik te verwarmen. Wespen zoemden tot het hoofd om de oude gedachten te besteken.

8. Boeken begonnen open te gaan, hun honing verspreidende, sprekende over werelden van verboden dieren en werelden van verboden bloemen en planten.

9. De oude boom glimlachte vanuit het as, maar ik reageerde er niet op.

10. Ik zag een man komende vanuit het westen, om me twee duiven te zenden die me zouden begeleiden door de woestijnen waar ik ingeslikt was.

11. De oude boom glimlachte nog steeds.

12. Ik ging naar een feest in het midden der seizoenen. Het scheen me niet meer te bezeren.

13. Is dit het eind van alle seizoenen,

14. is er een wereld over de seizoenen, de elementen en de klokken ?

 

 

4.

4:1-10 Het huis van de nar

1. Twee sigaretten lagen op de tafel, hun rook verspreidende, tezamen met hun zwarte geuren.

2. De oude nar staart naar zijn klok die aan de verscheurde muur hangt, gedecoreerd met bladzijden van oude dagboeken.

3. De zwarte roos was stervende in een glas met warm water op de tafel.

4. De oude nar die nog steeds op zijn viool speelt beseft de schreeuw van de zwarte roos niet.

5. Teveel slaapliederen maakten zijn oor doof, en zijn oog is bedekt met een zwarte lap die hij vond tussen de bladzijden van een oud piraten boek.

6. De monsters van dit boek schijnen zijn hoofd niet meer te bereiken. De enige herinnering die hij had van dit boek was de zwarte lap. Zijn andere oog staart naar de viool, terwijl hij probeert om nieuwe liederen te schrijven. De schilderijen van zijn grootmoeder inspireerden hem altijd om het werk te doen.

7. Nar, waar is je jeugd, waar is je stuk speelgoed ? Het scheen te verdwijnen door de poorten van de tuin, naar het bos, rennende naar een nieuwe wereld, waar de zon de aarde raakt, waar de regenboog de morgen bereikt, en waar de oude dauwdruppel de banaan eet.

8. De morgen bracht licht in het huis van de nar. Zijn viool is het enige wat hij voor zich heeft, om vrijheid te schenken aan het kindeke, dat eerst gekooid leefde als een leeuw.

9. Teveel slaapliederen jagen het kindeke achterna, maar de schreeuw om vrijheid rent te snel. Vleugelen van bananen boter bedekken de schilden van de rennende speelgoed stukken. Niemand schijnt hen te verhinderen, en niemand schijnt er een glimp van op te vangen.

10. Wanneer het stuk van speelgoed vrij is, groeit den appel. Wanneer het kindeke danst, dan wordt de viool weder geprezen. Hoeveel violen zijn er nodig om de vogels van sigaret vrij te zetten ? Hoeveel herten zijn er nodig om het leger van splinters en chocolade soldaten op te richten ?

 

5.

5:1-8 Bevroren soldaten marcheren

1. De slag van chocolade zal het land eens weer in ijs brengen.

2. Zeventig bevroren soldaten wandelen over graanvelden en de bruggen van de zon. Niets schijnt hen te smelten, niets schijnt hen te verhinderen. De chocolade is hen ter schild,

3. de chocolade is hen ter brug. Niemand kon deze mistbanken binnengaan dan deze zeventig soldaten. Zij komen van de morgenschemering, om klederen te zoeken, om wegen te zoeken om dit eeuwige doolhof te kunnen overleven.

4. Zestig bevroren soldaten marcheren snel, en marcheren daarna langzaam, terwijl ze lang groeien, en daarna kort. Zestig bevroren soldaten verlaten de andere tien.

5. Ze wachten op het schip der eeuwigheid, om zichzelf op te maken voor het oversteken van de rivier der vermomming.

6. Het is beter een dwaas te zijn dan een slaaf.

7. Morgen dansen de koninginnen, morgen zullen de paarden hun laatste winterslaap binnentreden.

8. Niemand weet de lengte van het gewaad van de koningin, en niemand kent de grootte van de soldatenlepel. Niemand weet hoe laat het is in het hof van de prins, en niemand weet wanneer het zal aflopen.

 

 

6.

6:1-16 Zeeen van chocolade

1. Zeven chocolade zeeen weven het kostuum van de nieuwe koning.

2. Ze schijnen niet te geven om klokken en doolhoven.

3. Ze schijnen te werken zonder redevoering en zonder hersenen. De schepen van banaan zeilende over hun stromen en golven, vertellen hen al de geheimen die zij dienen te kennen.

4. Vijftig bevroren soldaten verwennen een bakker's kindeke en veertig bevroren soldaten rijden hun rode paarden.

5. Ze wandelen nog steeds voor regen, nog steeds zoekende naar de witte schatten van vermomming.

6. De dwaas berijdt een paard, terwijl de slaaf het stof eet.

7. Dertig bevroren soldaten betreden het carnaval der zielen, drinkende van de chocolade sappen van de vier kikkers.

8. Pepermunt, rozen en piraten marcheren rond, en niemand kon binnengaan dan de dertig bevroren soldaten.

9. Al wat ze zien, al wie ze tegenkomen, zijn niets anders dan hun eigen weerspiegelingen en weerkaatsingen.

10. Een sigaret ligt op de tafel van de oude nar, krabbende de lederen veren van zijn verstand, verlangende om in de viool te kruipen.

11. Het oude raam kraakt en een bevroren soldaat ligt naast de sigaret. Een soldaat overgebleven, terwijl een sigaret ademt. Wie zou op willen blijven om hen te zien schaken ?

12. Het oude schaakspel staat op een heuvel, gebouwd op vier pilaren. Ik zag geen enkele elf of fee het spel bekijken.

13. De sigaret spreekt en mompelt over het verleden, en de soldaat spreekt over de weerkaatsingen. Al de schaakstukken schijnen te vermengen om in een glas te verdwijnen om te worden gedronken. De oude nar drinkt het op

14. en kijkt voorwaarts naar een andere dag om zijn viool te bespelen. Dan zou hij nieuwe liederen spelen en nieuwe sprookjes, om zijn scheppingen vrij te zetten, om de zon de maan te laten raken.

15. De oude roos, de rode, slikt de nar weer in,

16. en haar lichaam verandert in een schaakbord. Er zijn geen schaakstukken op dit bord, alles is stil. Ze gaat naar bed, zegt een gebed op tot de wind en valt in slaap.

 

6:17-24 Het offer van het oor

17. Schep jouw wereld, want als jij niet schept, zal iemand anders scheppen. Verzamel jouw schaakstukken, want aan het eind van de dag zal er niets over zijn. Luister naar jouw eigen vertellingen, want anders zullen je oren uitgaan naar stromen die je niet wil weten.

18. Offer je oor aan de koningin van banaan, want zij weet hoe ze jouw oor moet opvoeden. De kleine roos is niets wanneer de koningin opstaat. De kikkers vagen weg wanneer haar gewaad beweegt.

19. Blijf op tot laat wanneer zij niet in de buurt is, want ze zou maar langs je raam voorbijgaan, voorbij je gordijnen. Ze zou maar jouw oude boeken willen raken om ze tot leven te wekken.

20. Een kleine gebroken sigaret ligt op de tafel van de rode roos. Ze begrijpt zijn pijn en begrijpt zijn weerstand. Zacht sluit ze haar deuren, en zacht sluit ze haar ramen. Ze werpt haar gewaad de nacht in en drinkt haar laatste kop thee.

21. As ligt op de tafel van de koningin van banaan. Ze glimlacht diep, en knijpt haar ogen dicht. Ze kan maar niet vergeten van de koude briezen op haar zeeen van banaan. Het verwarmt haar hart, en ze vist de laatste bevroren soldaat uit de zee van schaak. Ze verbrandt de borden, breekt de glazen en voedert de krokodillen in de tuin achter haar huis.

22. De kleine soldaat offert haar de oude zwarte roos gewikkeld in een pyjama. Ze leggen haar in een kleine oude wieg, omhuld met oude slaapliederen die haar in slaap kunnen zingen. Deze wieg is de oude brandende boom, en ze verdwijnen in de zee van as.

23. Een zee van bloemen zal hen brengen tot hun laatste lot. Zeven dwergen wachten daar op hen, om hen hun laatste maal te schenken, de zwarten, met hun zwarte meel.

24. Een gebroken tafel staat voor de koningin en de kleine soldaat, bibberende van de kou. Zeven huizen brengen hun waterplezieren tot het huis van de koningin. De nacht is over, de schepen zijn verbrand, en het water is alles wat is overgebleven.

 

6:25-33 Prins over panters

25. Tien chocolade kikkers drinken van het water, en tien kikkers van banaan eten de huizen. Sommigen zeggen dat de panter nooit sterft.

26. Ik zag een kat sterven aan de daken van een oud gouden huis. Hij probeerde grip te krijgen, maar de ratten namen hem weg naar de riolen van de aarde. Niemand wist dat de plasticen verrotte prins daar zat opgesloten onder de grond. De kat nam de prins tot het daglicht, and zegelde zijn ziel. Een panter was geboren. De panter rent over de straten van de oude stad, zingende de liederen van woede en vrijheid. De panter, geboren om te leven, geboren om te woeden.

27. De woede verschijnt vanuit de longen als een rookwolk om de stad te bedekken.

28. Geen lied kan hem stoppen, en geen sprookje kan zijn beweging beeindigen. Hij heeft het hart van een panter en as is zijn staf.

29. Het oude schaakbord is de lap op zijn oog en met zijn andere oog staart hij naar de oude viool van de oude nar.

30. Hij speelt zijn liederen als knoeien met suiker, en staarten van ratten slaan de trommels. Zijn gitaren spreken van drama en zijn vloeibare stem verspreidt tragedisch dikke siropen. Hij wil niet vergeten van vergeten oorlogen. Zijn herinneringen houden zijn vrienden in leven.

31.Kindeke van oorlog, de schaal komt naar boven, zaaiende splinters in de zee. Kindeke van oorlog, naam makende in het naamloze, kindeke van oorlog, brekende beloftes om te vertrekken.

32. Jij loopt zonder naam, zonder ouders, om de kat te vinden die jou redde. Oh, weeskind van de oude riolen, kindeke van motten en ratten. Jouw kat zal jou terugvinden, zelfs in deze nieuwe wereld. Jouw kat is in jouw viool, jouw kat is in jouw trommel. Wanneer jij een geluid hoort, vang het op,

33. en deel de schatten die jullie beiden vasthouden.

 

6:34-54 Broer van Pinocchio

34. Oh, weeskind van Aldebaran, zoon van de riolen, zoon van het hoofd van de speelgoedmaker.

35. Ze hebben jouw vader Gepetto omgebracht, maar jij bent nog steeds jouw vaders vis.

36. Zoon van Gepetto, broer van Pinocchio,

37. jouw vrouw bracht jouw kinderen om.

38. Dit maakte je lang en lenig.

39. Ze namen jouw daglicht weg,

40. maar jouw broer zal je altijd gedenken.

41. Zoon van lappen, kleine pop,

42. jouw vaders vertrouwen zal jou altijd begeleiden met een lantaarn.

43. Probeer te herinneren dat je op vaders schoot zat, luisterende naar zijn vertellingen over de zee.

44. Probeer te herinneren de geuren van zijn pijpen en de feeen van zijn huis.

45. Zijn huis was gemaakt van de oude brandende boom en zijn honing was gemaakt van de mond van de zwarte roos. Nu kun jij de eeuwigheid doorbrengen terwijl je staart naar de drie sigaretten, die piratenschepen in de zee waren. Zij stolen jouw oude vader Gepetto,

46. en wierpen water in jouw wijn.

47. Zes chocolade kikkers zijn er om het verhaal te vertellen

48. en zes kikkers van banaan zullen het verhaal eindigen.

