|
|
'Heilig is wat
geheiligd wordt
en God troont
op de gezangen
van de mensen.'
(Frans
Kellendonk:
Grote woorden,
1988)
He is a wise man who regards all parts from the point of view of the whole.
Groenewegen, H.
IJ., Nieuw
Theologisch
Tijdschrift
6 (1917): 225.
[Het Nieuw
Theologisch
Tijdschrift is
verschenen in
de jaren
1912-1946 en
was een uitgave
van Tjeenk
Willink,
Haarlem; NTT
was de
voortzetting
van: Teyler's
theologisch
tijdschrift.]
(Bewerking: D.M., zomer 2000)
Zelden verscheen er een studie op het gebied van de godsdienstfilosofie dat met meer belangstelling, instemming en bewondering ontvangen is dan het boek van de Breslause hoogleraar Rudolf Otto.
Ik geloof niet
dat een van de
godsdienstfilosofen
duidelijker dan
Rudolf Otto
heeft ingezien,
waarin tot nu
toe de
godsdienstpsychologie
te kort is
geschoten en op
welke wijze
deze
psychologie
moest worden
aangevuld. Otto
laat zich
kennen als een
denker met een
zeer heldere
kijk op zijn
vakgebied en
een die met
vaste tred zijn
weg gaat, ervan
overtuigd dat
hij inderdaad
verder komt en
de
godsdienstwetenschap
verder helpt.
Dat maakt zijn
boek
vernieuwend en
inspirerend.
Das Heilige
heeft de
prikkelende
bekoring van
het nieuwe en
het heeft toch
de rust van het
diepe, heldere
inzicht. Otto
kent de wereld
van religieuze
verschijnselen
als geen ander
en beheerst
zijn vak
volkomen. Zijn
gevoelige geest
dringt met
scherpe blik
door tot het
daarachter
liggende
gevoelsleven,
de wereld van
het universeel
menselijke, van
de stemmingen,
ontroeringen en
de roerselen
van het hart,
oftewel de
plekken waar de
'uitgangen van
het leven' zich
bevinden. Wat
totnutoe
slechts in
algemene zin
beschreven en
beschouwd is,
ontleedt hij
met
voorzichtige
maar vaste
hand. Hij
beschrijft en
typeert en
geeft het een
naam. Geen
zweverige,
vervloeiende
begrippen van
vage en soms
als verward
ervaren
bewustzijnsverschijnselen
maar duidelijke
onderscheidingen
van onderkende
elementen en
factoren van
het ene, maar
veelzijdige en
veelkleurig-harmonisch
leven van 'in
God zijn'. Hij
neemt daarbij
geen blad voor
de mond maar
zegt recht voor
zijn raap waar
het op staat.
Het tere, maar
ook zo sterke
leven, dat in
de categorie
van het heilige
wordt
samengevat,
wordt niet
alleen
beschouwt en
ontleedt maar
geeft ook
uiting aan
mededogen en
medeleven en op
doorleefde
wijze schrijft
hij bladzij na
bladzij zowel
treffend door
schoonheid als
door waarheid.
Hij is geen
koele waarnemer
en onderzoeker,
maar een denker
die bij
zichzelf te
rade durft te
gaan om te
doorgronden wat
er in zijn
eigen
gevoelsleven
leeft. Een
werkwijze die
wellicht een
dieper en
scherper
wijsgerig
inzicht
oplevert en in
ieder geval,
meer dan louter
historische
feitenkennis,
de sleutel is
tot de diepere
vragen op dit
gebied.
Toch is er geen
sprake van
religieuze
ontboezemingen
en uitweidingen
in nevelige
filosofische
terminologie;
het is
wetenschap die
verschijnselen
onderscheidt en
hun
oorzakelijke
verbanden
naspeurt en die
vanuit een
helder inzicht
in het
menselijke
gevoelsleven
(zieleleven) de
innerlijke
samenhang van
de historische
gegevens
verklaart en er
menigmaal een
nieuw en
verrassend
licht op werpt.
Das Heilige,
dit rijke boek,
is een grote
aanwinst voor
de
godsdienstwetenschap.
Ik wil proberen
dit nader te
verklaren en
met enkele
kritische
opmerkingen de
waarde van deze
nieuwe
psychologische
analyse aan te
tonen.
Het
uitgangspunt
Onze theologie
gaat mank aan
een
rationalistische
eenzijdigheid.
Dit schuilt
niet in het
godsbegrip van
het christendom
en dat de
godgeleerdheid
doordrenkt.
Want alle
'hogere'
godsdiensten
zijn in die zin
rationeel, dat
zij wat God
betreft
duidelijke en
vastgestelde
begrippen
hanteren en
niet slechts
religieuze
gevoelens
stimuleren,
maar in de
eigenschappen,
die zij het
Opperwezen
toekennen, het
godsdienstig
bewustzijn een
gedachteninhoud
geven. De
rijkdom, diepte
en
duidelijkheid
van het denken
over God is
zelfs een
maatstaf voor
de
'gevorderdheid'
van een
godsdienst.
Evenmin ligt
dat
rationalisme,
zoals de
rechtzinnigen
beweren, in de
verwerping van
het
supranaturalisme,
de ontkenning
van het wonder,
gezien als een
mogelijkheid
dat God de
oorzakelijke
verbanden in
het
wereldproces
opheft. De
handhaving van
het
wondergeloof en
het oude
supranaturalisme
zijn zelf een
soort
rationalisme,
dat als reactie
een
andersoortig
rationalisme in
het leven heeft
geroepen. Het
verschil tussen
rationeel en
irrationeel
(deze laatste
term moet bij
Otto gelezen
worden zonder
de negatieve
bijklank
'onredelijk',
die de
verklaring van
dit woord vaak
met zich
meedraagt)
geloven en
denken is niet
kwantitatief
maar
kwalitatief.
