Ziektebeeld Zorgtraject Organisaties Literatuurlijst Vragen |
Op dit gedeelte van de CVA-site kunt u informatie vinden over het
ziektebeeld CVA.
Deze informatie is geordend met behulp van een methodische beschrijving.
Deze beschrijving bestaat uit 10 items:
1. Korte omschrijving en definitie
2. Oorzaak en risicofactoren
3. Bouw en werking van
het aangedane lichaamsdeel
4. Categorie
5. (Verklaring van) symptomen
6. Diagnose
7. Behandeling
8. Complicaties
9. Prognose
10. Preventie
Per jaar worden rond de 30.000 Nederlanders
slachtoffer van een CVA. Dit aantal zal de komende jaren nog toenemen, vanwege de groei
van de bevolking en de stijging van de gemiddelde leeftijd. De frequentie in procenten is
de afgelopen tientallen jaren afgenomen. Mogelijke redenen hiervan zijn een grotere
bewustheid van de risicofactoren, een verbeterde medicamenteuze behandeling van
risicofactoren en een goede begeleiding van risicopersonen.
Korte omschrijving en definitie
CVA: Cerebro Vasculair Accident: ongeluk in een hersenbloedvat. Een CVA wordt ook wel
een beroerte of stroke genoemd.
De diagnose CVA wordt gesteld volgens de criteria van de Wereld Gezondheids Organisatie
(WHO), als er sprake is van: Plotseling ontstane klinische verschijnselen van een
plaatselijke stoornis van de hersenfuncties met een duur van meer dan 24 uur of eindigend
met de dood, waarvoor geen andere oorzaak aanwezig is dan een stoornis in de
bloedvaten.
Er zijn twee soorten beroertes:
Herseninfarct: 80% van alle beroertegevallen zijn herseninfarcten. Een
herseninfarct wordt veroorzaakt door een verstopping van een bloedvat (bloedpropje of een
dichtgeslibd bloedvaatje), waardoor een deel van de hersenen te weinig bloed krijgt en
afsterft. Het beschadigde deel van de hersenen wordt het infarct genoemd. Er zijn 4
verschillende soorten (onbloedige) infarcten te benoemen:
* TIA: (Transient Ischaemic Attack): 20 tot 40% van alle beroertes wordt
voorafgegaan door kortdurende
verschijnselen: TIA. Dit is een voorbijgaande aanval (binnen 24
uur zijn de verschijnselen verdwenen)
door belemmering in de bloedtoevoer. Deze voorboden kunnen zich
soms meerdere malen herhalen
voordat een beroerte ontstaat. Een TIA valt niet onder CVA.
* RIND: Reversible Ischaemic Neurological Deficit: als de patiënt na 24 uur,
maar binnen 6 weken na een
infarct volledig is hersteld, wordt hiervan gesproken. Ook een
RIND valt niet onder CVA.
* Progressief CVA: het herstel is niet volledig, de verschijnselen zijn nog
niet meteen volledig aanwezig en
nemen gedurende korte tijd na het ontstaan van het infarct zelfs
nog enigszins toe.
* Compleet CVA: de verschijnselen zijn blijvend en meteen volledig aanwezig,
ze kunnen na kortere of
langere tijd wel enige verbetering vertonen.
Verder is er nog een onderverdeling te maken in de locatie van het infarct:
- Infarcten in of vlak onder de hersenschors (50% van alle infarcten);
- Infarcten in het gebied van het achterhoofd (25% van alle infarcten);
- Infarcten in holtes: kleine, diep gelegen infarcten (25% van alle infarcten).
Hersenbloeding: 20% van alle beroertegevallen zijn hersenbloedingen. Een
hersenbloeding treedt op als gevolg van een lek in een hersenbloedvat. Zon lek kan
ontstaan door een zwakke plek in de bloedvatwand, waardoor bloed de hersenen instroomt. Er
is een indeling te maken in soorten hersenbloedingen. De verschillende soorten worden
weergegeven van meest diepgelegen bloedingen tot de meer oppervlakkige.
- Intracerebrale bloedingen: bloedingen, diep of oppervlakkig, in het hersenweefsel.
- Extracerebrale bloedingen: een bloeding tussen het hersenweefsel en het
spinnenwebvlies.
- Subduraal hematoom: een bloeding tussen het spinnenwebvlies en het harde
hersenvlies.
- Epiduraal hematoom: een bloeding tussen het harde hersenvlies en het schedeldak.
Oorzaak en risicofactoren
Wetenschappelijk onderzoek heeft bewezen dat een CVA niet erfelijk is. Wel is het zo
dat in sommige families risicofactoren voor hart- en vaatziekten meer voorkomen dan in
andere. Bij iemand die een CVA heeft gehad, is er een verhoogd risico om een tweede CVA te
krijgen.
Algemene oorzaken van een CVA:
- Atherosclerose: bloedvaten raken vernauwd en de bloedvatwanden verzwakken;
- Bloeddruk: bij langdurig verhoogde bloeddruk raakt de vaatwand beschadigd, hetgeen kan
leiden tot een
infarct / bloeding.
Specifieke oorzaken van een infarct:
- Trombose: door vernauwing en beschadiging in de bloedvaten kan in kleine
bloedvaatjes een
bloedvatafsluiting ontstaan;
- Embolie: een losgeschoten bloedstolsel van een andere plaats in het lichaam kan
met de bloedstroom
worden meegevoerd en een bloedvatafsluiting veroorzaken in de hersenen;
- Samenstelling van het bloed: als er relatief te veel stollingsfactoren aanwezig
zijn, zal het bloed ook in
bloedvaten makkelijker stollen en is de kans op een afsluiting in de
vaten groter.
Specifieke oorzaken van een bloeding:
- De vaatwand kan scheuren als deze zwakker wordt;
- Aangeboren vaatafwijkingen (door een andere bouw van de vaten kunnen er
gemakkelijk scheuren
ontstaan);
- Schedeltraumata (à subduraal hematoom);
- Schedelfractuur die een groot bloedvat heeft aangeprikt (à
epiduraal hematoom);
- Bloedingen in een vaatrijke tumor.
Er zijn verschillende risicofactoren aan te wijzen voor het ontstaan van
een CVA:
Risicofactoren die niet te beïnvloeden zijn:
* Het toenemen van de leeftijd: het aandeel van de infarcten neemt toe en dat van de
bloedingen neemt af;
* Behoren tot het mannelijk geslacht;
* Behoren tot het negroïde ras;
* Een eerder doorgemaakte TIA.
Risicofactoren die wel te beïnvloeden zijn:
* Verhoogde bloeddruk;
* Diabetes (schommelende glucosewaarden bevorderen beschadiging van de vaatwand);
* Verhoogd cholesterolgehalte in het bloed;
* Ziekten van het hart;
* Roken;
* Stress;
* Te hoog lichaamsgewicht;
* Te weinig lichaamsbeweging.
Bouw en
werking van het aangedane lichaamsdeel
Dit punt is beperkt tot twee specifieke onderdelen: de verdeling van de waarnemings- en
bewegingsfuncties over het hersenweefsel en de werking van reflexen.
Deze twee onderdelen zijn het belangrijkst om de symptomen van een CVA te kunnen verklaren
en begrijpen.
De hersenstam is verantwoordelijk voor functies die letterlijk van vitaal belang
zijn voor het in stand houden van het lichaam, zoals de bloedstroom, ademhaling en
temperatuurregulatie. Verder draagt hij zorg voor de regulatie van de lichaamshouding en
het slaap-, waakritme (=inwendige klok). De hersenstam verbindt vezels uit het lichaam met
de rest van de hersenen. In de hersenstam vinden reflexen plaats die betrekking hebben op:
de speekselklieren, de ogen, de luchtwegen en slikken (en braken en kokhalzen).
De functie van de kleine hersenen is coördinatie van de motoriek. Die coördinatie
(evenwicht en spierspanning) vindt plaats in nauwe samenwerking met de grote hersenen, de
hersenstam en het ruggenmerg.
In de tussenhersenen wordt de mate van geconcentreerdheid op een bepaalde bezigheid
geregeld. Het heeft een regulerende invloed op de hormoonhuishouding en de
lichaamstemperatuur en bevat het dorst- en hongercentrum.
Het limbisch systeem bestaat uit delen van de tussenhersenen en delen van de grote
hersenen. Dit deel van de hersenen heeft betrekking op emotionaliteit (oa: agressie, angst
en opwinding).
De grote hersenen hebben een grote verscheidenheid aan functies. Niet alle functies
zijn even makkelijk te lokaliseren. Alle indelingen die volgen zijn globaal, individueel
kunnen er verschillen bestaan mbt de verdeling van de functies.
De hersenen zijn in te delen naar de functies motoriek (beweging) en sensoriek
(waarneming):
Motoriek:
- Primaire motorische schors: ligt voor de centrale groeve (deze groeve loopt aan de
bovenkant van de
hersenen globaal van het ene naar het andere oor, zie figuur 2). Hier
wordt de uitvoering van bewegingen
geregeld.
