'Heilig is wat geheiligd wordt en God troont op de gezangen van de mensen.'
(Frans Kellendonk: Grote woorden, 1988)

He is a wise man who regards all parts from the point of view of the whole.

 

Groenewegen, H. IJ., Nieuw Theologisch Tijdschrift 6 (1917): 225.

[Het Nieuw Theologisch Tijdschrift is verschenen in de jaren 1912-1946 en was een uitgave van Tjeenk Willink, Haarlem; NTT was de voortzetting van: Teyler's theologisch tijdschrift.]

(Bewerking: D.M., zomer 2000)

Rudolf Otto 1936Het Heilige

Zelden verscheen er een studie op het gebied van de godsdienstfilosofie dat met meer belangstelling, instemming en bewondering ontvangen is dan het boek van de Breslause hoogleraar Rudolf Otto.

Ik geloof niet dat een van de godsdienstfilosofen duidelijker dan Rudolf Otto heeft ingezien, waarin tot nu toe de godsdienstpsychologie te kort is geschoten en op welke wijze deze psychologie moest worden aangevuld. Otto laat zich kennen als een denker met een zeer heldere kijk op zijn vakgebied en een die met vaste tred zijn weg gaat, ervan overtuigd dat hij inderdaad verder komt en de godsdienstwetenschap verder helpt. Dat maakt zijn boek vernieuwend en inspirerend. Das Heilige heeft de prikkelende bekoring van het nieuwe en het heeft toch de rust van het diepe, heldere inzicht. Otto kent de wereld van religieuze verschijnselen als geen ander en beheerst zijn vak volkomen. Zijn gevoelige geest dringt met scherpe blik door tot het daarachter liggende gevoelsleven, de wereld van het universeel menselijke, van de stemmingen, ontroeringen en de roerselen van het hart, oftewel de plekken waar de 'uitgangen van het leven' zich bevinden. Wat totnutoe slechts in algemene zin beschreven en beschouwd is, ontleedt hij met voorzichtige maar vaste hand. Hij beschrijft en typeert en geeft het een naam. Geen zweverige, vervloeiende begrippen van vage en soms als verward ervaren bewustzijnsverschijnselen maar duidelijke onderscheidingen van onderkende elementen en factoren van het ene, maar veelzijdige en veelkleurig-harmonisch leven van 'in God zijn'. Hij neemt daarbij geen blad voor de mond maar zegt recht voor zijn raap waar het op staat.
Het tere, maar ook zo sterke leven, dat in de categorie van het heilige wordt samengevat, wordt niet alleen beschouwt en ontleedt maar geeft ook uiting aan mededogen en medeleven en op doorleefde wijze schrijft hij bladzij na bladzij zowel treffend door schoonheid als door waarheid. Hij is geen koele waarnemer en onderzoeker, maar een denker die bij zichzelf te rade durft te gaan om te doorgronden wat er in zijn eigen gevoelsleven leeft. Een werkwijze die wellicht een dieper en scherper wijsgerig inzicht oplevert en in ieder geval, meer dan louter historische feitenkennis, de sleutel is tot de diepere vragen op dit gebied.

Toch is er geen sprake van religieuze ontboezemingen en uitweidingen in nevelige filosofische terminologie; het is wetenschap die verschijnselen onderscheidt en hun oorzakelijke verbanden naspeurt en die vanuit een helder inzicht in het menselijke gevoelsleven (zieleleven) de innerlijke samenhang van de historische gegevens verklaart en er menigmaal een nieuw en verrassend licht op werpt.
Das Heilige, dit rijke boek, is een grote aanwinst voor de godsdienstwetenschap. Ik wil proberen dit nader te verklaren en met enkele kritische opmerkingen de waarde van deze nieuwe psychologische analyse aan te tonen.

Het uitgangspunt
Onze theologie gaat mank aan een rationalistische eenzijdigheid. Dit schuilt niet in het godsbegrip van het christendom en dat de godgeleerdheid doordrenkt. Want alle 'hogere' godsdiensten zijn in die zin rationeel, dat zij wat God betreft duidelijke en vastgestelde begrippen hanteren en niet slechts religieuze gevoelens stimuleren, maar in de eigenschappen, die zij het Opperwezen toekennen, het godsdienstig bewustzijn een gedachteninhoud geven. De rijkdom, diepte en duidelijkheid van het denken over God is zelfs een maatstaf voor de 'gevorderdheid' van een godsdienst. Evenmin ligt dat rationalisme, zoals de rechtzinnigen beweren, in de verwerping van het supranaturalisme, de ontkenning van het wonder, gezien als een mogelijkheid dat God de oorzakelijke verbanden in het wereldproces opheft. De handhaving van het wondergeloof en het oude supranaturalisme zijn zelf een soort rationalisme, dat als reactie een andersoortig rationalisme in het leven heeft geroepen. Het verschil tussen rationeel en irrationeel (deze laatste term moet bij Otto gelezen worden zonder de negatieve bijklank 'onredelijk', die de verklaring van dit woord vaak met zich meedraagt) geloven en denken is niet kwantitatief maar kwalitatief. Het hangt er vanaf of ons godsdienstig leven en denken een overwegend intellectueel of gevoelsmatig karakter draagt, of, zoals Otto het zegt, het rationele het irrationele in het godsidee overheerst en zelfs uitsluit, of omgekeerd.
Nu moeten we oppassen met de tegenstelling rationeel - irrationeel. Dit laatste woord heeft een dubbele betekenis. Hier wordt niet het 'onlogische' bedoeld maar datgene wat buiten de denkkaders valt: het ausser-rationale.

