|
|
RUDOLF OTTO
§ 1. Leven
LOUIS KARL
RUDOLF OTTO
werd de 25e
september 1869
om 11 uur te
Peine
(Hannover) in
Duitsland
geboren, als op
één na het
jongste kind
van een groot
gezin. Zijn
beide ouders
waren van
Nedersaksische
afkomst. Zijn
grootvader van
moederszijde
was organist en
onderwijzer. In
zijn stamboom
komen (tot de
17e eeuw)
fabrikanten
voor, terwijl
men misschien
predikanten had
verwacht. Ook
zijn vader,
Wilhelm Otto,
bezat een
fabriek. Zijn
moeder,
Katherine
Karoline
Henriëtte
Reupke was 18
jaar jonger dan
haar echtgenoot
en droeg de
verantwoordelijkheid
voor Rudolfs
opvoeding
spoedig alleen.
Toen hij twaalf
jaar was,
stierf zijn
vader. Aan zijn
moeder droeg
hij op haar 70e
verjaardag in
1898 zijn
proefschrift
Die Anschauung
des Heiligen
Geistes bei
Luther op.
Over Otto' s
ontwikkeling
bevat het
Slotarchief te
Marburg am Lahn
enige gegevens,
die licht
werpen op zijn
persoon en
kwaliteiten. In
de beschrijving
van zijn
Vita zum 1.
Examen, dat
hij tijdens het
wintersemester
1891/'92 in
Göttingen
opstelde,
tekent hij aan:
Im engen
Kreise der
Familie der
nächsten
Verwandten und
Freunden unter
schlicht
bürgerlichen
und
kleinstädtischen
Verhältnissen
bin ich
aufgewachsen.
In zijn eerste
schooltijd
ontwaakte bij
hem de wens
'pastor' te
worden en had
hij een
levendige
belangstelling
voor kerk en
theologie. Door
een
rooms-katholieke
schoolkameraad
liet hij zich
over katholieke
heiligen
voorlichten,
waaruit zijn
aandacht blijkt
voor het
religieuze in
andere
geloofsbelijdenissen.
Maar hij werd
aangenomen,
konfirmiert
in de
Evangelisch-Lutherse
kerk op zijn
15e jaar.
Intussen was
hij naar
Hildesheim
verhuisd, waar
hij het
Andreanum-gymnasium
bezocht. In
februari 1888
deed hij daar
een goed
eindexamen. Wat
zijn
Religionslehre
betreft,
ontving hij het
volgende
getuigschrift:
'In de kennis
van de
godsdienst
heeft hij zich
met de inhoud
van de Heilige
Schrift, de
geloofsleringen
naar hun
samenhang en
hun bijbelse
fundering,
alsook met de
belijdenisgeschriften
der Lutherse
kerk grondig
vertrouwd
gemaakt. Daarom
krijgt hij de
aantekening:
'goed''. Zelf
schrijft hij
evenwel, dat
het
godsdienstonderwijs
bijna in alle
klassen zo
treurig was,
dat het
onmogelijk een
vak van
voorkeur kon
worden. Doch
blieb mir die
Sache immer
lieb und wert
und wurde es
noch mehr durch
den Gegensatz,
den ich früh
genug zu
erleben hatte:
noch Kinder
stritten wir
begeistert und
erbittert genug
über Gottes
Sohnschaft und
Schöpfungsbericht,
über
Darwinismus und
Urzeugung und
ich wartete
sehnlich auf
die Zeit, wo
ich alle diese
Probleme
gründlich
studieren
könnte.
In de
overgeleverde
strenge
traditie is hij
opgevoed. Die
kwam hem niet
alleen als de
beste, maar
zelfs als de
enige voor. Wel
hoorde hij van
nieuwlichters
en
modernisering,
maar op de
afweer daarvan
wil hij zich
bij de mannen
van de oude
school grondig
voorbereiden.
Daarom gaat hij
in 1888 als
theologisch
student naar de
Fr. Alexander-
Universiteit in
Erlangen, waar
hij vijf
semesters
verblijft. De
eerste twee
daarvan brengt
hij in
militaire
dienst door.
Weinig had bij
op met het
vuile en ruwe
van de kazerne
en met het
vervelende
exerceren; als
hij kon, las of
beluisterde hij
er wat beters
tussendoor.