Het hangt er
vanaf of ons
godsdienstig
leven en denken
een overwegend
intellectueel
of gevoelsmatig
karakter
draagt, of,
zoals Otto het
zegt, het
rationele het
irrationele in
het godsidee
overheerst en
zelfs uitsluit,
of omgekeerd.
Nu moeten we
oppassen met de
tegenstelling
rationeel -
irrationeel.
Dit laatste
woord heeft een
dubbele
betekenis. Hier
wordt niet het
'onlogische'
bedoeld maar
datgene wat
buiten de
denkkaders
valt: het
ausser-rationale.
Welnu, onze rationele eenzijdigheid bestaat hieruit, dat wij in ons denken en spreken vanuit de godsdienst en over de godsdienst doen alsof het godsidee in de redelijke eigenschappen ('predicaten') van een godsbegrip opgaat. Dan wordt er aan voorbijgezien, dat alle eigenschappen die wij de godheid toekennen door kunstmatig denken worden toegevoegd aan het godsidee dat zelf door een heel ander denkproces is ontstaan en op totaal andere wijze begrepen moet worden. Want, zegt Otto terecht, zij moet op enigerlei wijze begrijpbaar zijn, anders kan er niet over gesproken worden. En dat bedoelt zelfs de mystiek niet als zij God het urrhton noemt, want dan zou zij zelf bestaan in zwijgen. En juist de mystiek is meestal zeer spraakzaam geweest.
Het eenzijdig
rationaliseren
van het
godsidee
beheerst de
godsdienstfilosofie.
Er wordt altijd
gezocht naar
godsdienstige
voorstellingen
en begrippen en
de
godsdienstgeschiedenis
wordt vooral
neergezet als
een
ontwikkelingsproces
van religieuze
denkbeelden.
Men verklaart
mythen,
symbolen en
cultische
handelingen
door ze tot
gedachten te
herleiden. De
oorsprong van
religie wordt
gezocht door
een beeld te
construeren van
primitieve
voorstellingen,
die ook in de
algemene sfeer
van het
menselijke
voorstellingsvermogen
en denken
voorkomen. Er
is geen ruimte
voor het
specifiek
religieuze dat
ook in de
primitiefste
religie te
vinden is. Niet
zonder humor
zegt Otto:
...waarlijk,
het oog van de
vijand ziet
hier scherper
dan dat van
menige vriend
of neutrale
waarnemer. De
vijand van de
godsdienst weet
zeer goed, dat
al dit 'mystiek
gedoe' niets
met de rede te
maken heeft.
Daar ligt een
heilzame
waarschuwing in
om te bedenken,
dat wij de
godsdienst nog
niet kennen als
wij slechts
zijn rationele
uitingen
verstaan. Het
specifiek
religieuze is
een
bewustzijnsgebied
dat daarachter
en dieper ligt.
Dat gebied
heeft de
godsdienst zelf
aangeduid met
de naam van het
Heilige. Het is
een grondbegrip
van
waardeoordelen
dat zeer
gecompliceerd
is en toch
overal zijn
eigen aard laat
zien; dat op
andere gebieden
zijn invloed
laat gelden,
maar er niet
uit af te
leiden is; dat
niet uit
begrippen
bestaat maar
slechts
gevoelsmatig te
ervaren is en
in die zin
onuitspreekbaar
is, en toch
goed begrepen,
d.w.z. in
begrippen kan
worden
voorgesteld, en
tevens ontleed
kan worden.
Maar al meteen
wordt dit
karakteristieke
religieuze
woord verkeerd
begrepen. Het
heilige wordt
gezien als de
naam van een
begrip en men
vraagt zich af
welke
historische
gedachten er
achter liggen
die in die zin
dan heilig
kunnen worden
genoemd. Vooral
het morele, het
volstrekt goede
wordt op die
manier onder
het heilige
begrepen. Maar
nooit wordt het
woord heilig
gebruikt zonder
de gedachte dat
er meer en iets
anders bestaat
dan het begrip
waarmee men het
rationaliseerde
om het dan als
benaming te
gebruiken. Het
komt er nu op
aan dat
meerdere, dat
andere, dat
zich
onmiddellijk
als een
gevoelskwestie,
als een
emotioneel
verschijnsel
laat zien, te
isoleren. Het
heeft een eigen
karakter, is
een gevoel
sui generis
en is zo
primair en
elementair, dat
het niet te
herleiden en te
omschrijven is.
Je kan het ook
eigenlijk niet
begrijpen
zonder het te
ervaren, niet
vernemen,
behalve door
het te weeg te
brengen. Om het
een naam te
geven, die iets
van zijn
specifiek-religieuze
aard uitdrukt,
stelt Otto voor
om te spreken
van het
numineuze.
Dat woord,
gevormd naar
het voorbeeld
van omineus,
lumineus
is correct
bedacht als
aanduiding van
de
gevoelssfeer,
die in elk
religieus
bewustzijn te
vinden is en
waarin alle
godsdienstige
voorstellingen
ontstaan. Het
heeft als
maakwoord het
voordeel, dat
het geen
geschiedenis
heeft en dus
een
ondubbelzinnige
uitdrukking is
voor het gevoel
dat ermee wordt
aangeduidt.
Rudolf Otto
vraagt van de
lezer zich een
moment van zeer
levendig,
krachtig, zelfs
eenzijdig
religieus
gevoel voor de
geest te halen.
Wie dat niet
kan, zegt hij
terecht, kan
geen
godsdienstwetenschap
beoefenen, net
zo min als een
kunsthistoricus
zonder
schoonheidsbeleving
kan. De
gelovige zal
hierbij vooral
momenten van
sterk gevoeld
vertrouwen,
dankbaarheid,
liefde en
overgave op het
oog hebben.
Maar dat zijn
gevoelstoestanden
die, in
afgezwakte
vorm, ook in de
profane sfeer
worden ervaren.
