Ro 4:3 Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.

Ro 4:4 Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting.

Ro 4:5 Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid,

Ro 4:6 gelijk ook David de mens zalig spreekt, aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken:

Ro 4:7 Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn.

Ro 4:8 Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen.

Ro 4:9 ¶ Geldt deze zaligspreking dan de besnedene of ook de onbesnedene? Wij zeggen immers: Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend.

Ro 4:10 Hoe werd het hem dan toegerekend? Was hij toen besneden of onbesneden? Niet besneden, maar onbesneden.

Ro 4:11 En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun de gerechtigheid zou worden toegerekend,

Ro 4:12 en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze vader Abraham in zijn onbesneden staat bezat.

Ro 4:13 Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs.

Ro 4:20 maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer,

Ro 4:21 in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen.

Ro 4:22 Daarom ook werd het hem gerekend tot gerechtigheid.

Ro 5:1 ¶ Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus,

Ro 8:1 ¶ Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn.

Php 3:9 ¶ en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof.

Ro 4:6 gelijk ook David de mens zalig spreekt, aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken:

Ro 4:11 En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun de gerechtigheid zou worden toegerekend,

Ro 4:22 Daarom ook werd het hem gerekend tot gerechtigheid.

Ga 2:16 wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der wet, maar door het geloof in Christus Jezus, zijn ook zelf tot het geloof in Christus Jezus gekomen, om gerechtvaardigd te worden uit het geloof in Christus en niet uit werken der wet. Want uit werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden.

Ga 3:6 ¶ Op dezelfde wijze heeft ook Abraham God geloofd en het is hem tot gerechtigheid gerekend.

Jas 2:23 en het schriftwoord werd vervuld, dat zegt: Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd.

Isa 61:10 ¶ Ik verblijd mij zeer in de Here, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit.

Mt 22:11 Toen de koning binnentrad om hen, die aanlagen, te overzien, zag hij daar iemand, die geen bruiloftskleed aanhad.

Mt 22:12 En hij zeide tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier gekomen zonder bruiloftskleed? En hij verstomde.

Lu 15:22 Maar de vader zeide tot zijn slaven: Brengt vlug het beste kleed hier en trekt het hem aan en doet hem een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten.

Ga 3:7 Gij bemerkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn.

Ga 3:8 En de Schrift, die tevoren zag, dat God de heidenen uit geloof rechtvaardigt, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkondigd: In u zullen alle volken gezegend worden.

Ga 3:9 Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham.