Virtualiter
Columns in: KB
Centraal, Huisorgaan van de Koninklijke Bibliotheek
(jaargang 24, 1995)
Door: Marco de Niet
1. KB
op de TV
2.
Digitale wenskaarten
3.
De Navorscher
4.
Yahoo!
5.
Arachne en andere 'webwanderers'
6.
Gastenboek
7.
Ongewenst
8.
Oud en nieuw
9.
Interactief
10.
Virtuele apocalyps
1.
KB op de TV
De KB op de computer
op de televisie. Toegegeven, het duurde maar luttele seconden en de voice-over
verkondigde `Bibliotheek van het Koninklijk Huisarchief' (NOS-journaal
van 21 december 1994 om 18:00; in latere bulletins werd dit gecorrigeerd),
maar toch. De Nederlandse overheid wil in Europees opzicht voorop lopen
bij het aanleggen van een nationaal computernetwerk, en presenteerde als
eerste in Europa een Nationaal Actieplan Electronische Snelwegen.
Als een van de toepassingen op het Internet koos de redactie van het NOS-journaal
Alexicon, de World Wide Web-dienst van de KB, uit. Als betrokkene ben je
uiteraard verrast en trots, wanneer je door de strepen van het computer-
en televisiescherm heen je werk ziet. Dat als eerste voorbeeld een Internetdienst
van een bibliotheek wordt uitgezonden, is bovendien te beschouwen als een
kleine compensatie voor het feit dat er in het hele beleidsplan van de
overheid met geen woord gerept wordt over de rol van bibliotheken als verzamelaars
en intermediairs van elektronische informatie. Verrast, trots en tevreden,
maar toch...
Onze WWW-dienst
omvat op dit moment nauwelijks meer dan een ingang naar onze gopher-dienst
Alexicon en enkele fraaie foto's, geschoten tijdens de Ex Libris-vliegtochtjes
in de zomer van 1994. Waarom wordt onze server dan uitgekozen voor uitzending?
Uit eerbied voor de KB? Niet waarschijnlijk, gezien de foute begeleidende
tekst. Vanwege de mooie foto van de KB, gemaakt door Lydia van Rijswijk?
Niet waarschijnlijk, want zo fotogeniek is de KB niet van bovenaf. Het
gevoel bekruipt je, dat iets niet helemaal klopt. Hoe kan een digitale
afbeelding van de KB nu als representatief worden beschouwd voor de mogelijkheden
van de elektronische snelweg? Voor het NOS-journaal waren er blijkbaar
weinig aantrekkelijke alternatieven. Bij gebrek aan beter dus? Dat is koren
op de molen voor de criticasters van het Internet. En helemaal ongelijk
hebben ze niet: de eenoog mag dan koning zijn in het land der blinden,
hij blijft een gehandicapte.
De KB op de computer
op de televisie. Een mooi startschot om in KB-Centraal voortaan verslag
te doen van de race op de elektronische snelweg: het wel en het wee, de
winnaars en de verliezers, de spelregels en de overtreders. Het gejakker
en gejaag, waar ook de KB zich aan overgeeft, kan niet iedereen bekoren;
maar, zo wordt steeds gezegd, niemand kan eraan ontkomen. En als het aan
mij ligt zàl ook niemand in de KB eraan ontkomen. Binnenkort wordt
de eerste versie van de Alfa Informatie Werkplek geïnstalleerd in
de cataloguszaal. Toegegeven, we zijn niet de eerste met dergelijke werkplekken,
en echt geavanceerde toepassingen zullen er nog niet op geïnstalleerd
worden. Maar toch!
Uit: KB Centraal
24 (1995), nr. 1/2, p. 4
2.
Digitale wenskaarten
`Veel plezier in de
nieuwe woning'. `Veel geluk gewenst met de kleine'. Merkwaardig toch dat
mensen massaal genoegen nemen met al die saaie, oncreatieve teksten op
al die sterotiepe, quasi- humoristische wenskaarten om de vriendschapsbanden
uit te drukken. De grootste creatieve daad die je verricht is het draaien
aan het rek waar de kaarten in staan (keuze: naar links of naar rechts),
terwijl je je ogen beweegt (keuze: van boven naar beneden of omgekeerd).