Wat is het
gevoelselement
dat er nu een
eigen karakter,
iets plechtigs
(solemneels),
feestelijks (feierlichs),
aan geeft en
het tot een
nieuwe, diepere
en hogere
ontroering
maakt?
Hier ontdekt
Schleiermacher
het
onvoorwaardelijke
afhankelijkheidsgevoel
(schlechthinnige
Abhängigkeitsgefühl).
Maar, en hier
geeft Otto een
even
genuanceerde
als juiste
kritiek: het
typisch
religieuze, het
numineuze, is
hier nog niet
geraakt,
slechts
aangeduid door
te verwijzen
naar analoge
gevoelens van
onmacht en
onderworpenheid
die de mens ook
op ander gebied
ervaart.
Schleiermacher
beseft wel iets
van een
kwaliteitsverschil,
want hij noemt
het bijzondere
(devote)
afhankelijkheidsgevoel
'simpel gezegd'
(schlechthinnig).
(Het Duits
Nederlands
woordenboek Van
Gelderen-Van
Beckum vertaalt
het met: zo
maar, puur,
zuiver; zonder
meer.
Voorbeeld: des
schlechthinnigen
Zweifels: van
de twijfel
alleen.) Maar
door een
analoog gevoel
van
betrekkelijk
naar volstrekt
te verheffen,
verkrijgen we
slechts een
verschil in
hoeveelheid, en
het religieuze
is niet slechts
meer, maar iets
anders dan het
profane
afhankelijkheidsgevoel.
Dat hoort men
onmiddellijk in
uitingen als
die van
Abraham: 'Ik
weet dat het
een mens niet
past zo vrij
tot u te
spreken.', of,
om in de
tijdgeest van
Otto te
blijven: 'Ik
waag het te
spreken tot de
Heer, ik die
stof en as ben
(Genesis
18:27). Hier
uit zich wat
Otto een
'creatuurgevoel'
noemt, het
gevoel van
wegzinken in
nietigheid,
niet alleen
tegenover een
absolute
overmacht, maar
tegenover zo'n
soort
onuitspsreekbare
overmacht,
tegenover zo'n
gevoelsmatige
reactie, dat
die op
rationele wijze
niet te
beschrijven is,
die slechts in
de bijzondere
intonatie van
de uiting is te
verklaren. Otto
spreekt in dit
verband van een
belijdend
afhankelijkheidsgevoel.
Daarbij komt
nog een andere
fout aan het
licht.
Schleiermacher
heeft slechts
één moment het
religieuze
kleingevoel
ontdekt. Het is
volgens hem dus
een bijzonder
zelfgevoel en
pas na een
gevolgtrekking
vindt men
daarin het
goddelijke,
namelijk door
er een oorzaak
bij te denken.
Maar net zo min
als dit een
specifiek
religieus
gevoel kan
worden genoemd,
is dat
volstrekte
afhankelijkheids-
of
creatuurgevoel
het primaire
gegeven van het
godsdienstig
bewustzijn. Het
laat zich
eerder zien als
een begeleidend
gevolg van die
numineuze
gemoedsstemming,
waarin de
godheid als
aanwezig (numen
als
praessens)
beleefd wordt.
(Vergelijk:
'Jij ziet
jezelf als
kwetsbaar,
broos en
makkelijk
vernietigbaar,
en overgeleverd
aan de genade
van talloze
belagers die
machtiger zijn
dan jij. Laten
we onomwonden
kijken hoe deze
dwaling is
ontstaan, want
hier ligt het
zware anker
begraven dat de
angst voor God
- onbeweeglijk
en vast als een
rots - op zijn
plaats lijkt te
houden.' ECIW
T22.10:6-7)
Het numineuze
Het komt er nu
op aan, dat
numineuze nader
te leren kennen
door de
gevoelsreflexen
die het oproept
en waarin het
tot uiting komt
en zich kenbaar
maakt voor
ieder die het
gewaarworden (einfühlen)
kan. De diepste
emotie daarvan
noemt Otto
mysterium
tremendum
(ijzingwekkend
geheim). Als
blijk van
Otto's heldere
kijk op de vele
vormen, waarin
hetzelfde
gevoel kan
optreden, en
als mooie
beschrijving
het volgende
citaat:
'Dit gevoel kan
als een zachte
stroom door het
gemoed gaan in
de vorm van de
rustige,
gedragen
stemming van
verzonkenzijn
in devote
aandacht. Het
kan overgaan in
duurzame
zielsklank, die
lang aanhoudt
en natrilt tot
zij
uiteindelijk
wegsterft en de
ziel weer in
het profane is.
Het kan ook met
krampachtige
stoten
plotseling uit
de ziel
doorbreken. Het
kan voeren tot
een vreemde
opwinding,
roes,
verrukking en
extase. Het kan
wild en
demonisch
worden. Het kan
geleidelijk
omlaaggaan tot
spookachtig
vrezen en
sidderen. Het
heeft zijn
ruwe, barbaarse
eerste uitingen
en laagste
vormen, en het
heeft zich
ontwikkeld tot
een teer,
gelouterd,
opgetogen
gevoel. En het
kan worden een
stil,
ootmoedig,
zwijgend
huiveren van
het schepsel
voor - ja
waarvoor? Voor
wat in
onuitsprekelijke
geheimenis
boven alle
schepselen is.
Mysterie
betekent als
begrip niets
meer dan
datgene waarbij
je de ogen
sluit, het
verborgene,
niet bekende,
onbegrepene,
onverstane,
niet
alledaagse, dat
vreemd
tegenover ons
staat, zonder
dat het zelf in
eigen karakter
nader door die
zuiver
negatieve
termen
gekenschetst
wordt. Maar er
wordt iets
beslist
positiefs mee
bedoeld. Dat
positieve
beleef je in je
gevoel. En die
gevoelens
kunnen wij ons
voor de geest
halen en
verduidelijken,
doordat wij ze
tevens in ons
laten
opklinken.'
