Actus purus ­ voleindigde werkelijkheid

adequaat ­ precies (aan iets) beantwoordend

adhaerere Deo ­ God aanhangen

adhaesio Dei ­ hangen aan God

alienum ­ het andere, vreemde

altum silentium ­ diep zwijgen

amor mysticus ­ mystieke liefde

analogisch ­ door pure gelijkenis met iets corresponderend

analytische - synthetische eenheid ­ eenheid, die vele voorstellingen samenvat of bevat

analytische - synthetische oordelen ­ oordelen, welker predikaat slechts de verduidelijking is van datgene wat in het subjectbegrip reeds noodzakelijk aan gedachten ligt opgesloten, ­ oordelen, waarin het predikaat iets toevoegt aan datgene wat in het subjectbegrip aan gedachten ligt opgesloten

anamnesis ­ herinnering

An-atman-leer ­ leer, dat de ziel geen zelfstandig en bestendig ik is

animisme ­ leer, dat religie is ontstaan uit het geloof aan dodengeesten

annihilatio ­ vernietiging

antaryamin ­ innerlijke bestuurder

anyad ­ alienum, Sanskriet

apaitheîsthai ­ door bidden afwenden

apathes ­ hartstochtloos

apatheia ­ hartstochtloosheid

apophthegmata ton pateron ­ uitspraken der vaders

apologetiek ­ verdedigingskunst der religie

apotrepein ­ afwenden

apperceptie ­ waarneming

arreton ­ onuitsprekelijk, wat door geen woord gevat wordt, onbepaalbaar

ascese ­ kastijding, onthouding

augustus ­ doorluchtig, verheven, eerbiedwaardig

 

Bathea toy sataná ­ de diepten van Satan

bodhi ­ heilskennis, Sanskriet

Brahma ­ hoge godsnaam in India


Caligo ­ donkerheid

categorie ­ opperste begrip, denkvorm

categorie a-priori ­ denkvorm, die aan alle ervaring (= mathematische natuurwetenschap) voorafgaat, deze vormt en haar voorwaarde is

causa prima ­ (eerste oorzaak) = de godheid

causae secundae ­ natuurlijke oorzaken, in onderscheiding van causa prima

certitudo salutis ­ heilszekerheid

character ­ wezensstempel

christologie ­ leer over de persoon van Christus

communie-methoden ­ praktijken om zich het goddelijke substantieel toe te eigenen

complex ­ samengesteld

confidere ­ vertrouwen

conformen esse verbo ­ het woord gelijkvormig zijn

contactus ­ aanraking

 

Daimonion ­ het demonische

de adhaerendo Deo ­ over het hangen aan God

de amore Dei quod efficax sit ­ dat liefde tot God werkzaam is

de gustibus non est disputandum over de smaak valt niet te twisten

deinos ­ ontzettend

demonisme ­ geloof aan demonen

de servo arbitrio ­ over de onvrije wil

deus ipse ut est in sua natura et majestate ­ God, gelijk Hij in zijn wezen en in zijn majesteit is

deus vivus ­ de levende God

Deutero-Jesaja ­ onbekende profeet, van wie de tweede helft van het boek Jesaja afkomstig is = Tweede Jesaja

dirus ­ huiveringwekkend

discursief ­ in het denken van het een op het andere overgaande, stuk voor stuk verbindend, tegenstelling met aanschouwing

divina majestas, metuenda voluntas ­ goddelijke majesteit, te vrezen wil

ductus ­ schriftlijn .