De rechterhelft van de hersenen zorgt voor prikkeling van de
linkerzijde van het lichaam en vice versa. Op de
motorische schors heeft elke skeletspier een eigen plekje van waaruit
prikkels naar de betreffende spier
worden gestuurd. Het aantal contacten tussen de hersenen en de spier is
afhankelijk van de
nauwkeurigheid waarmee de spier kan bewegen. (De vingers kunnen heel
nauwkeurig bewegen en nemen
dus ook een groot deel in beslag van de primaire motorische schors.)
- Secundair motorische schors: ligt voor de primair motorische schors. In deze
schors ligt opgeslagen hoe
bewegingen uitgevoerd moeten worden (lopen, fietsen etc.). Deze
bewegingen kunnen uitgevoerd worden
als zij naar de primaire motorische schors worden gestuurd. In deze
schors ligt onder andere het
spraakcentrum en het centrum voor gecoördineerde oog- en
hoofdbewegingen.
Sensoriek:
- Primaire sensorische schors: deze schors ligt achter de centrale groeve.
* Sensibele schors: hier vindt de gewaarwording plaats van de
gevoelsprikkels (druk, tast, pijn,
temperatuur en het bewegingsgevoel). Elk
lichaamsgebied heeft zijn eigen plaats op de sensibele schors.
Lichaamsgebieden met een fijne
gevoeligheid beslaan een grotere oppervlakte op deze schors.
* Auditieve schors: ligt aan de uiteinden van de sensibele
schors. Hier eindigen de vezels die de
gehoorprikkels uit het gehoororgaan vervoeren.
* Optische schors: ligt in het achterste deel van de hersenen.
Hier eindigen de vezels die de prikkels uit
de netvliezen van de ogen vervoeren. De
linkerhelft van de hersenen ontvangt de prikkels uit de
linkerhelften van beide netvliezen en
vice versa.
- Secundaire sensorische schors: zorgt voor de interpretatie van binnenkomende
prikkels.
Deze secundaire schorsen liggen nabij de betreffende primaire schorsen.
Ze liggen achter de centrale
groeve.
- Associatief sensorische gebieden: liggen tussen de eerder genoemde sensorische
schorsen. Hier wordt een
betekenis gegeven aan de verschillende inkomende sensorische prikkels.
Het sensorisch en motorisch geheugen is verspreid over de gehele hersenschors.
In figuur 1 zijn de verschillende soorten schorsen weergegeven:
 |
Figuur 1:
1. Secundaire motorische schors
2. Primaire motorische schors
3. Sensibele schors
4. Associatieve schors
5. Secundaire optische schors
6. Spraakcentrum
7. Auditieve schors
8. Primaire optische schors |
De hersenen zijn ook in te delen in 4 kwabben (zie figuur 2):
- De voorhoofdskwab vormt een belangrijk deel van de persoonlijkheid (het maken van
plannen, vormen
van oordelen etc.), gedrag en beweging.
- De slaapbeenkwabben bevatten gehoor- reuk- en smaakwaarnemingen.
- De achterhoofdskwab verwerkt gezichtsindrukken.
- De wandbeenkwab associeert sensorische prikkels.
 |
Figuur 2: 1. Voorhoofdskwab
2. Wandbeenkwab
3. Achterhoofdskwab
4. Slaapbeenkwab
5. Primaire motorische schors
6. Centrale groeve
7. Primaire motorische schors
8. Laterale groeve
|
Ten slotte kan er een indeling gemaakt worden in linker- en rechterhersenhelft. De bouw
van beide helften is identiek, de functie echter niet.
Er is een dominante helft (links): taal, logica, nummers, volgorde, analyse en
lijsten. Dit deel denkt in taal en begrippen. In dit deel ligt het
spraakcentrum. De dominante helft is bij (bijna) alle mensen die rechtshandig zijn en bij
de meesten die linkshandig zijn de linkerhersenhelft.
De niet-dominante hersenhelft (rechts) is het artistieke brein: emoties,
ruimtelijke waarneming, totaliteit van beelden, verbeelding, kleur, dagdromen, begrip en
waardering voor muziek / andere kunstuitingen (ritme) en sociaal gedrag. Dit gedeelte
denkt in beelden en gevoel.
Beide hersenhelften werken intensief samen.
Reflexen
Bij een reflex gaat het om een automatische activiteit van een orgaan die tot stand
komt als gevolg van een of andere prikkeling.
Er zijn 3 soorten reflexen: reflex via het ruggenmerg, hersenstamreflex en reflex via de
grote hersenen. Een reflexboog is de weg die een prikkel aflegt van plek van waarnemen tot
de plaats van reactie. De prikkel passeert in deze reflexboog een aantal punten: de
sensor, (de verbinding tussen sensor en ruggenmerg), schakelneuron (zit in het
ruggenmerg), verbinding tussen ruggenmerg en spiervezels / klierweefsel en de spiervezels
/ klierweefsel.
Ieder mens heeft een aantal reflexen, die vanaf de geboorte aanwezig zijn. Deze reflexen
verlopen via het ruggenmerg of via de hersenstam. Voorbeelden zijn het zuigreflex en het
hoestreflex. Ook zijn er aangeleerde reflexen. Deze reflexen worden aangeleerd in het
leven van het individu en ze kunnen per persoon anders zijn (vb: bij de een loopt het
water in de mond van taart, bij een ander juist bij snoep).
Categorie
Een CVA heeft als gevolg een beschadiging (bloeding / infarct) aan de hersenen, dus
valt een CVA onder de categorie: trauma.
(Verklaring van) symptomen
Door een hersenbloeding of infarct, daalt de doorbloeding van de hersenen. Als de
bloedstroom in een hersengebied onder de 50% komt, kan dat deel niet meer goed
functioneren. Tot een doorbloeding van 20% kan een cel zich handhaven. Als de
bloeddoorstroming weer stijgt, kan het gebied zich voor een deel weer herstellen. Als de
doorbloeding nog verder daalt (en dus ook de zuurstof- en glucosevoorziening) tot onder de
20%, dan treden er onomkeerbare veranderingen op, die tot onherstelbare schade leiden.
Een CVA ontstaat plotseling en kan gepaard gaan met bewusteloosheid, verlammingen in
het gezicht, warrig spreken en denken, verlammingen, verstoring of verlies van het
gezichtsvermogen, verdoofd gevoel in arm been of gezicht, tintelingen, ernstige hoofdpijn,
duizeligheid en evenwichtsstoornissen.
De gevolgen zijn afhankelijk van het deel van de hersenen dat is beschadigd en de
hoeveelheid weefsel dat is beschadigd in de hersenen. De gevolgen zijn voor een deel
specifiek voor het deel van de hersenen dat aangetast is (zie: bouw en werking van het
aangedane lichaamsdeel), er zijn ook een aantal algemene gevolgen te noemen.
De indeling van symptomen bij een CVA in de linker- of rechter hersenhelft is niet
altijd strikt te maken, want de verschijnselen zijn altijd afhankelijk van de plaats van
de beschadiging en de individuele situatie van de patiënt. Onder het punt 'bouw en
werking van het aangedane lichaamsdeel' heb ik aangegeven hoe de verdeling van de
sensorische en motorische functies over het hersenweefsel is. Bij een CVA zullen de
gerelateerde functies van het getroffen hersenweefsel geheel of gedeeltelijk uitvallen
(ook reflexen kunnen hierdoor uitvallen). Zoals eerder genoemd zijn ook individuele
factoren van invloed op de symptomen.
Algemene kenmerken die het gevolg kunnen zijn van een CVA zijn:
Lichamelijke gevolgen:
- Verhoogde bloeddruk als uiting van een compensatie-mechanisme (de eerste weken na
een CVA);
- Hemiplegie (geen beweging meer mogelijk) / hemiparese (nog wel beweging mogelijk)
aan een kant van
het lichaam: in de eerste dagen weken zijn de spieren aan de
verlamde kant meestal slap (hypotoon),
geleidelijk komt er spasticiteit (spanning) in de spieren. De
spasticiteit is nooit gelijkmatig, maar leidt tot
een voorkeurshouding;
- Halfzijdige gevoelsstoornissen: vrijwel altijd aan de kant van de verlamming. Welk
gevoel verminderd is
(pijn, warmte, koude, houding, beweging, tast), is per persoon
verschillend. Elke vorm van
gevoelsstoornis heeft bijbehorende kenmerken en risicos.
- Hemianopsie: het gedeelte van het gezichtsveld aan de kant van de verlamming is
uitgevallen. Dit komt niet
door de ogen, maar door de hersenbeschadiging. Sommige mensen zien in
de eerste maanden minder
scherp;
- Slikstoornissen: vooral in de eerste dagen na een CVA;
- Constante vermoeidheid, zeker in de eerste maanden. De vermoeidheid kan in het
hoofd of in het gehele
lichaam zitten;
- Incontinentie (urine niet op kunnen houden), of niet goed uit kunnen plassen;
- Obstipatie, doordat een CVA-gehandicapte meestal minder beweegt;
- Schouderpijn in de verlamde schouder;
- Epilepsie: de grootste kans hierop bestaat in de eerste maanden na de CVA. De
aanvallen kunnen
zowel geheel als gedeeltelijk zijn;
Geestelijke gevolgen:
- Algemene gevolgen: kunnen optreden bij elke vorm van
hersenbeschadiging;
* Cognitieve gevolgen:
- Aandachts- en
concentratiestoornissen: vertraagde snelheid van informatieverwerking, tragere
denksnelheid, moeilijkheden met het concentreren en gerichte / verdeelde aandacht;
-
Geheugenstoornissen: problemen in de opslag van informatie in het korte-termijn-geheugen,
problemen in de overdracht van de informatie naar het lange-termijn-geheugen, problemen
bij het
oproepen van opgeslagen informatie. Geheugenstoornissen kunnen in drukke situaties erger
zijn;
- Stoornissen in
de planning en uitvoering van doelgerichte activiteiten: problemen met het
formuleren van doelen, het plannen en uitvoeren van activiteiten. De effectiviteit kan
verminderen
door onder andere gebrek aan ziekte-inzicht;
- Stoornissen in
de waarneming en de beoordeling: negeren van alles (lichaam en omgeving) aan de
parese-zijde van het lichaam (neglect), hemianopsie (blindheid in een deel van het
gezichtsveld),
moeite hebben met het herkennen van voorwerpen en afbeeldingen (agnosie), moeite hebben
met
het gebruiken van voorwerpen (apraxie), het niet snel kunnen overzien van wat men voor
zich
heeft en stoornissen in het ruimtelijk waarnemen;
-
Communicatiestoornissen: moeite hebben met het vormen van taal of met het begrijpen van
taal
(afasie), woordvindingsproblemen, problemen in de non-verbale communicatie, te veel praten
en
breedsprakigheid, informatie letterlijk nemen in plaats van symbolisch, gebruik van
vreemde
woorden / zinnen en aangedane spraak door verlamming van spieren die hiervoor nodig zijn
(dysartrie);
* Emotionele gevolgen:
- Primaire
emotionele gevolgen: zijn het directe resultaat van de schade aan de hersenen. Er kunnen
zich persoonlijkheidsveranderingen voordoen (rem op emoties is weg, niet meer kunnen
nuanceren à asociaal gedrag, vloeken, agressie, snel
huilen, een geprikkelde stemming,
depressies en overspannenheid. Snel moe, gevoelig voor licht, drukte en lawaai), maar dit
is zeker
niet bij alle patiënten zo.
- Secundaire
emotionele gevolgen: ontstaan als reactie van de getroffene op de vaak vreemde
symptomen van het hersenletsel. (zie stap: complicaties)
- Rouwreacties
als gevolg van het verlies van een functie of de oude manier van leven.
* Gedragsmatige gevolgen:
- Verstoorde
sociale waarneming en sociaal bewustzijn: naarmate de hersenbeschadiging toeneemt,
neemt de mogelijkheid tot zelfbewustzijn (en de zelfbeoordeling) af.
- Verstoorde
controle: impulsiviteit, rusteloosheid, ongeduld, niet in staat zijn tot spontaniteit en
flexibiliteit.
- Niet in staat
zijn te leren van ervaringen.
-
Catastrofe-reactie: een sterk emotionele reactie, vooral bij confrontatie met dingen die
niet goed
gaan. De patiënt kan daarentegen ook onverschillig reageren.
- Specifieke
emotionele veranderingen: apathie, kinderlijkheid, verhoogde reactiviteit / impulsiviteit,
prikkelbaarheid, ontremming, dwanglachen / -huilen, agressie, toegenomen / afgenomen
seksuele
interesses.
- Verlies van
zelfredzaamheid (dit kan leiden tot het afhankelijk opstellen en weinig initiatief
vertonen) en niet voor vol aangezien worden à frustraties,
woede-uitbarstingen en gevoelens van
machteloosheid en depressiviteit.
Bij een CVA in de linker hersenhelft kunnen de symptomen zijn:
* Lichamelijke gevolgen:
- Hemiplegie / hemiparese rechts (gehele / gedeeltelijke
verlamming van de rechter lichaamszijde, tevens
spelen verhoogde spierspanning en
gevoelsstoornissen een rol);
- Uitval van het gezichtsveld aan de rechterkant van beide ogen;
* Geestelijke gevolgen:
- Cognitieve gevolgen:
* Neglect rechts: minder aandacht voor de
door de beroerte aangedane lichaamszijde en de ruimte
daar omheen.
* Afasie: moeilijkheden met taal:
spreken, taalbegrip, lezen, schrijven. De mate van afasie kan erg
verschillend zijn per
persoon;
* Dysartrie: onduidelijke spraak, doordat
de spieren voor het spreken (tong, wang, lippen) zijn
verlamd. Hierdoor
worden de woorden vervormd en minder verstaanbaar. Dit kan ook komen
doordat de ademhaling en de
stem niet goed samenwerken à zachtere stem, hakkelende
spraak met
onverwachte pauzes;
* Apraxie: de patiënt weet niet meer
goed hoe hij moet handelen;
* Agnosie: het niet meer kunnen herkennen
van voorwerpen, geluiden of gezichten, hoewel de zintuigen
wel werken;
* Moeite hebben met het onthouden van de
volgorde van gebeurtenissen;
* De begrippen links en rechts worden
verwisseld;
* Rekenen: zelfs simpele sommen kunnen
problemen opleveren;
- Emotionele gevolgen:
* Gebrekkig zelfvertrouwen en somberheid,
afgewisseld met machteloze woede;
- Gevolgen voor gedrag:
* Langzaam, onzeker en angstig gedrag,
doordat de patiënt zich goed bewust is van wat er aan de
hand is;
* Terugtrekking en minder initiatief.
Bij een CVA in de rechter hersenhelft kunnen de gevolgen zijn:
* Lichamelijk gevolgen:
- Hemiplegie / hemiparese links (geheel / gedeeltelijke
verlamming van de linker lichaamszijde, tevens
spelen verhoogde spierspanning en
gevoelsstoornissen een rol);
- Uitval van het gezichtsveld aan de linkerkant van beide ogen;
* Geestelijke gevolgen;
- Cognitieve gevolgen;
* Agnosie: het niet meer kunnen
herkennen van voorwerpen, geluiden of gezichten, hoewel de
zintuigen wel
werken, ook is soms het ruimtelijk voorstellingsvermogen verminderd;
* Stoornissen in waarnemen en
denken;
* Onduidelijke spraak;
* Verkeerd inschatten van tijd;
* Neglect links: minder aandacht
voor de door de beroerte aangedane lichaamszijde en de ruimte
daar omheen;
* Geen / verminderd ziekte-inzicht.
- Emotionele gevolgen:
* Veranderd gevoel voor humor;
* Vlakkere emoties, waardoor de patiënt
onverschillig overkomt;
- Gevolgen voor gedrag:
* Geen of verminderd ziekte-inzicht
à overmoedig en riskant gedrag, ongevoeligheid voor
correcties
of adviezen;
* Impulsiviteit en gejaagdheid à ziet er onrustig en chaotisch uit. Er kan geen structuur en
orde
aangebracht
worden;
Specifieke symptomen bij een infarct:
Als een infarct optreedt in de hersenstam, kunnen er de volgende symptomen optreden:
draaiduizelingen, misselijkheid, braken, onduidelijk spreken, slikklachten, dubbelzien
(door verlamming van een of meer oogspieren) en stuurloosheid, gevoelsstoornissen aan een
kant van het gezicht en aan de andere kant in het lichaam, verlies van kracht, heesheid,
transpireren, trillen van de ogen, de hik, hangend ooglid en pijn in het
aangezicht.
Afsluiting van de middelste halsslagader leidt tot gekruiste halfzijdige verlamming,
ongekruiste blindheid van het oog, ongekruiste verlamming van de gelaatsspieren.
Bij totale afsluiting van de slagader die tussen de wervels doorloopt ontstaat een
verlamming van de armen en benen, soms met bewustzijnsverlies en ademhalings-stoornissen,
doordat de centra in de hersenstam ook minder zuurstof ontvangen.
Specifieke symptomen bij een bloeding:
- Intracerebrale bloeding: snel opkomende, zeer hevige hoofdpijn, meestal met
braken. Binnen een uur raakt
de patiënt bewusteloos. Het gelaat is blauw / paars van kleur en de
ademhaling is blazend van karakter.
Een lichaamshelft is verlamd. Bij de bewusteloze patiënt komt dit tot
uiting doordat er een verminderde
reactie is op pijnprikkels en doordat de spierspanning verschilt van
die van de andere kant van het
lichaam.
- Subarachnoïdale bloeding: plotseling optredende, zeer hevige hoofdpijn met
misselijkheid en braken.
Sommige patiënten vertellen dat ze een geluid hoorden alsof er iets
knapte in het hoofd. Indien patiënten
na een kortdurende bewusteloosheid weer bijkomen, zijn ze
gedesoriënteerd of verward. Na enkele uren
(soms pas na 24 uur) treedt nekstijfheid op met lichte koorts. Bij een
deel van de patiënten ontwikkelen
zich neurologische uitvalsverschijnselen zoals halfzijdige
verlammingen.
- Subduraal hematoom: de verschijnselen ontwikkelen zich geleidelijk. Het begint met
een vermindering van
het initiatief en interesse. Geleidelijk daalt het bewustzijn van de
patiënt en uiteindelijk kunnen zich
verlammingsverschijnselen openbaren.
- Epiduraal hematoom: kenmerkend is een symptoomvrij interval tussen het ongeval en
het eerste teken van
drukverhoging in de hersenen. Enige tijd na het ongeval klaagt de
patiënt plotseling over hoofdpijn die
soms gepaard gaat met braken. Het bewustzijn daalt geleidelijk. De
pupil aan de kant van de bloeding
wordt aanvankelijk wijd, later lichtstijf (licht doet de pupil niet
meer samentrekken). Ten slotte ontstaat
een halfzijdige verlamming, aan de gekruiste zijde van het lichaam.
Diagnose
De diagnose CVA kan gesteld worden met behulp van een aantal onderzoeken:
- Lichamelijk onderzoek: intake-gesprek en algemeen intern onderzoek (pols,
bloeddruk etc). Vervolgens
wordt er onderzoek verricht naar: reuk, werking van het oog,
sensibiliteit en symmetrie van het gelaat,
gehoor, stand en kracht van spieren in de mond en de aan- / afwezigheid
van reflexen. Ook wordt er
onderzoek gedaan naar de motoriek van de patiënt. Dit onderzoek is
oriënterend van aard. Hiermee
kunnen symptomen worden vastgesteld, maar geen definitieve diagnose.
- Met behulp van een CT-scan kan bepaald worden of het om een hersenbloeding of
infarct gaat, of om
een andere oorzaak (bijv. metastasen). Een CT-scan geeft ook informatie
over de oorzaak van de
beroerte. Deze CT-scan moet binnen 10 dagen na de beroerte worden
gemaakt. Na 10 dagen kan een
hematoom namelijk niet altijd betrouwbaar worden herkend. Bij een
CT-scan (duurt ongeveer 10
minuten) wordt de patiënt langzaam, liggend door een ring geschoven.
Deze ring bevat apparatuur die
röntgenstralen opwekt en detectoren die absorptie van de
röntgenstralen meten. Met behulp van een
computer wordt van ieder vooraf ingesteld laagje hersenweefsel een
beeld gereconstrueerd, dat als een
röntgenfoto te zien is op een beeldscherm. De dikte van de snedes en
het aantal snedes kan worden
ingesteld met de computer.
- ECHO-onderzoek. Er wordt een speciaal kristal tegen de zijkant van de schedel
gehouden, waardoor
ultrageluid de hersenen in gaat. Dit geluid verplaatst zich in de
hersenen, maar wordt ook teruggekaatst
door bepaalde structuren. Dit alles wordt op een scherm zichtbaar
gemaakt. Het onderzoek is makkelijk
uitvoerbaar en levert geen risico op voor de patiënt.
- Hartfilmpje / ECG (elektrocardiogram): Een hartfilmpje wordt altijd gemaakt om
hartafwijkingen, die aan
een beroerte ten grondslag kunnen liggen, op te sporen. Bij patiënten
met atriumfibrilleren
(boezemfibrilleren) veroorzaakt het hart soms stolsels die losschieten
en in een bloedvat in de hersenen
vast komen te zitten.
Er wordt met behulp van een aantal plakkers op armen, benen en borst
het elektrisch stroomverloop door
het hart zichtbaar gemaakt. Dit onderzoek is pijnloos. Om bijvoorbeeld
ritmestoornissen op te sporen,
kan het nodig zijn om het hartfilmpje gedurende langere tijd te
bekijken. Dat kan via een draagbaar
bandrecordertje. Dit wordt Holterregistratie (24-uurs registratie)
genoemd.
- EEG (electroencefalografisch onderzoek): de elektrische verschijnselen in de
hersenen worden via
elektroden die op de hoofdhuid zijn geplakt naar een apparaat geleid.
Dit apparaat versterkt de signalen
en registreert ze op papier.
- Lumbaalpunctie: bij verdenking op ontstekingsprocessen en incidenteel bij
verdenking op subarachnoïdale
bloeding. Er wordt vocht uit het ruggenmerg afgenomen via een naald
tussen de vijfde lumbale wervel en
het heiligbeen. Na de punctie moet de patiënt meestal 24 uur platte
bedrust houden. De lumbaalpunctie is
de meest gebruikte manier om deze vloeistof af te nemen.
- MRI (Magnetic Resonance Imaging): Een MRI is vergelijkbaar met een CT-scan, maar
geeft nog
preciezere informatie over eventuele oorzaken. Het kan soms afwijkingen
tonen die op een CT-scan (nog)
niet zichtbaar zijn. Niet ieder ziekenhuis heeft een MRI-scan, vanwege
de hoge kosten die aan de
apparatuur zijn verbonden. Vaak is een CT-onderzoek voldoende. Een MRI
onderzoek duurt langer (30
- 60 minuten) en vergt absoluut stil liggen van de patiënt. Ook bij dit
onderzoek kan de lokatie en dikte van
de snede worden bepaald. De zeer sterke magnetische velden zijn
waarschijnlijk niet nadelig voor het
menselijk lichaam.
- Er wordt bloedonderzoek gedaan naar verschillende waarden in het bloed. De arts
bepaald welke
waardes er bepaald moeten worden. Ook kan er bijv. ter secundaire
preventie onderzoek gedaan worden
naar het cholesterolgehalte in het bloed.
Behandeling
Meer informatie over de verschillende instellingen en zorgaanbieders is te vinden
bij het zorgtraject.
Acute fase
De acute fase is de periode tot ongeveer 2 weken na een CVA.
Verblijfsmogelijkheden:
In deze fase zijn er een aantal verblijfsmogelijkheden voor de patiënt.
Huisarts: in de meeste situaties wordt de patiënt eerst gezien door een huisarts,
voordat verdere actie wordt ondernomen. De huisarts stelt een waarschijnlijkheidsdiagnose
en in overleg met de patiënt en diens naasten beslist hij wat er moet gaan gebeuren.
Thuisverzorging: een deel van de mensen die een CVA hebben doorgemaakt blijft
thuis. Dit kan bijvoorbeeld als de neurologische uitval gering is, dan kan de analyse
plaatsvinden via de polikliniek. Een ziekenhuisopname is ook niet geïndiceerd voor
patiënten waarvan de kans op een behoorlijk functioneel herstel gering geacht wordt.
Afhankelijk van de functionele beperkingen van de patiënt en zijn psychosociaal
functioneren, wordt er vastgesteld in hoeverre er thuisverzorging / -verpleging nodig is.
In de meeste situaties zal één / meerdere centrale verzorger(s) de zorg voor de patiënt
op zich nemen. Indien de patiënt geen centrale verzorger(s) heeft, is hij aangewezen op
onmiddellijke thuiszorg. Dit levert vaak praktische moeilijkheden en bureaucratische
problemen op.
Ziekenhuisopname: voor patiënten na een CVA kan het zinnig zijn, om in het
ziekenhuis opgenomen te worden. In de meeste gevallen worden patiënten met een CVA ook
daadwerkelijk opgenomen in het ziekenhuis en meestal komen zij terecht op de afdeling
neurologie. Daar verleent een team (bestaande uit meerdere disciplines) de zorg, waardoor
de deskundigheid erg geconcentreerd is. Er vinden op de afdeling een aantal activiteiten
plaats: directe hulpverlening, uitvoering diagnostiek (neurologisch onderzoek, aanvullend
bloedonderzoek en op indicatie ander specialistisch onderzoek), organisatie van de zorg
(waaronder het instellen van secundaire preventie) en het opstellen van een
revalidatie-plan. Bij het begin van de revalidatie kunnen fysiotherapie, logopedie,
ergotherapie, maatschappelijk werker en diëtisten worden ingeschakeld. Zij zijn
verantwoordelijk voor de behandeling binnen hun eigen vakgebied.
Momenteel komen er in Nederland steeds meer stroke-units: gespecialiseerde,
multidisciplinaire teams die gedurende de eerste ziekteweken continuïteit van zorg
leveren. Ook is de transfer-verpleegkundige in opkomst: regelt de intake, de
indicatiestelling, het ontslag, de doorverwijzing en de organisatie van de hulpverlening
voor patiënten die na een opname in het ziekenhuis naar huis gaan.
Medicamenteuze behandeling (arts / neuroloog):
Tot nu toe is er nog geen effectieve therapie in deze fase. Medicamenteuze therapie zou de
stoornis in bloedtoevoer in het randgebied zoveel mogelijk op moeten heffen, aangezien dit
gebied nog niet onherstelbaar beschadigd is. De circulatie moet snel hersteld worden, wil
in dit gebied herstel kunnen optreden. Hier wordt momenteel nog onderzoek naar verricht.
Er heerst momenteel namelijk nog grote onduidelijk over het nut van het toedienen van
antistolling en medicijnen die stolsel op kunnen lossen of die de stroperigheid van het
bloed verbeteren. Toch worden deze medicijnen regelmatig voorgeschreven bij patiënten met
een CVA (vooral bij mensen met een infarct).
In de eerste drie weken na een CVA wordt er over het algemeen geen bloeddrukverlagende
medicatie voorgeschreven, omdat de bloeddruk verhoogd is als compensatie-mechanisme na het
CVA. Na deze periode daalt de bloeddruk meestal weer.
Overige behandelingen:
De hoeveelheid zuurstof in het bloed van de patiënt wordt hoog gehouden, zodat de
herstelmogelijkheden het grootst zijn. De patiënt krijgt zo nodig zuurstof toegediend.
Er moet een vochtbalans bijgehouden worden, omdat prikkels van honger en dorst verloren
kunnen zijn gegaan. Een tekort aan vocht en voedingsstoffen kan herstel blokkeren
Verder worden risicofactoren opgespoord en behandeld, om herhaling van een CVA te
voorkómen (zie het punt: preventie). Tevens wordt er een revalidatie-plan opgesteld
waarbij fysiotherapie, logopedie en zo nodig dagrevalidatie of dagverpleging worden
ingeschakeld. De huisarts of neuroloog schakelt de revalidatie-arts in.
In de acute fase heerst er grote onzekerheid over de gevolgen voor de patiënt. De artsen
kunnen daar in deze fase weinig met zekerheid over zeggen. In deze fase moet er vooral
geluisterd worden door de zorgverleners naar de vragen van de patiënt en zijn naasten en
er moet de tijd genomen worden om uit te leggen wat er aan de hand is en wat de
verwachtingen zijn. Bovendien dient deze informatie nog één of meerdere malen herhaald
te worden.
Herstelfase
Deze fase loopt door tot een half jaar na een CVA. In deze fase is de medische
diagnostiek afgerond en de risicofactoren zijn in kaart gebracht. De aandacht wordt
gericht op goede zorg en revalidatie om de nadelige gevolgen voor het functioneren in het
dagelijks leven te verminderen. Het doel hiervan is dat de patiënt zo zelfstandig
mogelijk kan functioneren.
In deze fase treden cognitieve en emotionele gevolgen en gedragsveranderingen aan het
licht.
Voorlichting:
Tijdens deze fase is voorlichting nog noodzakelijker dan in de acute fase. Het geven
van voorlichting is een continu proces, waarbij de patiënt en zijn naasten hun vragen
kwijt kunnen en irrealistische verwachtingen kunnen bijstellen. Zo kunnen ze met een
positieve instelling (noodzakelijk voor een optimale revalidatie), de gevolgen van een CVA
aan. Er moet door de hulpverleners voorkomen worden dat de patiënt met tegenstrijdige
voorlichting wordt geconfronteerd, door te overleggen met elkaar. In deze fase zijn de
voorlichtingsboekjes Wegwijzer na een beroerte en Afasie, hoe
verder? een goede vorm van voorlichting.
Verblijfsmogelijkheden:
Thuiszorg: in de acute fase is de consultfrequentie van de huisarts groot. Een
aantal weken nadat de meeste patiënten naar huis zijn gegaan, neemt deze
consultfrequentie af.
De patiënt kan thuiszorg krijgen, nadat hij hiervoor is geïndiceerd door een hiertoe
gemachtigd persoon.
Ziekenhuis: de patiënt hoort in deze fase niet in het ziekenhuis te liggen, omdat
hij medisch is uitbehandeld. Soms is er echter geen andere oplossing door bijv.
wachttijden. Dit langere verblijf in het ziekenhuis kan ongewenste consequenties hebben.
Bejaardenoord en verpleeghuis: de zorg die geboden wordt is afhankelijk van de
instelling.
Alternatieven voor opname in het verpleeghuis zijn dag- en nachtbehandeling.
Informele zorg (mantelzorg): dit aandeel overtreft het aandeel van professionele
hulp. De relatie tussen de informele zorgaanbieder en de patiënt verandert: er is sprake
van een eenzijdige gerichtheid, ipv een wederzijdse relatie. Voor de partners zijn de
gevolgen het grootst, dit is de reden dat zorgverleners ook aan hen aandacht moeten
besteden. Aanhoren is vaak belangrijker dan behandelen of oplossen. 80% van de partners
heeft na een jaar nog behoefte aan hulp op het gebied van: praktische hulp, informatie,
voorzieningen en mogelijkheden en emotionele ondersteuning. De patiëntenvereniging voor
CVA-gehandicapten en partners Samen Verder en de Afasie Vereniging Nederland
(AVN) bieden patiënten en partners lotgenotencontacten, creatieve activiteiten en
nazorgprogrammas voor patiënten en partners. Groepsoefentherapie heeft als doel een
ontmoetingsplaats voor CVA-patiënten en hun partners te creëren informatie over CVA en
de gevolgen daarvan te geven en lichaamsbeweging en een actieve, sociaal-gerichte
vrijetijdsbesteding te bevorderen.
Revalidatie:
Doel revalidatiegeneeskunde: de patiënt optimaal te laten functioneren door het
trainen van de nog aanwezige functies en door het ontstaan van eventuele handicaps te
vermijden of te verminderen via een maatschappelijke aanpak.
De revalidatie vindt plaats mbv fysiotherapie, logopedie, maatschappelijk werk,
verpleging, psychologie, diëtiek en soms mbv ergotherapie, dagrevalidatie, -behandeling
of verzorging. Het doel van revalidatie in het ziekenhuis is het kiezen van
de beste ontslagbestemming, het realiseren van ontslagvoorwaarden, preventie van
complicaties en revalidatie-geneeskundige behandeling.
Revalidatie in een revalidatie-kliniek is aangewezen als de patiënt medische,
verpleegkundige of specialistische revalidatie-therapeutische zorg nodig heeft, die niet
elders kan worden verstrekt. 5 10 % van de CVA-patiënten wordt verwezen naar een
revalidatiekliniek. Bij de revalidatie staat meestal het NDT-concept centraal. NDT is erop
gericht de verlamde kant zoveel mogelijk bij de handelingen te betrekken, opdat een
evenwichtiger lichaamshouding wordt bereikt.
Fysiotherapie:
Door behandeling en oefentherapie van het bewegingsapparaat wordt het lichamelijk
functioneren bevorderd en gehandhaafd.
Ergotherapie:
Streeft naar een optimaal zelfstandig functioneren van de patiënt in zijn leef-, woon- en
werkomstandigheden. Dit wordt getracht te bereiken door training van dagelijkse
activiteiten, het leren gebruiken van hulpmiddelen en door gebruik te maken van
aanpassingen en / of voorzieningen. Ergotherapie vindt vooral in instellingen plaats en
wordt thuis meestal niet vergoed.
Logopedie:
Training van de verbale en niet-verbale stoornissen en de communicatie met de centrale
verzorger. Moderne hulpmiddelen ondersteunen bij het verbeteren van de communicatie.
Chronische fase
Nadat duidelijk is met welke stoornissen, beperkingen of handicaps de patiënt moet
leren leven, treedt de chronische fase in. In deze fase gaat het om verwerking,
acceptatie, leren omgaan met blijvende beperkingen en ondersteuning van de mantelzorg. In
deze fase zal de mate van herstel dalen. De patiënt krijgt geïndiceerde zorg thuis of in
een instelling. De zorg in deze fase heeft grote overeenkomsten met die van de vorige
fase. Eerdergenoemde disciplines zullen dus ook tijdens deze fase betrokken worden /
blijven bij het (herstel)proces van de patiënt.
NDT (Neuro Developmental Treatment)
Bij de behandeling van centraal-neurologische aandoeningen gaat men uit van de normale
motorische ontwikkeling van de mens. Centraal in de vorm van behandelen staat de
multidisciplinaire benadering van patiënten met hersenletsel.
Geschiedenis:
Het concept is ontwikkeld na de Tweede Wereldoorlog, door het echtpaar Bobath. Bertha
Bobath behandelde als fysiotherapeute kinderen met een cerebrale parese en haar man
(kinder- en zenuwarts) deed onderzoek naar de ervaringen van haar vrouw en probeerde ze
theoretisch te verklaren en te onderbouwen. Mevr. Pat Davies, eveneens fysiotherapeute, is
verantwoordelijk voor de uitwerking van het concept voor de behandeling van volwassenen
met een hemiplegie.