Is het raar om een zelfgeschreven `Ik mis je' op een Post-it in
een envelop op de bus te gooien in plaats van een niet-zelf bedachte spreuk
op een niet- zelf ontworpen kaart? Een beetje wel.
Blijkbaar is de
vorm (`intentie' noemen we dat in dit geval) belangrijker dan de persoonlijke
inbreng. Dat komt wel vaker voor in persoonlijke contacten. Een slecht
vormgegeven sollicitatiebrief roept een negatieve reactie op, nog voor
één letter gelezen is over de capaciteiten van de persoon
in kwestie. Iemand die een hekel heeft aan de telefoon, zal zeker geen
lange telefoongesprekken voeren en dus nooit ervaren hoe ontboezemend het
kan werken om met iemand te praten zonder in zijn/haar ogen te hoeven kijken.
Om nog maar te zwijgen over e-mail: is er iets kouder en killer denkbaar
dan je gevoelens via de computer kenbaar te maken?
Toch biedt juist
dit nieuwe medium nieuwe kansen voor persoonlijke contacten. Bill Clinton
heeft dat als een van de eersten ingezien. Die heeft voor iedere Internetgebruiker
die hem wat te zeggen heeft, serieus of niet, een virtueel dankwoordje
paraat. Denk eens aan de mogelijkheden: Prins Bernhard beterschap wensen
in het ziekenhuis en dan ook nog een alleen aan jou geadresseerd berichtje
terugkrijgen (in plaats van een onpersoonlijk bedankje via de TV). Veel
sneller dan met een telegram kun je iemand succes wensen wanneer het erop
aankomt. Of tussen de weeën door je blieb laten klinken in de verloskamer.
Of die nieuwe collega in het buitenland complimenteren met haar uitstekende
artikel in een vakblad. Allemaal wensen met een zelfbedachte en zelfgetypte
inhoud.
En wat vind ik
via de computer van de Universiteit van Stanford? Kant en klare elektronische
wenskaarten in The Electronic Postcard! Mogelijkheden te over om (al)weer
eens wat van je te laten horen, bijvoorbeeld met een Valentijnskaart. Is
er niemand aan wie je een Valentijnswens kan sturen? Klik dan op de muis
en je bent doorgeschakeld naar de rubriek persoonlijke contactadvertenties.
`Attractive SBF seeks friend for romantic evenings in front of the fireplace'.
Zo iemand stuur je toch een (zelfbedacht) mailtje?
O ja, morgen vier
ik mijn virtuele verjaardag...
Uit: KB Centraal
24 (1995), nr. 3, p. 6
3.
De Navorscher
Bij de tiende verjaardag van De
Boekenwereld in 1994 verscheen Geboekt in jaargangen, anderhalve
eeuw boekentijdschriften in Nederland. In deze `lof der voorgangers'
schreef de Haarlemse antiquaar A.G. van der Steur over De Navorscher
(1852-1960), een tijdschrift `met vervolgartikelen die over meer dan tien
jaargangen werden gespreid en vragen die soms na een halve eeuw werden
beantwoord', zoals de ondertitel van zijn artikel leert. De Navorscher
is vooral bekend gebleven om zijn vragenrubriek. Omdat de historische wetenschappen
nog in de kinderschoenen stonden in de negentiende eeuw, liepen vele onderzoekers
met onbeantwoorde vragen rond. De Navorscher bood hun de gelegenheid
die vragen te stellen. Een greep uit jaargang 25 (1875): Waar stond het
`Huis van Maes'? Waar komt de scheldnaam `weegluis' voor exercitie-genootschappen
vandaan? Wie weet iets over het 17de-eeuwse spel `Lansquenet'? Een soort
intellectuele Winkel van Sinkel dus.
Een enquête in de kennissenkring van Van
der Steur leerde hem dat er vele onderzoekers zijn die zo'n vragenrubriek
in ere hersteld zouden willen zien. `Zou dan de tijd niet rijp zijn voor
een Nieuwe Navorscher [...]? Of zou het een idee zijn de vragen
en antwoorden in een culturele weekendbijlage van een dagblad of in een
algemeen weekblad op te nemen? Qua snelheid en lezerskring zou dit laatste
natuurlijk te verkiezen zijn'.
