RUDOLF OTTO

§ 1. Leven

LOUIS KARL RUDOLF OTTO werd de 25e september 1869 om 11 uur te Peine (Hannover) in Duitsland geboren, als op één na het jongste kind van een groot gezin. Zijn beide ouders waren van Nedersaksische afkomst. Zijn grootvader van moederszijde was organist en onderwijzer. In zijn stamboom komen (tot de 17e eeuw) fabrikanten voor, terwijl men misschien predikanten had verwacht. Ook zijn vader, Wilhelm Otto, bezat een fabriek. Zijn moeder, Katherine Karoline Henriëtte Reupke was 18 jaar jonger dan haar echtgenoot en droeg de verantwoordelijkheid voor Rudolfs opvoeding spoedig alleen. Toen hij twaalf jaar was, stierf zijn vader. Aan zijn moeder droeg hij op haar 70e verjaardag in 1898 zijn proefschrift Die Anschauung des Heiligen Geistes bei Luther op.

Over Otto' s ontwikkeling bevat het Slotarchief te Marburg am Lahn enige gegevens, die licht werpen op zijn persoon en kwaliteiten. In de beschrijving van zijn Vita zum 1. Examen, dat hij tijdens het wintersemester 1891/'92 in Göttingen opstelde, tekent hij aan: Im engen Kreise der Familie der nächsten Verwandten und Freunden unter schlicht bürgerlichen und kleinstädtischen Verhältnissen bin ich aufgewachsen.
In zijn eerste schooltijd ontwaakte bij hem de wens 'pastor' te worden en had hij een levendige belangstelling voor kerk en theologie. Door een rooms-katholieke schoolkameraad liet hij zich over katholieke heiligen voorlichten, waaruit zijn aandacht blijkt voor het religieuze in andere geloofsbelijdenissen. Maar hij werd aangenomen, konfirmiert in de Evangelisch-Lutherse kerk op zijn 15e jaar. Intussen was hij naar Hildesheim verhuisd, waar hij het Andreanum-gymnasium bezocht. In februari 1888 deed hij daar een goed eindexamen. Wat zijn Religionslehre betreft, ontving hij het volgende getuigschrift: 'In de kennis van de godsdienst heeft hij zich met de inhoud van de Heilige Schrift, de geloofsleringen naar hun samenhang en hun bijbelse fundering, alsook met de belijdenisgeschriften der Lutherse kerk grondig vertrouwd gemaakt. Daarom krijgt hij de aantekening: 'goed''. Zelf schrijft hij evenwel, dat het godsdienstonderwijs bijna in alle klassen zo treurig was, dat het onmogelijk een vak van voorkeur kon worden. Doch blieb mir die Sache immer lieb und wert und wurde es noch mehr durch den Gegensatz, den ich früh genug zu erleben hatte: noch Kinder stritten wir begeistert und erbittert genug über Gottes Sohnschaft und Schöpfungsbericht, über Darwinismus und Urzeugung und ich wartete sehnlich auf die Zeit, wo ich alle diese Probleme gründlich studieren könnte.
In de overgeleverde strenge traditie is hij opgevoed. Die kwam hem niet alleen als de beste, maar zelfs als de enige voor. Wel hoorde hij van nieuwlichters en modernisering, maar op de afweer daarvan wil hij zich bij de mannen van de oude school grondig voorbereiden. Daarom gaat hij in 1888 als theologisch student naar de Fr. Alexander- Universiteit in Erlangen, waar hij vijf semesters verblijft. De eerste twee daarvan brengt hij in militaire dienst door. Weinig had bij op met het vuile en ruwe van de kazerne en met het vervelende exerceren; als hij kon, las of beluisterde hij er wat beters tussendoor. Wanneer dan eindelijk het studeren kan beginnen besluit hij eerst een half jaar naar z'n oude vrienden in Göttingen te gaan om er de juiste methode van werken te leren. Hoewel hij er heen gaat met het voornemen