Ze hebben gekozen voor een concept, omdat ze vonden dat hun manier van
behandelen open moest staan voor nieuwe inzichten en ideeën.
Het concept werd uitgedragen door het organiseren van cursussen. Aanvankelijk werden zij
alleen in Engeland gegeven, later over de hele wereld. De eerste cursussen waren speciaal
gericht op de behandeling van kinderen, maar later ontstonden er ook cursussen voor de
behandeling van volwassenen. Eerst waren de cursussen alleen voor medici en paramedici,
later kwamen er ook speciale cursussen voor verpleging en verzorging.
Doel:
Het doel van de behandeling volgens het NDT-concept is: een zo groot mogelijke
zelfstandigheid van de patiënt, met optimale integratie van de hemiplegische kant.
Uitgangspunten:
Er gelden 4 uitgangspunten voor de behandeling volgens het NDT-concept. Deze
uitgangspunten kunnen niet los van elkaar gezien worden.
- Iedere patiënt is uniek: hoewel de locatie van een infarct of bloeding dezelfde
kan zijn als bij andere
patiënten, het resultaat ervan (hemiplegie), is dat meestal niet. Dit
kan veroorzaakt worden door de
grootte van het CVA, maar ook door individuele factoren (bijv.
leeftijd). Al deze factoren tezamen
bepalen hoe het concept bij een patiënt het beste kan worden
toegepast.
- De normale motoriek dient als leidraad tijdens het behandelen. Om normaal te
kunnen bewegen zijn een
aantal aspecten nodig: normale spierspanning, samenwerking tussen
tegengestelde spiergroepen en
automatische reacties (opricht- en evenwichtsreacties, opvang- en
steunreacties). Bij een
hemiplegiepatiënt wordt niet aan (al deze) aspecten voldaan. De
behandelaar analyseert de motoriek van
de patiënt door het niveau van functioneren te onderzoeken (wat kan de
patiënt?), de wijze van
functioneren (hoe doet hij het?) en hij maakt een analyse van het
functioneren (waarom gebeurt het op
deze manier?). Met deze kennis kan geprobeerd worden de aangedane zijde
te stimuleren en uit te
lokken tot een zo goed mogelijk herstel, waardoor de
variabiliteit en veiligheid zullen toenemen.
- Functie- en vaardigheidstraining. Er zijn 3 trainingsvormen te noemen: Het trainen
van functies (mobiliteit,
kracht, tonus, coördinatie etc.), het trainen van de vaardigheid zelf,
zodat de afzonderlijke functies
verbeteren, of het gebruikmaken van een vaardigheid om deze te
verbeteren. Het NDT-concept gaat
vooral uit van de laatste 2 genoemde trainingsvormen. Juist het trainen
van vaardigheden is goed
herkenbaar voor de patiënt en doet een beroep op zijn
bewegingservaringen. Deze aspecten kunnen het
leren van functies en vaardigheden vergemakkelijken.
- Dezelfde taal spreken. Het leren van de functies en vaardigheden gaat
het beste als alle hulp, die daarbij
aan de patiënt geboden wordt, steeds op dezelfde manier plaatsvindt.
Alle betrokken behandelaars
(samen verantwoordelijk voor de 24-uurs-zorg) moeten op de hoogte zijn
van het niveau van de patiënt,
dus is er multidisciplinair overleg nodig. De patiënt staat centraal
en de partner en / of familie worden er
nauw bij betrokken, omdat zij in belangrijke mate aan de behandeling
kunnen bijdragen.
Werkwijze:
De werkwijze van het NDT-concept bestaat uit de regulatie van de spierspanning en het
faciliteren, waarbij de patiënt behandeld wordt vanaf de aangedane zijde, maar altijd als
geheel benaderd dient te worden.
* Regulatie van de spierspanning: de spanning waarmee een beweging wordt uitgevoerd,
moet aangepast
zijn aan die beweging. Bij een patiënt met een CVA is de spierspanning
meestal in het beginstadium te laag
en later vaak te hoog.
* Stimulatietechnieken om een te lage spierspanning te
normaliseren:
- Tikken of wrijven op / over de slappe
spier(groep) of deze kortdurend prikkelen (bijv. met een
ijsklontje).
- Steun nemen of belasten van een
lichaamsdeel waarbij vooral het ervaren van de druk kan leiden tot
een normale spanning
van de spieren.
- Stemgeluid: een korte, felle
aanmoediging prikkelt de aandacht en lokt soms spontaan een
motorische reactie uit.
* Technieken om een te hoge spierspanning te normaliseren:
- Het gebruikmaken van reflexremmende
houdingen of bewegingen. De spastische spier(groep)en
worden dan eerst gerekt en
ontspannen, waarna de patiënt gevraagd kan worden die houding te
handhaven of een normale
beweging te maken.
- Steun nemen of belasten van een
lichaamsdeel.
- Gebruikmaken van een rustige, kalme
aanmoediging, die de patiënt uitnodigt te ontspannen.
* Faciliteren: via speciale technieken wordt het bewegen of het handhaven van een
houding mogelijk /
gemakkelijk gemaakt voor de patiënt.
Manuele begeleiding: de patiënt ondersteunen met de handen;
Verbale begeleiding: de bedoeling uitleggen van de handeling die
gemaakt gaat worden;
Visuele begeleiding: spiegel à de
patiënt kan zelf zien wat hij doet;
Aanpassen van de omgeving.
* Behandelen vanaf de aangedane zijde. De mate van zelfstandigheid zal vergroot
worden als de aangedane
zijde actief en bewust bij de behandeling betrokken wordt. Daarom moet
iedereen de patiënt zoveel
mogelijk vanaf de aangedane zijde benaderen. Indien men deze zijde
begeleidt en ondersteunt, zal de
patiënt zelf kunnen ervaren wat hij er wel en niet mee kan doen.
Alleen op deze manier is een zo groot
mogelijk herstel van de normale motoriek mogelijk.
* Benaderen van de patiënt als geheel. Elke patiënt heeft zijn eigen verhaal. Er
moet verder gekeken worden
dan alleen naar de aandoening van de patiënt.
Het NDT-concept wordt wereldwijd veel gebruikt.
Algemene omgangsadviezen
Voor een aantal veel voorkomende symptomen volgen een aantal adviezen om met de eerder
genoemde beperking in de praktijk om te kunnen (leren) gaan:
- Hemiplegie / hemiparese: probeer de verlamde zijde bij zoveel mogelijk handelingen
te betrekken. Dit
voorkomt complicaties en bevordert mogelijk herstel.
- Traag tempo / moeheid:
Houd bij dagindeling en speciale plannen rekening met het trage
(denk)tempo, wissel activiteiten
regelmatig af met pauzes, gun de patiënt / jezelf de tijd.
- Aandacht en concentratie:
Werk bij voorkeur in een rustige omgeving, deel taken op in meerdere
stukken en werk niet te lang achter
elkaar, breng structuur aan in de dag, neem voldoende de tijd en las
regelmatig pauzes in, kijk op welk
deel van de dag u het beste een bepaalde activiteit kan doen, maak een
activiteit af voordat u aan een
andere activiteit begint.
- Geheugen:
Zorg dat anderen geen misbruik kunnen maken van een zwak geheugen
(bijvoorbeeld financieel), probeer
belangrijke dingen te onthouden met verschillende technieken en maak
gebruik van geheugensteuntjes,
vereenvoudig de informatie (selecteer de bronnen) en streep belangrijke
informatie aan.
- Planning en structuur:
Zorg voor een dagelijks / wekelijks vast patroon / ritme, maak een
volgorde waarin activiteiten uitgevoerd
worden, vermijd chaotische situaties, kies bij voorkeur bekende
activiteiten, stop met activiteiten die niet
lukken en probeer ze later nog eens.
- Oriëntatie:
Geef voorwerpen een vaste plaats en breng vaste volgordes en ritmes aan
in dagelijkse handelingen en
activiteiten, bedenk oriëntatiesteuntjes
- Waarnemen:
Leg dingen op dezelfde plek, wees extra voorzichtig in het verkeer,
help de patiënt door feed-back te
geven (de patiënt is zich er niet van bewust dat hij dingen over het
hoofd ziet).
- Communicatie:
Breid de communicatieve mogelijkheden uit en vermijd communicatie niet.
De naasten kunnen regelmatig
samenvatten wat de patiënt gezegd heeft, regelmatig vragen herhalen,
blijven luisteren en observeren,
spreek in eenvoudige en korte zinnen en helder een misverstand door
communicatiestoornissen altijd op.
Ga indien nodig op zoek naar hulpmiddelen voor de patiënt om de
communicatie te verbeteren.
- Omgaan met beperkingen
Probeer de realiteit te aanvaarden, probeer nieuwe manieren van omgaan
met problemen samen uit te
breiden, licht buitenstaanders in over een goede manier van omgaan met
de patiënt, leer hoe je om hulp
kan vragen, zoek passende activiteiten op. De naasten moeten alle
pogingen waarderen, ook al zijn ze
mislukt, stimuleer dat de patiënt dingen zelf doet.