49. Sommigen zeggen dat Gepetto nooit zal sterven,

50. en sommigen zeggen dat jij Pinocchio's oudere broer bent.

51. In een geschiedenis dieper dan Pinocchio groeide een boom in de tuin van Gepetto. Aldebarans trots decoreerde jou. Trots is beter dan schoonheid. De fee van Neptunus was jouw moeder.

52. Ze verwekte ook Pinocchio.

53. Jij groeide op als een jonge boom, een hert in Gepetto's tuin. Jij was een plasticen stuk speelgoed van elven en feeen, maar jij faalde om je vaders wil te doen. Jij verbrandde jouw schoolboeken en zeilde weg met piraten.

54. Jij werd een rover en een dief. Jij schreef jouw poezie op de graven van oude criminelen, en jij offerde jouw hart aan de ratten. Jouw ogen gingen over de aarde om te stelen, niet om te geven.

 

6:55-7:19 Van vader tot zoon

55. Mijn kleine piraat, zegt Gepetto.

56. Ik verwekte jou vanaf de morgenzon,

57. terwijl jouw moeder jouw vuur van bescherming was.

58. Jij at de appels van de piraat

59. en jij dronk de wijnen van de vampieren.

60. Maar ik ben trots op jou, mijn zoon,

61. ik zag waar het je bracht.

62. Toen de ratten mijn hoofd als vlag op hun schepen plaatsten,

63. draaide jij jouzelf tegen hen in

64. en bouwde jouw eigen schepen.

65. Jij gaf jouzelf aan Schorpioen

66. als een bedreiging tot de spijbelaars.

67. Maar je viel diep, mijn zoon.

68. Ratten brachten jou in hun kerkers, in hun riolen, diep onder de grond, dichtbij de hitte van de planeet. Hun vuren brandden jou weg,

69. en ze namen een oog weg terwijl ze jouw tanden decoreerden met hun poezie. Misdaad na misdaad werd op jou gelegd, en jij werd diegene die zij beschuldigden in alle zaken. Jij was de vlag van hun vrijheid, jij was het offer, zodat zij konden leven.

 

7.

1. De oude kat stierf aan de daken van het gouden huis en gaf zijn leven weg om de diepten van jouw plasticen ellende te bereiken. Hij rekende af met jouw papieren koortsen en bracht je weer tot de morgenschemering. Oh, zoon van vrijheid, zoon van doolhoven. Jij zonk diep,

2. maar jij steeg hoog op. Jij was een sprookje in jouw moeders hart, en nu ben jij terug op schip.

3. Mijn kleine gokker, de drie sigaretten waren jouw dobbelstenen om mee te gokken.

4. Je dronk de bieren van oude legendarische piraten en criminelen.

5. Wij sloegen gewoonlijks onze armen om je heen wanneer je dronken was,

6. maar op een gegeven moment begonnen onze armen weg te smelten.

7. We zullen jou niet meer aanraken in jouw dronkenschap

8. en wij zullen jou niet meer aanraken

9. wanneer jij met je dobbelstenen speelt.

10. Nu is het jouw eigen keuze.

11. Jij weet wat je kan verwachten

12. wanneer jij bij ons bent.

13. Jouw rode hoofd maakt teveel lawaai,

14. en al het blauwe, gele en groene vaagt weg.

15. Wanneer jij thuiskomt heerst het rood.

16. Mijn kleine rode,

17. ik verwekte jou

18. vanuit stralen van Aquarius.

19. Ik schudde jouw verstand in mijn bedoelingen, en jij ging een graf te ver. Om dit zal ik huilen voor de eeuwigheid, en om dit zal ik nooit meer lachen. Jij, mijn juweel van Aldebaran, jij brak jouw moeders hart. Jij brak de snaren van Neptunus, en gaf haar melk aan de ratten.

 

8.

8:1-11 Plasticen vijanden

1. Is het een kus voor het sterven om je poorten weer binnen te gaan ?

2. Drie chocolade kikkers om de chocolade prins te kronen, en drie kikkers van banaan om de prins van banaan te kronen.

3. Mijn kleine zoon, met een kleine zwarte plasticen roos in zijn linker hand, en een kleine plasticen vuurboom in zijn rechter hand. Drie kleine plasticen sigaretten zijn in zijn mond. Hij speelt de nar weer.

4. Op de rug van een haai begint er een nieuw leven.

5. Mijn kleine zoon, met een kleine roos van chocolade in zijn mond, kauwend tijdens het maken van gekke gezichten. Hij speelt de nar weer.

6. Op de rug van een orca, een oud leven verdwijnt.

7. Mijn kleine zoon etende van een banaan, het lijkt dat hij diep glimlacht. Stemmen fluisteren in zijn gedachten, zijn elven- en feeenvrienden, hij glimlacht dieper en dieper en valt in slaap.

8. De rode roos glimlacht, de bevroren soldaat lacht, en ik, de bananen koningin, ik kijk naar het hoofd van Gepetto, die als een vlag slaapt op het piratenschip.

9. Een chocoladekikker, een bananenkikker, zoemende naar het piratenschip, blazende al hun kandelaren uit. En wanneer de laatste piraat slaapt, nemen ze het hoofd van Gepetto en brengen het naar zijn tuin terug. Hier zaaien ze het als een dierbare bloem, de koning van speelgoed.

10. Ga maar slapen, Gepetto, want morgen zal jij nieuw speelgoed creeeren. Ga maar slapen Gepetto, want jij draagt het Oog van Aquarius om de markten van de planeten te bewaken. Jij bent de bewaker van bewakers, en iets nieuws zal bloeien in jouw tuin van drop.

11. Wanneer het drop toeslaat zal het tweede Oog van Aquarius neerdalen.

Loriondix

1.

1:1 Aanhef

1. Poezie van de Latijnse Pierrot ; De Jongens van Lynx ; Aanraking van de Zeekwal.

2. Een prins van Spanje verzamelt zijn oude fruit, om den ouden menschen te begeleiden. Dragende de lappen van fruit die zijn moeder op zijn klederen had weten te krijgen. Zijn vaders oude beeldwerken bungelden aan zijn broeken, terwijl hij op het meer van de prinses van zelfdoding schaatste. Hij zocht naar zijn laatste pseta om naar de kachel te kunnen gaan.

3. Ik roep om twintig ouden onderwijzers die in een langharige lokomotief in woestijn en woestenij rijden.

4. Mijn grootmoeder droogt haar abrikozen in ouden behouden boekwerken van zilver ; sprekende over een geschiedenis zonder de dikke bazen van de oorlog.

1:2-16 Ik droeg alleen maar je broek

2. Het was nooit gemakkelijk voor mij in de ogen van de grijze slang te kijken. Het was nooit gemakkelijk voor mij om hem nog een andere kikker te zien verteren. Mijnheer de Wesp was nooit barmhartig terwijl hij de ongebroken beenderen verzamelde. De horror van de achterkant is nog steeds zwervende door de rookwalmen van mijn gedachten.

3. Jouw bossen waren koud, ik kon nooit echt hun lengtes vrezen. Mijn moeder zwerft daar nog steeds rond, om de laatste frambozen van de oude kikker te zoeken. Ze zeggen dat hij nooit zal sterven, dat de herinnering zijn adem is. Niemand weet waar hij zich achterhoudt, niemand weet waar zijn rookwalmen vandaan komen. Sommigen zeggen dat hij een verwijfd iemand van het zwarte gebied is. De grijze slang kon zijn adem nooit voelen.

4. Mijnheer de Wesp, vergader jouw kinderen. Ik heb je glazen niet ingebroken, ik heb jouw slangen niet genomen. De slangentong is de laatste herinnering vastgehecht aan je verstand.

5. De injectie van dokter grijze slang maakte jouw ziel rustig, suste jouw soldaten in slaap. Het zwarte slaaplied is nog steeds de verzameling van boeken waaruit jij leest, de dreigende bladzijden wegkappende.

6. Je draagt nog steeds de veren van jouw voorouders, maar jij trok de naalden uit hen weg. Oh, jij verloor jouw naalden in de zandvlaktes van de stad van slaap. Jij droeg zeven bedden op jouw rug, jij bent nog steeds een slaapwandelaar in de regenval.

7. Oh, waar zijn jouw kinderen, oh held van de geschiedenis. Jij verloor hen al in jouw dromen.

8. Jouw insecten werken in jouw tuin, dragende de laatste zeven stenen van jouw piratenknopen die jij gewoonlijks droeg. Jij bent je woestheid kwijtgeraakt, je verloor je angel. Vader, ik kon jouw vreemde fruit niet volgen. Zij komen van te verre plaatsen, dragende een te diepe linnen glimlach om te vertrouwen.

9. Vergeef mij, vader, vanwege het niet kussen van jouw sirenen die jij gebruikte om jouw stiltes te bewaken. Hun lange staarten waren nooit de dromen waarop ik vaarde.

10. Vergeef mij, vader, vanwege het niet dragen van de kostuums die jij mij gaf toen ik jong was. Jij vergat de naalden weg te halen waarmee moeder naaide.

11. Ik klaag niet meer over de zoemende stormen in de broeken die jij mij gaf. Dezen waren de enigen die ik droeg van jou. Bijen beschilderden mijn lichaam om mij te beschermen tegen de koude nachten in de zomer. Ik was jouw zomerkind, jouw zondagskind. Jij verwende mij met grootvaders geheimen. Ik zal jouw zachte omhullingen nooit vergeten. Zij brachten de tranen terug naar mijn geslikte hart.

12. Vader, ik voel nog steeds de gaten in mijn hoofd, de doornen in mijn handen, de naalden gewoven door mijn lichaam, zoekende naar mijn binnenste kelders, onder de huizen van mijn hart.

13. Ik zie mijn tante nog steeds buiten wandelen in de tuin, met een gekerfde glimlach, om de stadsbijen te verjagen.

14. Het suste altijd mijn binnenste schuren, die altijd zoveel stomende stiereboten voortbrachten.

15. Ik begroef mijn stieren lang geleden in de tuin van de buurman.

16. Het vrouwelijke familielid kerfte altijd de bloemen in hun hoornen. Ik zie haar nog steeds baden in te hete wateren, ze lijkt op jou, vader.

 

1:17-42 Kelners in oud Amsterdam

17. Hoe lang zijn deze benen van de jongens van lynx.

18. Het lijkt dat ze de grond niet raken.

19. Zij zijn de kelners van het kleine hotel in Amsterdam. Ze wachten nog steeds op de oude herbergier, die niet vaak komt. Zij willen nog steeds zijn sirenen huwen.

20. Ze dreggen de rivieren, zoekende naar gezonken klokwerken om te verkopen.

21. Zij verkopen alles, maar hun prijzen zijn te hoog.

22. De uurwerken werken niet meer,

21. maar de kopers houden van de oude geuren.

22. De mensen dragen grote neuzen

23. die ze gekocht hebben in feestwinkels aan de grachten.

24. De kelners van lynx verkopen ook neuzen.

25. Zij zijn de begeleiders van de blinden,

26. verkopende lange stokken

27. met handen aan de uiteinden.

28. Zij houden ervan om op de duinen te zijn,

29. het zand verzamelende

30. om ze allen blind te houden.

31. Zij spelen een spel met knikkers en ogen.

32. Jongen van Lynx,

33. jij wist het geheim

34. van het moordende oog.

35. Het moordende oog was de schrik van de zeven zeeen.

36. Jij zag zijn wolken van kanaries die de kusten van de planeet bedreigten. Hij openbaarde zijn naam nooit, terwijl hij de schepen van de Spaanse rivieren verbrandde. Hij spuugte de goudvissen die hij at nooit uit.