Nu beschrijft Otto dat positief kenmerkende in zijn twee onderdelen, het tremendum en het mysterium, en beide momenten weer in rijke nuancering. Ik kan slechts enkele kenmerken weergeven. Het mag dan het natuurlijke gevoel van vrees genoemd worden, omdat dat analoog is aan de hier bedoelde gevoelsreactie, het is zelfs iets volstrekt anders (das Ganz Andere, het woord ganz heeft zowel de betekenis 'ongeschonden' als [ge]heel) dan bang zijn. De 'heilige vreze' is een specifieke waarde toekennen aan hetgeen numineus wordt gevoeld. Het eigenlijk onvertaalbare woord Scheu (schuw, vreesachtig, bang, schichtig, schroom, angst, ontzag) alleen zegt niet genoeg, want het is hier een heel bijzondere Scheu. Zijn eerste, naïeve, ruwe vorm is het demonische, met zijn apocriefe uitloper, het spookachtige tremendum. Pas bij een hogere ontwikkelingsgraad wordt het puur religieuze daarvan begrepen. Maar zelfs dan kunnen nog die primitieve, grove aandoeningen optreden, die op gewone vrees lijken, en toch van het begin af aan door hun numineus karakter daarvan verschillen. Het is ook hier meer dan een verschil van intensiteit. De heftigste vrees kan zonder vorm van mysterium tremendum zijn, en het vluchtigste, amper gevoelde kan ons ermee vervullen.. Hier zien we weer hoe de psychologie met haar algemene en grove onderscheidingen niet kan volstaan, maar de genuanceerde kwalitatieve verschillen zal moeten onderzoeken om zo het echt religieuze in zijn veelzijdigheid te leren kennen.
Het tweede moment van het tremendum is het gevoel van majestas (verhevenheid, heiligheid), de indruk tegenover aan absolute Macht te staan, waarbij het schepsel zich van zijn kleinheid, ja nietigheid, in deemoed bewust wordt, d.w.z. het gevoel van het schepsel dat in zijn eigen 'Nichts' verzinkt en vergaat tegenover dat, wat boven alle creatuur uitgaat. Dat is het schlechthinnige van Schleiermacher's afhankelijkheidsgevoel. Maar hij heeft het dadelijk gerationaliseerd en er logisch het begrip van Gods alwerkzaamheid uit ontwikkeld, dat in het zuiver nietigheidsgevoel niet gegeven is en er pas door speculatief denken aan wordt verbonden. Het is niets anders en niets meer dan het dubbele gevoel: ik niets - Gij alles, dat in de mystiek, waar het creatuurgevoel zijn hoogste spanning bereikt, het diepst wordt verstaan als de unio mystica.
In het samengaan van beide begrippen, in het gevoel van tremenda majestas (geheime, huiveringwekkende majesteitelijkheid) ligt nog een derde elementair gevoel opgesloten: dat van de numineuze energie. Dat is de psychologische grond van de vage begrippen van 'de levende God', de goddelijke wil, Gods kracht, Gods 'bewogen' worden door ontferming, toorn, enz. Deze spirituele protesten tegen de filosofische God, zoals het speculatieve denken omgekeerd protesteert tegen deze leer die het menselijke tot de maat van alle dingen maakt (antropomorfisme). De filosofie ziet hier echter voorbij aan het geloof dat hier geen logische begrippen maar slechts 'ideogrammen' (beeldtekens) van emoties, gevoelssymbolen uitsprak, die nooit door het denken als grondslag van adequate kennis mogen worden gebruikt.
Het
mysteriegevoel
Maar nu vraagt
nog het tweede
hoofdmoment,
het
mysteriegevoel
zelf onze
aandacht. In de
analyse wordt
ook dit
specifiek
religieuze
gevoel slechts
toegelicht door
een analoge
emotionele
toestand uit de
kring van het
niet-numineuze
er naast te
stellen. Op
stupor (met
stomheid
geslagen,
spraakbelemmering)
lijkt dit
gevoel het
meest. Het is
het volkomen
tegendeel van
wat wij voelen
in de sfeer van
het gewone
waarmee wij
vertrouwd zijn.
Hier staan wij
tegenover iets
dat 'volstrekt
anders' is met
een diepe
bevreemding,
die eerst stil
maakt en
zwijgend doet
staren en ons
langzamerhand
met de
huivering voor
het
ondoorgrondelijke
vervult: das
starre Staunen,
das 'völlig auf
den Mund'
geschlagen
sein, das
absolute
Befremden.
Het mysterie is
de geheimenis
van het
vreemde, het
onverstaanbare,
het
onverklaarde.
Maar al in zijn
eenvoudigste
vormen draagt
dat gevoel in
de numineuze
sfeer toch zijn
eigen karakter.
Met de
voorstelling
van onzichtbare
geestwezens in
het animisme,
d.w.z. het
geloof dat alle
natuurlijke
verschijningsvormen
- heuvels,
bomen, rotsen
en rivieren -
een eigen geest
bezitten, is de
emotie niet
begonnen.
Omgekeerd, zegt
Otto terecht,
is dit een
rationalisering,
een poging om
het raadsel dat
in de
ontroering
wordt ervaren
te verklaren,
waardoor het
gevoel zelf
verzwakt wordt.
Uit zo'n
rationalisering
komt niet de
religie maar de
rationalisering
van de religie
voort die,
doorgevoerd in
een systeem van
mythen of
leerstellingen,
het religieus
gevoel
onderdrukken,
tenslotte zelfs
kan
dooddrukken.
Juist in het
niet kenbare,
voorstelbare
noch
doordenkbare
leeft het
mysteriegevoel.
Met dien
verstande
alweer, dat het
pas een
religieus
mysterie wordt
niet door de
beperking van
ons kennen en
denken, maar
doordat het
absoluut
andersoortige
van dit
volstrekt
ontoegankelijke
gebied gevoeld
wordt. Er is
geen verschil
in mate maar in
soort tussen de
gewone
verstandsraadels
en het
goddelijk
mysterie.