zich schrap te zetten tegen de moderne richting, erkent hij: Mit diesem Göttinger Semester begann ein neuer Abschnitt meines theologischen Anschauens nicht nur, sondern meines Lebens. - Trouwens, reeds in Erlangen kwam hij onder de invloed van vrijere opvattingen. Met name maakte de theologie van dr. Frank indruk op hem met diens vrije verhouding tot de Schrift. Verder hoort hij in die tijd mannen als Smend, Holzmann, Seeberg, en anderen. Van november 1889 tot maart 1891 studeert hij dus in Beieren en daarna tot 1898 te Göttingen godsdienstwetenschap en filosofie. In 1897 was hij daar al privaatdocent in de systematische theologie geworden. Op 9 juli 1898 verdedigt hij er achttien stellingen ter verkrijging van de waardigheid van het licentiaat aan de Georg-Augustuniversiteit. Zijn opponenten zijn prof. Rahlfs en kand. W. Heitmüller. De eerste these luidde: 'Ruach Jahveh' is noch een vastomlijnd, noch een éénduidig begrip. Enerzijds wordt daaronder voorgesteld de goddelijke invloed op het innerlijk van de mens, voornamelijk tot profetische bezieling, dan ook tot godsdienstig-zedelijke activiteiten en eigenschappen. Anderzijds is hij de goddelijke, scheppende energie, het beginsel van het leven in de creatuur, alsook de goddelijke wereldleiding en inwoning". De twaalfde stelling was kort en krachtig: "De zuiverder titel voor de reformatorische gedachte van justificatio is: libertas christiana". - De tweede tot de zevende stelling gingen over Luthers opvatting van Woord en Geest. Die werkt hij uit in zijn dissertatie, waarin hij schrijft: "Een soort inspiratie naast- of vóór het Woord, zoals de illuminatio in strikte zin zou moeten zijn, valt geheel buiten de Lütherse-gedachte." "Met en door het Woord verlicht de H. Geest het hart'' (Geist und Wort nach Luther, 1898).
In 1904 wordt Otto buitengewoon hoogleraar in de theologie. In die tijd houdt hij zich veel met vragen over de natuur bezig. Gedurende de zomer van 1905 laat hij zich zelfs in de medische faculteit van Göttingen inschrijven als student in de Experimentalphysik. In 1907 verschijnt dan te Tübingen zijn studie over Naturalistische und religiöse Weltansicht, waardoor hij summa cum laude de graad verkrijgt van Dr Phil. Geleidelijk treedt hij meer naar voren. Op 2 augustus 1907 wordt hem het eredoctoraat in de godgeleerdheid verleend door de Universiteit van Giessen. In 1914 tot gewoon hoogleraar benoemd in Breslau, gaat hij vandaar reeds drie jaar later als opvolger van Wilhelm Herrmann naar Marburg. Daar valt de tijd van zijn grootste openbare werkzaamheid. De studenten stromen naar zijn colleges, zijn naam wordt over de hele wereld bekend. Das Heilige dat in 1917 verschijnt, wordt in het Frans, Engels, Italiaans, Nederlands, Spaans, Zweeds en Japans vertaald.
5 Mei 1925 wordt hij tot senator der Duitse Academie benoemd. Ook buitenlandse onderscheidingen vallen hem ten deel: in 1916 een Turkse orde van de Sultan der Osmanen, in 1932 een doctoraat h.c. in de theologie van de Universiteit van Uppsala De bul draagt het opschrift: In nomine Dei Excelsi Omnipotente. Amen.
Otto onderhield relaties met geleerden en godsdienstige leiders in verschillende landen. Tussen de van hem bewaarde correspondentie bevinden zich brieven gericht tot mannen als Dilthey en Wrede, K. Müller en 0. Lodge. Hij bezocht de Verenigde Staten, waar hij aan het Oberlin-College als gasthoogleraar optrad.