37. Hij vervloekte de kleine beeldjes van witte gezalfden die aan zijn armen hingen. Hun blauwe speelkaarten bedreigten zijn gedachten. Jij haatte altijd de prins van domino, jij speelde biljart met hem. Zijn keuen waren langer dan jouw keuen, en zijn groene geld had blauwe schaduwen, met scherpe kartels. Jij kon niet tegen de geur van zijn onschuld, die jouw huizen innam, zonder twijfels. Jij zij altijd dat zijn tong te lang was, en dat zijn ballen blokken waren. Ken jij nog steeds de vloek van de knikkeraar niet ?

38. Een gokker kwam jouw huis binnen op een paard, zonder een muur te breken. Dit was een feest in de geschiedenis.

39. Prins van de domino, hangende aan de golven van jouw moeders gewaad.

40. Prins van de peren, rennende door de melk, om de deur te vinden.

41. Al deze steden waren verwend door invalide zusters van het grote oog, hen die de dronken en uitgeputte zaterdagen verzamelden op een zondagmorgen.

42. Huil maar niet wanneer een andere slang jou wegneemt naar zijn hol. Dit is hoe je de wereld ontdekt.

 

1:43-50 Paleis van het falen

43. Klein moordend oog, in Bagdad had jij je paleis, totdat de droom van Spanje het wegnam. Nu lees jij het blindenschrift, terwijl jij de walvissen wegjaagt. Niemand weet dat jij blind bent. Jouw uitzicht stierf lang geleden. Jij droeg zwarte glazen om jouw schande en vrees achter te houden. Jij houdt er nog steeds van het spel met het moordende oog te spelen, van achter jouw onzichtbare plaats. Maar jij bent een blind kind.

44. Jij verloor jouw speelballen, jij verloor jouw geluk, jij leefde als een prins van verlies in het paleis van het gefaal. Gebroken platen kwamen door jouw ramen binnen. Gebroken talen waren op jouw muren geschilderd.

45. Gebroken vertrouwen, gebroken speeldozen. Al wat jij wilde was te vluchten in vrees om een schrik te worden.

46. In jouw hart ben jij een prins, dragende de speeldozen van jouw moeder en vader onder jouw armen, in trots. Jij weet hoe de speeldozen te openen en waar jij je pionnen moet neerzetten. Jouw dobbelstenen van goud schijnen nog steeds in het zonnelicht.

47. De droom van Spanje verblindde jouw uitzicht, maar jij bent nog steeds in jouw paleis. Een kleine moordende Latijnse pierrot, een ziener van de zwarte schaduw die het zwarte zwaard droeg, verlamde jouw ziel. Maar de geluksballen van de prins van domino waren geen blokken, de droom uit Spanje draaide jou ondersteboven.

48. Klein weeskindeke, jouw hart is zo bevroren. De ijsco op hoge hakken maakte jou hart bloedende. Laat mij eens de doornen in jouw ogen zien. Laat mij eens de draden van jouw poppen zien. Kleine poppenspeler, gedreven door onbereikbare onderscheidingen, nagejaagd door de leeuwen van een onbereikbare bal van goud, jouw medaillons zijn nog steeds bloedende in jouw hoven.

49. Jij was zo bevreesd om jouw hart te tonen, bevreesd om jouw lege speelzakken te laten zien.

50. Rennende over gebroken borden van schaak, die jouw voeten steken. Worstelende met eigendraadse speelkaarten, zeilende in schepen van glazen van wijn, zinkende in glazen te vol met sterke drank, maar de prins van domino is nog steeds aan jouw zijde. In de kamer van het biljartspel kwam jij de jongens van Lynx tegen. Zij zagen jou altijd als hun kleine vrind, hun kleine zoon. Zij begeleiden nog steeds de blinden.

 

1:51-69 Het boek van de kok

51. Agent van vernieling,

52. kleine dreiging van Libra,

53. jij bent nog steeds een fluisterende koningszoon,

54. de deur sluitende met een zucht

55. en een verzachting.

56. Jij volgde de zonen van Lynx,

57. hun snijdende talen,

58. stemmen,

59. redevoeringen

60. en verre accenten in hun gele ketels, hun duinen verspreidende over de randen van dampen om de ogen van hun natte woordenboeken te bedekken, om de sirenen van den ouden wesp tot het rijk der slaap te brengen.

61. Zeventig liederen van slaap dropen in de ketel, om hun ankers uit te slaan voor het waarnemen van de rondglijdende oude geuren.

62. Speelde Pinocchio ooit biljart ? Zijn leugens waren voldoende om de ballen te laten stromen.

63. De oude trap van domino kraakt. Bovenaan zit een prinses van Bagdad, huilende om de verloren spelen. Zij weet waar jij doorheen moest. Zij was altijd dichtbij jou. Haar tranen vermengden zich met de jouwen, om de kettingen te breken. Alle speeldozen zijn verloren gegaan, om hun paden terug te vinden tot de harten van kindekes. Hecht je niet teveel aan een spelbord, want ze brengen niets dan tranen.

64. Ze voelt zijn handen de hare raken. De doornen komen naar de oppervlakte van zijn handen. Zij voelt niets dan steken. De oude wesp komt tot de top van de trap, om hen drie knikkers te laten zien.

65. De kleine pierrot houdt zichzelf verborgen in een hoek van de trap van domino, hebbende een lang mes in zijn kleine handen. Kleine moordende woordenboeken houden zich schuil achter zwarte knopen van het kostuum.

66. Als de oude wesp de eerste knikker laat zien, slaan ze toe.

67. De prins worstelt tegen woordenboeken, tegen oude talen van diepe putten. Zijn broeken worden nat, en zijn morgenschemeringen veranderen in rood. Aan de bovenkant van de trap is de prinses van Bagdad nog steeds huilende. Hij voelt haar tranen door zijn broek stromen, sijpelende in zijn schoenen. De oude schoen spreekt alle talen, de oude schoen kent alle namen.

68. De jongens van Lynx lopen hard op de domino trap. Zij steken de parels van de oude woordenboeken. De majesteit van de wesp. Dezen waren de letters van het boek van de kok, echo's navolgende van een omgedraaid gedachtenleven.

69. Het kleine hotel bloost weer, de muren dragen nieuwe rookwalmen binnenin.

 

1:70-2:10 Kleine ziel van pierrot

70. Rookwalmen komen vanuit jouw kleine huis in de woestijn. Jij kookt de hele dag, om nieuwe spelborden te maken. Appelen van Schaak waren jouw hoofdgerechten. Jij stal de rookwalmen van de soep van de herbergier. Kleine rookwalm, kleine spelbreker, kleine zon van paarse duivelen, jij droeg de kronen van de speelkaarten koks.

 

2.

1. Rookgordijnen komen de kamer van het biljartspel binnen. De oude gokker geeft jou een glas melk om te drinken. Hij houdt van jouw grappige spraak, en hij leeft mee met jouw treuren om jouw verloren hond.

2. De muren hier zijn geschilderd door een kleine spijbelaar, die zwarte werken verricht om zijn boeken van school te kunnen betalen. De verhalen worden droeviger.

3. En nu zit je hier op je hoge barkruk, om sterke drank te drinken met geld van gokkers. Jij bedacht deze doos, jij maakte deze gevangenis van getallen.

4. We zijn uitgepraat, weeskindekes sterven in de koude, en jij kiest jouw eigen kampioenen, schrijvende jouw eigen woordenboeken met gebroken penselen, gedoopt in bloed.

5. Horror met een moeilijke glimlach, maar jij kent de ratten achter het podium van dit circus, kussende de vleugels van omgetuimelde spinnen. Jij wist de kok heel goed, maar jij durfte nooit in zijn gezicht te kijken. Omdat jij bevreesd was om het spel te verliezen, jij creeerde jouw eigen speelborden, waarop jou altijd de kampioen was. Jouw zelfgemaakte pionnen zouden jou altijd als koning kronen.

6. De rookwalmen van de kleine dronken pierrot steeg op tegen de heuvels van de koude woestijnen. Het zand werd kouder en kouder door de jaren heen, om de kerkhoven van oude ogen te zegelen.

7. Een zee van gebroken glazen lag voor mijn ogen, met golven die tegen de stormen brulden.

8. De kleine pierrot zeilde met zijn schip naar de dwergengrot.

9. Verjaars gebak rees op van de diepe dwergengrot, want hun dankbaarheid naar de kleine ziel van pierrot was groot. Maar hij kon geen plezier aan het gebak beleven. Hij miste zijn ouders, maar hij haatte hen ook.

10. Hij voelt de oude verrote vondelingenmand weer, die al zijn dekens wegslikt.

 

3.

De spelbreker was hier

1. Jongens van Lynx, kelners onder het gezag van de gastheer, vondelingen vanaf den beginne, dragende de angels van wespen in hun lichamen.

2. Het wezen van een wesp, zoekende naar het wespennest. Zij voelden altijd genegenheid naar de kleine paarse pierrot. Miljoenen angels vliegen door de hemelen op zoek naar het grote oog om daar binnen treden.

3. Het inslikken van veertig duizend miljoenen wespen is nog steeds een ongewonlijk iets om te doen.

4. Duistere echo's bekijken mijn verstand. Lange vloeibare sirenen dreggen de rivieren in hun zilveren laarzen. Zij verkochten hun staarten aan de hemelen.

5. De grachten van Amsterdam zijn uitgedroogd. De kleine paarse pop is op zoek naar zijn verloren huis.

6. Zijn kleine ring doet pijn aan zijn vinger. De oude vondeling-mand slikt zijn verstand weg.

7. Verbrand deze oude mand, zei den ouden wesp. Het is zeep in het kleine hotel voor zo vele jaren, maar de kleine paarse pop weet dat niet.

8. Tattoeages van oude wespen-angelen bedekken mij. Ik kan nog steeds de prentenboeken op mijn huid lezen, ik hoef geen krant of nieuwsblad te kopen. Verf op mijn schoenen, verf op mijn klederen. De spelbreker was hier, tezamen met de dictator en de componist.

9. Dezen zijn de dromen, dezen zijn de presentjes. Ik hoef ze nooit te kopen, zij komen door mijn open ramen, binnenkomende tot dicht bij de rand van mijn bed.

10. Ik lig op mijn bed om mijn dromen te ziften, kussende de manden van den wespen. Dankzij hen kan ik dromen, hen dankende kan ik vergeten. De angels komen mijn bloed en ziel binnen, om mijn hart uit de speeldoos te breken. De kleine paarse pop is nog steeds mijn vrind, na al deze jaren van varen in paarse sprookjesvertellingen. Hij weet wat het is een vondeling te zijn. Wij praten nooit over de speelborden, nooit over het vergif van het oude drop. Wij varen gewoon achter wespen in vergetelheden, vergeten dromen.

11. Zijn vergif komt binnen in mijn verstand. Het doet mij niet zeer, het heelt mij. Want ten slotte heb ik een vrind die zijn smart met mij deelt. Hij weerkaatst mijn dromen en mijn tranen, mijn beangstingen en mijn littekens. Wanneer ik naar hem kijk, zie ik een betoverde spiegel, en kan ik mijzelf beter begrijpen.

12. Dank u wel voor het tezamen wandelen met mij, dank zijnde voor het tezamen drinken van de tranen, vanuit de zelfde bron. Dank voor de verzameling van boekwerken die u bracht tot mijn hart, voor het leven.

13. Ik zal deze platen niet meer bekijken, maar ze werpen in den zee. Maar de herinneringen die ik heb, zal ik dicht bij mijn hart en ziel houden. Ik zal niet vergeten wat anderen vergaten. Ik zal niet verbieden, wat anderen verboden. Ik zal vrij zijn in een hof van ruimheid en adem, van mijn eigen verstand en mijn eigen plaats. Deze plaats is het hart en de ziel van het kleine paarse popje.

 

4.

In het wespennest

1. Het wespennest binnenkomende, drinkende van de sappen tezamen met oude verhalende wespen is het beste wat jij kunt doen nadat jouw schip is gezonken. Het is zelfs beter dan het verbranden van herinneringen met een klein paars popje. Den ouden wespen van zeevaart zijn goed om te beluisteren en tegen te vertellen.