Zuiver en
scherp voelt
Augustins dat
aan in een zin,
die Otto hier
treffend
citeert:
Wat is het,
datgene wat in
vlagen licht
over mij komt
en zonder mij
te kwetsen mijn
hart
doorschiet?
Huiveren doet
het mij en
ontvlammen:
huiveren omdat
ik er zoveel
van verschil,
ontvlammen
omdat ik er zo
op lijk
(Belijdenissen
XI-9).
Dit is het
soort emotie
die het
niet-rationele
numineuze aan
het mysterie
geeft. De
indrukwekkende
macht van de
heiligheid Gods
komt prachtig
tot uitdrukking
in een van de
reien uit
Vondels
Lucifer:
Wie is het die
zo hoog
gezeten,
Zo diep in 't
grondeloze
licht,
Van tijd noch
eeuwigheid
gemeten,
Noch ronden,
zonder
tegenwicht,
Bij zich
bestaat, geen
steun van
buiten
Ontleent maar
op zich zelve
rust.
......
Dat's God.
Oneindig eeuwig
Wezen...
Terzijde: In
vervolg op deze
opmerkingen van
prof. dr. H.
IJ. Groenewegen
heeft Otto de
Zang der
engelen in
latere drukken
van Das
Heilige
opgenomen in
het hoofdstuk
Numineuze
Hymnen:
'Inderdaad een
zang, die
misschien nog
klankvoller
zingt van
hetgeen zich
niet laat
uitspreken.'
Wordt het
mysterium
enerzijds als
tremendum,
als een
terugwijzing
uit de sfeer
van het heilige
gevoeld,
anderzijds is
het
aantrekkelijk,
boeiend en
meeslepend: het
fascineert. Dat
is de
opmerkelijkste
contrastharmonie
van het
numineuze, die
in elke fase
van
godsdienstontwikkeling
te vinden is.
Het ootmoedigst
ontzag dat in
de vreze Gods
wegzinkt, is
tegelijk een
oneindig
verlangen, één
met God te
willen zijn,
dat tot een
Dionysische
(uitbundige)
gevoelsweelde
stijgen kan.
Een reeks
rationele
voorstellingen
van Gods hulp,
goedheid,
liefde, genade
drukken in haar
voller wordende
klank reeds uit
dat zij
parallel lopen
aan al voller
gevoelens van
vertrouwen,
vertroosting,
geluk en
oneindige dank.
Zoals ook
omgekeerd de
gedachte van
Gods toorn de
rationele
uitbeelding is
van gevoelens
van
verwijdering,
verworpen zijn,
ellendig zijn.
Het zijn de
twee polen van
het religieus
bewustzijn. In
de gewone
religie is de
een niet zonder
de andere. Hier
kunnen de
eenzijdig
georiënteerde
gelovigen leren
hoe
psychologisch
onjuist het is
wat men van
elkaar
overschrijft
ten gevolge van
rationalisering
en
theologisering,
dat de staat
van hoogste
geluk alleen
door het dal
van ongeluk
heen te
bereiken is.
Het een is geen
voorwaarde van
het andere, en
geen
'innerlijke
breuke' is de
weg tot de
volheid van de
genade. Wie het
heilige nog
niet ervaart,
heeft breuk
noch genade.
Wie in die zin
God beleeft,
heeft ze beide.
Dieper
wetenschappelijk
inzicht kan ons
genezen van
vertheologiseerde
religie, zowel
van de ethische
als van de
rationele
soort.
Maar het heldere inzicht dat godsdienst slechts ten dele een noodgevoel is, en hulp, verzoening, verlossing zoekt, dat het altijd ook, onafhankelijk daarvan en even krachtig als bewust godsgeluk is, een God zoeken, niet voor onszelf maar voor Hem, werpt een nieuw licht op de tweezijdigheid van alle cultus (aanbidding). Al in de eerste magische vormen, waarin de mens zich òf door bezweringen, wijdingen, enz., één maakt met het numen òf sjamanistisch zich laat vervullen, in bezitnemen, in extase brengen door het numen, ontdekken wij nu iets van echt numineus gevoel. De magie past er de praktijken van toe voor buitenreligieuze doeleinden. Maar zodra het om zichzelf wordt gezocht, bij toenemende zuiverheid en diepte, of het dan door ascese, door cultische handelingen of op andere wijze gezocht wordt, de gelukkige uitkomst wordt ervaren als een geheimenisvolle staat van hoogste geluk, God in ons en wij in God. Alle kennis van 'hemelse waar' zijn slechts niet tot het wezen doordringende gedachten van wat het verstand er van kan begrijpen. Het numineuze zelf blijkt aan 't eind van de ontwikkeling te zijn: 'vrede die alle verstand te boven gaat'.
Het betoverende
Dat is wat Otto
het
fascinosum
van het
numineuze
noemt. Het
leeft sterk in
de bewuste
dorst naar God
en in het diepe
gevoel 'ik heb
God, dat is
genoeg, - ik
wens niets
daarbuiten'.
Maar het
ontwaakt al in
het plechtig
ernstige van
stil-devote
geestelijke
ontwikkeling
tot het Heilige
en het zou, in
de christelijke
cultuur,
opgewekt en
gevoeld dienen
te worden in de
blijde ernst en
stille aandacht
van de
eredienst.
Wordt het
overvloedig (überschwänglich),
dan wordt het
een zwelgen in
mystiek. Maar
iets van die
mystieke
exaltatie is in
alle diepe en
zuivere
religieuze
ervaringen te
vinden. Het is
de innige
ontroering van
gelukzaligheid,
die je in
vervoering
brengen kan,
van ervaringen
van genade,
verlossing,
wedergeboorte
in christendom
en boeddhisme.