§ 2. Reizen

Waar Oost en West elkaar ontmoetenDie reizen heeft hij gemaakt, om zijn godsdienstig inzicht te verdiepen, in zeer verschillende perioden van zijn leven.
De eerste voerde hem, omstreeks Pasen 1895, naar Egypte, Jeruzalem en de berg Athos. De tweede, in 1911 en 1912 maakte hij naar Noord-Afrika, India, Birma, China, Japan en door Siberië terug naar het westen. De derde ondernam hij opnieuw naar het verre en nabije oosten. Daarbij werd hij vergezeld door de Zweedse predikant Birger Forell (Terzijde: deze predikant was de eerste die na de Tweede Wereldoorlog met dakloze vluchtelingen een eigen kerkdorp in Duitsland stichtte), die hier later een boek over schreef: Waar Oost en West elkaar ontmoeten, vertaald door Chr. Doorman, 1930. Hoewel bij deze reizen ook het landsbelang niet uit het oog verloren werden, Otto was van 1913 tot 1918 afgevaardigde in de Pruisische landdag, ging het hem er bij deze reizen toch vooral om de karakteristieke trekken van het godsdienstig leven in zijn verscheidenheid en samenhang op aarde ter plaatse te leren kennen. En in zijn brieven en rapporten bespeuren wij telkens iets van de ontmoeting met het Heilige, hoe hij geraakt of bewogen is door die hoge Majesteit op verschillende momenten. Zo tekent hij in 1895 bij zijn bezoek aan de piramiden aan, Die Zeit hat sich hier zur Ewigkeit versteinert. (Tegelijkertijd had hij echter oog voor de dwaze nietigheid van de mens. Hij schrijft b.v. op een vermetel ogenblik aan een vriend: dies sende ich dir mit vielen Grüssen von der Brust Ramses des Groszen ab, auf der ich eben liege). Hij had oog voor het treffende van de situatie.
Als hij in het Heilige Land gekomen Jeruzalem nadert, beleeft hij de verhevenheid der schepping in een driedubbele regenboog door de ondergaande zon. "Vóór ons echter, naar het westen welft zich nog lang de hemel, wonderbaarlijk blauw en oneindig diep, tot het donker wordt en uit zijn diepte de sterren oplichten", schrijft hij en erkent: da sammelt sich der zerstreute Sinn und wird inne wo er ist.
Later, op de berg Athos wil hij von Kloster zu Kloster wandern, Kirchen studieren, Handschriften und Bilder betrachten, Liturgieën mitfeiern, Mönchsluft atmen en zich ook verheugen over bergen, bossen en zee. O.m. wordt hem in dit heilig oord de wonderdoende gordel van de Maagd Maria getoond. Als hij echter vraagt, of er thans nòg wonderen gebeuren, zegt een oud man tegen hem: "Wanneer een mens, die aan niets anders denkt, dan aan eten en drinken, die liegt en slecht is, ineens ànders wordt, goed en vroom, en naar God vraagt, is dat geen wonder?" Typerend voor zijn beleven van de divinatorische verheffing van de geest is ook zijn tocht daar naar de Pansagia-kapel, 3000 voet boven de zeespiegel. Op weg daarheen, naar de top van de berg Athos ziet hij, omkijkend in de verte de Olympus liggen. Elke voetstap omhoog moet hij vast in de bevroren korst zetten, anders suist de mens absoluut op het steile, gladde vlak in de diepte. Wanneer hij zo hoog geklommen is als hij maar kan, komt hij in een bewogen wolkenzee. De top kan hij klimmend niet bereiken. Maar wanneer hij later beneden is scheepgegaan, "blinkt daar hoog boven op de hoogste spits, klein als een punt, het witte kerkje van de Verheerlijking Christi. Imposant rijzen de simpele, grootse lijnen uit de zee op, tot de drievoudige kruin zich verenigd, waarvan het midden toch weer hoog boven haar zijden uitstijgt tot een eenzame, vrije hoogheid in het hemelruim".