2. De kleine prinses van Bagdad is badende in den zee.

3. Druppels van tranen plakken als zeekwallen aan haar vast.

4. Zij zag de tweede knikker van den ouden wesp.

5. Zij laat haar verstand zinken in den ouden mand,

6. een geheim dragende in haar hart.

7. Den wespen krijgen haar belangstelling,

8. en dragen haar naar het wespennest

9. waar ik zit op een linnen gedecoreerde stoel,

10. in een kwetsbare linnen pyjama.

11. Dit wespennest is in het middenste

12. van het groote oog.

13. Zij toont mij een boekwerk van honing,

14. en ik lik ervan.

15. Mijn aangezicht verandert in blauw en paars.

16. Het is zo verrukkelijk,

17. maar het meisje zegt

18. dat het een ander woordenboek is

19. om te lezen.

20. Het is de taal

21. der wespen,

22. een zoemend

23. leesbankje.

24. De

25. tranen

26. rollen

27. uit

28. haar

29. ogen,

30. want

31. de

32. letters

33. doen

34. haar

35. zeer

36. en

37. haar

38. stem

39. is

40. gezwollen.

41. In

42. den

43. zee

44. van

45. traandruppels

46. zwemt

47. een

48. aal.

49. Geen

50. traan

51. kan aan zijn lijf steken.

52. De tranen van den tandendokter kunnen zijn verstand niet bereiken, en hij kent de naam van zijn dokter niet.

53. Den jongens van Lynx berijden nog steeds den blinden. Geen ziel zal jouw bankwerken betalen, en geen ziel zal jouw katten loslaten. De bestemming en beslissing staan twee heuvels weg van den kleine herberg.

54. Den derden knikker weerkaatst de stukken van het aangezicht van den ouden zeekwal.

55. Kan ik een beetje rust toebedeeld krijgen tussen de tikken van den klok ? Jij hebt zes tikken van den klok nodig om tot den kachel te komen.

56. Kan ik een paar bedden toebedeeld krijgen tussen jouw beademingen ? Ik zal binnen tien minuten jouw schoolwerk overhoren.

57. Den leraar springt tot een bord met soldaten van de domino. Zij schieten met kogels van speelkaarten. Het schijnt dat het spel nog niet voorbijgegaan is. Den ouden zeekwal rookt zijn pijp. Op een podium komen maakt het feestgelach altijd anders. Geen gewaad kan jouw verf wegwassen. Soldaten van het biljart komen de gallerei binnen, de pionnen vallen neer een voor een. De geheime prinses van zelfdoding bekijkt de schaduwgezichten van haar soldaten van het dambord. Zij kan geen lachje zien, en zal roepen totdat de traandruppel valt.

58. Oude soldaten van Vela omhullen de kamer van het biljart. Reuzendobbelstenen bekijken het schuim.

59. Ik zie mijzelf wandelen langs de grachten van het oude Aldebaran, terwijl ik sommige zeer kleine speelbootjes wegblaas. Een ouden Sint Nicolaas uit Spanje genaamd Alva bekijkt mijn namen. Hij verbrandt de schaduwen van ouden knikkers die in mijn huid vastzitten. Een oude soldaat van Vega schudt zijn hoofd.

60. Kent hij den dief van Bagdad ? De treinen van het Westen schijnen te beeindigen in den sneeuw. Waar zijn de bedervers van het speelbord ? Waar zijn de speelbrekers ?

70. Een prins van Spanje verzamelt zijn oude fruit, om den ouden menschen te begeleiden. Dragende de lappen van fruit die zijn moeder op zijn klederen had weten te krijgen. Zijn vaders oude beeldwerken bungelden aan zijn broeken, terwijl hij op het meer van de prinses van zelfdoding schaatste. Hij zocht naar zijn laatste pseta om naar de kachel te kunnen gaan.

71. Schaatsende op de moerassen en woestenijen, zoekt hij naar de prins van ratten, de kleine spijbeljongen. Ik weet waarom jij de school niet wilde zien. Ik weet waarom jij niet in de ogen van de oude Sint Nicolaas van Spanje wilde kijken. Jij zag bloed in den oogen van den ouden onderwijzer. Nu ben jij dan rennende met ratten, terwijl jij kijkt naar de hof die verloren gegaan was tussen ouden kranten en prenten, terwijl jij elke dag jouw lippen rood maakt, oh zo rood, met het bloed dat jij vergaderde. Zij denken dat jij den koningin bent van gerechtsheren, de angel van de deurknop van een tandendokters ademhaling, maar jij bent een bolleboos van een krantenjongen, rennende met jouw ratten door de oude stegen van het oude Londen.

72. Ik bekijk mijzelf terwijl ik diep duik in de wateren van het blauw en roze slangenbed. Mijn oogen zijn vol van tranen. Ik zag de hertehond rennende naar grootmoeders stad en terug. Haar dromen omhullen nog steeds mijn armen, als een gebruiksvoorwerp om mede te zwemmen.

73. Ik was altijd beangst om dit oude steegje binnen te komen. De rookwalmen waren een masker en een vermomming aan het vermoorden. Mijn broeder vroeg altijd om sigaren van de groote jongens, terwijl hij ze in tweeen brak als zij aankwamen op den deurmat. Mijn moeder vertelde ons altijd om suikerwerken van vreemdelingen aan te nemen, en het naar haar te brengen voor wreeden ondergrondse complotten beneden kelders, kerkers en riolen. Wij waren nooit toegestaan om hen de handen te schudden.

74. Ik zag een moordende vogel drie vederen en vogelpluimen dragen in de wind. Mijn moeder zegelde gebruikelijks hun monden, terwijl ze de hoven binnenkwamen. Befluisteringen brachten ijsco's van de nietigheden, en een overgrote hoeveelheid van trots is nog steeds de prenten van onze herinneringen aan het bekijken. Zij zijn teruggekomen, maar nu zijn ze vreemdelingen.

75. Ik roep om twintig ouden onderwijzers die in een langharige lokomotief in woestijn en woestenij rijden. Zij zijn dwalende om een klein paars popje te vinden. Den oogen van eenen melkmeid staren naar mijn potten met zwart druipende koffie. Ik voel koude briezen mijn broeken weder binnenkomen. Zij zijn dwalende op zoek naar mijn broekophouders.

 

5.

Het kasteel van Spanje

1. De prins van het dromen is zijn twintig speelkaarten aan het tellen. Hij eet van dierbaarheden en kostbaarheden van Spanje.

2. Geen ziel zou ooit weten van de verschrikkelijkheden van dezen hof en plaats, [ 2b. dezen wreeden ondergrondse complotten beneden kelders, kerkers en riolen ]

3. Het kleine paarse popje schreef twintig boekwerken en geschriften over dezen. Verschrikkelijkheden tezamen met een glas sterken drank. Een zwart boek van verschrikkelijkheid met wat zout. Dertig jaren zonder enigen abrikoos is eenen langen tijd voor een piraterij met een gespleten karakter. Welk aangezicht zal hij dezen dag uitverkiezen ? Mijn grootmoeder droogt haar abrikozen in ouden behouden boekwerken van zilver ; sprekende over een geschiedenis zonder de dikke bazen van de oorlog.

4. Den ouden boom van abrikoos zou het laatste ding zijn wat ik zou bekijken. Ik had er teveel nachtdromen van, die van den bladeren afdruipten. Het duurde drie lange dagen voor grootvader om langs de omheiningen te lopen. Hij loopt nog steeds in vierkanten, terwijl hij diepe vochtige laarsafdrukken van geheime reuzen achterlaat, die door de verscheidene bodems van de oude planeet doorsijpelen en echoen. Zij jagen mij nog steeds na in mijn droom, terwijl zij mijn ouden dierbare vrinden bespugen. Hij is te behoudend, zijn muren zijn te dik, en zijn dekens te zwaar.

5. Zijn diep rouwende zwartgerande reuzen hebben nog steeds begrafenissen in hunnen oogen, terwijl ouden koffie van goud uit dezen oogen druipt. Zij dwalen om eenen draak te vinden, die op een duin staat, om naar de woestijn en de woestenij te staren.

6. De kleinen jongen schildert zijn moordende pierrot popjes, terwijl hij staart naar zijn rode schaakbord. Hij is staande op zijn zwarte heuvel, ver van den kleinen herberg vandaan. Het dwaalt daar nog steeds in 't rond om zijn kettingen achter te laten.

7. Den kleinen prinses viert haar verjaring. Den kleinen paarse pop wil niet komen. Hij is een andere hof en plaats aan het uitvinden.

8. Donk're nachten komen de koffieherberg van het kleine Bagdad binnen. Den ouden onderwijzer van Spanje is in het bezit van een geneugtwaardige stem. Het was niet waar jij op bedacht was, de verblindende angel was jouw ouden vaders hand. Doornen in 't zand herinneren jou aan den zee. Zijn dierbaarheden en kostelijkheden zijn geneugtwaardigen van Spanje, en nu ben jij smeltend blindenschrift aan het lezen. Het druipt vanaf de zon tot de hemelen, om de dierbaarheden en geneugtwaardigheden van jouw harten en zielen te verfrissen, te verfijnen en te vertederen, [ 8b. waar jij was opgesloten door wreeden ondergrondse complotten en verschrikkelijkheden beneden kelders, kerkers en riolen ]

9. Ten slotte zie jij jouw vaders schilderstukken wegsmelten, terwijl de kachels en vuren van Spanje jou stevig vasthouden. Jij ziet de steden wegsmelten in een trechter, ronddraaiende wegvagende spiralen in de hemelen. In de zanden van Jupiter zie jij een vrouwelijk iemand van Spanje die kastelen bouwt van zanden en zout. De tijen komen om deze dierbaarheden en kostbaarheden in te breken, elke morgenstond. Het vrouwelijk iemand van Spanje weet niet van de prinsen van domino. Zij bouwt haar eigen wegen. Zij kent de lederen draak met tandenbezeringen. Haar reuzen wandelen te zwaar, dragende te zware klederen. Haar vogels kunnen niet vliegen vanwege de zware vederen. Vederen van ijzer, vederen van steen. De muren van haar kasteel zijn zo dik dat er geen ruimheid is in de kameren. Alleen den kleinen menschen kunnen daar leven. Elke morgenstond gaat het Vrouwelijke Iemand van Spanje naar de duinen om de brullende en woeste golven van haar kleinen kastelen ten aanschouw te leggen door de traandruppels in haar oogen, die ze ter verkoop aanzet tot den ouden jongens van Lynx, voor eenen steenen pot met koffie. Het Vrouwelijke Iemand van Spanje is nog steeds blind, schreiende blinden traanen.

10. Ik teken nieuwen kameren aan den muuren van het kasteel van het Vrouwelijken Iemand van Hispanie, de ouden dierbaren reuzen nemen hunnen plaats.

11. Van den stof tot den stof glijdt den grijzen slang. Maar ik tekende teveel.

12. Paars en geel zijn steeds jouw kleuren, terwijl het oranje de zeehoven beharkt.

 Tupuchini

1.

1:1-17 Aanhef

1. Van opa's schilderijen ; De komst van het stuk speelgoed.

2. Den wilden jongens kunnen op den ouden aarde binnenkomen, door den wreeden ondergrondse complotten beneden kelders, kerkers en riolen. Den jongens van Lynx kunnen vertrekken wanneer zij dat willen. Zij spreken den ouden talen van slangen en wespen. Den ouden jongens van Lynx verkopen verjaringen aan den schaduwen en voorbijgangers. Zij aanschouwen de trechters.