Wanneer dan
eindelijk het
studeren kan
beginnen
besluit hij
eerst een half
jaar naar z'n
oude vrienden
in Göttingen te
gaan om er de
juiste methode
van werken te
leren. Hoewel
hij er heen
gaat met het
voornemen zich
schrap te
zetten tegen de
moderne
richting,
erkent hij:
Mit diesem
Göttinger
Semester begann
ein neuer
Abschnitt
meines
theologischen
Anschauens
nicht nur,
sondern meines
Lebens. -
Trouwens, reeds
in Erlangen
kwam hij onder
de invloed van
vrijere
opvattingen.
Met name maakte
de theologie
van dr. Frank
indruk op hem
met diens vrije
verhouding tot
de Schrift.
Verder hoort
hij in die tijd
mannen als
Smend,
Holzmann,
Seeberg, en
anderen. Van
november 1889
tot maart 1891
studeert hij
dus in Beieren
en daarna tot
1898 te
Göttingen
godsdienstwetenschap
en filosofie.
In 1897 was hij
daar al
privaatdocent
in de
systematische
theologie
geworden. Op 9
juli 1898
verdedigt hij
er achttien
stellingen ter
verkrijging van
de waardigheid
van het
licentiaat aan
de
Georg-Augustuniversiteit.
Zijn opponenten
zijn prof.
Rahlfs en kand.
W. Heitmüller.
De eerste these
luidde: 'Ruach
Jahveh' is noch
een
vastomlijnd,
noch een
éénduidig
begrip.
Enerzijds wordt
daaronder
voorgesteld de
goddelijke
invloed op het
innerlijk van
de mens,
voornamelijk
tot profetische
bezieling, dan
ook tot
godsdienstig-zedelijke
activiteiten en
eigenschappen.
Anderzijds is
hij de
goddelijke,
scheppende
energie, het
beginsel van
het leven in de
creatuur,
alsook de
goddelijke
wereldleiding
en inwoning".
De twaalfde
stelling was
kort en
krachtig: "De
zuiverder titel
voor de
reformatorische
gedachte van
justificatio
is: libertas
christiana".
- De tweede tot
de zevende
stelling gingen
over Luthers
opvatting van
Woord en Geest.
Die werkt hij
uit in zijn
dissertatie,
waarin hij
schrijft: "Een
soort
inspiratie
naast- of vóór
het Woord,
zoals de
illuminatio
in strikte zin
zou moeten
zijn, valt
geheel buiten
de
Lütherse-gedachte."
"Met en door
het Woord
verlicht de H.
Geest het
hart'' (Geist
und Wort nach
Luther,
1898).
In 1904 wordt
Otto
buitengewoon
hoogleraar in
de theologie.
In die tijd
houdt hij zich
veel met vragen
over de natuur
bezig.
Gedurende de
zomer van 1905
laat hij zich
zelfs in de
medische
faculteit van
Göttingen
inschrijven als
student in de
Experimentalphysik.
In 1907
verschijnt dan
te Tübingen
zijn studie
over
Naturalistische
und religiöse
Weltansicht,
waardoor hij
summa cum laude
de graad
verkrijgt van
Dr Phil.
Geleidelijk
treedt hij meer
naar voren. Op
2 augustus 1907
wordt hem het
eredoctoraat in
de
godgeleerdheid
verleend door
de Universiteit
van Giessen. In
1914 tot gewoon
hoogleraar
benoemd in
Breslau, gaat
hij vandaar
reeds drie jaar
later als
opvolger van
Wilhelm
Herrmann naar
Marburg. Daar
valt de tijd
van zijn
grootste
openbare
werkzaamheid.
De studenten
stromen naar
zijn colleges,
zijn naam wordt
over de hele
wereld bekend.
Das Heilige
dat in 1917
verschijnt,
wordt in het
Frans, Engels,
Italiaans,
Nederlands,
Spaans, Zweeds
en Japans
vertaald.
5 Mei 1925
wordt hij tot
senator der
Duitse Academie
benoemd. Ook
buitenlandse
onderscheidingen
vallen hem ten
deel: in 1916
een Turkse orde
van de Sultan
der Osmanen, in
1932 een
doctoraat h.c.
in de theologie
van de
Universiteit
van Uppsala De
bul draagt het
opschrift:
In nomine Dei
Excelsi
Omnipotente.
Amen.
Otto onderhield
relaties met
geleerden en
godsdienstige
leiders in
verschillende
landen. Tussen
de van hem
bewaarde
correspondentie
bevinden zich
brieven gericht
tot mannen als
Dilthey en
Wrede, K.
Müller en 0.