- Zelfinzicht:
Durf te vertrouwen in het oordeel van uw partner. De naasten moeten
alleen actuele situaties en concrete
gedragsvoorbeelden en alternatieven gebruiken om het gebrek aan
zelfinzicht aan te vullen, verbeter de
patiënt bij over- en onderschatting, voorzie toekomstige problemen en
probeer hier alvast structuur in aan
te brengen;
- Anders zijn:
Pas de eigen verwachtingen aan aan de reële mogelijkheden, probeer te
accepteren dat het gaat zoals het
gaat, benoem positieve ervaringen, zoek oplossingen voor de
huidige situatie, haal het minst gehavende
deel van jezelf naar voren, biedt de patiënt duidelijkheid en wees
consequent in wat u wel en niet
accepteert.
- Gevoelsuitingen:
Ga na wanneer prikkelbaarheid / agressie het meest voorkomt en houdt
hier rekening mee, probeer
gevoelsuitingen uit te lokken bij gevoelsvervlakking, bij
impulsiviteit: eerst denken dan doen, bij
gevoelsvervlakking kan je andere imiteren, bij een depressie hulp
zoeken van de huisarts voor medicatie.
Help de patiënt door grenzen te stellen, ga niet mee in onbeheerste
emoties.
- Sociaal gedrag:
Verbeter de patiënt als deze sociale situaties fout inschat en geef
aan hoe het wel hoort, wees alert op
misverstanden, help bij het aanleren van adequaat sociaal gedrag, wees
consequent in het reageren op
onjuist sociaal gedrag.
- Identiteitsvorming:
Koppel een groeiende zelfredzaamheid aan een gevoel van eigenwaarde en
probeer dit gevoel op te
bouwen, laat keuzes zoveel mogelijk door de patiënt maken, benadruk de
eigen aard en persoonlijkheid
en blijf de persoonlijke ontwikkeling stimuleren, respecteer de mening
van de patiënt, maar durf deze wel
ter discussie te stellen.
In het boekje Een beroerte en dan? staat uitgebreid omschreven hoe familie en
vrienden van mensen die door een CVA zijn getroffen, het best kunnen omgaan met de
verschillende symptomen die kunnen optreden.
Gevolgen / bijwerkingen behandeling
Van de meest voorgeschreven medicijnen kunnen de volgende bijwerkingen genoemd worden:
Anticoagulantia (bloedverdunners):
- Heparine: bloedingen en sterke daling van bloedplaatjes in het bloed;
- Cumarinederivaten: hierbij treden bloedingen op van minder ernstige aard:
huidbloedingen, spierbloedingen
en rode bloedcellen in de urine.
Trombocytenaggregatieremmers (antistolling):
- verhoogd risico op (maagdarm)bloedingen;
- misselijkheid, braken;
- huiduitslag;
- diarree;
- hoofdpijn, duizeligheid;
- lage bloeddruk.
Thrombolytica (oplossen van bloedstolsels):
- verhoogde kans op bloedingen;
- allergische (rash en koorts) reacties;
- lage bloeddruk;
- hartritmestoonissen.
De gevolgen van de revalidatie voor de patiënt kunnen groot zijn. De revalidatie zal
in de herstelfase veel tijd en inspanning vergen: de patiënt kan in behandeling zijn bij
de fysiotherapeut, ergotherapeut, logopedist etc. en soms wordt de patiënt opgenomen in
een instelling. Hierdoor kan de patiënt erg beperkt worden in zijn vrijheid. De gevolgen
die dit heeft voor de patiënt (en zijn naasten) zijn individueel afhankelijk. Het kan
bijvoorbeeld gevolgen hebben voor de relatie tussen de patiënt en zijn naasten, de
vrijetijdsbesteding van de patiënt en zijn sociale contacten.
Complicaties
De eerder genoemde symptomen, kunnen leiden tot een aantal complicaties:
* Oedeem (zwelling) aan de parese-kant van het lichaam. Behandelmethoden:
actief bewegen, elastische
bandage / steunkous, orthese / spalk, hooghouden van betreffende arm /
been, soms worden er
plastabletten voorgeschreven;
* Contracturen (blijvende samentrekking van weefsel): deze worden veroorzaakt
door spasticiteit en
oedeem. Preventie van contracturen door: een goede houding, passieve
bewegingen, actief aanleren van
bepaalde bewegingen (de patiënt moet zich bewust zijn van de
risicos bij verkeerd bewegen).
Contracturen kunnen bestreden worden door passief bewegen, toegeven aan
de contractuur of operatie
van het betreffende gewricht.
Bij oudere mensen is de kans op het ontstaan van breuken groter doordat
hun gewrichten minder mobiel
zijn.
* Pijn: kan zowel een symptoom zijn, als een complicatie. Lokale pijn, vooral
in de schouder, is een
complicatie. De uitstralende pijn is vaak gelokaliseerd in de schouder
en bovenarm. Er moet een exacte
diagnose worden gesteld en een gerichte therapie. Mogelijke oorzaken
van schouderpijn zijn verkeerd
bewegen (traumata) en beperkte beweging t.g.v.: slappe parese,
spasticiteit, verminderde sensibiliteit
(minder prikkels tot bewegen à leidt tot
immobilisatie), neglect (kan leiden tot onvoldoende zelfcorrectie
en letsel bij verkeerde houding), verminderd ziekte-inzicht en
hemianopsie.
Ook kan er pijn ontstaan in de pols en hand door lokale problemen zoals
een verkeerde houding.
Belangrijk is zorgvuldig om te gaan met de aangedane arm bij het
praktisch handelen.
* Stoornissen van de ontlasting: zodra de patiënt niet meer bedlegerig is,
herstelt de incontinentie voor
ontlasting en obstipatie zich meestal.
* Stoornissen in de urinelozing: in de eerste fase na CVA blijft er vaak
urine achter in de blaas na het
plassen, waardoor de patiënt een catheter krijgt. Bij herstel is het
niet op kunnen houden van de urine een
bekend verschijnsel, waarvoor soms medicatie nodig is.
* Seksuele stoornissen: de seksuele activiteit neemt na een CVA vaak af. Er
is sprake van regelmatig
optredende erectie-stoornissen bij mannen en problemen met het orgasme
bij mannen en vrouwen. De
oorzaak hiervan is nog niet wetenschappelijk vastgesteld, maar het
vermoeden is dat dit te maken heeft
met psychogene factoren (prestatiegerichtheid, verandering van
rolpatronen binnen de relatie).
Secundaire emotionele gevolgen van hersenletsel:
* Bezorgdheid / angst: komt voort uit het bewustzijn dat er in het denken en
doen iets veranderd is of
doordat de patiënt het gevoel heeft geen controle meer te hebben over
het eigen leven. Dit kan leiden tot
gevoelens van verwarring en angst die zich intern afspeelt. Er kunnen
zich veel verschillende soorten
angsten openbaren: angst om alleen over te blijven, angst voor
herhaling, angst voor verdere achteruitgang
etc.
* Achterdocht / paranoia: dit kan veroorzaakt worden door gevoelens van
waardeloosheid en de angst
om afgewezen te worden doordat dingen niet meer zo lukken als vroeger
en door gebrek aan zelfinzicht.
Achterdocht kan ook ontstaan op vlakken waarover de patiënt bezorgd is
(financieel, seksueel etc.).
* Afhankelijkheid: Er zijn verschillende vormen van afhankelijkheid à lichamelijk, financieel, emotioneel.
Afhankelijkheidsrelaties met de verzorger kunnen zorgen voor
instandhouding van deze afhankelijkheid en
versterking hiervan.
* Depressie: de emotionele problemen en de problemen in de psychosociale
aanpassingen vormen de basis
van een depressie. Een depressie kan andere problemen weer verergeren
Als laatste is de complicatie decubitus te noemen, die vooral voor kan komen bij
CVA-patiënten die grote lichamelijke beperkingen hebben. Zij liggen een groot deel van de
dag in bed of zitten lang in een stoel en kunnen hun houding moeilijk zelf veranderen.
Onder decubitus wordt elke degeneratieve verandering verstaan die veroorzaakt wordt onder
invloed van de op weefsels inwerkende druk- en schuifkrachten. Of de intensiteit en de
duur van deze krachten zal leiden tot decubitus, wordt beïnvloed door de
weefseltolerantie. Er zijn 4 stadia waarin decubitus kan voorkomen:
- Wegdrukbare roodheid à nadat de druk van de huid is,
neemt de doorbloeding van het gebied sterk toe, om het tekort aan o.a. zuurstof weer op te
heffen. Er is nog geen sprake van decubitus.
- Niet-wegdrukbare roodheid (decubitus graad 1): cellen worden vernietigd door een tekort
aan zuurstof en voedingsstoffen en een overschot aan afvalstoffen die niet afgevoerd
kunnen worden.
- Eczemateuze decubitus (decubitus graad 2): ontstekingsreactie met blaren / blaasjes.