Het moge duidelijk zijn dat Van der Steur nog
geen email-gebruiker is. Wat hij hoopt weer nieuw leven in te kunnen blazen,
bestaat immers al in de virtuele informatiestroom, en met succes! Met computernetwerken
kan men dwars door alle kennisgebieden heen deelnemen aan vraag-en-antwoord-lijsten.
Er zijn `babbelboxen' voor fietsers en sigarenrokers, maar ook discussielijsten
over het chromosoom X en het reilen en zeilen in Nederlandse bibliotheken
(NEDBIB-L). NEDER-L, het tweewekelijkse periodiek over Nederlandse taal-
en letterkunde, is uitgegroeid tot een volwaardig tijdschrift met meer
dan 500 abonnees en een eigen ISSN. Naast vragen en antwoorden vindt men
columns, artikelen en boekbesprekingen. Een vakbibliografie als de Bibliografie
van de Nederlandse taal- en literatuurwetenschap, waarin tijdschriften
met veel kleinere ledenbestanden worden opgenomen, kan er mijns inziens
niet meer omheen om ook dit tijdschrift te gaan ontsluiten.
Iedereen met een email-adres kan (gratis) abonnementen
nemen op deze tijdschriften. In het blad (!) Surfnet Bulletin worden
de nieuwste discussielijsten aangekondigd. Het is alleen te hopen, dat
wanneer je een vraag stelt op zo'n lijst, je niet een halve eeuw hoeft
te wachten op een reactie, zoals wel in De Navorscher gebeurde.
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr. 4, p. 9
4. Yahoo!
In 1710 begint kapitein Lemuel Gulliver vol goede
moed aan zijn vierde ontdekkingsreis, `to boldly go where no man has gone
before'. Het zit hem niet mee. Nadat veel van zijn mannen aan tropische
koorts zijn overleden, moet hij noodgedwongen onbetrouwbare manschappen
inhuren om zijn avontuur voort te kunnen zetten. Wat hij vreest, gebeurt:
het schip wordt gekaapt, de bemanning vervalt tot piraterij en Gulliver
wordt gedumpt. Hij belandt op een eilandje, waar hij oog in oog komt te
staan met zeer hoffelijke en wijze paarden, de Houyhnhnms. Tot zijn schaamte
herkent hij in de stinkende en stomme Yahoos een iets hariger evenbeeld
van zichzelf. Krampachtig probeert hij aansluiting te zoeken bij de Houyhnhnms,
die hun bestaan baseren op de rede. Jonathan Swift, de auteur van Gulliver's
travels, laat er geen twijfel over bestaan: de mens, de Yahoo, met
zijn hoogmoedige aard en zijn kleingeestige zucht tot oorlog voeren, is
geen wezen om jaloers op te zijn. Wie anno 1995 als een moderne Gulliver
over de zeven zeeën van Internet navigeert, loopt grote kans een Yahoo
tegen het lijf te lopen. Sterker nog, je moet moeite doen om dé
Yahoo te ontwijken: het is namelijk de populairste Internetdienst. Maar
vrees niet: de digitale Yahoo is geen vunzige aap die van grote hoogte
op je hoofd schijt, zoals bij Gulliver gebeurde, maar een keurige classificatie-dienst.
Yahoo is opgezet door de Universiteit van Stanford, maar wordt inmiddels
gesponsord door computerbedrijven. Degene die iets interessants wil melden
via Internet, kan zijn informatiedienst bij Yahoo laten plaatsen in een
van de hoofdrubrieken, zoals Government, Education of News, of in een van
de vele subrubrieken - wie verzot is op classificatiesystemen kan hier
zijn hart ophalen -. Wekelijks gebruiken vele tienduizenden mensen Yahoo,
waarin zo'n 40.000 Internetdiensten zijn gerubriceerd. Er wordt een (a-sexuele)
top 50 bijgehouden. De top 5: Entertainment, Computers, Society and culture,
Art en Business. Internet slaat dus aan bij een zeer brede groep: muziekliefhebbers,
computerfreaks, cultuurliefhebbers, onderzoekers, zakenlieden! Je kunt
vraagtekens zetten bij het maatschappelijk belang van Internet op korte
termijn, maar om het een hype te noemen die alweer bijna passé
is, zoals Kees van Kooten onlangs deed (Humo, 27 april jl.), is
nonsens. Het zegt meer over het falen van televisiemakers om Internet toe
te voegen aan hun oppervlakkig geworden medium. Maar dit terzijde.