Durga ­ machtige Indiase/Bengaalse godin

dysteleogie ­ ondoelmatigheid

 

Efflavia = suspiria

ellampatio ­ uitstraling

Elohim ­ Hebreeuwse godsnaam

El Schaddaj, Eljon ­ Hebreeuwse godsnaam

enthusiazesthai ­ vol zijn van God

entiteit ­ wezen

epekeina­ aan gene zijde van en boven alle Zijn

epigenesis ­ tegendeel van praeformatio; deze neemt aan, dat de eigen schappen van het zich ontwikkelende wezen in kiem zijn gevormd; epigenesis, dat ze eerst later te voorschijn komen en optreden

eros ­ seksuele liefde, verder geestelijke liefde tot het schone, en tot de wereld der ideeën en idealen bij Plato

ethisering ­ zedelijke inhoud geven

ethos ­ zedelijkheid

eufemeisthai, eufemia ­ zwijgen, om elk woord dat een slecht voorteken kan zijn, te vermijden

evolutionisme ­ leer, dat alles door graduele ontwikkeling uit elkaar is ontstaan

exegetisch ­ betrekking hebbende op de bijbelverklaring

exlex ­ aan geen wet gebonden

 

Facies Dei revelata ­ het onthulde aangezicht van God

fetisjisme ­ fetisj-aanbidding

fides ­ geloof

fiducia ­ vertrouwen

fôs ­ licht

Generatio aequivoca ­ leer van het zogenaamde 'vanzelf' ontstaan der levende wezens

gnostiek ­ z.g. vroegchristelijke dwaalleer; de diepere kennis aangaande de godsdienstige waarheden

gnostici ­ theosofen in de 2e-5e eeuw na Chr., die door middel van kosmogonische (beschrijving van de schepping, van het ontstaan van het heelal) bespiegelingen en oosterse mythen een diepere verklaring van de godsdienstige waarheden en het wezen der dingen probeerden te geven

gratia ­ genade


Halleluja ­ 'looft Jahweh!'

hagios ­ heilig

heimarmenè ­ noodlot

henosis ­ wezensvereniging met het goddelijke = de tweede kant van de mystiek

hesychia ­ toestand van diepe zielerust in de mystiek

heterogonie ­ te voorschijn brengen van hetgeen te voren in aanleg niet aanwezig is = bijzondere vorm van epigenesis

heteronoom ­ onderworpen aan vreemde wetten; tegenstelling met autonoom onderworpen aan eigen wetten

humanisering ­ vermenselijking


Identificatie ­ vereenzelviging

ideogram ­ verklarend teken

immobilis ­ onbewogen

imputatieleer ­ leer van de toegerekende gerechtigheid van Christus

in actu ­ in verwerkelijking

incarnatus ­ vlees geworden

incomprehensibilitas ­ onbegrijpelijkheid

indefinibel ­ wat betekenis betreft onbepaalbaar

indifferentie ­ ononderscheidenheid

ineffabile ­ onuitsprekelijk, niet zuiver te omschrijven

in metuendis mirabilibus et iudiciis suis tncomprehensibilibus ­ in zijn verschrikkelijke wonderen en onbegrijpelijke gerichten

ira deorum ­ toom der goden

lsvara­ De Heer, Sanskriet


Jahweh ­ naam van Israëls stamgod; later verkeerd uitgesproken als Jehova

Jnana ­ heilskennis, Sanskriet


Kadosj ­ sanctus en sacer tegelijk

Kahin ­ ziener

Kaivalyam ­ Indiase uitdrukking voor de toestand van gelukzaligheid aan gene zijde
kalligrafie ­ schoonschriftkunst
Krishna ­ Indiase menselijke belichaming van de Godheid
kyrieleis ­ 'Heer, erbarm U!'

Logion ­ uitspraak, die goddelijke autoriteit bezit


Magie ­ tovernarij

mandala ­ magische beeldenkring voor contemplatieve doeleinden

mania ­ heilige razernij

mastaba ­ grote Egyptische grafgebouwen

megalietenperiode ­ tijd van reusachtige stenen monumenten in de kunst

menei hè orgè ­ de toorn blijft

miraculum ­ wonder

mirae speculationes ­ zeldzame speculaties

mobilitas Dei ­ bewogenheid Gods

moderni, theologi moderni ­ middeleeuwse theologen, die de wijsbegeerte van Aristoteles in de kerkelijke leer invoerden