Op zijn verdere reis, die hij op 42-jarige leeftijd maakt, zijn de indrukken nog veel rijker. Tijdens zijn maandenlang verblijf in India krijgt hij Einblicke in de oude geschiedenis en cultuur van dit land, in zijn politieke en sociale toestanden, zijn wetenschappelijke en opvoedingswerk, maar vooral in godsdienstige en zedelijke verhoudingen daar. Hij ontmoet er mohammedanen en hindoes, sikhs en parsi's. Het zendingswerk roept zijn bewondering op. In Rangoon bestudeert hij het Birmees boeddhisme. Aan Insulinde "met zijn vulkanen en zijn zo fascinerende koppensnellers" vaart hij voorbij. In China beleeft hij de botsing der oude religie met de nieuwe geest der revolutie. "In de gewijde ruimten der boeddhistische tempels van de Porseleinen Pagode kookten voor het verheven Boeddhabeeld schunnige soldaten hun bonen en zongen niet bepaald stichtelijke liederen. 'Zij weten zich niet te gedragen', zei de oude abt bedroefd, die ons met thee en lekkere koeken ontving, terwijl in een besloten vertrek dichtbij twee monniken schuchter hun vesper zongen. Aan het hoofd van een lijfwacht van twintig soldaten reed Sun Yat Sen voorbij, in westelijk khaki- uniform, met een uitdrukking van overwicht, schranderheid en beslistheid op zijn gezicht".
Ook in Japan ontmoet Otto vele vooraanstaande mensen, geestelijken en geleerden, priesters en vorstelijke personen. In Rusland vergelijkt hij zijn indrukken van het godsdienstig leven met die van een vroegere reis daarheen. Zo verzamelt hij stof en inspiratie voor een geschrift over de parallellen en de onderscheiden waarde der hogere godsdiensten in hun onderling verband.
Zijn latere reis van 1927 naar India, Palestina, Klein-Azië en de Balkan had vooral ten doel de verhouding van de theïstische en mystiek- monistische richting in het oosters geloofsleven aan de werkelijkheid te toetsen. Hij leert allerlei vormen van verering kennen, maar de cultische belevingen en andere religieuze uitingen toetst hij telkens op hun godsdienstig gehalte.
Otto moet dan ook worden beschouwd als een geleerde, die nog meer was dan een vergelijkend godsdiensthistoricus, een theoretisch fenomenoloog: steeds zoekt hij naar de wezenlijke kennis der goddelijke werkelijkheid. Op grond van zijn studie en ervaring komt hij tot de conclusie, dat wat zich aan de mens als heilig doet gelden, voor hem in een bijzondere zin opgaat. Hij legt er zich op toe, de eigen waarheid van de godsdienstzin te ontdekken. Zoals G. Wünsch het samenvat: Danach ist Religion ein Sachverhalt sui generis, in seinem eigenen Wesen irrational (numinos), der durch ein besonderes menschliches Vermögen im 'Innern', im 'Seelengrunde', im schauenden Geiste aufleuchtet (anamnesis), wobei 'Gefühl' , 'Ahndung', 'Divination' dieses eigentümliche Vermögen religiöser Realitätserkenntnis bezeichnen".
Dit gezichtspunt heeft Otto inderdaad in zijn boeken bij allerlei onderwerpen tot uiting laten komen; maar ook in zijn gesprekken, zijn levenshouding en voor zijn Religionskundliche Sammlung in Marburg blijkt het bepalend te zijn. Ieder, die hem ontmoette, kwam onder de indruk van - ja, meer dan van zijn persoonlijkheid, van een eigenaardige macht en mysterie achter hem, alsof hij een andere wereld toebehoorde. Dat wekte ontzag. Men voelde het, als hij zweeg. Het is nog te bespeuren bij de beeltenis, die de schilder K. Doerbecker van hem maakte, waarin iets van die zelfde verheffing ligt, die boven hem uitwees. Daarom draagt dat portret het opschrift:
Sine tuo numine
nihil est in homine
nihil est innoxium.