Lodge. Hij
bezocht de
Verenigde
Staten, waar
hij aan het
Oberlin-College
als
gasthoogleraar
optrad.
§ 2. Reizen
Die
reizen heeft
hij gemaakt, om
zijn
godsdienstig
inzicht te
verdiepen, in
zeer
verschillende
perioden van
zijn leven.
De eerste
voerde hem,
omstreeks Pasen
1895, naar
Egypte,
Jeruzalem en de
berg Athos. De
tweede, in 1911
en 1912 maakte
hij naar
Noord-Afrika,
India, Birma,
China, Japan en
door Siberië
terug naar het
westen. De
derde ondernam
hij opnieuw
naar het verre
en nabije
oosten. Daarbij
werd hij
vergezeld door
de Zweedse
predikant
Birger Forell
(Terzijde: deze
predikant was
de eerste die
na de Tweede
Wereldoorlog
met dakloze
vluchtelingen
een eigen
kerkdorp in
Duitsland
stichtte), die
hier later een
boek over
schreef:
Waar Oost en
West elkaar
ontmoeten,
vertaald door
Chr. Doorman,
1930. Hoewel
bij deze reizen
ook het
landsbelang
niet uit het
oog verloren
werden, Otto
was van 1913
tot 1918
afgevaardigde
in de
Pruisische
landdag, ging
het hem er bij
deze reizen
toch vooral om
de
karakteristieke
trekken van het
godsdienstig
leven in zijn
verscheidenheid
en samenhang op
aarde ter
plaatse te
leren kennen.
En in zijn
brieven en
rapporten
bespeuren wij
telkens iets
van de
ontmoeting met
het Heilige,
hoe hij geraakt
of bewogen is
door die hoge
Majesteit op
verschillende
momenten. Zo
tekent hij in
1895 bij zijn
bezoek aan de
piramiden aan,
Die Zeit hat
sich hier zur
Ewigkeit
versteinert.
(Tegelijkertijd
had hij echter
oog voor de
dwaze
nietigheid van
de mens. Hij
schrijft b.v.
op een vermetel
ogenblik aan
een vriend:
dies sende ich
dir mit vielen
Grüssen von der
Brust Ramses
des Groszen ab,
auf der ich
eben liege).
Hij had oog
voor het
treffende van
de situatie.
Als hij in het
Heilige Land
gekomen
Jeruzalem
nadert, beleeft
hij de
verhevenheid
der schepping
in een
driedubbele
regenboog door
de ondergaande
zon. "Vóór ons
echter, naar
het westen
welft zich nog
lang de hemel,
wonderbaarlijk
blauw en
oneindig diep,
tot het donker
wordt en uit
zijn diepte de
sterren
oplichten",
schrijft hij en
erkent: da
sammelt sich
der zerstreute
Sinn und wird
inne wo er ist.
Later, op de
berg Athos wil
hij von
Kloster zu
Kloster
wandern,
Kirchen
studieren,
Handschriften
und Bilder
betrachten,
Liturgieën
mitfeiern,
Mönchsluft
atmen en
zich ook
verheugen over
bergen, bossen
en zee. O.m.
wordt hem in
dit heilig oord
de wonderdoende
gordel van de
Maagd Maria
getoond. Als
hij echter
vraagt, of er
thans nòg
wonderen
gebeuren, zegt
een oud man
tegen hem:
"Wanneer een
mens, die aan
niets anders
denkt, dan aan
eten en
drinken, die
liegt en slecht
is, ineens
ànders wordt,
goed en vroom,
en naar God
vraagt, is dat
geen wonder?"
Typerend voor
zijn beleven
van de
divinatorische
verheffing van
de geest is ook
zijn tocht daar
naar de
Pansagia-kapel,
3000 voet boven
de zeespiegel.
Op weg
daarheen, naar
de top van de
berg Athos ziet
hij, omkijkend
in de verte de
Olympus liggen.
Elke voetstap
omhoog moet hij
vast in de
bevroren korst
zetten, anders
suist de mens
absoluut op het
steile, gladde
vlak in de
diepte. Wanneer
hij zo hoog
geklommen is
als hij maar
kan, komt hij
in een bewogen
wolkenzee. De
top kan hij
klimmend niet
bereiken. Maar
wanneer hij
later beneden
is
scheepgegaan,
"blinkt daar
hoog boven op
de hoogste
spits, klein
als een punt,
het witte
kerkje van de
Verheerlijking
Christi.