- Excoriatieve decubitus (decubitus graad 3): de blaasjes gaan stuk of de huid laat los
van onderliggend weefsel en er kan necrose ontstaan. Er kunnen bacteriën binnen dringen
en zo ontstekingen veroorzaken.
- Diepe decubitus (decubitus graad 4): er ontstaat een diepe (ontstoken) wond met al of
niet een zwarte korst (necrose). De huid hieromheen is rood door een versterkte
doorbloeding.
Er zijn een aantal risicofactoren te noemen voor het ontstaan van decubitus:
Factoren die de drukkracht bepalen:
- Pathologie: de mate waarin de patiënt de pijnsignalen van zuurstoftekort ter
hoogte van het weefsel
waarneemt en hierop wil of kan reageren;
- Motivatie: mensen die gemotiveerd zijn om activiteiten te ondernemen, lopen een
kleinere kans op
decubitus;
- Medicatie: pijnstillers en slaapmiddelen kunnen een verlaging van het pijngevoel
veroorzaken en zorgen
voor een verminderde mobiliteit.
- Medische / verpleegkundige interventie: hieronder valt onder andere binnen welke
tijd de diagnose
decubitus wordt gesteld en hoe snel er een vorm van preventie wordt
toegepast.
- Onderlaag: een harde onderlaag brengt een groter risico met zich mee.
Factoren die de schuifkracht bepalen:
- Houding: de wijze waarop de patiënt zit (recht of onderuitgezakt) en de manier
waarop de patiënt zich
verplaatst / verplaatst wordt (tillen of schuiven).
- Onderlaag: hoe soepeler het materiaal, hoe beter.
- Incontinentie / verweking van de huid: de huid wordt vochtig, waardoor een grotere
wrijving ontstaat
tussen de huid en het laken.
- Wrijving: het continu wrijven van de huid over een oppervlak.
Factoren die de weefseltolerantie bepalen:
- De drukspreidende capaciteit van het weefsel wordt bepaald door de weefselmassa
(veel weefsel à
grotere capaciteit), de leeftijd (de capaciteit daalt met de leeftijd),
de inname van vocht (door uitdroging
neemt de elasticiteit van de huid af), inname van corticosteroïden en
mogelijk door inname van vitamine C
(vormt collageen en houdt het in stand) en de aanwezigheid van stress.
- De zuurstoftoevoer en behoefte wordt bepaald door de temperatuur (verhoogde
zuurstofbehoefte bij
koorts), medicatie, de inname van voedingsstoffen, roken (leidt tot een
verminderde doorbloeding) en de
aanwezigheid van bepaalde aandoeningen.
Decubitus kan in veel situaties vookomen worden. Kijk voor meer informatie op: www.futurecreations.nl/decubitus
Over de wondverzorging bij decubitus bestaan nog geen duidelijke afspraken. Er zijn een
aantal richtlijnen die gehanteerd kunnen worden, maar de wondverzorging wordt per
instelling anders gedaan.
Prognose
In de eerste dagen na een CVA overlijdt ca. 20% van de patiënten.
Eenderde van de slachtoffers overlijdt binnen een jaar aan een beroerte, degenen die
blijven leven kampen vaak met zowel lichamelijke als geestelijke problemen. De gevolgen
van een hersenbloeding kunnen gelijk zijn aan die van een herseninfarct.
20% van de patiënten krijgt binnen een jaar weer een CVA.
Bij 25% van de patiënten leidt een CVA tot ernstige hulpbehoevendheid. Van de
overlevende patiënten kan 75% na 6 maanden lopen, maar minder dan de helft heeft dan een
bruikbare armfunctie. Een prognose van geestelijke beperkingen is moeilijk te geven, omdat
het geestelijk functioneren moeilijker is te meten dan lichamelijke beperkingen.
Uit onderzoek is gebleken dat het systematisch handelen van patiënten in een
zogenaamde stroke unit leidt tot een afname van het aantal overledenen en
waarschijnlijk ook van het aantal CVA-patienten.
Na verblijf in het ziekenhuis gaat ruim 60% weer naar huis en 6% wordt ontslagen naar
een verpleeghuis in verband met ernstige hulpbehoevendheid.
Als lichamelijke en / of geestelijke revalidatie zinvol wordt geacht, geldt over het
algemeen: hoe eerder men begint, hoe beter. In het eerste halfjaar is het meeste herstel
mogelijk. Na zon twee jaar is er weinig verbetering meer merkbaar, maar kan een
patiënt wel beter leren omgaan met de overgebleven beperkingen.
Revalidatie-prognose: de voorspelling hoe de eindsituatie van de hemiplegiepatiënt zal
uitpakken. Dit is van een aantal factoren afhankelijk:
- De gecompliceerdheid van het neurologisch beeld;
- Het neurologisch herstel: is het grootst in het half jaar na de CVA en individueel
afhankelijk. Bij elke
patiënt is sprake van enige vorm van herstel;
- Verdere medische problematiek: beperking van het lichamelijk arbeidsvermogen door
verhoogde
spierspanning, stoornissen in hart / longen, overgewicht. Ook dementie
heeft invloed op de prognose
(cognitieve mogelijkheden worden hierdoor beperkt).
- Levensverwachting: bij het toenemen van de leeftijd zullen het aantal
complicerende factoren toenemen;
- De sociale omstandigheden: het betrekken van de partner en familie bij de
revalidatie is van groot belang
en vaak van doorslaggevende betekenis voor het al of niet slagen
hiervan;
- De motivatie van de patiënt: een goede gemotiveerdheid is essentieel voor
revalidatie.
Preventie
Primaire preventie: opsporing en beïnvloeding van risicofactoren ter voorkoming
van een CVA.
* Wetenschappelijk is bewezen dat de kans op het krijgen van een CVA positief
beïnvloed kan worden
door bepaalde aspecten van de levensstijl aan te passen: stoppen met
roken, weinig (matig) alcohol
drinken en niet teveel, te vet of te zoet eten. Van het nemen van
voldoende lichaamsbeweging en het
bestrijden van overgewicht is dit nog niet bewezen.
* Door op indicatie de bloeddruk te laten controleren (hypertensie is namelijk de
belangrijkste risicofactor)
en het cholesterolgehalte van het bloed laten bepalen kan tijdig
bepaald worden of medische behandeling /
aanpassing van de levensstijl wenselijk is. De voordelen van
behandeling wegen ruimschoots op tegen
(eventuele) nadelen, zolang de begeleiding, behandeling en instructie
zorgvuldig gebeurt.
* Door aspirine of antistollingsmedicijnen kan het bloed dunner (minder stolbaar)
gemaakt worden. Er is
echter nog niet wetenschappelijk bewezen of aspirine als vorm van
preventie werkzaam is bij een CVA.
De onderzoeken daarnaar zijn nog niet afgerond. Tot die tijd wordt het
gebruik van aspirine bij gezonde
mensen als bescherming tegen een CVA afgeraden.
* Als de halsslagader vernauwd is, kan in een beperkt aantal gevallen een operatie
aan deze slagader de
kans op een beroerte verminderen.
* Door opsporing en behandeling van hartritmestoornissen of andere afwijkingen kan
de kans op een
beroerte verkleind worden.
* Er wordt verondersteld dat een goede regulering van de bloedsuiker bij patiënten
met diabetes een
positieve invloed kan hebben.
Secundaire preventie: het optreden van andere dan complicaties in de hersenen
wordt tegengegaan.
* Allereerst is het moeilijk voor deskundigen om de diagnose TIA te stellen. Vaak
wordt de diagnose
gesteld door meerdere onafhankelijke artsen. Zodra de diagnose is
gesteld, wordt er onderzoek gedaan
naar behandelbare oorzaken en risicofactoren. Het risico op een CVA na
een TIA wordt verminderd
door behandeling met acetylsalicylzuur in doses onder 38mg. Ticlopidine
werkt even goed, maar is
duurder en kan in sommige gevallen ergere bijwerkingen hebben. De
gedachte achter medicamenteuze
behandeling is dat het bloed minder snel zal stollen, waardoor de kans
kleiner is dat een bloedstolsel
(elders in het lichaam ontstaan) zorgt voor een (hersen)infarct.
* Bij een vernauwing van de halsslagader van meer dan 70%, veroorzaakt door stenose,
heeft operatieve
ingreep goed resultaat.
* Extracraniele-intracraniele (EC-IC) bypass: onderzoek heeft aangetoond dat het
aanleggen van een shunt
tussen de halsslagader en hersenslagader geen enkel nuttig effect
heeft. Daarom wordt deze vorm van
secundaire preventie nauwelijks meer uitgevoerd.
* De toediening van acetylsalicylzuur heeft bij 13% van de patiënten een positieve
invloed.
Tertiaire preventie: de gezondheidssituatie bij een patiënt met een CVA
optimaliseren, binnen de mogelijkheden en met de beperkingen die zijn ontstaan ten gevolge
van de CVA. (zie: behandeling) |