Hoewel hij velen ontmoette, leidde hij een eenzaam leven, slechts een kleine hond Flapp was zijn trouwe metgezel op zijn wandelingen; de ernst nam met de jaren toe. Heel zelden, wanneer, behalve zijn kater, niemand thuis was, kon hij in zijn woning tegen de berg een lied zingen, waarbij hij zichzelf begeleidde. Maar een chronische ziekte (malaria), uit de tropen meegebracht, een hoge prijs voor het imet eigen ervaring verworven godsdienstig inzicht, werkte op zijn gestel.
Tenslotte is hij heengegaan, is hij na een verdrietig verblijf in het ziekenhuis op 6 maart 1937 ontslapen. Zijn dodenmasker, afgenomen door de beeldhouwer Reinhard Paffrath in Marburg, ademt een wijde vrede, een stille verhevenheid. Ook zijn graf, hoog op de berg, vanwaar men ver uitziet, is passend voor deze gestalte, wiens geest boven het aardse uitrees.
Aan zijn nagedachtenis werd op 20 juni 1937 in de aula der Universiteit van Marburg een plechtige samenkomst gewijd, waar behalve het toenmalige hoofd der theologische faculteit, Balla, de dienstdoende decaan, H. Frick een herdenkingsrede hield, die gevolgd werd door gedenkwoorden van de deken van St. Pauls, de Engelse en de Zweedse aartsbisschop.
Frick constateerde daar: Rudolf Otto ist ein Meister gewesen. Er ist ein Entdecker gewesen. - Anders als durch die Mühsal des Bergsteigens gelangt keiner in die Region der Erhabenheit, noch gewinnt sein Auge jenen innerlichen Blick, der Rudolf Otto ausgezeichnet hat.

Zijn gedachtenis blijft levend. Allereerst natuurlijk door zijn geschriften zoals zijn hoofdwerk Das Heilige, waarover Küssner o.m. schreef: "Ik zag het in de boekenkast bij dokters, leraren, fabrikanten, bij journalisten en diplomaten in verschillende landen,. hoorde aan Engelse arbeidersscholen, in de salons der Franse intelligentsia, in kringen van Amerikaanse academici, van Indische sanskrit-leraren, Italiaanse professoren in de filosofie over 0tto spreken. Tagore, die hem persoonlijk kende en Ghandi stonden met hem in contact en schatten zijn werk hoog". Maar anderzijds blijft zijn naam verbonden aan die verzameling van voorwerpen van godsdienstige betekenis, die in het Marburger Slot bewaard wordt, de Religionskundliche Sammlung. Deze collectie vond haar begin in 1927, toen Otto bij het 400-jarig bestaan van de universiteit, gesticht door Philps van Hessen, in zijn feestrede opriep tot een waarheidszoeken van de vrijmakende geest door religieus respect voor het object (Sinn und Aufgabe moderner Universität, 1927). Het eerste materiaal bracht hij van zijn reis naar het oosten mee, Later werd - en nog steeds wordt dit aangevuld door giften en aankoop. Aanvankelijk gehuisvest in het jubileumgebouw, werd het in 1950 naar de zalen van het boven de stad gelegen landgrafelijk slot overgebracht. De bedoeling ervan is om van originelen en modellen de categorieën van het heilige te bestuderen, hun godsdienstig gehalte te waarderen en de divinatorische zin te verdiepen en te verfijnen. De opstelling van het materiaal is er niet zozeer één in wereldse (b.v. architectonische) samenhang, maar naar 'religieus-morfologisch' gezichtspunt. De wijze dus, waarop aan het menselijk oerfenomeen van de godsdienst uitdrukking is gegeven bepaalt de plaatsing der voorwerpen (deze methode is o. a.. door het Bush Memorial Museum van de Columbia Universiteit New York overgenomen).
Frick schrijft over deze heilige voorwerpen: Sie sollen ausdrücken, was in der Innerlichkeit echter religiöser Erfahrung erlebt worden ist und sie sollen sich ebenso auswirken, indem die Kraft ihrer Symbolik zur Betrachtung, zur Versenkung, zum Kultus, zum Erleben und Nacherleben verhelfen.
Immers door de uitwendige aanschouwing kan de Tiefblick worden gewekt. Wèl biedt echter het Woord door zijn onzienlijke, treffende kracht gelegenheid, verbanden en contrasten, samenhangen en tegenstellingen aan het licht te brengen, waardoor aan de Geest weidser perspectieven nog geschonken kunnen worden en een redelijke opheldering van het geloofsmysterie mogelijk is. Daarom laten wij nu een overzicht volgen van wat Otto geschreven heeft.