Welnu, onze rationele eenzijdigheid bestaat hieruit, dat wij in ons denken en spreken vanuit de godsdienst en over de godsdienst doen alsof het godsidee in de redelijke eigenschappen ('predicaten') van een godsbegrip opgaat. Dan wordt er aan voorbijgezien, dat alle eigenschappen die wij de godheid toekennen door kunstmatig denken worden toegevoegd aan het godsidee dat zelf door een heel ander denkproces is ontstaan en op totaal andere wijze begrepen moet worden. Want, zegt Otto terecht, zij moet op enigerlei wijze begrijpbaar zijn, anders kan er niet over gesproken worden. En dat bedoelt zelfs de mystiek niet als zij God het urrhton noemt, want dan zou zij zelf bestaan in zwijgen. En juist de mystiek is meestal zeer spraakzaam geweest.

Het eenzijdig rationaliseren van het godsidee beheerst de godsdienstfilosofie. Er wordt altijd gezocht naar godsdienstige voorstellingen en begrippen en de godsdienstgeschiedenis wordt vooral neergezet als een ontwikkelingsproces van religieuze denkbeelden. Men verklaart mythen, symbolen en cultische handelingen door ze tot gedachten te herleiden. De oorsprong van religie wordt gezocht door een beeld te construeren van primitieve voorstellingen, die ook in de algemene sfeer van het menselijke voorstellingsvermogen en denken voorkomen. Er is geen ruimte voor het specifiek religieuze dat ook in de primitiefste religie te vinden is. Niet zonder humor zegt Otto: ...waarlijk, het oog van de vijand ziet hier scherper dan dat van menige vriend of neutrale waarnemer. De vijand van de godsdienst weet zeer goed, dat al dit 'mystiek gedoe' niets met de rede te maken heeft. Daar ligt een heilzame waarschuwing in om te bedenken, dat wij de godsdienst nog niet kennen als wij slechts zijn rationele uitingen verstaan. Het specifiek religieuze is een bewustzijnsgebied dat daarachter en dieper ligt.
Dat gebied heeft de godsdienst zelf aangeduid met de naam van het Heilige. Het is een grondbegrip van waardeoordelen dat zeer gecompliceerd is en toch overal zijn eigen aard laat zien; dat op andere gebieden zijn invloed laat gelden, maar er niet uit af te leiden is; dat niet uit begrippen bestaat maar slechts gevoelsmatig te ervaren is en in die zin onuitspreekbaar is, en toch goed begrepen, d.w.z. in begrippen kan worden voorgesteld, en tevens ontleed kan worden. Maar al meteen wordt dit karakteristieke religieuze woord verkeerd begrepen. Het heilige wordt gezien als de naam van een begrip en men vraagt zich af welke historische gedachten er achter liggen die in die zin dan heilig kunnen worden genoemd. Vooral het morele, het volstrekt goede wordt op die manier onder het heilige begrepen. Maar nooit wordt het woord heilig gebruikt zonder de gedachte dat er meer en iets anders bestaat dan het begrip waarmee men het rationaliseerde om het dan als benaming te gebruiken. Het komt er nu op aan dat meerdere, dat andere, dat zich onmiddellijk als een gevoelskwestie, als een emotioneel verschijnsel laat zien, te isoleren. Het heeft een eigen karakter, is een gevoel sui generis en is zo primair en elementair, dat het niet te herleiden en te omschrijven is. Je kan het ook eigenlijk niet begrijpen zonder het te ervaren, niet vernemen, behalve door het te weeg te brengen. Om het een naam te geven, die iets van zijn specifiek-religieuze aard uitdrukt, stelt Otto voor om te spreken van het numineuze. Dat woord, gevormd naar het voorbeeld van omineus, lumineus is correct bedacht als aanduiding van de gevoelssfeer, die in elk religieus bewustzijn te vinden is en waarin alle godsdienstige voorstellingen ontstaan. Het heeft als maakwoord het voordeel, dat het geen geschiedenis heeft en dus een ondubbelzinnige uitdrukking is voor het gevoel dat ermee wordt aangeduidt.
Rudolf Otto vraagt van de lezer zich een moment van zeer levendig, krachtig, zelfs eenzijdig religieus gevoel voor de geest te halen. Wie dat niet kan, zegt hij terecht, kan geen godsdienstwetenschap beoefenen, net zo min als een kunsthistoricus zonder schoonheidsbeleving kan. De gelovige zal hierbij vooral momenten van sterk gevoeld vertrouwen, dankbaarheid, liefde en overgave op het oog hebben. Maar dat zijn gevoelstoestanden die, in afgezwakte vorm, ook in de profane sfeer worden ervaren. Wat is het gevoelselement dat er nu een eigen karakter, iets plechtigs (solemneels), feestelijks (feierlichs), aan geeft en het tot een nieuwe, diepere en hogere ontroering maakt?
Hier ontdekt Schleiermacher het onvoorwaardelijke afhankelijkheidsgevoel (schlechthinnige Abhängigkeitsgefühl). Maar, en hier geeft Otto een even genuanceerde als juiste kritiek: het typisch religieuze, het numineuze, is hier nog niet geraakt, slechts aangeduid door te verwijzen naar analoge gevoelens van onmacht en onderworpenheid die de mens ook op ander gebied ervaart. Schleiermacher beseft wel iets van een kwaliteitsverschil, want hij noemt het bijzondere (devote) afhankelijkheidsgevoel 'simpel gezegd' (schlechthinnig). (Het Duits Nederlands woordenboek Van Gelderen-Van Beckum vertaalt het met: zo maar, puur, zuiver; zonder meer. Voorbeeld: des schlechthinnigen Zweifels: van de twijfel alleen.) Maar door een analoog gevoel van betrekkelijk naar volstrekt te verheffen, verkrijgen we slechts een verschil in hoeveelheid, en het religieuze is niet slechts meer, maar iets anders dan het profane afhankelijkheidsgevoel. Dat hoort men onmiddellijk in uitingen als die van Abraham: 'Ik weet dat het een mens niet past zo vrij tot u te spreken.', of, om in de tijdgeest van Otto te blijven: 'Ik waag het te spreken tot de Heer, ik die stof en as ben (Genesis 18:27). Hier uit zich wat Otto een 'creatuurgevoel' noemt, het gevoel van wegzinken in nietigheid, niet alleen tegenover een absolute overmacht, maar tegenover zo'n soort onuitspsreekbare overmacht, tegenover zo'n gevoelsmatige reactie, dat die op rationele wijze niet te beschrijven is, die slechts in de bijzondere intonatie van de uiting is te verklaren. Otto spreekt in dit verband van een belijdend afhankelijkheidsgevoel.
Daarbij komt nog een andere fout aan het licht. Schleiermacher heeft slechts één moment het religieuze kleingevoel ontdekt. Het is volgens hem dus een bijzonder zelfgevoel en pas na een gevolgtrekking vindt men daarin het goddelijke, namelijk door er een oorzaak bij te denken. Maar net zo min als dit een specifiek religieus gevoel kan worden genoemd, is dat volstrekte afhankelijkheids- of creatuurgevoel het primaire gegeven van het godsdienstig bewustzijn. Het laat zich eerder zien als een begeleidend gevolg van die numineuze gemoedsstemming, waarin de godheid als aanwezig (numen als praessens) beleefd wordt.
(Vergelijk: 'Jij ziet jezelf als kwetsbaar, broos en makkelijk vernietigbaar, en overgeleverd aan de genade van talloze belagers die machtiger zijn dan jij. Laten we onomwonden kijken hoe deze dwaling is ontstaan, want hier ligt het zware anker begraven dat de angst voor God - onbeweeglijk en vast als een rots - op zijn plaats lijkt te houden.' ECIW T22.10:6-7)

