|
Het
Numineuze
Dr.
Tjeu van
den Berk
schreef
een
fascinerend
verslag
en
bespreking
van
persoonlijke
onuitsprekelijke
ervaringen
in de
kindertijd
van
Godfried
Bomans,
Harry
Mulisch,
Cesare
Pavese en
vele
anderen.
Tjeu van den Berk in de inleiding:
‘Ik kan
alleen
maar
zeggen
dat ik
zeer
dankbaar
ben dat
ik in
aanraking
kwam met
de
Italiaanse
auteur
Pavese,
de Duitse
theoloog
Rudolf
Otto, en
dat ik in
de ban
raakte
van de
Zwitserse
psychiater
Carl
Gustav
Jung.
Waarvandaan
die
fascinatie?
Volgens
mij
hebben
zij niet
alleen
het
numineuze
aan den
lijve
geproefd,
maar zij
bezaten
daarbij
ook de
benijdenswaardige
eigenschap
om,
zonder
hun
betrokkenheid
erop
kwijt te
raken,
die
ervaring
van een
afstand
te kunnen
bezien en
interpreteren,
Tot
besluit
van deze
inleiding,
en
tegelijkertijd
als
opmaat
voor het
gehele
boek,
citeer ik
een wat
mij
betreft
schitterende
gedachte
van de
beroemde
mytholoog
Joseph
Campbell.
Zij
vormde
vanaf het
begin de
leidraad
van dit
boek: ‘Men zegt dat we allemaal op zoek zijn naar de bedoeling van het leven. Ik denk niet dat we daar serieus naar op zoek zijn. Ik denk dat wat wij zoeken een ervaring is van levend zijn, zodat onze levenservaringen op het zuiver fysieke vlak weerklank vinden binnen ons eigen innerlijkste wezen en werkelijkheid, zodat we werkelijk de verrukking ervaren van levend te zijn.’’
Ik
voel mij
als
iemand,
die u
aan uw
kindertijd
moet
herinneren.
Nee,
niet
alleen
aan de
uwe:
aan
alles,
wat ooit
kindertijd
was.
Want
het gaat
er om,
herinneringen
in u op
te
wekken,
die
niet de
uwe zijn,
die
ouder
zijn dan
u.
Verhoudingen
moeten
worden
hersteld
en
samenhangen
vernieuwd,
die
van ver
voor uw
tijd
zijn.
(R.M.
Rilke)
|
Tjeu van den
Berk
Het numineuze
Zoetermeer,
Meinema, 2005.
ISBN 90 211
40403
Dit
schitterende
boek van Tjeu
van den Berk is
eigenlijk één
hommage aan de
theoloog Rudolf
Otto. Deze
lanceerde in
1917, in zijn
boek Das
Heilige,
het begrip
numineus.
Natuurlijk is
het – in het
kielzog van
Otto – ook een
hommage aan
Jung, die van
dit begrip een
uiterst
vruchtbaar
gebruik maakte.
Prachtig zoals
de auteur in
één zin Das
Heilige
karakteriseert:
“Op
benijdenswaardige
wijze weet een
groot geleerde
hier
vlijmscherp aan
te geven waar
alle
geleerdheid
noodzakelijkerwijs
op stuk moet
lopen.” Hier
ligt ook
precies de
reden waarom
Jung het begrip
van het
numineuze
volledig in
zijn
psychologie
heeft
geïntegreerd.
Jung lag met
alle theologen
overhoop,
behalve……met
Rudolf Otto!
Hoe kwam dit?
Daarvoor moet
men de situatie
van de
theologie nader
bekijken.
De vraag
dringt zich op:
Is theologie
wel een
wetenschap?
Vervalt zij
niet
voortdurend in
de methodische
fout om van
symbolen, op
zichzelf
staande
entiteiten te
maken? Jung
bewandelde de
omgekeerde weg.
Zijn
uitgebreide
studies over de
Triniteit, het
Misoffer enz.,
laten zien dat
dogma’s tot de
archetypische
symbolen van de
mensheid
behoren. Het
dogma is een
symbool voor
het
Onuitsprekelijk
Mysterie. Voor
die stelling
kreeg hij
vanuit de
theologische
wereld – zacht
uitgedrukt –
bepaald niet de
handen op
elkaar! Tot
zijn grote
verrassing vond
hij echter in
de theoloog
Rudolf Otto een
indrukwekkende
medestander.
Rudolf Otto
reikte hem de
categorieën
aan, volgens
welke het
Onuitsprekelijke
Mysterie
ervaren kan
worden, nl. als
iets
fascinerends,
dat ons
tegelijk met
huiver vervult.
Van deze
ervaringen nu,
heeft Tjeu van
den Berk
verzamelingen
aangelegd, die
hij in Het
Numineuze
becommentarieert,
analyseert en
op kenmerken
onderzoekt. Dat
doet hij op
indringende en
poëtische
wijze, met de
behoedzame
distantie,
waartoe het
Onuitsprekelijke
ons verplicht.