§ 3. Godsdienstwetenschappelijk werk

Otto's hoofdwerk Das Heilige loopt uit op de aanwijzing van het object der divinatie, van Hem, in Wie de Geest in volheid woont. Naar het hoogtepunt van dit geloofsinzicht voert bet boek geleidelijk heen door verrassende confrontaties. Eerst geeft hij de irrationele, bovenzedelijke kwalificatie van het heilige, waardoor men het duidt en waardeert: het numineuze. Dan van het numen praesens weer de onderscheiden momenten: het mysterium tremendum et fascinosum, en de waarde van het sanctum, wat het gemoed met creatuurgevoel beantwoordt. (Hierbij wijst hij er op, dat het gaat om de oorspronkelijke religiöse Tiefenblicke over reine Anschauungen, welke men in de leer van de dogma's naar begrippen tracht te ontwikkelen. Vervolgens noemt hij enkele middelen op om aan het numineuze uitdrukking te geven: het wonder, het donker, het zwijgen (Sünde und Urschuld), de leegte en bepaalde muziek, alsook het "gestemd zijn voor de viva Vox, door de Geest, die waait waar Hij wil." Hier is Otto over het muziekdrama een andere mening toegedaan dan Gerardus van der Leeuw, die de religieuze functie van de muziek vooral in de opera vond (Wegen en Grenzen, 1932). Voorts wordt het numineuze aangewezen in het Oude en Nieuwe Testament, bij Luther en de mystici, in de oervormen van magie en primitieve sacramenten, in sprookje en mythe en in de huiver, waarmee men durch seherisches Erlebnis 'geladen' plaatsen ontdekte, die later tot heiligdom werden. Ook de synthese apriori van de rationele en irrationele momenten in de godsdienst, waardoor de wezenlijke waarheid, die de mens opging, als godheid wordt erkend, heeft men steeds als einfachste, einleuchtendste Selbstverständlichkeit te verstaan. Dus niet meer als een geloof, dat zich beroept op een autoriteit, maar als een onmiddellijk appel aan het religieuze geweten zelf.
Toch is het niet slechts de innerlijke stem van het Heilige, de zachtfluisterende Geest in het hart, waar het in de godsdienst bij blijft.
Het gaat er niet slechts om dasz Ahnung und Sehnsucht von ihm zeuge, sondern dasz man ihm begegnen könne in besonderen Vorkommnissen, Begebenheiten, Personen, Tat-erweisungen der Selbstoffenbarung. Dat het Heilige wèrkelijk 'verschijnt' en zich laat gelden - daar komt het op aan; en daarom wordt de ontmoeting met het Heilige concreter, naarmate men in het boek vordert. Het vermogen tot de erkenning van de echtheid ervan noemt Otto dan 'divinatie'. Wel wordt deze als Schwärmerei, Mystizismus oder Romantik verdacht gemaakt, maar men moet echte divinatie niet met het ontdekken van allerlei natuurlijke betrekkingen verwarren. Sie fragt gar nicht nach dem Zustandekommen eines Vorkommnisses, sei es Ereignis, Person oder Sache, sondern nach seiner Bedeutung... ein 'Zeichen' des Heiligen zu sein. Anderzijds dient dit te worden onderscheiden van de mitfolgende Zeichen, die niet de grond-, maar de bevestiging van de divinatie zijn: de geestelijke krachten als visionäre Intuition und mantische Ahnung und in Christi Leben als gesteigerte Geistesgaben (Sünde und Urschuld).