Moksha ­ verlossing, bevrijding

monstra ­ monsters, gedrochten

mysteriis suis et iudiciis impervestigabilis ­ in zijn geheimenissen en gerichten onnaspeurbaar

mystiek ­ het deelhebben aan het bovenzinnelijke en goddelijke, niet door de zintuiglijke ervaring of het denken, maar door een
eigenaardige innerlijke ervaring (vergelijk henosis)

mysterion tes anomias ­ geheimenis der boosheid

mysticisme ­ eenzijdige overgave aan mystiek


Naturalistische psychologie ­ poging om de ziel uit lagere processen te verklaren

nemo audit verbum nisi spiritu intus docente ­ niemand verstaat het woord, die niet innerlijk door de Geest wordt onderwezen

Nirvana ­ uiteindelijke gelukzaligheid voor de boeddhist

nominalisme ­ scholastieke leer, dat de algemene begrippen buiten het denken geen eigen bestaan hebben; tegenstelling tot realisme

numen ­ bovennatuurlijke wezen nog zonder precieze voorstelling

numen praesens ­ numen, dat aanwezig is

numineus


Objectivatie ­ iets subjectiefs als object buiten zich stellen

occasionalisten ­ filosofische leer, volgens welke de afzonderlijke oorzaken slechts toevalligheden, aanleidingen zijn, terwijl de ware oorzaak God is

oecumene ­ beschaafde wereld (= het Grieks-Romeinse wereldrijk)

omnipotentia Dei ­ almacht Gods

ordo salutis ­ heilsorde

orenda ­ uit de indianenmythologie: magische macht

orgè theôu ­ toorn Gods

Ormuzd ­ Perzische godennaam


Panthelisme ­ een beschouwing, dat alles, ook de levenloze dingen, wilskracht bezitten

pathè ­ hartstochten

personalistisch ­ nadruk leggend op het persoonlijke

pithekanthropos ­ aapmens

pitri ­ als goddelijk vereerde voorvaderen

pneumatisch ­ geestelijk, vervuld van de geest

pneuma ­ geest

polydemonisme ­ geloof aan veelheid van demonen

popule meus ­ 'mijn volk!'

portentum ­ wonderbare gebeurtenissen en dingen

postulaat ­ veronderstelling

potentialiteit ­ mogelijkheid

potentie ­ actus - mogelijkheid, aanleg - werkelijkheid, verwerkelijking

pragmatistisch ­ pragmatisme: filosofische richting, die het doelmatige tot kenteken van het ware maakt

prasada ­ genade, Sanskriet

predestinatio ambigua ­ voorbeschikking tot verdoemenis of tot eeuwig heil

predeterminatie ­ voorbeschikking

predicibel ­ wat zich zeggen laat

primitieven ­ oervolken, schriftlozen

prodigium ­ = portentum

promissio ­ belofte

psilos anthropos ­ slechts mens


Quale ­ het 'hoe', de hoedanigheid

quanti ponderis sit peccatum ­ hoe zwaar het gewicht der zonde is


Rationeel ­ irrationeel ­ door begripsmatig denken te vatten ­ niet te vatten

rationalisme (in de godsdienst) - het benaderen van het goddelijke door begrip en bewijs

reale ­ het werkelijke

relatief ­ absoluut ­ betrekkelijk en voorwaardelijk ­ betrekkingloos en onvoorwaardelijk; het absolute = het volkomene

remissio peccatorum ­ vergeving van zonden


Sacer = numineus

sacrosanctus ­ hoog-heilig, wat niet mag worden aangeraakt

sanctus ­ heilig

schema ­ het na-elkaar in de tijd is een schema voor de oorzakelijke verhouding; het ene wijst dan noodzakelijk naar het andere en het
andere is noodzakelijke met het ene verbonden