3. Hij heeft nog steeds de bakers ooren, zijn oogen dicht bij elkaar. Zo scheelkijkend als een woordenboek vol bloed van Frankrijk. Zijn aangezicht is dun en satirisch, hij lacht altijd. Hij meent er geen woord van. Zijnen oogen huilen den gehele tijd. Hij meent het niet. Hij is den grootsten godslasternaar op het schip.

4. Dezen verlegen knaap ;

5. Het is alleen een gebaar, de behandeling en onderhandeling die hij aan jou geeft. Zijn moeder leerde hem fijntjes.

6. Zij is een bekende tovenares, komende van Neptunus. Zij weet wat beroemdheden zijn. Niemand weet waar zij leeft, maar wanneer zij de tegels van de straat betreedt valt iedereen in beroering.

7. Er zijn zekere koren van knapen in de luchten. Den jongens van het ouden Venusch, den jongens van het ouden Tucan en den jongens van Lynx. Zij zijn als neven. Wanneer zij de suikerwerken overhandigen, dan is het giftig. Den menschen vinden dat altijd te laat uit. Maar ontgiftigd suikerwerk blijkt slechter te zijn voor eenen mensch.

8. Zij doen hunnen redevoeringen voor henzelf, over verre vreemdelingen van een Messias en zeer wreeden woordenboeken, en dit allemaal om het gebak klaar te bereiden.

9. En nu dezen knapen van Tucan, zo aanhankelijk, zo eerlijk en zo waarlijk, maar zij roken valschen sigaretten, om een magnetisch instrument te leggen, en om dierenhoven te bouwen, zo verlegen, maar met eenen valschen naam. Zij zijn knapen van blik, om het magnetische instrument te leggen. Er zijn verbonden tussen dezen heren, tegen deze bazen van zuiderlijke kusten. Hun huidskleur verspreidt zichzelf en jij kunt de bomen door hen heenzien. Hun littekenen zijn doorzichtig. Zij zijn verzamelaars van dierbaarheden en kostbaarheden, en laten daarvoor alles in de steek. Zij zijn hoge heren van belastingen.

10. Je kunt hen nooit vertrouwen, deze knapen van Venusch, dezen prinsen der satire, ingehouden onder een ouden lappendeken. Je kunt hen immers nooit vertrouwen. In de vergetelheden wonen zij, waar zij hunnen sigaretten oproken met kwetsbare vingers, oh zo kwetsbaar. Maar zij laten gewoon valschen magnetische ballen rollen, om varkens terug te laten komen tot hun stallen, en om kippen tegen elkaar neer te zetten.

11. Den prinsch van Spanje, den knaap van den Steenbok, die rent door den ouden stegen van het oude Londen, om zijn kranten aan den ganzen te verkopen. Een ander verhaal van hetzelfde prentje.

12. Knapen van den Steenbok,

13. nog steeds een droevig verhaal, het brengt je smart op smart, maar het is valsch, net als den tranen die dan door jou heen draaien.

14. Zij zijn gevallenen uit jouw hemelen. Opa vond dit schilderij altijd het dierbaarste en kostbaarste. Maar hij is den enigen die er zo van houdt, en het als geneugtwaardig volhoudt.

15. Zelfs ik kan er niet van houden. Ik hield niet van dit schilderij. Totdat ik de steen vond, die ik naar de bakkerij kon gooien.

16. Deze heeren van speelkaarten, nieuwen werelden in het zwaanenmeer. Ben jij nog steeds eenen prinsch van gebroken oude winkels ? In dit paleis van het falen ligt een steen die jij kunt gooien.

17. Zij zullen dezen stenen gebruiken om nieuwen bakkerijen te bouwen en nieuwe ambachten. Jij hebt hun voordeuren beschilderd met jouw bloed en jouw ziel.

 

2.

2:1-3:29 Weg naar een wereld onder de hel

1. Zij waren de slaven van verrotte schoolen en verrotte woordenboeken,

2. Zij waren de criminelen van den ouden kerken, gezegeld bij het Grote Verjaren,

3. Zij waren de gesneden aardappels op schalen van tomaten.

4. Maar het was allemaal om de knapen van blik terug te brengen.

5. De mejuffrouw kon haar eigen woorden niet begrijpen, want iets maakte haar alsmaar aan het lachen. Het zwol op in haar maag, en het dwaalt door haar hoofd.

6. De mejuffrouw denkt dat zij het spel heeft verloren, dat iemand anders krachten over haar heeft. Een steen van domino, komende van Vela.

7. Daar waar de kamers van biljart leven.

8. Het is nog steeds het monster van de kosmos en van het heelal.

 

3.

1. Ze kan niet praten, alleen maar lachen. Haar kindekes gaven den hoop weg. Ze heeft ademproblemen en slaapproblemen. Niemand durft nog met haar te praten. Ze leeft op een eiland dat verloren is gegaan.

2. Hier leven kannibalen, die tempels hebben.

3. Zij eten haar elken dag, maar zij lacht in hun magen, waar zij hen opeet. Zij lacht iedereen naar de wereld onder de hel, terwijl zij haarzelf lacht in de wereld boven de hemel.

4. Zij leeft op een eiland, alleen en zo koud, maar zij lacht als nooit tevoren ;

5. en niemand kan haar nog aanraken.

6. Zij lacht haarzelf door graven en putten, door verjaringen en zondagen.

7. en ze laat haar sporen achter in de sneeuw.

8. Al haar kindekes werden spijbelaars, lezende het grote boek.

9. Nu dwalen zij door hunnen tempelen, als gevallen dierbaarheden en kostbaarheden. Den menschen vertellen dat zij leven als de kannibaal, als den ouden mijnen juffrouw. Maar nu weet niemand het zeker, want zij leven op eenen eiland van het geheim. Zij bouwen daar een nieuwen samenleving van vleesch en bloed.

10. Nieuwen gerechtsgeschriften en boekwerken,

11. Nieuwen schoolen,

12. Nieuwen belastingen

13. Nieuwen zondagen en verjaringen,

14. Nieuwen fondsen en voorzorgsmaatregelen.

15. Dezen wilden vliegen, dezen wilden knapen.

16. Zij namen geen vrouwelijke iemanden en sommigen aan.

17. Dezen zullen ook opgegeten worden. Om in hun magen opgevoed te worden.

18. Dezen knapen van Pegasus,

19. den ouden mijnen juffrouw is zo trots op hen.

20. Zij glimlacht vanuit haar wereld boven de hemel ;

21. en de vrouwelijke iemanden en sommigen eten de jongens van binnen uit op, om zichzelf in de wereld boven de hemel te lachen.

22. Den ouden mijnen juffrouw neemt dezen vrouwelijken iemanden en sommigen ook niet aan.

23. Den ouden mijnen mejuffrouw eet hen daar op, als ontbijt in haar wereld boven de hemel.

24. De vrouwelijke iemanden en sommigen,

25. proberen den ouden mijnen mejuffrouw van binnen op te eten.

26. Den ouden mijnen mejuffrouw lacht altijd luider en duidelijker,

27. en den volgenden dag zijn zij,

28. in den wereld beneden den hel,

29. waar zij verloren zijn gegaan.

 

4.

4:1-2

1. Hier is een wereld waar jij de knikkers kunt vinden ;

2. en de drinkbekers.

 

5.

5:1-12

1. Ik doodde tien miljoenen heilige standbeelden van een nog heiligere tempel ;

2. Ik at een heilige tulp levendig,

3. Ik verslikte mij in twee meest gewijde kikkers,

4. Ik verdronk sommige gezalfde en gezegende dobbelstenen.

5. Ik brak een goddelijke sigaret, de hemelse en sprekende standaard van het lammeke,

6. komende van een besprenkelde slagerij ;

7. ik brak een oorlog van sacramenten en zo voorts.

8. Heilige politiebazen en mijne heren willen mijn hoofd om te spreken op hun haarden, kachels en ovens.

9. Ik krijg brieven van laat maar zitten ;

10. en ik vraag mij af waarom de oerknal nog steeds genegenheid voor mij gevoelt.

11. Ik spuugte in gewijde wijnen. Ik at kannibalen, en gebruikte hunnen ingezegende geschriften om bankwerken mee te zegelen.

12. Achter het hek van goud liggen de speelhoven.

 

6.

6:1-6

1. De prinsch van domino staat in het middenste van de grote bakkerij in klein Amsterdam. Hij maakte de sprong. Al zijn smarten zijn nu brooden. Zijn marktpleinen zijn nu speelhoven. De raamen van de winkel zijn verwend.

2. De prinsch der speelprenten telt zijn ansichtkaarten.

3. Ik zal den baas zijn van den winkel, waar mijn ouden broeder den ouden lokomotieven zal verkopen. Een voor hem en een voor mij. De piano zal voor zichzelf spreken. Ik draag den hoed van den ouden Steenbok.

4. Jouw adem maakt mij zwak en kwetsbaar ;

5. dierbaar en kostbaar,

6. terwijl ik jou zie eten van de pap. Er zitten verhalen tussen.

 

7.

7:1-19

1. Houd jouw hoofd op, en adem door jouw neus. Dit schilderij herinnerde mij aan jou, veel te veel.

2. Het is de plaats waar de laatste weeskindekes leven, daar opgesloten door wreeden ondergrondse complotten en verschrikkelijkheden beneden kelders, kerkers en riolen, daar onderin Amsterdam, waar de ratten feestvieren;

3. ratten en muizen,

4. en andere onderaardse gedierten,

5. in deze wereld beneden den hel;

6. daar waar de dood gekroond en het leven gegeten, daar waar vuilnishoven en puinhopen vergaderen,

7. daar waar honger regeert,

8. met den langen tanden, achter ijzeren gordijnen,

9. en prikkeldraad,

10. daar waar verzadiging,

11. het leven laat,

12. zij hebben nooit genoeg,

13. zij blijven hun speelprenten op tafel leggen,

14. en aanbidden,

15. den honger,

16. den spoken met het rode oog,

17. den moeilijk opvoedbaren,

18. den drukken kindekens en lammekens,

19. oom honger lacht met zijn gouden tand.

Virialucius

1.

1:1-39 Zwarte weduwe

1. Jij bent blind, mijn kindeke, jij bent blind,

met het kaarsje in jouw hand,

om al jouw baasjes te verzamelen,

om de grote doek voor den ouden poort te hangen.

Jij bent blind, mijn kindeke, jij bent blind

 

2. De baazen zijn hier ook de heeren van de oorlog,

dikke heeren als je het mij vraagt, met grote lepels in hunnen hand,

dikke heeren,

terwijl iedereen een lepel is,

en iedereen is de pap

 

3. Maar de heeren van de honger zijn dun,

lang en dun,

Zij eten maar hebben nooit genoeg,

Zij eten honger,

met grote vorken in hun hand,

dunne heeren,

terwijl iedereen een vork is,

en iedereen van vleesch en bloed.

 

4. Maar jij bent blind, mijn kleine kind,

mijn klein popje,

mijn dropje,

Jij bent blind, met een kaarsje in jouw hand,

terwijl jij ze allemaal verzamelt op het groote strand,

de lange heeren en de korte heeren,

de dikke heeren en de dunne heeren

 

5. Zij houden van het holle gat,

Zij hebben kramp en honger,

nooit genoeg hebben zij,

en er is te weinig,

zij hebben een winkel waar je honger en dood kunt kopen,

een firma van weinig

 

6. Op zondag zijn zij zuinig,

7. en sparen zij,

8. voor een nieuwe lokomotief,

9. naar de wereld onder de hel.

10. Maar jij bent blind, mijn kleine kind,

11. mijn kleine popje,

12. mijn dropje.

13. Jij houdt ervan om voor het ouden winkelraam te staan,

om daar jouw prentjes te verkopen,

en jouw chocolade van vergif,

jouw suikerwerken van vleesch,

en jouw priklimonades van bloed.

14. Jij houd ervan jouw lippen te likken,

om de dikken tegen de dunnen op te zetten,

15. de bazen van winkel,

16. van schoenenworst,

17. en schoenenkaas,

18. terwijl jij den ouden beenen neemt, en met de buit vertrekt,

19. en huilt om jouw speeldoos van vleesch,

20. terwijl jij je prentjes plakt, en jouw liedjes zingt;

21. en ten slotte een zuinig mondje trekt,

22. om te sparen voor

23. een nieuw fietsje

24. van vleesch

25. voor de wereld boven den hemel

26. waar iedereen priklimonade drinkt

27. waar de prentjes genadeloos toekijken,

28. en dan lachen om langen en korten

29. die dan elkaar in den haaren vliegen

30. zodat jouw bubbel van vleesch kan stijgen.

31. Jouw glimlach doet martplaatsen instorten,

32. zodat de oorlog begint,

33. terwijl jij lachend je prentenboeken doorbladert,

34. en het gevallen vleesch bekijkt,

35. niets is jou dierbaar dan jouw prentjes,

36. jouw rijmpjes

37. en jouw liedjes;

38. terwijl jij je des nachts opmaakt met scherpe verzen van grootmoeders zilveren boekwerken. De gouden letters hebben jouw hart en ziel dronken gemaakt. Jij hebt jouw eigen hondjes en poesjes, daar in die wereld boven de hemel; jouw eigen hertjes en dierbare dingetjes.

39. Maar jij bent een oude weduwe, kennende de bitterheden van het leven.

[ 39b. Zou eenen gezang van eenen wees de sprong kunnen wagen om dezen verren deur te ontsluiten, of heeft een Chineezen Ring van geduld en ingenomenheid ten slotte den sleutel ? ]

1:40 Aanhef

40. Poezie van de Zwarte Weduwe ; Een Slang in het Zwanenmeer ; oranje ruilhandels en de apocalypse van het Mijn-Woud. Nog steeds duiken dezen ouden weezen van Frankrijk in den ouden zeeen. En zij leven in verzen van ouden geschriften en boekwerken, in letters van zilverwerken en goudwerken. En dezen, de jeugdigen en ouden wezen van Frankrijk, zij leven in vrede, in den oude onderaardse boekverzamelingen en hunnen prenten, in velden en in dalen, in giftig suikerwerk, in laaden, in kelders en in schuuren, daar waar het graan verzameld worden. Zij zijn de kinderen van bakkers, maar zij zijn oud, zeer oud.

 

1:41-51 Chineze prelude

41. Jij, oh witte prins, jij kwam van de witte bergen, jouzelf omhullende met wolken van sneeuw, inademende de sneeuwvlokken. Jij scheen niet om vorst te geven. Hij was jouw vrind, een witte deken voor jou om op weg te vliegen.

42. Jij at van verrukkelijke Chineze schalen, zoete gerechten van de Oosterse hoven. Mijn Chinese prins, mijn zorgeloze zoon, altijd wispelturig je weg vindende, schaatsende op de Chineze Muur. Lappenpop, prins van dwergen, jouw vader maakte jou fijn, en jouw moeder maakte jou lenig. De toren van den kerk maakte jou lang, en zeer kwetsbaar waren jouw aanrakingen. Jij raakte op een dag het hoofd van een vogel, een Chineze, en nog steeds druppelt daar bloed van zijn voorhoofd.

43. Chineze ratten waren jouw bedienden, en het scheen dat jij de indianen niet wilde kennen.

44. Vier schoten van een geweer zegelden jouw verbintenis met de zwarte zwaan. Jouw geliefde vermoordde jou binnenin, maar liet jouw huid blank. Ze at van jouw lever, maar weefde jouw prinselijke klederen. De verschrikking krioelde onder de huid.

45. Geen dokter wilde jou geloven, en geen hand kon binnenin jou reiken.

46. Zwarte slang van smachten, waar heb jij jouw scheve verschrikkingen verborgen, waar heb jij je gestolen kleinoden opgeborgen. Want vier bruine dierbaarheden heb jij gestolen, de sieraden van piraten.

47. Jouw oogen zijn nog steeds bruin, mijn prins, and sussende als donder en water. Het geheim van het zwaanenmeer is in jouw oogen. Zoete spijzen was jouw moeder, en jouw vader is nog steeds rennende om de schuilplaats van den zwarte zwaan te vinden. Hij kent haar verschrikkelijkheden, hij weet haar geheime moordende draaiboeken. Twintig moordenaars van boomen sluipen in de keuken van de bakerij. Zij zijn nog steeds dwalende om te zoeken naar jouw kroon, oh kwetsbare, dierbare en kostbare prinsch, zij zijn nog steeds dwalende om een sluitend antwoord te kunnen bemachtigen.

48. De graanvelden achter de bakkerij blozen nog steeds rode dierbaarheden van verlegenheid en genegenheid. Vier schoten van een geweer beeindigde jouw verbintenis met den zwarte zwaan. Zij zwom naar vier draaiende stropers [ beneden kelders, kerkers en riolen ], maar jouw vader, de bakker is gebak aan het bereiden voor een ander geweer.

49. Tien tranen rolden van jouw aangezicht. De Chineze man ving hen allen op en bracht hen tot het bos. Hij begroef hen zoals hij zijn moeder en zijn vader zou begraven. De begrafenis was in diepe stilte, bezocht door drie narren.

50. Herinner jij jouw drie rode vissen, jouw Chineze souveniers ? Zij zwemmen nog steeds in jouw broekzakken, en zij weten de wegen naar jouw ouden hoed.

51. Wanneer jij de Chinese stad zult binnenkomen, mijn zoon, dan zullen zij jouw pantoffels verbranden, en jouw fluwelen schepen zullen zij laten zinken. Maar zij zullen jou geven de dierbaarheden van den zwarten zwaan. Zij zullen den kogel opmerken die zij den menschen verbood te zien.

 

1:52-5:1 Franse weeskindekes

52. Prinsch van Jaguars, prinsch van vrede, jij bereikte met jouw handen de planeten van Lynx. Jij waste hen in een teil met koud water. Jij zag de rode vrees in den oogen van den Franse weeskindekes, en het scheen dat jij geen notitie nam van de Indiaanse wasknijpers.

53. Jij kende de tranen van de weeskindekes, jij kuste hen allen een voor een. Jouw paarse dierbaarheden van drop vulden de magen van hun slaap-beren, en jij beluisterde hun koorgezangen overdag en des nachts.

 

2.

2:1-59

1. Ten slotte, nu, maakte je brood van hunnen tranen, je liet hen de dierbaarheden in henzelf zien.

2. Je hebt nog steeds het hart van een bakker, je draagt nog steeds moeders vlag en lap.

3. Een dag, spoedig, mijnen zoon, zul je de zon zien opstijgen van het noorden om zijn laatste schuilplaats binnen te komen. Daar zal jij vinden den zwarten zwaan, maar zij kan jou dan niet meer raken. Zij zal jou moeten tonen waar de verboden gezangen van de wezen van Frankrijk opgeborgen zijn, en je zal nog steeds de Indiaanse wasknijpers ontzien.

4. Jij zal op haar rug klimmen eens weer, en zij zal met je vliegen naar een berg, waar alle dwergen verzamelen. Jouw vader, bakker, zal zijn geweer in de lucht doen aankomen, en de lucht drie keren slaan.

5. Van je vader naar je moeder zul je rennen, en terug. Hun drop zal je hart warmen, en je zult gevoelen je moeders schoenen. Je zal de draden van je moeders hart blijven weven, je zal genoeg klederen verwerven om door het hart van winter te komen.

6. Tientallen jaren van zonloze zomeren kleeden de wezen van Frankrijk.

7. Je telde de vlammen voor hen, en zij rijgen deze vlammen nog steeds om hun nieuwe vogels van drama en tragedy te omringen. Je wist hoe hunnen ziel en geest te beraken, jij wist hoe hun speeldozen ineen te rijgen.

8. Dierbaaren en kwetsbaaren Oom Prinschenkindeke,

9. een zijschot in het hoofd van den zwarten zwaan,

10. Dierbaaren

11. en

12. kwetsbaaren

13. Oom

14. Prinschenkindeke,

15. zij

16. kon

17. zijn

18. staart

19. niet

20. najagen

21. nadat

22. zij

23. was

24. gevallen.

25. Haar

26. vleugelen

27. zijn

28. gebroken

29. terwijl

30. dezen

31. schaduwen

32. van

33. vreemde

34. iemanden

35. en

36. sommigen

37. navolgen.

38. Haar

39. boten

40. zonken

41. tot

42. de

43. bodems

44. van

45. rooden

46. zeeen,

47. terwijl

48. zij

49. hunnen

50. Japansen

51. maal

52. tijden

53. m

54. i

55. s

56. s

57. e

59. n

 

3.

3:1-3

1. N

2. o

3. g

 

4.

4:1-6

1. s

2. t

3. e

4. e

5. d

6. s

 

5.

5:1-6

1. d

2. u

3. i

4. k

5. e

6. n

 

6.

6:1-5

1. d

2. e

3. z

4. e

5. n

 

7.

7:1-5

1. w

2. e

3. z

4. e

5. n

 

8.

8:1-3

1. v

2. a

3. n

 

9.

9:1-9

1. F

2. r

3. a

4. n

5. k

6. r

7. i

8. j

9. k

 

10.

10:1-2

1. i

2. n

 

11.

11:1-5

1. d

2. e

3. z

4. e

5. n

 

12.

12:1-5

1. o

2. u

3. d

4. e

5. n

 

13.

13:1-5

1. z

2. e

3. e

4. e

5. n

 

14.

14:1-20

1. En zij leven in verzen van ouden geschriften en boekwerken,

2. in letters

3. van zilverwerken

4. en goudwerken.

5. En dezen, de jeugdigen en ouden wezen van Frankrijk, zij leven in vrede, in den oude onderaardse boekverzamelingen en hunnen prenten, in velden en in dalen, in giftig suikerwerk, in laaden, in kelders en in schuuren, daar waar het graan verzameld worden. Zij zijn de kinderen van bakkers, maar zij zijn oud, zeer oud.

6. Grootvader heeft een stoel gevonden;

7. grootmoeder een kribbe.

8. En zij leven in de bossen van het mijnwoud, de wereld onder de stad.

9. Zij zijn de moeilijk opvoedbaren. Zij willen niet weg uit het ouden leven, niet weg uit het mijnwoud.

10. Zij zijn den bewaakers van het woordenboek. En den straffen zijn hoog.

11. Zij zullen godslasteraaren slaan met den wreeden slag.

12. Zij zullen hen buiten 't veld ophangen aan den witten en zwarten galgen.

13. Zij zijn den bewaakers van het fruit van Hispanie, en van den gezangen van het ouden Frankrijk, den jeugdigen en den ouden, den wezen.

14. Zij zullen den dieven zeker straffen. Zij zullen hen hangen aan den rooden paalen, ver buiten 't woud, waar men hen van het rooden brood zal laten eeten. Zij zullen hen met pap en lepel wegjagen.

15. Zij zullen hen verstikken in den blaauwen lakens, hen wurgen in den dikken dekens van oranje en hen in den witten teilen verdrinken.

16. Zij woonen in den versjes van gerijmde boekverzamelingen. Zij hebben hun dierbaren gevonden in berijmde gezangen en den ouden schoolboeken, waar zij den bewaakers van zijn. Zij zijn den bewaakers van den ouden dialecten.

17. Zij zoeken naar den ouden dierbaarheden en kleinooden,

18. Zij zoeken naar den ouden sagen en fabels van het mijn, naar den ouden voetstappen van den ouden vischen van den ouden dierbaaren en kwetsbaaren Oom.

19. Dezen mijnen dierbaaren en kwetsbaaren ouden menschen wuiven nog steeds naar ouden trappen en naar den mijnen dierbaaren en kwetsbaaren ouden vischers van ouden kluchten van een lange en alvergeten geschiedenis. Maar zij schijnen geen traan op te vangen van den ouden mijnen dierbaaren en kwetsbaaren prinsch, want dezen zijn te diep weggeborgen, achter hekken van goud en draakenmuuren, leeven zij.

20. Zou eenen gezang van eenen wees de sprong kunnen wagen om dezen verren deur te ontsluiten, of heeft een Chineezen Ring van geduld en ingenomenheid ten slotte den sleutel ?

15.

1. Den ouden bakker wandelt naar den doorgesijpelde voetstappen van herten door zijn hof. Hij wacht op zijn zoon, hij wacht voor de post. Vloeibare papieren bereiken zijn hoven, sprekende over lentes die komen, om den adem van zijn ouden dierbaaren en kwetsbaaren zoon te dragen.

15:2-6 Oranje Electrischen fietsen

2. Het meer van zwaan is in zijnen ouden dierbaaren en kwetsbaaren oogen. Hij is den zwaan van goud, nu rennende als eenen jaguar, berakende den zoolen, zoomen en randen van Lynx, nog steeds met dezen zachten en fabelachtige beraking. Zijn ouden dierbaaren en kwetsbaaren oogen bloeden; Het meer van zwaan vertelt weer tot zijnen ouden dierbaaren en kwetsbaaren verstand.

3. Zes langen knapen van jaguar,

4. draagende langen lederen pantjesjassen van jaguar, zij maken den straaten beangst, rookende hunnen langen sigaaren en sigaaretten, hunnen vermoordende bloesems verspreidende. Zij schrijven graverende en vreemd slaande poezie, wreed en scherp, waarin zij hunnen langen snijdenden messen verstoppen. Zij zijn stervende in hunnen teilen van messen, en zij prediken van eenen moordennaar genaamd De Gekruisigde. Zij preediken in ouden dialecten die vanuit Frankrijk zijn gekoomen.

5. Ik kan den heeten lucht van mijn vaders electrische fiets gevoelen. Wij zijn rijdende op eenen nieuwen ouden dierbaaren en kostbaaren weg van kleinooden, en wij slaan een weg in naar een nieuwen tuin, terwijl wij nieuwen tijen breeken.

6. Geen ziel weet of dezen ouden knaapen engelen van den heemel of den hel zijn. Hunnen electrischen fietschen zijn in oranje geverfd en gelakt; Hunnen ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren wielemannen draaien in 't rond als geslepen en schoongebrande messchen; Geen ziel kan hunnen kunsten navolgen met den oogen. Hunnen ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren mondemannen zijn als slangen, waarvan geen ziel het tijdstip van aanval weet. Het vangt allemaal aan in eenen dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren flitsend stip van het getij. Zij zijn den ouden, dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren ondoorzichtigen, dieven van de kosmos, die ondoorzichtigen daaden doen.

 

16.

16:1 Jumble-markets

1.Zij draagt den geheimen van zilver van den ouden jaguar beneden haar armen, gesloten in drie boeken van zilverwerk. Rook komt van de stad; den ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren oranjen scheeloogenden phoenix stijgt op van het as, dragende den ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren jaguar, een ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren citroen, en een rooden popje op den ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren rug, dikke sijpelende wolkestrepen van den ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren sap achterlaatende in den lucht, vliegende voorwaarts naar nieuwen eeuwighedenen van het mijn.

16:2-7 Het holle

2. Eenen zevenhoofdigen draakenwezen genaamd Den Gekruisigde, draagende zeeven kroonen, komt het eerste ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren geschrift van zilverwerk van den ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren jaguar binnen. Het draakenweezen eetende den letteren en purperen platen van het boekwerkje.

3. Eenen zevenhoofdigen slangenwezen genaamd Den Ouden Wilden Man, draagende zeeven punthoeden, vischt den ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren schoenen van kleinood van het tweeden ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren boek van den ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren jaguar er doorheen.

4. Dezen zijn allen koningen van den morgenstond, koningen van den oranjen planeet van den ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren ochtend van kleinood.

5. Het derden zilverwerk van den jaguar is alles wat overblijft na den grooten witten oorlog en strijd.

6. Wat nu,

7. als den bakker thuiskomt ?

 

16:8 Apocalypse van het Mijnwoud

8. Hier in het mijnwoud, waar het holle heerst,

Hier in het mijnwoud, waar de bomen hol zijn,

waar de vorst raast,

maar een magisch vuur brand van binnen,

en een magische lekkernij vult de magen,

Hier in het mijnwoud

 

Pepperoko

 

1.

1:1-15 Aanhef

1. Poezie van den Zwarten Visch; Eenen Dag van Rooden Picknick; Siroop van Venetie.

2. Mijnen voeten worden koud in den teil van den reuzen. Zij zeiden dat ik den visch geheel moest inslikken en mijnen adem binnenhouden voor drie langen daagen en langen nachten. Ik weet dat zij van waarheid vertellen, want zij kennen het kleine hondenhuis. Mijn katjes branden vandaag, want zij willen niet naar den schoole.

3. Soms wanneer den ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren Pappaman waakt, gevoel ik zijnen ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren ademmannen de kameren controleren of de bezoekers ook rooken. Ik denk niet dat ik het hier nog langer kan uithouden.

4. Ik, omhullende een andere teil. Ik kan de koude gevoelen, zoals met de eene ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren. Den ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren reuzen van het kleinood glimlachen als baanaanen in den wind. Ik wenste hunnen ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren stemmen te kunnen beluisteren. Geen ziel kan een ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren reus naadoen zoals den ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren Pappaman. Hij fietscht weer op zijnen ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren snorfiets van den ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren schoolen van het kleinood.

5. Daar loopt eenen ouden dikken baas van den langen gerechtshoven, met lippenstift van eenen ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren kus van ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren honden van het kleinood. Zij zijn bijna opgedroogd.

6. Hij heeft eenen dikken sigaar in zijnen mond, een langen sigaar. Hij is den baas van belastingen, maar ook van den langen gerechtshoven. Desalniettemin is hij ook den baas van den ouden dierbaaren, kostbaaren en kwetsbaaren sigaarenfabriek van het kleinood.

7. Ik vraag mijn af wat hij daar moet. Hij vergat zijn brood te eeten, wat nu in den boomen hangt, als waaren van vleesch. Tien mijlen van den ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren schoole van het kleinood, het was eenen harden dag van oudsher.

8. Den schoolenmeester roept mijnen naam uit. Hij wil mijn wat vertellen onder vijf oogen. Twee van mijn, en drie van hem. Hij wint het altijd, met zijnen electrischen bom van uurwerken in zijn ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren broekzak van het kleinood.

9. Zijn groote moeder gaf hem zes of zeeven fluiten en flessen van oud dierbaar, kostbaar en kwetsbaar sap om tientallen jaaren mee voorwaarts te kunnen. Ik vraag me af of hij dezen wegen zal bewandelen. Ik zie zijn oogen dwaalen naar den ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren herberg op den ouden hoek van den ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren schoole, gedekt door ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren vleugelen.

10. Den ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren hond van het kleinood spreekt. Hij wil niet dat zijn ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren lekkerbekken zijn ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren vlaggen draagen. Zij moeten dezen steelen met henzelf.

11. Twintig ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren theoloogen van het kleinood zie ik een piraaten vlag branden, en de hond van een lekkerbek verwennen.

12. Den ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren lekkerbek van het kleinood is het kind van den ouden bakker.

13. Den ouden standbeelden van het ouden kleinen huis zijn vertellende;

14. Zij zijn den ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren erfenissen en souvenieren van den taal van het kleinood.

15. Den ouden letteren zijn den zoonen van den ouden bakkers en belastingen.

 

1:16-17 Prelude

16. Honden bekijken het ballenspel vandaag, zij vischen in eenen handschoen van een ouden boer. Den ouden tandendokter draagt een vuilen rozen handschoene vandaag;

17. hij viert zijn verjaaring. Hij nam een belhamel van een schooljongen uit het ouden schoolenboek. Den ouden meesters geven applaus, met wapperende handen. Ouden herinneringen vallen op het hoofd van den knaap, als blaaderen vallende van den hoogen boomen. Het is winter, en den speeldoozen zijn verbooden en bevrooren. Een kleine spuit van den dokter maakt eenen grooten sprong in den visch, en den teil barst in grooten stukken. Den tandendokter brengt den grooten stukken naar den vijver. Miljoenen van schreienden vischen springen aan den vlakte van den waateren.

 

1:18-24 Den kleinen vischerman

18. Kleinen vischerman, vischende aan den meeren van Aldebaran, draagende ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren sterrenglitteringen van het kleinood in jouw ouden dierbaaren oogen. Jij stal den ouden dierbaaren sterren, jij brak den ouden dierbaaren en kwetsbaaren zeegelingen van het kleinood, en nu werk jij dan als eenen ouden dierbaaren kostbaaren en kwetsbaaren tandendokter op dezen ouden dierbaaren kwetsbaaren ster van het kleinood.

19. Jij vischt vanaf den vuilnisbelten, en slaat den dierbaaren en kwetsbaaren lammeren van het kleinood met den ouden dierbaaren en kwetsbaaren wreeden staf en stok. Jij slaat met den ouden bokkepoot en den ouden dierbaaren en kwetsbaaren vinger van het kleinood.

20. Jij wil niet weeten van den ouden dierbaaren kwetsbaaren sappen van den hoogen stem.

21. Kleinen koeienknaap, vaarende op den ouden zeeen van Aldebaran, jij bent nog steeds opgesloten in het ouden schilderij van het ouden trappenhuis, siroop bloedende van den straat van zeeven, op eenen oud kastje van het kleinood van Venetie.

22. Ik verdrink altijd in mijn grootvaders ouden dierbaaren en kwetsbaaren schoenen van het kleinood, waar den ouden warme sappen van den ouden dierbaaren en kwetsbaaren hoogen stem stroomen,

23. hier brand ik mijn kaarsje van het dierbaaren en kwetsbaaren mijn van het kleinood;

24. hier kwam ik altijd mijn hondje tegen.

 

2.

2:1-6 Het loursje

1. Het loursje liep daar op den straaten, met een purperen laarsje, een bruin laarsje, beiden gelakt, en van uitgelezen leer.

2. Verder droeg het loursje twee lakschoentjes, piep en piepklein, van het kleinood, het groote kleinood.

3. Oh, wat was ze dierbaar, een snoepje om te zien, een popje van goud, van zilverwerk.

4. Haar vader was den ouden baas van belasting.

5. Het loursje was een kleine klikspaan. Zij verkocht haar suikerwerken van het kleinood op straat, vol met gif en kranten.

6. Oh, dat loursje, dat kleine hondje van lak, lijkende op grootmoeders handtasje.

 

3.

3:1-8 Natte voeten

1. Ik ren nog steeds op mijn klompen,

2. mijn ouden klasmaaten achternaa;

3. soms verder op kousevoeten,

4. met spillebeenen,

5. en spichtig,

6. zo spichtig;

7. nog steeds het kind

8. van den ouden bakker.

 

4.

4:1-7

1. Ik loop graag in mijn ouden vaders dierbaaren en kwetsbaare klompen van het kleinood,

2. met een zuinig mondje zoals loursje.

3. zij was mijn schoolvriendinnetje;

4. maar wij hadden altijd ruzie.

5. dan klikte zij tot mijn moeder mijn,

6. en dan moest ik altijd zonder eeten naar bed,

7. door de kleine klikspaan.

 

5.