Yahoo is te bereiken op het volgende Internetadres:
`http://www.yahoo.com/'. De digitale Honderd Hoogtepunten uit de KB,
sinds kort toegankelijk via Internet, zijn ingedeeld in de rubriek `Art/exhibits',
onder de A van `A Hundred Highlights'. Toch maar goed dat ze de dienst
niet `Houyhnhnm' hebben genoemd.
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr. 5, p. 17
5. Arachne en
andere 'webwanderers'
Het hoog gelegen koninklijk paleis van
de Zon rustte op rijzige kolommen. Hel schitterde het van het goud en van
de vlammen die op goudbrons leken.
Ongetwijfeld is Ovidius' Metamorphoses één
van de mooiste verhalenbundels ooit geschreven. In zo'n 250 verhalen over
liefde en gedaanteverwisselingen verklaart de Romeinse dichter het ontstaan
van het heelal, de aarde, de natuur en het mensengeslacht. De poëtische
kracht van het werk is zo sterk dat wij nog steeds sterrenstelsels, bergen,
rivieren, bloemen en insecten associëren met deze verhalen, zoals
de vertelling over de overmoedige spinster Arachne, die de godin Minerva
uitdaagde tot een weefwedstrijd en, uiteraard, verloor. Als straf moest
ze haar leven als spin voortzetten. Ovidius weet de verbeelding van de
lezer sterk te stimuleren. En een mens kan nu eenmaal makkelijker met beelden
uit de voeten, dan met woorden of abstracties. Wie zich nu, na een werkdag
achter een computerscherm overgeeft aan Morpheus, droomt in beelden, niet
in letters. De levensduur van volkswijsheden hangt veelal af van de aantrekkelijkheid
van hun beeldspraak. En de doorbraak van de computer naar het alledaagse
leven is ongetwijfeld te danken aan de beeldspraak, die heer en meester
is in de virtuele wereld.
Ontwikkelaars gebruiken beelden om een technisch
concept begrijpelijk te maken voor gewone mensen. Wie achter een moderne
computer gaat zitten, hoeft niet te piekeren over de formule die moet worden
ingetypt. Men opent en sluit vensters, of drukt op knoppen die driedimensionaal
lijken, bewaart e-mailtjes in virtuele ordners of `dieliet' een bestand
door het in een prullenmand te gooien. Internet blijft niet achter: daar
is `biologische beeldspraak' inmiddels een gekte van wereldformaat geworden.
De Universteit van Minnesota heeft een belangrijke
aanzet gegeven door hun informatiesysteem te vernoemen naar de plaatselijke
grondeekhoorn, `gopher', waarmee je van computer naar computer kunt `wroeten'.
Maar de verbeelding werd pas goed geprikkeld met de komst van het World
Wide Web. Met name het woord `Web' stimuleerde de creativiteit. Als de
Zwitserse bedenker zijn communicatienetwerk `World Wide Network' had genoemd,
hadden we heel wat natuurlijke beeldspraak moeten missen. Inmiddels beschikken
we over webspiders, webwanderers, webcrawlers en informatiediensten
met namen als Lycos (kort voor Lycosidae, een spinnenfamilie), World Wide
Web Worm en The Internet Sleuth (bloedhond). Er is ook een server
over kantklossen, die heel toepasselijk naar Arachne, de spin der spinnen,
genoemd is. Wie weet zijn het juist digitale verwijzingen als deze die
ervoor zorgen dat er over twintig eeuwen nog steeds mensen zijn bij wie
de mooie verhalen van Ovidius tot de verbeelding blijven spreken.