Zo lang men, ik
zeg het met
Otto, in de
godsdienstwetenschap
en de dogmatiek
nog bezig is
een geloof
binnen de
grenzen van het
blote verstand
(Religion
innerhalb der
grenzen der
blossen
Vernunft)
te construeren,
weet men er
geen raad mee
en wordt het
als verkeerd
beoordeeld.
Otto vergelijkt
het met het
maken van een
beschrijving
van het
lichaam, maar
dan zonder
hoofd. Tenzij
men het
specifiek
religieuze
geluk, het
'heilige' in
onderscheiding
èn van het
rationele èn
van de
buitenreligieuze
gevoelswaarden
in alle
bekeringsgetuigenissen
aanwijst, is de
levenskern niet
gevonden. Dat
fascinosum
is in het
christendom en
in het
boeddhisme
anders tot
uiting gekomen.
Ik meen evenwel
dat Otto ten
onrechte daar
een kwalitatief
verschil zoekt;
beide zijn in
innerlijk
karakter
gelijk, alleen
de
begripsbeschrijvingen
verschillen.
Toen Otto een
boeddhistische
monnik vroeg
wat het Nirvana
was, antwoordde
deze hem
plechtig
fluisterend: 'bliss-unspeakable'.
Ik heb in diepe
devotie, en met
zacht stralend
gelaat
verzonken in de
altaargeheimenis
of in de
tegenwoordigheid
van de Christos
en de heiligen
dezelfde echt
numineuze
'onuitsprekelijke
gelukkige
uitkomst'
aanschouwd. En
is de
protestante
'onverdiende
zaligheid', die
men althans
zingend zegt
'van God
genoten te
hebben' iets
anders? [...]
Evolutie
De hele analyse
van de complexe
gevoelens van
het Heilige
heeft ons
telkens tot het
inzicht
gebracht, dat
het numineuze
een niet uit
andere
gevoelens
afleidbare
bewustzijnsinhoud
met een eigen
en
oorspronkelijk
karakter is.
Daarin ligt een
correctie van
de
evolutietheorie,
die door Otto
niet overal
wordt aanvaard.
Evenals het
plichtsbesef is
het een primair
psychisch
gegeven, dat
alleen uit een
specifieke
eigenschap in
onze
geestesaanleg
'ontwikkeld'
kan worden. Het
historische
proces van de
evolutie wijst
er wel op, dat
er in ons
gevoelsmatige
bewustzijn, net
zoals in ons
intellectuele
leven, een wet
van associatie
bestaat.
Verwante
gevoelens
roepen elkaar
op. Zo kan het
zuivere
schoonheidsgevoel
van het
verhevene
numineuze
gevoelens
opwekken. En de
aandacht kan
gemakkelijk van
het ene gebied
in het andere
overgaan. Maar
het is een
onjuiste en
botte
psychologie dit
voor te stellen
als een
overgang naar
het
niet-religieuze
gevoelsleven.
Niet het
gevoel, maar de
mens gaat over,
omdat een
potentieël
innerlijk
vermogen
overgaat in een
actuele
toestand,
populair
gezegd, omdat
ontwaakt wat
slaapt. Hoe
belangrijk deze
waarheid is,
ook in verband
met het door
Otto niet nader
aangewezen
verschil tussen
mensen in
aanleg tot
religie, op dit
gebied van het
gemoed zeker
niet minder
aantoonbaar dan
overal elders,
moet wel worden
ingezien.
Godsdienstige
woordenpraal
Maar nog
leerzamer,
zeker voor hen
die nog met een
schuldgevoel
worstelen, is
de blik op het
Heilige als
numineus
waardegevoel.
In zijn
scherpste
tegenstelling
is het 't
gevoel van het
onwaardige,
erbarmelijke,
ellendige,
profane van
mens en wereld
tegenover het
glorieuze tu
solus sanctus
(alleen
het heilige is
heilig). Heel
zuiver voelt
Otto het aan:
dat 'sanctus'
is niet
'volmaakt',
niet 'mooi',
niet 'goed'.
Dit zijn
slechts
beschrijvingen
van geleende
begrippen die
verwijzen naar
het verwante en
toch weer
typisch
religieuze
'heilig'. Wordt
nu die
numineuze sfeer
toegepast op de
ethiek, dan pas
is het kwaad
'zonde'
geworden. Hier
wordt op andere
wijze bevestigd
wat ik zo heb
uitgedrukt:
Schuldgevoel
(zondebewustzijn)
is het
religieus
geworden besef
van morele
verderfelijkheid.
Het treedt bij
de vrome op als
een
onmiddellijk en
karakteristiek
waardegevoel,
en is geenszins
de vrucht van
zelfbezinning
op het eigen
doen en laten
(de eigen
moraal). De
leer dat de
zedenwet de
mens eerst tot
een innerlijke
'breuk' brengt
en hem dan doet
uitzien naar
goddelijke
genade en
verlossing, is
een dogmatische
constructie en
een
psychologische
vergissing,
niets meer.
Zeer terecht
wijst Otto er
op, hoeveel
hoogstaande
naturen er zijn
met een diep
besef van eigen
tekortkomingen,
bij wie het
nooit tot een
'breuk' komt,
en die hun
bevrijding
vinden in
discipline,
strijd en werk,
omdat de echt
numineuze
bevrijdingsbehoefte
ontbreekt. Hij
had erbij
kunnen voegen
dat
godsdienstige
woordenpraal
van zonde,
bekering en
verlossing en
de neiging om
het religieuze
leven weer te
binden aan
dualistische,
niet te bepalen
(indeterministische)
en
supranaturalistische
voorstellingen
van Gods
genadewerk aan
de zondaren,
amper waarborg
zijn voor de
diepte van
godsvrucht en
morele ernst,
naarmate het
wezenlijk
godsdienstige
meer
gerationaliseerd
en
verdogmatiseerd
blijkt. De
christelijke
dogmatiek
heeft, zegt
Otto terecht,
het echt
numineus gevoel
van Gods
vergevingsgezindheid
uit de mystieke
sfeer naar het
rationeel-ethische
overgebracht en
tot
moreel-religieuze
begrippen
bewierookt (abgewalmt).