§ 4. Divinatie bij Otto in systematisch verband

In het geschrift, waarin Otto vooral zijn principiële bepalingen gaf en dat het meest algemeen als baanbrekend is erkend, wijdt hij de laatste hoofdstukken aan de realiteit van het godsdienstiggeestvermogen, welks centrale betekenis hij opnieuw ontdekte. Daar definieert hij het aldus:
Das etwäige Vermögen, das Heilige in der Erscheinung echt zu erkennen und anzuerkennen, wollen wir Divination nennen.
In deze definitie vragen vijf punten nadere toelichting:

I. Het is een vermogen tot erkenning van het Heilige, dus het geeft een geloofsinzicht. Het mag dan ook niet op één lijn gesteld worden met andere geestvermogens van profane of humane aard. Het is het 'aanrakingspunt' voor een hoger, een absolute werkelijkheid, geladen met ontzaglijke 'Energie', de invalspoort voor het Andere Leven. Al roept de divinatie religieuze ervaring op en al wordt zij begeleid door diverse gevoelens van huiverende, verwonderde, gefascineerde beleving - toch vormt zij zelf daarvan in haar bewogenheid de achtergrond, de ondergrond, welke haar ontstaan weer dankt aan de uitstorting van de Geest. Uitvloeisel van de Gave des Geestes is zij correlaat met de openbaring van Gods oordeel en genadewil. Het is dus niet genoeg, haar alleen als een dogmatisch- of godsdienst-psychologisch gegeven te behandelen.

II. Door divinatie vermag de mens het goddelijke te erkennen, te herkennen. Het is dus een inzicht, dat hij daarvan in zijn ziel krijgt. Die verwèrft zich dat inzicht niet zozeer; veeleer wordt het haar geschónken. Hoe dit zich in de menselijke psyche uitwerkt, kan men psychologisch nagaan. Maar de kijk en de kennis, die haar eigen wordt, zijn meer dan de vrucht van een grote intuïtie, de inwijding door een bijzondere
gnwdit. Zij draagt een schouwend karakter, brengt een innerlijke verheldering teweeg. Daarom is ook een enkel epistemologische (logische) behandeling ervan niet voldoende. Want divinatie is meer dan een opmerken door de waarneming, een begrijpen met het verstand, een vaststellen door het redelijk oordeel, een zich te-binnen-brengen uit ervaring. Het is opgaan van een hoger Licht in het binnenste.

III. Maar het brengt ook helderheid teweeg over de kosmos. Want divinatie, zegt Otto, is het vermogen, het heilige in der Erscheinung te ontwaren, dus in de wéreld. Zij vermag de betekenis te vatten van een gebeurtenis, een verschijnsel, die als 'teken' van het Heilige dienst doen. Een voorval met iets of iemand kan dus de bijzondere aanleiding worden, dat dat Andere, die goddelijke Werking zich daaraan kenbaar maakt. Maar omdat dit Heilige bovenal als geestelijke Eenheid en Levensmacht wordt opgevat, manifesteert het zich vooral in personen in de geschiedenis. In het bijzonder aan diegenen, die door Gods wil en woord zijn aangegrepen en vervuld, die Zijn toekomst aan het licht brengen: de profeten en Jezus Christus.
Er zijn echter ook valse profeten. Jezus zelf waarschuwt voor schijnheiligheid. Daarom is een formeel aannemen, een voor waarhouden op gezag van anderen niet genoeg. Divinatie is meer dan iets of iemand uiterlijk als 'heilig' aanmerken.