schematisering ­ een schema voor iets vinden en het er mee verbinden

scholastiek ­ filosofische hoofdrichting in de middeleeuwen

sebastos ­ majesteitelijk, eerwaardig

sebesthai ­ met vreze vereren

sela ­ muziekteken Hebreeuws

semnos ­ eerbiedige vreze inboezemend

sensualisme ­ filosofische leer, dat alle kennis slechts uit zintuiglijke waarneming is af te leiden

sicut annulus gemmam ­ gelijk de ring de steen

simile ­ dissimile ­ gelijk - ongelijk

Siva ­ Indiase godennaam

sjamanistisch ­ sjamanisme: een van de ruwe oervormen van de religie met bezetenheid en tovenarij

solemne ­ plechtig

scandalon ­ ergernis

speculum aeterni patris ­ een spiegel van de eeuwige Vader

spiritus sanctus in corde ­ de heilige Geest in het hart

sui generis ­ van eigen soort

summa injuria ­ grootste onrecht

superrationeel ­ boven het redelijk vermogen uitreikend

supranaturalisme ­ leer , dat de godheid het natuurlijk verloop van de
dingen door plotseling ingrijpen doorbreekt

syncope ­ toonreeks, die het gewone ritme onderbreekt

synderesis ­ de goddelijke vonk in de mens

synthetisch predikaat ­ vergelijk: 'analytisch'


Tabernakel ­ kastje, dat iets heiligs bijvoorbeeld de hostie bewaart

tabula rasa ­ onbeschreven tafel (blad)

Tantrisme ­ een Indiase godsdienstige geestesrichting

Tao ­ het goddelijk Absolute in de Chinese speculatie

teleologie ­ filosofische leer, dat in de wereld alles doelgericht gebeurt

telos ­ doel

terminus technicus ­ vakterm

testimonium spiritus sancti internum ­ de inwendige getuigenis van de Heilige Geest

thateron ­ alienum (het andere, vreemde)

thambos ­ verbazing

theîon ­ het goddelijke

theïstisch ­ theïsme: het aannemen van een persoonlijk bovenwereldlijke God, die door zijn wil op de wereld inwerkt

theopantisme ­ leer, dat God alles is en alles in zich begrijpt

theosofie ­ poging om met fantastische middelen een wetenschap van God en het goddelijke te vormen

totemisme ­ begrip uit de primitieve mythologie

traditie ­ overlevering

transformisme transubstantiatieleer, leer van de wezensverandering

transcendent ­ boven alle ervaring (= mathematische natuurwetenschap) uitreikend

transcendentale apperceptie ­ de opvatting van zichzelf als een ik

Trisagion: hagios ho theos, hagios ischyros, hagios athanatos = sanctus deus, sanctus fortis, sanctus immortalis ­ het driemaal heilig: heilig is God, heilig de Sterke, heilig de Onsterfelijke

Tu solus sanctus ­ 'Gij zijt alleen heilig'


Ubi ipsi visum tuit ­ waar hij wil

ubi nihil vales, ibi nihil velis ­ waar gij niets kunt, wil daar ook niets!


Verbo conformis ­ aan het Woord gelijkvormig

via eminentiae et causalitatis ­ de weg, om door sterkste superlatieven en het vaststellen van oorzaken aanduidingen van de godheid te vinden

via negationis ­ de weg, om door ontkenningen aanduidingen van de godheid te vinden

via religiosa ­ religieus levensgedrag in intense en vaste vormen

Vishnu ­ hoge godennaam in Indië

viva vox ­ levend woord

voluntarisme ­ filosofische leer volgens welke de wil het voornaamste bestanddeel der ziel is


Zoè ­ het leven

 

© 2002 Abraxas Publications, Amsterdam

 

 Daniël Mok: Een wijze uit het westen; beschouwingen over Rudolf Otto en het heilige  Rudolf Otto: Het heilige; over het onberedenaarbare aspect in de religieuze ervaring en de relatie daarvan met het redelijke  Rudolf Otto: Indiase genadereligie en het christendom  William James: Vormen van de religieuze ervaring; een onderzoek naar het wezen van de mens