Zo echt en
onmisbaar ze
dààr zijn, zo
ongezaghebbend
(apocrief) zijn
ze hier.
(Vergelijk:
'God heeft geen
geheimen. Hij
leidt je niet
door een wereld
van ellende, om
je pas op het
eind van de
reis te gaan
vertellen
waarom Hij je
dit heeft
aangedaan' ECIW
T22.1.3:10-11)
Verzoening en
bevrijding
Het diepe
mysteriegevoel
van verzoening
en bevrijding
is de kern van
de elke
cultuur. Het is
het actus
purus,
de spontane
intuïtie van
het godvruchtig
gemoed. Wat er
ooit over
geschreven is,
is de hoofdzaak
niet. Ware er
niets over
geschreven, het
kon heden
geschreven
worden. Want
levend geloof
is meer dan het
zoete optimisme
van de
lieve-heerstemming;
het is de
geweldige
paradoxie en
ambivalentie
van het
afstandsgevoel
tussen de mens
'uit stof en
as' en de
heilige God en
het geborgen
zijn in de
oneindige
rechtvaardigheid
van de 'Vader',
die zichzelf
openbaart in
Woord en Geest
en ons in het
'zoonschap' (de
verwezenlijking
van de
Christusgedachte)
wijdt, boven de
profane wereld
uittilt en in
Zijn Liefde
bewaart. Het
geloof van zijn
schijnbare
tegenspraak te
beroven is het
aanpassen van
de
werkelijkheid
door het
beperkingen op
te leggen. Dat
velen het
numineuze niet
meer beleven en
er wantrouwend
tegenoverstaan
heeft tweeërlei
oorzaak. Het
echt religieuze
is
gemoraliseerd:
en wie in God
niets meer
bezit dan een
persoonlijke
morele
wereldorde,
weet er geen
raad mee. En
het is
gerationaliseerd:
en wie door
prediking,
onderwijs en
theologie deze
intuïties van
het gemoed
slechts als
begrippen en
speculatieve
theorieën heeft
leren kennen,
die komt aan
het zuiver
gevoelsmatig
'weten', dat
ons geluk te
vinden is in
het donkere
gedeelte van
dat eigen
gemoed, niet
gemakkelijk
toe.
Rudolf Otto's Het Heilige bevat in zijn scherpe en heldere vorm talloze gedachten, die werken als lichtstralen in schemerige hoeken. Je ziet allerlei bekends, maar het wordt nieuw en belangwekkend tegen de fraaie diep doorlichte achtergrond. In het tweede gedeelte van zijn boek toetst Otto zijn resultaten aan de empirisch gegeven uitingen van het numineuze, de directe en de indirecte, in de religieuze kunst, in de Bijbel en in oud en nieuw christendom. Of juister: hij laat op al die gebieden hier en daar even een straal vallen van het ontstoken licht, bijna nooit zonder verrassend effect. Daarvan tenslotte nog enkele proeven.
Wanneer ik als hoofdgedachte de stelling noem dat het Heilige psychologisch te beschouwen is als 'een categorie zuiver a priori' (a priorie = al datgene wat zeker is buiten alle ervaring om) is dit een Kantiaanse term. Rudolf Otto: Religion fängt mit sich selber an (geloof begint bij jezelf). Het is een oorspronkelijk, in de mensenziel ingebed gegeven met redelijke èn onredelijke aspecten. De daar al optredende ideeën zijn niet af te leiden uit ervaring, maar als producten van reine Vernunft (zuivere rede) uit oorspronkelijke aanleg geboren. Maar dieper dan deze liggen de momenten die buiten het verstand vallen, de reine Gefühle, (pure gevoel), die eveneens hun eigen geestelijke oorsprong hebben. Dat is het numineuze, een verborgen, zelfstandige bron van beelden, gevoelens en klanken met een eigen oerkracht en wetmatigheid, die uit niets anders afleidbaar is en waarvan het geen zin heeft een dipere verklaringsgrond te zoeken dan de menselijke geest met zijn aanleg, werkingen en wetten.
De oudere
godsdienstpsychologie
kon niet inzien
dat religieuze
voorstellingen,
begrippen en
handelingen
slechts
ideogrammen
(beeldtekens)
van het gevoel
waren. Ze
werden deels op
hun
kenniswaarde
onderzocht en
anderdeels tot
niet-religieuze
begrippen
herleidt. Zo
werd het
buitenredelijke
element van de
religie in zijn
eigen karakter
niet onderkend
en kwam het
nooit tot een
juiste analyse
van het diepst
en
oorspronkelijk
bewustzijn.
Achter al die
rationele
omhulsels en
begripsovereenkomsten
het pure
religieuze te
hebben ontdekt,
het zo helder
aanwijzen als
binnen de
denktaal maar
mogelijk is,
het zo
veelzijdig te
hebben gezien
en toch in zijn
wezenseenheid
te hebben
begrepen, en
het ter
verheldering
van ons inzicht
zo genuanceerd
te hebben
ontleed, dat is
de blijvende
waarde van dit
superieure werk
van Rudolf
Otto.