Het numineuze
Het komt er nu op aan, dat numineuze nader te leren kennen door de gevoelsreflexen die het oproept en waarin het tot uiting komt en zich kenbaar maakt voor ieder die het gewaarworden (einfühlen) kan. De diepste emotie daarvan noemt Otto mysterium tremendum (
ijzingwekkend geheim). Als blijk van Otto's heldere kijk op de vele vormen, waarin hetzelfde gevoel kan optreden, en als mooie beschrijving het volgende citaat:

'Dit gevoel kan als een zachte stroom door het gemoed gaan in de vorm van de rustige, gedragen stemming van verzonkenzijn in devote aandacht. Het kan overgaan in duurzame zielsklank, die lang aanhoudt en natrilt tot zij uiteindelijk wegsterft en de ziel weer in het profane is. Het kan ook met krampachtige stoten plotseling uit de ziel doorbreken. Het kan voeren tot een vreemde opwinding, roes, verrukking en extase. Het kan wild en demonisch worden. Het kan geleidelijk omlaaggaan tot spookachtig vrezen en sidderen. Het heeft zijn ruwe, barbaarse eerste uitingen en laagste vormen, en het heeft zich ontwikkeld tot een teer, gelouterd, opgetogen gevoel. En het kan worden een stil, ootmoedig, zwijgend huiveren van het schepsel voor - ja waarvoor? Voor wat in onuitsprekelijke geheimenis boven alle schepselen is.
Mysterie betekent als begrip niets meer dan datgene waarbij je de ogen sluit, het verborgene, niet bekende, onbegrepene, onverstane, niet alledaagse, dat vreemd tegenover ons staat, zonder dat het zelf in eigen karakter nader door die zuiver negatieve termen gekenschetst wordt. Maar er wordt iets beslist positiefs mee bedoeld. Dat positieve beleef je in je gevoel. En die gevoelens kunnen wij ons voor de geest halen en verduidelijken, doordat wij ze tevens in ons laten opklinken.'