Imposant rijzen
de simpele,
grootse lijnen
uit de zee op,
tot de
drievoudige
kruin zich
verenigd,
waarvan het
midden toch
weer hoog boven
haar zijden
uitstijgt tot
een eenzame,
vrije hoogheid
in het
hemelruim".
Op zijn verdere
reis, die hij
op 42-jarige
leeftijd maakt,
zijn de
indrukken nog
veel rijker.
Tijdens zijn
maandenlang
verblijf in
India krijgt
hij
Einblicke
in de oude
geschiedenis en
cultuur van dit
land, in zijn
politieke en
sociale
toestanden,
zijn
wetenschappelijke
en
opvoedingswerk,
maar vooral in
godsdienstige
en zedelijke
verhoudingen
daar. Hij
ontmoet er
mohammedanen en
hindoes, sikhs
en parsi's. Het
zendingswerk
roept zijn
bewondering op.
In Rangoon
bestudeert hij
het Birmees
boeddhisme. Aan
Insulinde "met
zijn vulkanen
en zijn zo
fascinerende
koppensnellers"
vaart hij
voorbij. In
China beleeft
hij de botsing
der oude
religie met de
nieuwe geest
der revolutie.
"In de gewijde
ruimten der
boeddhistische
tempels van de
Porseleinen
Pagode kookten
voor het
verheven
Boeddhabeeld
schunnige
soldaten hun
bonen en zongen
niet bepaald
stichtelijke
liederen. 'Zij
weten zich niet
te gedragen',
zei de oude abt
bedroefd, die
ons met thee en
lekkere koeken
ontving,
terwijl in een
besloten
vertrek
dichtbij twee
monniken
schuchter hun
vesper zongen.
Aan het hoofd
van een
lijfwacht van
twintig
soldaten reed
Sun Yat Sen
voorbij, in
westelijk
khaki- uniform,
met een
uitdrukking van
overwicht,
schranderheid
en beslistheid
op zijn
gezicht".
Ook in Japan
ontmoet Otto
vele
vooraanstaande
mensen,
geestelijken en
geleerden,
priesters en
vorstelijke
personen. In
Rusland
vergelijkt hij
zijn indrukken
van het
godsdienstig
leven met die
van een
vroegere reis
daarheen. Zo
verzamelt hij
stof en
inspiratie voor
een geschrift
over de
parallellen en
de
onderscheiden
waarde der
hogere
godsdiensten in
hun onderling
verband.
Zijn latere
reis van 1927
naar India,
Palestina,
Klein-Azië en
de Balkan had
vooral ten doel
de verhouding
van de
theïstische en
mystiek-
monistische
richting in het
oosters
geloofsleven
aan de
werkelijkheid
te toetsen. Hij
leert allerlei
vormen van
verering
kennen, maar de
cultische
belevingen en
andere
religieuze
uitingen toetst
hij telkens op
hun
godsdienstig
gehalte.
Otto moet dan
ook worden
beschouwd als
een geleerde,
die nog meer
was dan een
vergelijkend
godsdiensthistoricus,
een theoretisch
fenomenoloog:
steeds zoekt
hij naar de
wezenlijke
kennis der
goddelijke
werkelijkheid.
Op grond van
zijn studie en
ervaring komt
hij tot de
conclusie, dat
wat zich aan de
mens als heilig
doet gelden,
voor hem in een
bijzondere zin
opgaat. Hij
legt er zich op
toe, de eigen
waarheid van de
godsdienstzin
te ontdekken.
Zoals G. Wünsch
het samenvat:
Danach ist
Religion ein
Sachverhalt sui
generis, in
seinem eigenen
Wesen
irrational
(numinos), der
durch ein
besonderes
menschliches
Vermögen im
'Innern', im
'Seelengrunde',
im schauenden
Geiste
aufleuchtet
(anamnesis),
wobei 'Gefühl'
, 'Ahndung',
'Divination'
dieses
eigentümliche
Vermögen
religiöser
Realitätserkenntnis
bezeichnen".
Dit
gezichtspunt
heeft Otto
inderdaad in
zijn boeken bij
allerlei
onderwerpen tot
uiting laten
komen; maar ook
in zijn
gesprekken,
zijn
levenshouding
en voor zijn
Religionskundliche
Sammlung in
Marburg blijkt
het bepalend te
zijn. Ieder,
die hem
ontmoette, kwam
onder de indruk
van - ja, meer
dan van zijn
persoonlijkheid,
van een
eigenaardige
macht en
mysterie achter
hem, alsof hij
een andere
wereld
toebehoorde.