Voor de
wetenschap is
dit genoeg. De
directe winst,
ook voor hen
die het slechts
om meer inzicht
in de wereld
van de
religieuze
verschijnselen
te doen is,
ligt voor het
oprapen. De
dogmatiek, de
prediking en
het
godsdienstonderwijs
hebben
bijvoorbeeld
nooit raad
geweten met het
begrip van Gods
toorn. Wie er
een projectie
inziet van de
numineuze
tremor, zal
er het eeuwig
religieuze in
ontdekken en in
het
geestkrachtige
(energische)
moment de
samenhang met
het geloof in
Gods liefde
ontdekken. Wat
voor de
geschiedenis
een sprong is
die je
evolutionistisch
als mutatie
voor kan
stellen zonder
er een
wezenlijke
verklaring aan
te geven, is
door de
psychologie als
een innerlijk
levensverband
ontdekt. Het
historisch
ontwikkelingsbegrip
laat ons voor
onbegrijpelijke
transformaties
staan, maar de
psychologische
wetten van
associatie ook
in het
gevoelsleven
doen ons als
een innerlijk
groeiproces het
ontwaken en de
veelzijdigheid
van dat stuk
gemoedsleven
zien. De
diepere grond
van dogmatische
geschillen als
de
predestinatie
(goddelijke
voorbeschikking),
de kwestie van
het wonder en
het overbodig
worden van alle
supranaturalisme
wordt duidelijk
aangetoond. Het
echt
religieuze,
zowel in de
aanbidding van
monsterachtige
godsvoorstellingen
als in de
verhevenste
kunst, wordt
hier tastbaar
gemaakt.
Boven de gewone
woord- en
begripsexegese
uit, weet
Rudolf Otto
achter de
bijbelse termen
en begrippen,
welke onze
verrationaliseerde
theologie als
adequate
uitdrukking
beschouwt en
als theorieën
behandelt, het
nooit
verstandelijk
omschrijfbare
gemoedsleven,
waar het Oude
en het Nieuwe
Testament van
overvloeit, aan
te wijzen. En
haast nog
treffender is
de
psychologische
verklaring
toegepast op
een religieus
genie als
Luther. Zijn
wonderbaarlijke
veelzijdigheid
laat ons
historisch op
onverzoenlijke
en
onbegrijpelijke
tegenstellingen
staren, die
toch uit de
volheid van
zijn numineus
bewustzijn zeer
goed
verklaarbaar
blijken. Otto's
helder kijk op
de
ontwikkelingsgeschiedenis
van de
godsdienst
beschouwt niet
eenzijdig de
verschijnselen
van de
rationalisering
en moralisering
van het
numineus
gevoelsleven.
Otto ziet hoe
dit diepst en
meest
oorspronkelijk
element van de
religie nooit
verdrongen
wordt, maar
langzamerhand
in samenhang
met de eveneens
zich
ontwikkelende
redelijke en
morele factoren
zijn kracht
openbaart, de
sfeer van het
Heilige breder
en zuiverder
maakt om zich
uiteindelijk in
zijn volle
levensmacht te
doen laten
gelden.
Verschillende
historische
gegevens van de
'primitieve'
godsdienstvormen
worden onder
deze
zielkundige
belichting
nieuw en beter
begrijpbaar.
Maar bijzonder
leerzaam en van
de meest
onmiddellijke
praktische
waarde blijft
het diepe
inzicht in de
wereld van de
geloofsgedachten,
een inzicht
dieper dan door
de
gebruikelijke
'historische
reconstructie
met
filologische
middelen en met
het vervlakte
gevoelsleven
van onze niet
meer naïef te
noemen
hedendaagse
cultuur' ons
wordt
geschonken.
Logisch dat het
christendom
hier zijn
voordeel mee
kan doen.
Vooral omdat
niet de ene
eenzijdigheid
door een andere
gecorrigeerd
wordt, maar het
religieus
gevoelsleven
juist in zijn
hogere
ontwikkeling in
onverbrekelijke
samenhang met
de redelijke en
zedelijke
factoren van de
godsdienst
wordt gezien.
Waardoor dan
ook de
'realisering
van de
Christosgedachte'
dichterbij
komt.
Rudolf Otto's
Het Heilige
is een
voortreffelijk
voorbeeld hoe
nieuwe wegen
tot nieuwe
uitkomsten
leiden. De
angst dat
psychologische
analyses en
geschiedkundige
kritiek het
tedere weefsel
van de
geloofsbeleving
kan ontrafelen
is ongegrond,
integendeel,
Rudolf Otto
laat met Het
Heilige
zien hoe
denkend
einfühlen
(inleven) van
het heilige ons
dichterbij het
heilige brengt.
© 2000
Groenewegen,
Hermanus
IJsbrand
(1862-1930)
Remonstrants
godsdienstfilosoof
en ethicus. In
1889 bevorderd
tot doctor in
de theologie.
Remonstrants
predikant o.a.
te Utrecht
(1891) en
Rotterdam
(1893).
Sinds 1902
hoogleraar aan
het
Remonstrants
Seminarie te
Leiden en in
1916 benoemd
tot professor
in de
godsdienstfilosofie
en ethiek te
Amsterdam.
Deze
hoogstaande
persoonlijkheid
met grote
kennis en een
man van
gloedvolle
welsprekendheid
en rijk
gemoedsleven
heeft geijverd
voor de
metafysica in
de godsdienst
en voor de
terugkeer van
de dogmatiek
onder de
theologische
wetenschappen.
Voor hem was
dogmatiek
echter niets
meer dan een
beschrijving en
rechtvaardiging
van de inhoud
van de religie,
zoals die aan
't licht wordt
gebracht door
het historisch
en
psychologisch
onderzoek van
de
godsdiensten.
Hij was een
bewonderaar van
Fechners
psychisch
monisme (de
hypothese die
ons leert dat
er alleen
psychische
werkelijkheid
is; in
Nederland
uitgewerkt door
de wijsgeer en
psycholoog
Gerardus
Heymans
[1857-1930]).
Gustav Theodore
Fechner
(1801-1887)
GROENEWEGEN, H.
IJ.: Paulus
van Hemert, als
godgeleerde en
als wijsgeer.
Amsterdam 1889.
[VIII],219,[5]p.
Met portret.
Diss.
H. IJ. Groenewegen (theoloog), die naast zijn andere vakken vooral aan de wijsbegeerte van de godsdienst een centrale plaats gaf en deze stelde als een "metaphysica sui generis", een Zijnsleer van eigen aard en daarom van eigen draagkracht.