Nu beschrijft Otto dat positief kenmerkende in zijn twee onderdelen, het tremendum en het mysterium, en beide momenten weer in rijke nuancering. Ik kan slechts enkele kenmerken weergeven. Het mag dan het natuurlijke gevoel van vrees genoemd worden, omdat dat analoog is aan de hier bedoelde gevoelsreactie, het is zelfs iets volstrekt anders (das Ganz Andere, het woord ganz heeft zowel de betekenis 'ongeschonden' als [ge]heel) dan bang zijn. De 'heilige vreze' is een specifieke waarde toekennen aan hetgeen numineus wordt gevoeld. Het eigenlijk onvertaalbare woord Scheu (schuw, vreesachtig, bang, schichtig, schroom, angst, ontzag) alleen zegt niet genoeg, want het is hier een heel bijzondere Scheu. Zijn eerste, naïeve, ruwe vorm is het demonische, met zijn apocriefe uitloper, het spookachtige tremendum. Pas bij een hogere ontwikkelingsgraad wordt het puur religieuze daarvan begrepen. Maar zelfs dan kunnen nog die primitieve, grove aandoeningen optreden, die op gewone vrees lijken, en toch van het begin af aan door hun numineus karakter daarvan verschillen. Het is ook hier meer dan een verschil van intensiteit. De heftigste vrees kan zonder vorm van mysterium tremendum zijn, en het vluchtigste, amper gevoelde kan ons ermee vervullen.. Hier zien we weer hoe de psychologie met haar algemene en grove onderscheidingen niet kan volstaan, maar de genuanceerde kwalitatieve verschillen zal moeten onderzoeken om zo het echt religieuze in zijn veelzijdigheid te leren kennen.

Het tweede moment van het tremendum is het gevoel van majestas (verhevenheid, heiligheid), de indruk tegenover aan absolute Macht te staan, waarbij het schepsel zich van zijn kleinheid, ja nietigheid, in deemoed bewust wordt, d.w.z. het gevoel van het schepsel dat in zijn eigen 'Nichts' verzinkt en vergaat tegenover dat, wat boven alle creatuur uitgaat. Dat is het schlechthinnige van Schleiermacher's afhankelijkheidsgevoel. Maar hij heeft het dadelijk gerationaliseerd en er logisch het begrip van Gods alwerkzaamheid uit ontwikkeld, dat in het zuiver nietigheidsgevoel niet gegeven is en er pas door speculatief denken aan wordt verbonden. Het is niets anders en niets meer dan het dubbele gevoel: ik niets - Gij alles, dat in de mystiek, waar het creatuurgevoel zijn hoogste spanning bereikt, het diepst wordt verstaan als de unio mystica.

In het samengaan van beide begrippen, in het gevoel van tremenda majestas (geheime, huiveringwekkende majesteitelijkheid) ligt nog een derde elementair gevoel opgesloten: dat van de numineuze energie. Dat is de psychologische grond van de vage begrippen van 'de levende God', de goddelijke wil, Gods kracht, Gods 'bewogen' worden door ontferming, toorn, enz. Deze spirituele protesten tegen de filosofische God, zoals het speculatieve denken omgekeerd protesteert tegen deze leer die het menselijke tot de maat van alle dingen maakt (antropomorfisme). De filosofie ziet hier echter voorbij aan het geloof dat hier geen logische begrippen maar slechts 'ideogrammen' (beeldtekens) van emoties, gevoelssymbolen uitsprak, die nooit door het denken als grondslag van adequate kennis mogen worden gebruikt.

Het mysteriegevoel
Maar nu vraagt nog het tweede hoofdmoment, het mysteriegevoel zelf onze aandacht. In de analyse wordt ook dit specifiek religieuze gevoel slechts toegelicht door een analoge emotionele toestand uit de kring van het niet-numineuze er naast te stellen. Op stupor (met stomheid geslagen, spraakbelemmering) lijkt dit gevoel het meest. Het is het volkomen tegendeel van wat wij voelen in de sfeer van het gewone waarmee wij vertrouwd zijn. Hier staan wij tegenover iets dat 'volstrekt anders' is met een diepe bevreemding, die eerst stil maakt en zwijgend doet staren en ons langzamerhand met de huivering voor het ondoorgrondelijke vervult: das starre Staunen, das 'völlig auf den Mund' geschlagen sein, das absolute Befremden. Het mysterie is de geheimenis van het vreemde, het onverstaanbare, het onverklaarde. Maar al in zijn eenvoudigste vormen draagt dat gevoel in de numineuze sfeer toch zijn eigen karakter. Met de voorstelling van onzichtbare geestwezens in het animisme, d.w.z. het geloof dat alle natuurlijke verschijningsvormen - heuvels, bomen, rotsen en rivieren - een eigen geest bezitten, is de emotie niet begonnen. Omgekeerd, zegt Otto terecht, is dit een rationalisering, een poging om het raadsel dat in de ontroering wordt ervaren te verklaren, waardoor het gevoel zelf verzwakt wordt. Uit zo'n rationalisering komt niet de religie maar de rationalisering van de religie voort die, doorgevoerd in een systeem van mythen of leerstellingen, het religieus gevoel onderdrukken, tenslotte zelfs kan dooddrukken. Juist in het niet kenbare, voorstelbare noch doordenkbare leeft het mysteriegevoel. Met dien verstande alweer, dat het pas een religieus mysterie wordt niet door de beperking van ons kennen en denken, maar doordat het absoluut andersoortige van dit volstrekt ontoegankelijke gebied gevoeld wordt. Er is geen verschil in mate maar in soort tussen de gewone verstandsraadels en het goddelijk mysterie. Zuiver en scherp voelt Augustins dat aan in een zin, die Otto hier treffend citeert:
Wat is het, datgene wat in vlagen licht over mij komt en zonder mij te kwetsen mijn hart doorschiet? Huiveren doet het mij en ontvlammen: huiveren omdat ik er zoveel van verschil, ontvlammen omdat ik er zo op lijk (Belijdenissen XI-9).
Dit is het soort emotie die het niet-rationele numineuze aan het mysterie geeft. De indrukwekkende macht van de heiligheid Gods komt prachtig tot uitdrukking in een van de reien uit Vondels Lucifer:

Wie is het die zo hoog gezeten,
Zo diep in 't grondeloze licht,
Van tijd noch eeuwigheid gemeten,
Noch ronden, zonder tegenwicht,
Bij zich bestaat, geen steun van buiten
Ontleent maar op zich zelve rust.
......
Dat's God. Oneindig eeuwig Wezen...

Terzijde: In vervolg op deze opmerkingen van prof. dr. H. IJ. Groenewegen heeft Otto de Zang der engelen in latere drukken van Das Heilige opgenomen in het hoofdstuk Numineuze Hymnen: 'Inderdaad een zang, die misschien nog klankvoller zingt van hetgeen zich niet laat uitspreken.'

Wordt het mysterium enerzijds als tremendum, als een terugwijzing uit de sfeer van het heilige gevoeld, anderzijds is het aantrekkelijk, boeiend en meeslepend: het fascineert. Dat is de opmerkelijkste contrastharmonie van het numineuze, die in elke fase van godsdienstontwikkeling te vinden is. Het ootmoedigst ontzag dat in de vreze Gods wegzinkt, is tegelijk een oneindig verlangen, één met God te willen zijn, dat tot een Dionysische (uitbundige) gevoelsweelde stijgen kan. Een reeks rationele voorstellingen van Gods hulp, goedheid, liefde, genade drukken in haar voller wordende klank reeds uit dat zij parallel lopen aan al voller gevoelens van vertrouwen, vertroosting, geluk en oneindige dank. Zoals ook omgekeerd de gedachte van Gods toorn de rationele uitbeelding is van gevoelens van verwijdering, verworpen zijn, ellendig zijn. Het zijn de twee polen van het religieus bewustzijn. In de gewone religie is de een niet zonder de andere. Hier kunnen de eenzijdig georiënteerde gelovigen leren hoe psychologisch onjuist het is wat men van elkaar overschrijft ten gevolge van rationalisering en theologisering, dat de staat van hoogste geluk alleen door het dal van ongeluk heen te bereiken is. Het een is geen voorwaarde van het andere, en geen 'innerlijke breuke' is de weg tot de volheid van de genade. Wie het heilige nog niet ervaart, heeft breuk noch genade. Wie in die zin God beleeft, heeft ze beide. Dieper wetenschappelijk inzicht kan ons genezen van vertheologiseerde religie, zowel van de ethische als van de rationele soort.

Maar het heldere inzicht dat godsdienst slechts ten dele een noodgevoel is, en hulp, verzoening, verlossing zoekt, dat het altijd ook, onafhankelijk daarvan en even krachtig als bewust godsgeluk is, een God zoeken, niet voor onszelf maar voor Hem, werpt een nieuw licht op de tweezijdigheid van alle cultus (aanbidding). Al in de eerste magische vormen, waarin de mens zich òf door bezweringen, wijdingen, enz., één maakt met het numen òf sjamanistisch zich laat vervullen, in bezitnemen, in extase brengen door het numen, ontdekken wij nu iets van echt numineus gevoel. De magie past er de praktijken van toe voor buitenreligieuze doeleinden. Maar zodra het om zichzelf wordt gezocht, bij toenemende zuiverheid en diepte, of het dan door ascese, door cultische handelingen of op andere wijze gezocht wordt, de gelukkige uitkomst wordt ervaren als een geheimenisvolle staat van hoogste geluk, God in ons en wij in God. Alle kennis van 'hemelse waar' zijn slechts niet tot het wezen doordringende gedachten van wat het verstand er van kan begrijpen. Het numineuze zelf blijkt aan 't eind van de ontwikkeling te zijn: 'vrede die alle verstand te boven gaat'.