Dat wekte
ontzag. Men
voelde het, als
hij zweeg. Het
is nog te
bespeuren bij
de beeltenis,
die de schilder
K. Doerbecker
van hem maakte,
waarin iets van
die zelfde
verheffing
ligt, die boven
hem uitwees.
Daarom draagt
dat portret het
opschrift:
Sine tuo
numine
nihil est in
homine
nihil est
innoxium.
Hoewel hij
velen
ontmoette,
leidde hij een
eenzaam leven,
slechts een
kleine hond
Flapp was zijn
trouwe metgezel
op zijn
wandelingen; de
ernst nam met
de jaren toe.
Heel zelden,
wanneer,
behalve zijn
kater, niemand
thuis was, kon
hij in zijn
woning tegen de
berg een lied
zingen, waarbij
hij zichzelf
begeleidde.
Maar een
chronische
ziekte
(malaria), uit
de tropen
meegebracht,
een hoge prijs
voor het imet
eigen ervaring
verworven
godsdienstig
inzicht, werkte
op zijn gestel.
Tenslotte is
hij heengegaan,
is hij na een
verdrietig
verblijf in het
ziekenhuis op 6
maart 1937
ontslapen. Zijn
dodenmasker,
afgenomen door
de beeldhouwer
Reinhard
Paffrath in
Marburg, ademt
een wijde
vrede, een
stille
verhevenheid.
Ook zijn graf,
hoog op de
berg, vanwaar
men ver
uitziet, is
passend voor
deze gestalte,
wiens geest
boven het
aardse uitrees.
Aan zijn
nagedachtenis
werd op 20 juni
1937 in de aula
der
Universiteit
van Marburg een
plechtige
samenkomst
gewijd, waar
behalve het
toenmalige
hoofd der
theologische
faculteit,
Balla, de
dienstdoende
decaan, H.
Frick een
herdenkingsrede
hield, die
gevolgd werd
door
gedenkwoorden
van de deken
van St. Pauls,
de Engelse en
de Zweedse
aartsbisschop.
Frick
constateerde
daar: Rudolf
Otto ist ein
Meister
gewesen. Er ist
ein Entdecker
gewesen. -
Anders als
durch die
Mühsal des
Bergsteigens
gelangt keiner
in die Region
der
Erhabenheit,
noch gewinnt
sein Auge jenen
innerlichen
Blick, der
Rudolf Otto
ausgezeichnet
hat.
Zijn
gedachtenis
blijft levend.
Allereerst
natuurlijk door
zijn
geschriften
zoals zijn
hoofdwerk
Das Heilige,
waarover
Küssner o.m.
schreef: "Ik
zag het in de
boekenkast bij
dokters,
leraren,
fabrikanten,
bij
journalisten en
diplomaten in
verschillende
landen,. hoorde
aan Engelse
arbeidersscholen,
in de salons
der Franse
intelligentsia,
in kringen van
Amerikaanse
academici, van
Indische
sanskrit-leraren,
Italiaanse
professoren in
de filosofie
over 0tto
spreken.
Tagore, die hem
persoonlijk
kende en Ghandi
stonden met hem
in contact en
schatten zijn
werk hoog".
Maar anderzijds
blijft zijn
naam verbonden
aan die
verzameling van
voorwerpen van
godsdienstige
betekenis, die
in het
Marburger Slot
bewaard wordt,
de
Religionskundliche
Sammlung.
Deze collectie
vond haar begin
in 1927, toen
Otto bij het
400-jarig
bestaan van de
universiteit,
gesticht door
Philps van
Hessen, in zijn
feestrede
opriep tot een
waarheidszoeken
van de
vrijmakende
geest door
religieus
respect voor
het object (Sinn
und Aufgabe
moderner
Universität,
1927). Het
eerste
materiaal
bracht hij van
zijn reis naar
het oosten mee,
Later werd - en
nog steeds
wordt dit
aangevuld door
giften en
aankoop.
Aanvankelijk
gehuisvest in
het
jubileumgebouw,
werd het in
1950 naar de
zalen van het
boven de stad
gelegen
landgrafelijk
slot
overgebracht.
De bedoeling
ervan is om van
originelen en
modellen de
categorieën van
het heilige te
bestuderen, hun
godsdienstig
gehalte te
waarderen en de
divinatorische
zin te
verdiepen en te
verfijnen. De
opstelling van
het materiaal
is er niet
zozeer één in
wereldse (b.v.
architectonische)
samenhang, maar
naar
'religieus-morfologisch'
gezichtspunt.
