vrouwtje Laegieskamp 2005, foto R. de Wijs

Wespenspinnen in het Gooi

Het vrouwtje van de Wespenspin Argiope bruennichi is een opvallende verschijning: groot en opvallend getekend. Vooral als het achterlijf is opgezwollen vlak voor de eileg kan zij vaak groter dan 2 cm worden. Vanwege de geel-zwarte tekening (zie foto) wordt zij ook wel Tijgerspin genoemd.

Web
Het is een wielwebspin, zij maakt een web dat lijkt op dat van de alom bekende kruisspinnen. Toch is ook dit web heel herkenbaar, omdat het meestal 1 of 2 dichtgeweven zigzagstroken heeft, ook wel stabilimenten genoemd, die vertikaal naar beneden (bijna altijd) en naar boven (regelmatig) vanuit het midden van het web naar de rand lopen (zie foto rechts). Meestal is ook het centrum van het web van een dichtgeweven gedeelte voorzien. Dit maakt het web, ook zonder dat de spin erin zit, heel herkenbaar voor de aanwezigheid van deze soort.

Voortplanting
Het mannetje van deze soort wordt maar weinig gezien, het is veel kleiner en minder opvallend en leeft ook veel korter, omdat het na de paring meestal door het vrouwtje wordt opgegeten. Een maand na de paring worden door het vrouwtje eitjes afgezet, waar zij een omhulsel omheen weeft, meestal in augustus. Deze ei-cocons zijn wederom heel karakteristiek, het zijn perkamentachtige bruine balletjes van 1-1.5 cm doorsnede met vertikale donkere strepen (zie foto onder). Deze zijn ook in de winter nog te vinden, wat het inventariseren ook in die periode nog mogelijk maakt. De jonge spinnetjes verlaten de cocon meestal in maart, zij overwinteren als ei. Na een eerste vervelling spinnen zij hoog in de vegetatie een draad, waaraan ze zich door de wind laten meevoeren (ballooning). Hierdoor kunnen zij grote afstanden afleggen.

vrouwtje met cocon Laegieskamp 2005, foto R. de Wijs Leefgebied
Het leefgebied bestaat doorgaans uit wat ruigere, maar niet te hoge vegetatie, zoals pitrusvelden, maar ook ruige heiden en graslanden. De webs bevinden zich zelden hoger dan 0.5 m boven de grond. Het hoofdvoedsel bestaat meestal uit sprinkhanen, maar ook andere insecten worden genuttigd.

Uitbreiding
De Wespenspin kwam oorspronkelijk alleen in zuid-Europa voor, maar is de vorige eeuw begonnen met een opmars naar het noorden. Er wordt alom aangenomen dat dit met het warmer worden van ons klimaat te maken heeft. De soort werd in 1980 voor het eerst in ons land aangetroffen in Limburg. In de jaren hierna breidde de soort zich uit over Limburg, Oost-Brabant, Nijmegen en de zuid Veluwe, maar rukte na 2000 ook steeds verder op naar het noorden en westen. Inmiddels zijn er al waarnemingen in Friesland en Groningen in het noorden en zuid Kennemerland in het westen.

Het Gooi
Wespenspinnen in 2004 Omdat ik mij afvroeg wanneer deze soort het Gooi en omgeving zou bereiken, ben ik hier vanaf 2002 gericht naar gaan zoeken. Behalve een waarneming in 2001 op de Bussummerheide, waarvan ik geen details heb, werden die door mij echter niet aangetroffen. Dit was des te verrassender omdat er wel waarnemingen van deze spin waren in de omgeving van Utrecht, op toch maar ruim 10 km afstand van het Gooi. Ook in 2003 kon ik er nog geen vinden, pas in de nazomer van 2004 vond ik de eerste eicocons. Deze bevonden zich net buiten het niet-toegankelijke Hilversums Wasmeer. Ik vroeg en kreeg toestemming dit gebied nader te inspecteren en vond toen 13 eicocons. Dit wees op een kleine populatie, die zich dus misschien ook al een jaar eerder gevestigd kan hebben. Pas in 2005 vernam ik dat er in 2004 ook al een klein aantal was gevonden in het Laegieskamp, ten westen van Naarden. Op een groot aantal andere plaatsen, die op het oog geschikt leken, kon ik aanwezigheid echter nog steeds niet vaststellen.



2005
Wespenspinnen in 2005 Dit veranderde in 2005. Niet alleen waren de twee genoemde populaties uitgebreid tot ruim 30 resp. 42 exemplaren, bovendien werden eenlingen gevonden op heideveldjes ten oosten van het Laarder Wasmeer, midden in Hilversum langs de spoorlijn, bij het Naardermeer en zeker 3 exemplaren op een van de 's Gravelandse buitenplaatsen. Op al deze plekken had ik de twee jaren hiervoor ook gekeken, maar ze toen nog niet aangetroffen. Hiervan is dus vrij zeker dat 2005 het eerste jaar van voorkomen was.

2006
In 2006 ging de toename nog veel verder. Nu bleken diverse gebieden, waar ze in 2005 nog niet zaten, wel bevolkt te zijn geraakt en de bekende populaties waren gegroeid. Daarnaast werden ook nog nieuwe populaties gevonden op plaatsen waar nog niet eerder was gekeken (als paarse stippen op de kaart), evenals wat losse eenlingen.




Wespenspinnen in 2006 Maar ook in 2006 zijn diverse gebieden bezocht die potentieel geschikt leken, maar nog niet gekoloniseerd waren. Er was dus nog steeds plaats voor uitbreiding.



2007
Ook in 2007 ging de uitbreiding dan ook gewoon verder. De bekende populaties groeiden meestal verder, met als grootste de twee nu al 4 jaar bekende plekken, het Laegieskamp en het Hilversums Wasmeer. De toename in het Laegieskamp (Koeienmeent) was het sterkst: van minimaal 93 in 2006 naar minimaal 476 in 2007! Het is daarmee verreweg de grootste populatie in de regio. Ook de toename op de Bussummerheide was opvallend, zodanig zelfs dat er enkele dieren in een woonwijk terechtkwamen, waarvan een foto de krant haalde.
Op sommige heidevelden nam de soort flink toe. Dat had vermoedelijk te maken met de uitbreiding van hoge opgaande grassen (pijpestrootje, bochtige smele) op plaatsen waar geen begrazing plaatsvindt (dus buiten het raster). Dit is misschien mede het gevolg van de natte zomer. Behalve op de Bussummerheide trad dit ook op op de Franse Kampheide en de Zuiderheide. Op begraasde heidevelden werd de soort nergens aangetroffen wegens het ontbreken van die opgaande grasbegroeiing. Begrazing leek echter geen remmende invloed te hebben op plaatsen met een begroeiing die toch al ruig is, zoals Laegieskamp en Hilversums Wasmeer.

Wespenspinnen in 2007 De soort nam echter niet overal toe. Sommige kleine vestigingen bleken weer verlaten, wat bij enkelingen wel te begrijpen valt (vooral als er geen mannetje was meegekomen). Maar met name in het Naardermeer (aan de oostrand en bij de Visserij) was sprake van een afname, die plaatselijk sterk was. Of dit te maken heeft met een verschil in hoofdvoedsel ten opzichte van vitale populaties (zoals in het Laegieskamp) is mij nog niet duidelijk. Maar misschien is het (onbekende) hoofdvoedsel in het Naardermeer erg gevoelig geweest voor de natte zomer, meer dan op de andere plekken (sprinkhanen aldaar?).



2008
In 2008 heb ik er van afgezien om deze soort nog verder zo grondig te inventariseren. Ik zal vanaf nu moeten volstaan met de ingevoerde waarnemingen op waarneming.nl en heb de regionale waarnemers verzocht hun waarnemingen hierop steeds in te voeren. Ik heb dat zelf ook gedaan met mijn eigen waarnemingen, als bijproduct van het sprinkhanenwerk. Het resulterende globale kaartje toont een vergelijkbaar, maar minder goed ingevuld, patroon als 2007. Wel viel me op dat later in het seizoen er nog maar betrekkelijk weinig sporen van deze soort waren te vinden in het bolwerk het Laegieskamp (Koeienmeent). Misschien een gevolg van de natte en sombere zomer? In de spoorwegdriehoek in hartje Hilversum was de soort ook nog steeds aanwezig.

Vragen
Het veldwerk wordt nu gestart in de periode dat er volwassen spinnen en hun karateristieke webben zijn (augustus), maar wordt gewoon voortgezet daarna, waarbij vooral de karakteristieke eicocons worden geteld (indien verder uiteen dan 30 cm). Hoe de aantalsrelatie is tussen die twee is mij eigenlijk nog niet bekend. Het zou dus zo kunnen zijn dat er op een plek eerst wel spinnen aanwezig zijn, maar vervolgens toch geen eicocons (omdat alle spinnen zijn overleden alvorens zij zich konden voortplanten). Bij een natte zomer, zoals dit jaar, zou dat een mogelijkheid zijn. Dat zou een verklaring kunnen zijn voor het feit dat bijv. Christian Brinkman eerst wel zo'n 30 spinnen zag op de Zanderij Crailo, terwijl ik op die plek later geen enkele eicocon aantrof (alleen 1 exemplaar op een andere plek). Of dat ook in het Naardermeer zo is gebeurd weet ik niet, maar op 1 plek aldaar zaten ook eerder in de nazomer al geen spinnen meer (wel in het voorgaande jaar). Dat zou dan eerder duiden op het feit dat ze misschien ook de winter al niet waren doorgekomen. Wat de invloed is van winterbegrazing op de overleving van eicocons weet ik niet (maar die invloed is er zeker wel), evenmin weet ik hoe dat zit met predatie (door bijv. vogels, egels, spitsmuizen). Gelukkig is er nog veel te onderzoeken aan deze soort, hoewel ik me wel begin af te vragen of dit nog wel in mijn vrije tijd kan worden uitgevoerd......



Bronnen:
  • Linden, J. van der. 2004. 2003: een topjaar voor de wespenspin Argiope bruennichi (Araneae: Araneidae). - Waarnemingenverslag Ongewervelden 2004, EIS Nederland, de Vlinderstichting & de Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 27-30.
  • www.waarneming.nl.

Delen van deze tekst verschenen eerder in Tussen Duin en Dijk 2006 (2)

Laatste wijziging 16 november 2008
(c) Rombout de Wijs


Home