Het betoverende
Dat is wat Otto het fascinosum van het numineuze noemt. Het leeft sterk in de bewuste dorst naar God en in het diepe gevoel 'ik heb God, dat is genoeg, - ik wens niets daarbuiten'. Maar het ontwaakt al in het plechtig ernstige van stil-devote geestelijke ontwikkeling tot het Heilige en het zou, in de christelijke cultuur, opgewekt en gevoeld dienen te worden in de blijde ernst en stille aandacht van de eredienst. Wordt het overvloedig (überschwänglich), dan wordt het een zwelgen in mystiek. Maar iets van die mystieke exaltatie is in alle diepe en zuivere religieuze ervaringen te vinden. Het is de innige ontroering van gelukzaligheid, die je in vervoering brengen kan, van ervaringen van genade, verlossing, wedergeboorte in christendom en boeddhisme. Zo lang men, ik zeg het met Otto, in de godsdienstwetenschap en de dogmatiek nog bezig is een geloof binnen de grenzen van het blote verstand (Religion innerhalb der grenzen der blossen Vernunft) te construeren, weet men er geen raad mee en wordt het als verkeerd beoordeeld. Otto vergelijkt het met het maken van een beschrijving van het lichaam, maar dan zonder hoofd. Tenzij men het specifiek religieuze geluk, het 'heilige' in onderscheiding èn van het rationele èn van de buitenreligieuze gevoelswaarden in alle bekeringsgetuigenissen aanwijst, is de levenskern niet gevonden. Dat fascinosum is in het christendom en in het boeddhisme anders tot uiting gekomen. Ik meen evenwel dat Otto ten onrechte daar een kwalitatief verschil zoekt; beide zijn in innerlijk karakter gelijk, alleen de begripsbeschrijvingen verschillen. Toen Otto een boeddhistische monnik vroeg wat het Nirvana was, antwoordde deze hem plechtig fluisterend: 'bliss-unspeakable'. Ik heb in diepe devotie, en met zacht stralend gelaat verzonken in de altaargeheimenis of in de tegenwoordigheid van de Christos en de heiligen dezelfde echt numineuze 'onuitsprekelijke gelukkige uitkomst' aanschouwd. En is de protestante 'onverdiende zaligheid', die men althans zingend zegt 'van God genoten te hebben' iets anders? [...]

Evolutie
De hele analyse van de complexe gevoelens van het Heilige heeft ons telkens tot het inzicht gebracht, dat het numineuze een niet uit andere gevoelens afleidbare bewustzijnsinhoud met een eigen en oorspronkelijk karakter is. Daarin ligt een correctie van de evolutietheorie, die door Otto niet overal wordt aanvaard. Evenals het plichtsbesef is het een primair psychisch gegeven, dat alleen uit een specifieke eigenschap in onze geestesaanleg 'ontwikkeld' kan worden. Het historische proces van de evolutie wijst er wel op, dat er in ons gevoelsmatige bewustzijn, net zoals in ons intellectuele leven, een wet van associatie bestaat. Verwante gevoelens roepen elkaar op. Zo kan het zuivere schoonheidsgevoel van het verhevene numineuze gevoelens opwekken. En de aandacht kan gemakkelijk van het ene gebied in het andere overgaan. Maar het is een onjuiste en botte psychologie dit voor te stellen als een overgang naar het niet-religieuze gevoelsleven. Niet het gevoel, maar de mens gaat over, omdat een potentieël innerlijk vermogen overgaat in een actuele toestand, populair gezegd, omdat ontwaakt wat slaapt. Hoe belangrijk deze waarheid is, ook in verband met het door Otto niet nader aangewezen verschil tussen mensen in aanleg tot religie, op dit gebied van het gemoed zeker niet minder aantoonbaar dan overal elders, moet wel worden ingezien.

Godsdienstige woordenpraal
Maar nog leerzamer, zeker voor hen die nog met een schuldgevoel worstelen, is de blik op het Heilige als numineus waardegevoel. In zijn scherpste tegenstelling is het 't gevoel van het onwaardige, erbarmelijke, ellendige, profane van mens en wereld tegenover het glorieuze tu solus sanctus (alleen het heilige is heilig). Heel zuiver voelt Otto het aan: dat 'sanctus' is niet 'volmaakt', niet 'mooi', niet 'goed'. Dit zijn slechts beschrijvingen van geleende begrippen die verwijzen naar het verwante en toch weer typisch religieuze 'heilig'. Wordt nu die numineuze sfeer toegepast op de ethiek, dan pas is het kwaad 'zonde' geworden. Hier wordt op andere wijze bevestigd wat ik zo heb uitgedrukt: Schuldgevoel (zondebewustzijn) is het religieus geworden besef van morele verderfelijkheid. Het treedt bij de vrome op als een onmiddellijk en karakteristiek waardegevoel, en is geenszins de vrucht van zelfbezinning op het eigen doen en laten (de eigen moraal). De leer dat de zedenwet de mens eerst tot een innerlijke 'breuk' brengt en hem dan doet uitzien naar goddelijke genade en verlossing, is een dogmatische constructie en een psychologische vergissing, niets meer. Zeer terecht wijst Otto er op, hoeveel hoogstaande naturen er zijn met een diep besef van eigen tekortkomingen, bij wie het nooit tot een 'breuk' komt, en die hun bevrijding vinden in discipline, strijd en werk, omdat de echt numineuze bevrijdingsbehoefte ontbreekt. Hij had erbij kunnen voegen dat godsdienstige woordenpraal van zonde, bekering en verlossing en de neiging om het religieuze leven weer te binden aan dualistische, niet te bepalen (indeterministische) en supranaturalistische voorstellingen van Gods genadewerk aan de zondaren, amper waarborg zijn voor de diepte van godsvrucht en morele ernst, naarmate het wezenlijk godsdienstige meer gerationaliseerd en verdogmatiseerd blijkt. De christelijke dogmatiek heeft, zegt Otto terecht, het echt numineus gevoel van Gods vergevingsgezindheid uit de mystieke sfeer naar het rationeel-ethische overgebracht en tot moreel-religieuze begrippen bewierookt (abgewalmt). Zo echt en onmisbaar ze dààr zijn, zo ongezaghebbend (apocrief) zijn ze hier.
(Vergelijk: 'God heeft geen geheimen. Hij leidt je niet door een wereld van ellende, om je pas op het eind van de reis te gaan vertellen waarom Hij je dit heeft aangedaan' ECIW T22.1.3:10-11)