De wijze dus,
waarop aan het
menselijk
oerfenomeen van
de godsdienst
uitdrukking is
gegeven bepaalt
de plaatsing
der voorwerpen
(deze methode
is o. a.. door
het Bush
Memorial Museum
van de Columbia
Universiteit
New York
overgenomen).
Frick schrijft
over deze
heilige
voorwerpen:
Sie sollen
ausdrücken, was
in der
Innerlichkeit
echter
religiöser
Erfahrung
erlebt worden
ist und sie
sollen sich
ebenso
auswirken,
indem die Kraft
ihrer Symbolik
zur
Betrachtung,
zur Versenkung,
zum Kultus, zum
Erleben und
Nacherleben
verhelfen.
Immers door de
uitwendige
aanschouwing
kan de
Tiefblick
worden gewekt.
Wèl biedt
echter het
Woord door zijn
onzienlijke,
treffende
kracht
gelegenheid,
verbanden en
contrasten,
samenhangen en
tegenstellingen
aan het licht
te brengen,
waardoor aan de
Geest weidser
perspectieven
nog geschonken
kunnen worden
en een
redelijke
opheldering van
het
geloofsmysterie
mogelijk is.
Daarom laten
wij nu een
overzicht
volgen van wat
Otto geschreven
heeft.
§ 3.
Godsdienstwetenschappelijk
werk
Otto's
hoofdwerk
Das Heilige
loopt uit op de
aanwijzing van
het object der
divinatie, van
Hem, in Wie de
Geest in
volheid woont.
Naar het
hoogtepunt van
dit
geloofsinzicht
voert bet boek
geleidelijk
heen door
verrassende
confrontaties.
Eerst geeft hij
de irrationele,
bovenzedelijke
kwalificatie
van het
heilige,
waardoor men
het duidt en
waardeert: het
numineuze. Dan
van het
numen praesens
weer de
onderscheiden
momenten: het
mysterium
tremendum et
fascinosum,
en de waarde
van het
sanctum,
wat het gemoed
met
creatuurgevoel
beantwoordt.
(Hierbij wijst
hij er op, dat
het gaat om de
oorspronkelijke
religiöse
Tiefenblicke
over reine
Anschauungen,
welke men in de
leer van de
dogma's naar
begrippen
tracht te
ontwikkelen.
Vervolgens
noemt hij
enkele middelen
op om aan het
numineuze
uitdrukking te
geven: het
wonder, het
donker, het
zwijgen (Sünde
und Urschuld),
de leegte en
bepaalde
muziek, alsook
het "gestemd
zijn voor de
viva Vox, door
de Geest, die
waait waar Hij
wil." Hier is
Otto over het
muziekdrama een
andere mening
toegedaan dan
Gerardus van
der Leeuw, die
de religieuze
functie van de
muziek vooral
in de opera
vond (Wegen en
Grenzen, 1932).
Voorts wordt
het numineuze
aangewezen in
het Oude en
Nieuwe
Testament, bij
Luther en de
mystici, in de
oervormen van
magie en
primitieve
sacramenten, in
sprookje en
mythe en in de
huiver, waarmee
men durch
seherisches
Erlebnis
'geladen'
plaatsen
ontdekte, die
later tot
heiligdom
werden. Ook de
synthese
apriori van de
rationele en
irrationele
momenten in de
godsdienst,
waardoor de
wezenlijke
waarheid, die
de mens opging,
als godheid
wordt erkend,
heeft men
steeds als
einfachste,
einleuchtendste
Selbstverständlichkeit
te verstaan.
Dus niet meer
als een geloof,
dat zich
beroept op een
autoriteit,
maar als een
onmiddellijk
appel aan het
religieuze
geweten zelf.
Toch is het
niet slechts de
innerlijke stem
van het
Heilige, de
zachtfluisterende
Geest in het
hart, waar het
in de
godsdienst bij
blijft.
Het gaat er
niet slechts om
dasz Ahnung
und Sehnsucht
von ihm zeuge,
sondern dasz
man ihm
begegnen könne
in besonderen
Vorkommnissen,
Begebenheiten,
Personen,
Tat-erweisungen
der
Selbstoffenbarung.
Dat het Heilige
wèrkelijk
'verschijnt' en
zich laat
gelden - daar
komt het op
aan; en daarom
wordt de
ontmoeting met
het Heilige
concreter,
naarmate men in
het boek
vordert. Het
vermogen tot de
erkenning van
de echtheid
ervan noemt
Otto dan
'divinatie'.