IV. Het is het vermogen, het Heilige, dat zich aan ons voordoet, echt anzuerkennen. Dus het is een inzicht, dat gepaard gaat met de persoonlijke aanvaarding, met de overtuiging, dat het waarlijk goddelijke werkelijkheid is, welke zich daar kenbaar maakt en geen verbeelding. Een onontkoombare aanspraak laat zich hierin gelden op de mens, waardoor hem gewaarborgd wordt, dat hij niet te maken heeft met bedenksels, bedrog of illusie. Het wezenlijke ware is erin geïmpliceerd. Het is geen neutrale bepaling of nuchter constateren, zonder dat het hart en leven iets te zeggen heeft. Neen, het wekt ernst of vreugde, eerbied of ontzag en is dus een toetsing aan de realiteit, waarbij de divinerende mens zelf getroffen en bewogen wordt.

V. Maar is ieder mens hiervoor ontvankelijk? Of is het een buitengewone begaafdheid? Otto spreekt van das etwaïge Vermögen en geeft daardoor in zijn definitie aan, dat dit niet iets vanzelfsprekends en algemeens is, maar dat het zich eventueel kan voordoen. Het is mógelijk, dat het iemand is gegeven. Of is het meer een hoge opgave, die verwezenlijkt moet worden? Hier worden verschillende vragen wakker geroepen! Is er sprake van godsdienstige aanleg? Of van de vrucht van een inspiratie, welke nu en dan over de mens vaardig wordt? Gaat het hem misschien toch om een religieus apriori, waardoor de kennis van het Heilige mogelijk wordt?
Geen wonder, dat sinds de verschijning van het gelijknamige boek meermalen getracht is, Otto's werk systematisch te interpreteren en de plaats der divinatie daarin te bepalen.

Bron: Dr. Rudolph Boeke: Devinatie, met name bij Rudolf Otto, Leeuwarden 1957


Titel: Rudolf Otto, Leben und Werk
Auteur:
R. BOEKE
Jaar:
1967
In:
Numen : international review for the history of religions, ISSN 0029-5973 (juli 1967)
Nummering:
vol. 14 (1967), afl. 2 (juli)
Nummer:
(PCI) d48200410004
Onderwerp
: 11 theologie, godsdienstwetenschap

Titel: Drie Westerse wijzen in de 20e eeuw / [door R. Boeke]
Auteur:
Rudolph Boeke 1906-1994
Jaar:
[1985]
Uitgever:
[S.l. : s.n.]
Annotatie:
ill Met bibliogr., lit. opg
Omvang:
84 p
Nummer:
(Brinkman) B8578213
Trefwoord:
(GTR) Interreligieuze $dialoog; (BTR) godsdienstfilosofie
Onderwerp:
11.07 relaties tussen godsdiensten
Rudolf Otto 1869-1937; Paul Johannes Oskar Tillich 1886-1965; Walter Nigg 1903-1988


Rudolph Boeke
Rudolph Boeke (1906-1994) promoveerde in 1957 aan de universiteit van Leiden op een studie over Devinatie met name bij Rudolf Otto.
Eerder was hij werkzaam in hervormde stads- en dorpsgemeenten in Nederland en Amerika. Hij studeerde ook in Duitsland, Zwitserland (o.a. Jung-Instituut) en Amerika.
Hij was voorganger van de Protestantenbond in Rotterdam en stichtte daar in 1972 het centrum voor godsdienstige kontakten 'Interreligio' en een Raad van Religies.
In 1981 verbond hij zich aan de Faculteit voor vergelijkende Godsdienstwetenschappen in Antwerpen.