Verzoening en bevrijding
Het diepe mysteriegevoel van verzoening en bevrijding is de kern van de elke cultuur. Het is het actus purus, de spontane intuïtie van het godvruchtig gemoed. Wat er ooit over geschreven is, is de hoofdzaak niet. Ware er niets over geschreven, het kon heden geschreven worden. Want levend geloof is meer dan het zoete optimisme van de lieve-heerstemming; het is de geweldige paradoxie en ambivalentie van het afstandsgevoel tussen de mens 'uit stof en as' en de heilige God en het geborgen zijn in de oneindige rechtvaardigheid van de 'Vader', die zichzelf openbaart in Woord en Geest en ons in het 'zoonschap' (de verwezenlijking van de Christusgedachte) wijdt, boven de profane wereld uittilt en in Zijn Liefde bewaart. Het geloof van zijn schijnbare tegenspraak te beroven is het aanpassen van de werkelijkheid door het beperkingen op te leggen. Dat velen het numineuze niet meer beleven en er wantrouwend tegenoverstaan heeft tweeërlei oorzaak. Het echt religieuze is gemoraliseerd: en wie in God niets meer bezit dan een persoonlijke morele wereldorde, weet er geen raad mee. En het is gerationaliseerd: en wie door prediking, onderwijs en theologie deze intuïties van het gemoed slechts als begrippen en speculatieve theorieën heeft leren kennen, die komt aan het zuiver gevoelsmatig 'weten', dat ons geluk te vinden is in het donkere gedeelte van dat eigen gemoed, niet gemakkelijk toe.

Rudolf Otto's Het Heilige bevat in zijn scherpe en heldere vorm talloze gedachten, die werken als lichtstralen in schemerige hoeken. Je ziet allerlei bekends, maar het wordt nieuw en belangwekkend tegen de fraaie diep doorlichte achtergrond. In het tweede gedeelte van zijn boek toetst Otto zijn resultaten aan de empirisch gegeven uitingen van het numineuze, de directe en de indirecte, in de religieuze kunst, in de Bijbel en in oud en nieuw christendom. Of juister: hij laat op al die gebieden hier en daar even een straal vallen van het ontstoken licht, bijna nooit zonder verrassend effect. Daarvan tenslotte nog enkele proeven.

Wanneer ik als hoofdgedachte de stelling noem dat het Heilige psychologisch te beschouwen is als 'een categorie zuiver a priori' (a priorie = al datgene wat zeker is buiten alle ervaring om) is dit een Kantiaanse term. Rudolf Otto: Religion fängt mit sich selber an (geloof begint bij jezelf). Het is een oorspronkelijk, in de mensenziel ingebed gegeven met redelijke èn onredelijke aspecten. De daar al optredende ideeën zijn niet af te leiden uit ervaring, maar als producten van reine Vernunft (zuivere rede) uit oorspronkelijke aanleg geboren. Maar dieper dan deze liggen de momenten die buiten het verstand vallen, de reine Gefühle, (pure gevoel), die eveneens hun eigen geestelijke oorsprong hebben. Dat is het numineuze, een verborgen, zelfstandige bron van beelden, gevoelens en klanken met een eigen oerkracht en wetmatigheid, die uit niets anders afleidbaar is en waarvan het geen zin heeft een dipere verklaringsgrond te zoeken dan de menselijke geest met zijn aanleg, werkingen en wetten.

De oudere godsdienstpsychologie kon niet inzien dat religieuze voorstellingen, begrippen en handelingen slechts ideogrammen (beeldtekens) van het gevoel waren. Ze werden deels op hun kenniswaarde onderzocht en anderdeels tot niet-religieuze begrippen herleidt. Zo werd het buitenredelijke element van de religie in zijn eigen karakter niet onderkend en kwam het nooit tot een juiste analyse van het diepst en oorspronkelijk bewustzijn.
Achter al die rationele omhulsels en begripsovereenkomsten het pure religieuze te hebben ontdekt, het zo helder aanwijzen als binnen de denktaal maar mogelijk is, het zo veelzijdig te hebben gezien en toch in zijn wezenseenheid te hebben begrepen, en het ter verheldering van ons inzicht zo genuanceerd te hebben ontleed, dat is de blijvende waarde van dit superieure werk van Rudolf Otto.

Voor de wetenschap is dit genoeg. De directe winst, ook voor hen die het slechts om meer inzicht in de wereld van de religieuze verschijnselen te doen is, ligt voor het oprapen. De dogmatiek, de prediking en het godsdienstonderwijs hebben bijvoorbeeld nooit raad geweten met het begrip van Gods toorn. Wie er een projectie inziet van de numineuze tremor, zal er het eeuwig religieuze in ontdekken en in het geestkrachtige (energische) moment de samenhang met het geloof in Gods liefde ontdekken. Wat voor de geschiedenis een sprong is die je evolutionistisch als mutatie voor kan stellen zonder er een wezenlijke verklaring aan te geven, is door de psychologie als een innerlijk levensverband ontdekt. Het historisch ontwikkelingsbegrip laat ons voor onbegrijpelijke transformaties staan, maar de psychologische wetten van associatie ook in het gevoelsleven doen ons als een innerlijk groeiproces het ontwaken en de veelzijdigheid van dat stuk gemoedsleven zien. De diepere grond van dogmatische geschillen als de predestinatie (goddelijke voorbeschikking), de kwestie van het wonder en het overbodig worden van alle supranaturalisme wordt duidelijk aangetoond. Het echt religieuze, zowel in de aanbidding van monsterachtige godsvoorstellingen als in de verhevenste kunst, wordt hier tastbaar gemaakt.
Boven de gewone woord- en begripsexegese uit, weet Rudolf Otto achter de bijbelse termen en begrippen, welke onze verrationaliseerde theologie als adequate uitdrukking beschouwt en als theorieën behandelt, het nooit verstandelijk omschrijfbare gemoedsleven, waar het Oude en het Nieuwe Testament van overvloeit, aan te wijzen. En haast nog treffender is de psychologische verklaring toegepast op een religieus genie als Luther. Zijn wonderbaarlijke veelzijdigheid laat ons historisch op onverzoenlijke en onbegrijpelijke tegenstellingen staren, die toch uit de volheid van zijn numineus bewustzijn zeer goed verklaarbaar blijken. Otto's helder kijk op de ontwikkelingsgeschiedenis van de godsdienst beschouwt niet eenzijdig de verschijnselen van de rationalisering en moralisering van het numineus gevoelsleven. Otto ziet hoe dit diepst en meest oorspronkelijk element van de religie nooit verdrongen wordt, maar langzamerhand in samenhang met de eveneens zich ontwikkelende redelijke en morele factoren zijn kracht openbaart, de sfeer van het Heilige breder en zuiverder maakt om zich uiteindelijk in zijn volle levensmacht te doen laten gelden. Verschillende historische gegevens van de 'primitieve' godsdienstvormen worden onder deze zielkundige belichting nieuw en beter begrijpbaar. Maar bijzonder leerzaam en van de meest onmiddellijke praktische waarde blijft het diepe inzicht in de wereld van de geloofsgedachten, een inzicht dieper dan door de gebruikelijke 'historische reconstructie met filologische middelen en met het vervlakte gevoelsleven van onze niet meer naïef te noemen hedendaagse cultuur' ons wordt geschonken. Logisch dat het christendom hier zijn voordeel mee kan doen. Vooral omdat niet de ene eenzijdigheid door een andere gecorrigeerd wordt, maar het religieus gevoelsleven juist in zijn hogere ontwikkeling in onverbrekelijke samenhang met de redelijke en zedelijke factoren van de godsdienst wordt gezien. Waardoor dan ook de 'realisering van de Christosgedachte' dichterbij komt.
Rudolf Otto's Het Heilige is een voortreffelijk voorbeeld hoe nieuwe wegen tot nieuwe uitkomsten leiden. De angst dat psychologische analyses en geschiedkundige kritiek het tedere weefsel van de geloofsbeleving kan ontrafelen is ongegrond, integendeel, Rudolf Otto laat met Het Heilige zien hoe denkend einfühlen (inleven) van het heilige ons dichterbij het heilige brengt.

© 2000

Groenewegen, Hermanus IJsbrand (1862-1930)
Remonstrants godsdienstfilosoof en ethicus. In 1889 bevorderd tot doctor in de theologie.
Remonstrants predikant o.a. te Utrecht (1891) en Rotterdam (1893).
Sinds 1902 hoogleraar aan het Remonstrants Seminarie te Leiden en in 1916 benoemd tot professor in de godsdienstfilosofie en ethiek te Amsterdam.
Deze hoogstaande persoonlijkheid met grote kennis en een man van gloedvolle welsprekendheid en rijk gemoedsleven heeft geijverd voor de metafysica in de godsdienst en voor de terugkeer van de dogmatiek onder de theologische wetenschappen.
Voor hem was dogmatiek echter niets meer dan een beschrijving en rechtvaardiging van de inhoud van de religie, zoals die aan 't licht wordt gebracht door het historisch en psychologisch onderzoek van de godsdiensten. Hij was een bewonderaar van Fechners psychisch monisme (de hypothese die ons leert dat er alleen psychische werkelijkheid is; in Nederland uitgewerkt door de wijsgeer en psycholoog Gerardus Heymans [1857-1930]).

Gustav Theodore Fechner (1801-1887)

GROENEWEGEN, H. IJ.: Paulus van Hemert, als godgeleerde en als wijsgeer. Amsterdam 1889. [VIII],219,[5]p. Met portret. Diss.

H. IJ. Groenewegen (theoloog), die naast zijn andere vakken vooral aan de wijsbegeerte van de godsdienst een centrale plaats gaf en deze stelde als een "metaphysica sui generis", een Zijnsleer van eigen aard en daarom van eigen draagkracht.


BIBLIOGRAFIE

BIRGER FORELL

 

 

 


 Daniël Mok: Een wijze uit het westen; beschouwingen over Rudolf Otto en het heilige

 Rudolf Otto: Het heilige; over het onberedenaarbare aspect in de religieuze ervaring en de relatie daarvan met het redelijke

 Rudolf Otto: Indiase genadereligie en het christendom

 William James: Vormen van de religieuze ervaring; een onderzoek naar het wezen van de mens