Voor het tolken binnen de werkingssfeer van Justitie is door de minister van Justitie een kwaliteitstraject ingezet. Dit traject moet ertoe leiden dat in de toekomst uitsluitend nog wordt gewerkt met door het ministerie gecertificeerde tolken die voldoen aan een bepaald kwaliteitsniveau en waarvoor vaste tarieven worden gehanteerd. Uitgangspunt daarbij is een bepaalde ondergrens aan kwaliteit, belichaamd in de figuur van de basistolk.

De tolken die voor de verschillende justitiediensten werkzaam zijn dienen in dit systeem hun plaats te vinden. Voor de tolken die meer specifieke werkzaamheden verrichten zoals de gerechtstolken is daarbij de vraag gerezen of de kwaliteit die van de basistolk wordt gevraagd, voor hen wel voldoende is. Anders gezegd, moeten aan gerechtstolken, bijvoorbeeld in het licht van artikel 6 EVRM, aanvullende eisen worden gesteld en zo ja, welke dan? Of kan ook in de strafrechtspleging worden volstaan met de inzet van basistolken? De werkgroep gerechtstolken kreeg de taak dit nader te onderzoeken.

In het voorliggende rapport doet de werkgroep verslag van het empirisch onderzoek naar de praktijk van het tolken in de stafrechtspraak in de arrondissementen Amsterdam en ’s-Hertogenbosch.
Het rapport is opgesteld door drs. A van Duijn en mr. lic. M.K.J.G. van den Reijen.

Tekst van het rapport (pdf-document)

Overname van deze tekst is toegestaan met bronvermelding.

Contact