Wel wordt deze
als
Schwärmerei,
Mystizismus
oder Romantik
verdacht
gemaakt, maar
men moet echte
divinatie niet
met het
ontdekken van
allerlei
natuurlijke
betrekkingen
verwarren.
Sie fragt gar
nicht nach dem
Zustandekommen
eines
Vorkommnisses,
sei es
Ereignis,
Person oder
Sache, sondern
nach seiner
Bedeutung...
ein 'Zeichen'
des Heiligen zu
sein.
Anderzijds
dient dit te
worden
onderscheiden
van de
mitfolgende
Zeichen,
die niet de
grond-, maar de
bevestiging van
de divinatie
zijn: de
geestelijke
krachten als
visionäre
Intuition und
mantische
Ahnung und in
Christi Leben
als gesteigerte
Geistesgaben
(Sünde und
Urschuld).
§ 4. Divinatie
bij Otto in
systematisch
verband
In het
geschrift,
waarin Otto
vooral zijn
principiële
bepalingen gaf
en dat het
meest algemeen
als baanbrekend
is erkend,
wijdt hij de
laatste
hoofdstukken
aan de
realiteit van
het
godsdienstiggeestvermogen,
welks centrale
betekenis hij
opnieuw
ontdekte. Daar
definieert hij
het aldus:
Das etwäige
Vermögen, das
Heilige in der
Erscheinung
echt zu
erkennen und
anzuerkennen,
wollen wir
Divination
nennen.
In deze
definitie
vragen vijf
punten nadere
toelichting:
I. Het
is een vermogen
tot erkenning
van het
Heilige, dus
het geeft een
geloofsinzicht.
Het mag dan ook
niet op één
lijn gesteld
worden met
andere
geestvermogens
van profane of
humane aard.
Het is het
'aanrakingspunt'
voor een hoger,
een absolute
werkelijkheid,
geladen met
ontzaglijke
'Energie', de
invalspoort
voor het Andere
Leven. Al roept
de divinatie
religieuze
ervaring op en
al wordt zij
begeleid door
diverse
gevoelens van
huiverende,
verwonderde,
gefascineerde
beleving - toch
vormt zij zelf
daarvan in haar
bewogenheid de
achtergrond, de
ondergrond,
welke haar
ontstaan weer
dankt aan de
uitstorting van
de Geest.
Uitvloeisel van
de Gave des
Geestes is zij
correlaat met
de openbaring
van Gods
oordeel en
genadewil. Het
is dus niet
genoeg, haar
alleen als een
dogmatisch- of
godsdienst-psychologisch
gegeven te
behandelen.
II. Door
divinatie
vermag de mens
het goddelijke
te erkennen, te
herkennen. Het
is dus een
inzicht, dat
hij daarvan in
zijn ziel
krijgt. Die
verwèrft zich
dat inzicht
niet zozeer;
veeleer wordt
het haar
geschónken. Hoe
dit zich in de
menselijke
psyche
uitwerkt, kan
men
psychologisch
nagaan. Maar de
kijk en de
kennis, die
haar eigen
wordt, zijn
meer dan de
vrucht van een
grote intuïtie,
de inwijding
door een
bijzondere
gnwdit.
Zij draagt een
schouwend
karakter,
brengt een
innerlijke
verheldering
teweeg. Daarom
is ook een
enkel
epistemologische
(logische)
behandeling
ervan niet
voldoende. Want
divinatie is
meer dan een
opmerken door
de waarneming,
een begrijpen
met het
verstand, een
vaststellen
door het
redelijk
oordeel, een
zich
te-binnen-brengen
uit ervaring.
Het is opgaan
van een hoger
Licht in het
binnenste.
III.
Maar het brengt
ook helderheid
teweeg over de
kosmos. Want
divinatie, zegt
Otto, is het
vermogen, het
heilige in
der Erscheinung
te ontwaren,
dus in de
wéreld. Zij
vermag de
betekenis te
vatten van een
gebeurtenis,
een
verschijnsel,
die als 'teken'
van het Heilige
dienst doen.
Een voorval met
iets of iemand
kan dus de
bijzondere
aanleiding
worden, dat dat
Andere, die
goddelijke
Werking zich
daaraan kenbaar
maakt. Maar
omdat dit
Heilige bovenal
als geestelijke
Eenheid en
Levensmacht
wordt opgevat,
manifesteert
het zich vooral
in personen in
de
geschiedenis.