5:1-7:11 Het huis van den houthakker

1. Ik visch in den ouden vijver.

2. Ik hield den vischen tegen het licht

3. Ik wil niet meer terug naar den ouden electrischen fabriek

4. Er zitten streepen over mijn gezicht,

5. Mijn knieen bloeden,

6. met siroop

7. Ik ben een kind van adel en ambacht,

8. een ouden lekkerbek, een bakker's vrind en kind

9. Den ouden prediker preekt eenen nieuwen evangelie van den preekstoele op zondag morgen. Den menschen rennen beangst uit den diepen kerkbanken weg. Den tandendokter lacht.

10. Een kleinen beedelaar verkoopt ijsco's op de straat van zeeven, met eenen dierbaaren kwetsbaaren litteeken wat op eenen dierbaaren kwetsbaaren zwarten visch lijkt. Oh, wat een kleinood van warme sappen en hoogen stemmen. Hij gevoelt zichzelven blij als eenen kind, met dit litteken met de warme sappen en den stemmen van den hoogtes. Zijnen dierbaaren en kwetsbaaren droomen vonden eenen ouden uitweg en nu is hij dan den koning van den ouden morgenstond, van feeenknaapen en elvenbelhaamels.

11. Den ouden baas van belasting zit achter zijn ouden kerkorgel, hoestend, om zijnen ijsco's te brouwen. Hij heeft den electrischen masjienes in zijn macht, en maakt de sigaren van den ouden morgen in den ouden langen pijpen van den groote dierbaare en kwetsbaare kerk. Met zijn ouden schoenen tapt hij den sappen en sterke dranken voor den herbergen van den ouden dierbaaren en kwetsbaaren stad. Den oogst van Venetie. Zwarte siroop. Brullend water.

12. Hij is allang met pensioen. Maar den ouden menschen zien hem nog steeds hier.

13. Hij is allang overleeden. Maar den ouden menschen zien hem nog steeds hier.

 

6.

6:1-5

1. Zij eeten nog steeds van het ouden dierbaaren en kwetsbaaren fruit van dezen ouden tijd.

2. Zij zijn den wachters van den ouden hekken van goud en zilver,

van geheim fruit,

3. van kamerlingen,

4. van het dierbaare en kwetsbaare oranje;

5. open het hek.

 

7.

7:1-11

1. Een klein beetje van dat oud fruit doet wonderen;

2. open het hek

3. De aal en de slang kopen de filmbazen.

4. Gif en vuil volgen hen op kousevoeten, soms zelfs zacht en traag, zonder geluid te maken.

5. Honden sloegen den ouden knaap van het dierbaaren en kwetsbaaren Hispanie, want geen ziel beluisterde zijn hoogen droomen. Oogen van gif en vuile kleuren controleerden zijn ouden broekspijpen, zijn lappen van fruit.

6. Iemand vond het roode warme sap van den ouden hoogtes;

7. met den ouden dierbaaren en kwetsbaaren lichten van het groote kleinood van den reuzen en den strooper genaamd Den Ouden Wilden Man.

8. Geen ouden dierbaaren en kwetsbaaren zielelicht wilde zijn ouden dierbaaren en kwetsbaaren pantjesjas bekijken.

9. Den ouden knaap van het kleinood verdronk in zijnen eigenen traanen, want geen ouden dierbaaren en kwetsbaaren zielelicht wilde 't drinken.

10. Zij kwaamen van 't kleinood, van den oorlog en den strijd.

11. Hij leeft nog steeds op zijn ouden eiland met de zielenlichten van het mijn, wachtende op eenen boot om hem op te neemen.

Pitevet

1.

1:1-11 Aanhef

1. Poezie van den ouden Sigaare; Kras op eenen ouden grammofoonen plaat.

2. Den ouden baazen van den oorlog en den strijd loopen naar grootmoeders huis. Zij is eenen ouden kras van een vrouwe. Maar omdat zoveelen bang voor haar zijn, moet zij nu het schilderij van den koning in haar huis bewaaken. Den ouden baazen van den oorlog en den strijd koomen in haar huis binnen om haar het waapen van geluk en blijdschap te geeven. Dit om eventueele doordrammende gestalten tevree te houden en weg te lokken.

3. Morgen zullen den hoogen baazen van den koningen koomen. Zij zijn den mannen met den hoogen puntkappen. Morgen zullen zij het schilderij in haar kelder neerhangen, naast lekkere toetjes en fruit. Zij zullen eenen valschen schilderij van denzelfde prent in grootvaders schuur hangen. Dit om eventueele gevaarlijke lieden ten misleiding te brengen. Niemand mag dit weeten.

4. Van nu aan zullen den hoogen hofkokken en langen hofbakkers elke week haar kelder vullen met voedsel van den hoogen koninklijken tafelen. Dit is hoogwaardigen voeding van het holle; voedsel dat niet verzadigen kan, maar enkelt honger doet opwekken. Oh, zo eenen honger, die niet bevreedigdt kan worden. Oh, eenen zaligen gevoel, maar eenen gevoeligheit die eenen maag brengt die niet te vullen valt. Oh, den hoogen, langen heeren van den honger zullen koomen, den ouden duivelen met den hellebaarden, om den beiden schilderijen met lange vorken te bewaaken.

5. Den baazen van den hofschilders zullen koomen, den heeren van den hoogen, langen tand, om met koolstof en het gouden ivoor beiden schilderijen maandenlijks intact te brengen en te houden. Niemand mag dit weeten, en hier mag niet over gefluisterd worden, want dan zullen den hoogen heeren met den puntkappen komen om doodstraffen uit te voeren op den hoogen pleinen, waar den boozen kinders speulen.

6. Hebt gij het wandelenden ei weleens gezien ? Den schaal is gemaakt van ivoor. Grootmoeder heeft nog steeds ivooren teilen in haar tuin staan. Hierin verdrinkt zij den ouden leugenaars en deugnieten van de buurt. Daarom is iedereen zo bang voor haar. Het is een norse vrouw. En daarom had de koning haar op het oog om het hofschilderij te bewaaken. Zij slaat wonden als putten en toorens, waar zij dan elken dag haar gewijde zwarten roozen zaait in den punten en den toppen. Op haar bruinen en oranjen banken zitten nog steeds ouden popjes van den hongerwereld. Zij houdt van haar ouden negertjes, maar zij bespot hen ook. Het zijn nog steeds haar slaaven. Grootvaaders ooren staan altijd zo hoog en uitgestrekt. Voor oma schudden den straaten.

7. Eenen grooten dikken zwarten sigaare loopt als een waggelend oud karkorgel door den ouden verrotte straaten van het ouden Amsterdam. Zijn tanden zijn goud, en zijn mond is rood. Hij is op weg naar den ouden karke, maar aankoomen zal hij daar nooit. Hij komt nooit aan. Hij bereikt nooit iets. En hij is zelf ook nooit te bereiken. Het is mijnen ouden oom. Hij is ook al jaaren op weg naar mijnen grootmoeder mijn. Maar hij komt daar nooit aan. Hij heeft altijd honger, maar het voedsel bereikt nooit zijn mond. Zijn woorden koomen ook nooit aan. Hij spreekt wel, maar niemand heeft het ooit kunnen hooren. Hij heeft nog nooit iemand aangeraakt, en niemand heeft hem ooit kunnen aanraaken. Hij is nog nooit pijngedaan, en kan een ander ook nooit pijnigen. Hij is eenen ouden zeur.

8. Jij bent altijd op weg. Nu gaa je dan weer naar den ouden filmzaak, maar je komt nooit aan. Je bent te kort. Je hoort mij nooit, je ooren zijn te kort. Eenen piraat heeft jou vroeger in het verre verleeden onder handen genomen. Jij praat nog steeds als eenen paapagaai, als eenen kras op eenen ouden grammofoonen plaat. Het was eenen scherpen hand die dit gedaan heeft. Ik zou je wel willen helpen, maar ik kan 't niet. Als ik maar even bij je in den buurt ben, gevoel ik mij zo kort in 't mijn. Ik kan niks voor je doen. Ik smelt altijd weg. Ik denk dat deezen piraat nog steeds bij jouw is. Zelfs als jij in den spiegel kijkt, zie je niks, alleen andere dingen. En eigenlijk kan niemand jou zien, want je bent te kort en te ver weg. Het ambachtelijk werk van korten oogen, door het zwaard van den schmidt bewert.

9. Nu staan dan drie dooven voor jouw storm. Waar zal het hen naartoe neemen ? Zij hebben honger. Jij wil hen naar het holle neemen. Zij hebben den ouden stem van den storm nog nooit gehoordt, en nog nooit beluisterdt. Wanneer zij bij jouw poppen in den buurt koomen beginnen zij altijd te bloeden, maar het doet hen nooit pijn. Zij hebben hongerkrampen, en het bloed van honger stroomt.

10. Het regent, siroop om te verzachten, maar om den honger te brengen. Zij zijn op weg naar het holle.

11. En den beestjes berijden beestjes. Zulken hoogen toorens, zulken diepen putten; den teilen van ivoor.

2.

2:1-9 Den ui

1. Jouw tanden hebben oogen en handen, maar jij bent blind en bereikt nooit wat. Jij brengt den uien rond, maar zij komen nooit aan. Zij zijn den dwaalenden en den doolenden.

2. Jij bespeelt den snaaren, die nooit ergens koomen, en die nooit gezien kunnen worden. Zij trillen altijd. Zij koomen nergens, en zijn altijd op weg. Zij zijn den paarsen en oranjen gitaaren met den hellebaarden. Den langen Spaanse koningen en wachters, die eigenlijk kort zijn. Zij zijn den groenen oplichters, den swindelaars en den hoogen hakken van oudsher. Zij zijn den schmokkelaars van den heugtes met den kleinen snorremannen.

3. Zij zijn den mannen met den twee lichaamen, den twee koninklijken schilderijen. Jij begrijpt hen altijd verkeerd, en zij begrijpen jouw altijd verkeerd. Zij den wachters van den grote twee, den man met den oranjen puntkap. Hij laat hen werken in den woestijnen, woestenijen en wildernissen, om dingen te doen die ze nooit kunnen voldoen. Zij werken voor den wortel en den ui, den grooten twee. Zij werke om het holle te vullen, wat alleen maar holler word. Zij werken voor den bodemloozen put en den toploozen tooren, het groote twee. [3b. Er is eenen man wiens hand tekort is. Niemand kan hem schudden. Nog steeds zijn er koenen die het probeeren, zij zijn den slaaven van het holle, zij die nog steeds leeven en zweeven in open ruimheden.]

4. Zij zijn den baazen van den honger, den baazen van den boeren die holtes kweeken. Zij zijn den heeren met den hoogen hakken, den hoogen laarzen, den supersterren. Hun gitaaren die honden slaan. Zij die beenen en armen afsnijden om hen kort te maaken, zij die vingers kort houden.

5. Zij hebben vreemdelingen tatoeages, waarvan je schrikt. En dan houden ze alles kort. Heb je weleens van het korten oog gehoordt ? Heb jij dat weleens beluisterdt. Al die geluiden van oudsher hielden mij kort. Maar het leek zo lang. Reuzen spreeken tot elkaar, maar ik kan hen niet hooren. Ik ben doof, en zij zijn kort. Ik kijk nog steeds door eenen vreemden spiechel, terwijl ik blind ben. Vreemden kranten die ik lees. Terwijl den baazen van den honger den langen zwarten sigaaren naar het museum in Hispanie brengen. Door vreemden buizen, die lang en kort zijn. Den oogen gevoelen het zo vreemd.

6. Ik bevond mijzelf op den rug van Het Grooten Misverstand, een visch in den heemelen.

7. Den baazen van den hoogen heemelen hebben hoogen stoelen. Zij zijn den baazen van gezangen, verzen en geschriften van goud en zilverwerk; Zij zijn den baazen van den prenten. Zij zijn den kooningen van stilte. zij zijn den kooningen van den korten stokken.

8. Dezen kusten zijn te ver om te bereiken. Zij zijn den kooningen van den waazen.

9. Ik heb het vreemden pistool gelezen. Het is een waapen van stilte.