Een kleine
kanttekening
willen wij hier
maken bij het
laatste
hoofdstuk.
Nadat de auteur
de kenmerken
van de
numineuze
ervaring
(regressie,
verbeelding en
heelheid) op
het spoor is
gekomen, vraagt
hij zich af in
hoeverre
seksuele,
esthetische en
religieuze
ervaringen
numineus van
aard zijn. Dat
is nog een heel
gezoek en
getast en met
name bij het
onderscheid
tussen
religieuze en
numineuze
ervaring bekent
de schrijver
dat hij “daar
nog niet uit”
is. Naar ons
idee komt dat
doordat hij
religie en
godsdienst door
elkaar
gebruikt.
Religie is
alles wat de
mens tegemoet
komt als troost
in zijn
existentiële
nood van dood
en lijden. Die
troost kan op
de meest
uiteenlopende
wijze beleefd
worden: in
kunst, drugs,
wetenschap,
seksualiteit
enz. Godsdienst
is slechts één
van de
mogelijkheden
en betreft een
institutie, die
bestaat uit een
eredienst, uit
dogma’s enz. De
relatie met
religie is een
kwestie van
binnen- en
buitensluitend
verband, d.w.z.
godsdienst
zonder religie
kan niet
bestaan (het
wordt dan een
lege
vormendienst),
maar religie
zonder
godsdienst kan
zeer goed
bestaan. In dit
verband
bespreekt de
auteur de
wereldbeschouwing
van Einstein,
een typisch
voorbeeld van
een
niet-godsdienstig,
maar toch
diepreligieus
persoon. De
auteur staat
daar wat
ambivalent
tegenover. Als
hij beweert dat
numineuze
gevoelens niet
samenvallen met
religieuze
gevoelens,
bedoelt hij in
feite dat ze
niet
samenvallen met
de
godsdienstige
vormen waarin
ze vertolkt
kunnen worden.
Numineuze
gevoelens zijn
wezenlijk
troost in onze
existentiële
nood en als
zodanig gelijk
te stellen aan
religieuze
gevoelens.
Daarnaast zijn
zij vaak
gebrekkig en
geven dus vaak
maar gebrekkige
troost. Vanuit
dit inzicht
laat zich de
relatie met
seksuele en
esthetische
gevoelens
gemakkelijker
leggen. Tjeu
van den Berk
stelt dat deze
gevoelens soms
een numineus
karakter dragen
en soms niet.
Wij menen dat
er eerder
sprake is van
een gradatie.
Als in de
seksualiteit
het 'beest' in
ons wordt
losgelaten, kan
het numineuze
kenmerk van de
verbeelding nog
wel een rol
spelen, zij het
in de vorm van
rauwe,
Hieronymus
Boschachtige
beelden. Van de
regressie komt
niet veel
terecht; van de
heelheid nog
minder,
integendeel:
het ego laat
zich gelden en
de ander wordt
een lustobject.
Afgezien
van genoemde
onduidelijkheden,
is het boek
buitengewoon
helder
geschreven. Een
fraai voorbeeld
daarvan is het
begrip ziel,
zoals Jung dat
gebruikt. Het
is mij nooit
duidelijk
geweest waarom
hij dat begrip
naast het
begrip psyche
gebruikte.
Wilde Jung
daarmee
aangeven dat er
naast de psyche
nog een ander
‘geestelijk’
gebied bestaat?
Wilde hij
ruimte laten
aan de
christelijke
traditie, die
van een ziel
spreekt? In
hoeverre zijn
ziel en psyche
synoniemen van
elkaar? Beter
dan Jung (en
dat wil wat
zeggen!) geeft
Tjeu van den
Berk antwoord
op deze vragen.
“Het gaat in
het jungiaanse
begrip ziel
niet om een
theologische,
maar om een
psychologische
en biologische
notie. Tussen
de laag van het
zuiver
onbewuste en
het zuiver
bewuste bestaat
een
verbindingslaag,
een
overgangsgebied.
Dat
psychische
tussengebied nu
noemt Jung de
ziel!
(curs. TvdB) De
ziel eigent
zich archaïsche
trekken van het
onbewuste toe
en zal in
symbolen,
illusies,
ficties,
hallucinaties,
het bewustzijn
in beroering
brengen.
Het is deze
beroering die
ervaren wordt
als numineus.
(curs. TvdB)”
De ziel is dus
het orgaan, dat
numineuze
ervaringen
mogelijk maakt.
Dit zeer
goed leesbare
boek, helder
door zijn vele
voorbeelden, is
niet alleen een
hommage aan
Rudolf Otto,
ook niet alleen
een hommage aan
Jung, maar munt
vooral uit door
een
fundamenteel
begrip voor
diens
psychologie. In
die zin zou het
eigenlijk
verplichte
lectuur moeten
zijn.
Paul Revis