In het
bijzonder aan
diegenen, die
door Gods wil
en woord zijn
aangegrepen en
vervuld, die
Zijn toekomst
aan het licht
brengen: de
profeten en
Jezus Christus.
Er zijn echter
ook valse
profeten. Jezus
zelf waarschuwt
voor
schijnheiligheid.
Daarom is een
formeel
aannemen, een
voor waarhouden
op gezag van
anderen niet
genoeg.
Divinatie is
meer dan iets
of iemand
uiterlijk als
'heilig'
aanmerken.
IV. Het
is het
vermogen, het
Heilige, dat
zich aan ons
voordoet,
echt
anzuerkennen.
Dus het is een
inzicht, dat
gepaard gaat
met de
persoonlijke
aanvaarding,
met de
overtuiging,
dat het
waarlijk
goddelijke
werkelijkheid
is, welke zich
daar kenbaar
maakt en geen
verbeelding.
Een
onontkoombare
aanspraak laat
zich hierin
gelden op de
mens, waardoor
hem gewaarborgd
wordt, dat hij
niet te maken
heeft met
bedenksels,
bedrog of
illusie. Het
wezenlijke ware
is erin
geïmpliceerd.
Het is geen
neutrale
bepaling of
nuchter
constateren,
zonder dat het
hart en leven
iets te zeggen
heeft. Neen,
het wekt ernst
of vreugde,
eerbied of
ontzag en is
dus een
toetsing aan de
realiteit,
waarbij de
divinerende
mens zelf
getroffen en
bewogen wordt.
V. Maar
is ieder mens
hiervoor
ontvankelijk?
Of is het een
buitengewone
begaafdheid?
Otto spreekt
van das
etwaïge
Vermögen en
geeft daardoor
in zijn
definitie aan,
dat dit niet
iets
vanzelfsprekends
en algemeens
is, maar dat
het zich
eventueel kan
voordoen. Het
is mógelijk,
dat het iemand
is gegeven. Of
is het meer een
hoge opgave,
die
verwezenlijkt
moet worden?
Hier worden
verschillende
vragen wakker
geroepen! Is er
sprake van
godsdienstige
aanleg? Of van
de vrucht van
een inspiratie,
welke nu en dan
over de mens
vaardig wordt?
Gaat het hem
misschien toch
om een
religieus
apriori,
waardoor de
kennis van het
Heilige
mogelijk wordt?
Geen wonder,
dat sinds de
verschijning
van het
gelijknamige
boek meermalen
getracht is,
Otto's werk
systematisch te
interpreteren
en de plaats
der divinatie
daarin te
bepalen.
Bron: Dr. Rudolph Boeke: Devinatie, met name bij Rudolf Otto, Leeuwarden 1957
Titel:
Rudolf Otto,
Leben und Werk
Auteur: R.
BOEKE
Jaar: 1967
In: Numen :
international
review for the
history of
religions, ISSN
0029-5973 (juli
1967)
Nummering:
vol. 14 (1967),
afl. 2 (juli)
Nummer:
(PCI)
d48200410004
Onderwerp:
11 theologie,
godsdienstwetenschap
Titel:
Drie
Westerse wijzen
in de 20e eeuw
/ [door R.
Boeke]
Auteur:
Rudolph Boeke
1906-1994
Jaar:
[1985]
Uitgever:
[S.l. : s.n.]
Annotatie:
ill Met
bibliogr., lit.
opg
Omvang: 84
p
Nummer:
(Brinkman)
B8578213
Trefwoord:
(GTR)
Interreligieuze
$dialoog; (BTR)
godsdienstfilosofie
Onderwerp:
11.07 relaties
tussen
godsdiensten
Rudolf Otto
1869-1937; Paul
Johannes Oskar
Tillich
1886-1965;
Walter Nigg
1903-1988
Rudolph
Boeke
(1906-1994)
promoveerde in
1957 aan de
universiteit
van Leiden op
een studie over
Devinatie
met name bij
Rudolf Otto.
Eerder was hij
werkzaam in
hervormde
stads- en
dorpsgemeenten
in Nederland en
Amerika. Hij
studeerde ook
in Duitsland,
Zwitserland
(o.a.
Jung-Instituut)
en Amerika.
Hij was
voorganger van
de
Protestantenbond
in Rotterdam en
stichtte daar
in 1972 het
centrum voor
godsdienstige
kontakten
'Interreligio'
en een Raad van
Religies.
In 1981 verbond
hij zich aan de
Faculteit voor
vergelijkende
Godsdienstwetenschappen
in Antwerpen.