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr. 6, p. 6
6. Gastenboek
De virtuele versie van Honderd Hoogtepunten uit
de Koninklijke Bibliotheek ging in april van dit jaar de glasvezelkabel
op. Vanaf het begin liep het storm. In mei en juni werd deze `tentoonstelling'
ruim 10.000 maal bezocht, dat is meer dan 350 keer per dag. Inmiddels hebben
ruim 400 bezoekers uit 25 landen de moeite genomen het gastenboek te tekenen.
De meeste gasten zijn Amerikanen, op de voet gevolgd door Nederlanders.
Canada en België volgen op ruime afstand. Het is aardig om temidden
van deze westerse overdaad ook een enkele Hongaar, Egyptenaar, Taiwanees
of Nieuwzeelander aan te treffen.
Nederlanders overzee
In het oog springend is het grote aantal Nederlanders
overzee dat getekend heeft. Kayla en André Janssen en anderen uit
good ol' US of A zijn blij verrast iets van Nederlandse cultuur
op het Internet aan te treffen. David A. Hoekema van het Calvin College
laat ons weten dat zijn vader in Drachten is geboren. Deborah Elliott Davis
uit New York meldt een "Van Slyke descendent" te zijn. Bert Mullemeister
uit Australië vond het interessant te kijken naar `my old countries
Web pages'. Sommigen vragen om hulp bij het onderzoek naar hun roots:
`Ik zoek info over Popkensburg en meerdere connecties naar de laatste koning
of hertog der friezen Poppo of Bobba', aldus Pieter Popken en Peter JM
van Schaik uit Canada zoekt een plattegrond van westelijk Noord-Brabant
van voor 1800. Het gastenboek is gelijk een goede gelegenheid weer eens
iets in het Nederlands te schrijven, wat soms curieuze formuleringen oplevert:
`Het is blijkbaar dat Nederland aan andere Europese landen voorafgaat wat
de informatiesnelweg betreft. Uw bibliotheek is zeer merkwaardig', aldus
John W. Barker. Dirk de Vos van Purdue University stelt: `erg mooi zou
ik Uw titel pagina durven noemen!'.
De Honderd Hoogtepunten worden ook gebruikt
om andere relaties met Nederland of de KB aan de orde te stellen. Digitale
groeten zijn er voor `Patricia van het Gymnasium Haganum', en ook Eveline
Berghuis en Theda (!) Vermeulen krijgen een digitale groet uit het buitenland.
Chris Kelley schrijft: `My family may be moving to the Netherlands for
a work assignment... this is a great way to learn about your country'.
Margot Lindsay van de University of London zoekt informatie over de medisch-historische
collectie in de Universiteit van Leiden. Geen enkele relatie met Nederland
(voor zover ik kan overzien) heeft de vraag van William Tranmer uit Georgia:
`I am looking for a copy of The American Anthem'. Er zijn ook bezoekers
die zichzelf al bediend hebben: `ik vond zomaar een stuk informatie voor
de scriptie van een vriendin'.
Kritiek en complimenten
Van geheel andere aard zijn de opmerkingen over
de online verbinding. Het is wellicht een schrale troost voor een ieder
die wel eens moedeloos naar het scherm zit te staren, in afwachting van
wat (van ver) komen gaat, dat ook het omgekeerde voorkomt. Met name Amerikanen
klagen over de tijd die nodig is om een plaatje over te halen. Maar ook
Nederlanders zijn niet altijd tevreden. Wie inlogt via een modem moet geduld
hebben om de afbeeldingen, gemiddeld 150.000 bytes groot, op het scherm
te krijgen. Er zijn wel tegenstrijdige geluiden. Wingelaar van het ministerie
van Verkeer & Waterstaat laat weten `voor de gemiddelde burger gaan
de tikken naar de PTT', maar zijn collega Mout van het ministerie van Landbouw,
Natuurbeheer & Visserij vindt het `mooi! en snel...'. Het is bekend
dat je het nooit iedereen naar zijn zin kunt maken, maar wat moet je nu
denken bij klachten als `More technical stuff please...' en `Er is niks
voor kinderen van 6 tot 15 jaar'. Merkwaardig vind ik ook de reactie van
een groep BDI-studenten uit Groningen die aanstoot neemt aan ons copyright-teken
op de afbeeldingen, en stelt dat het copyright ligt (lag) bij de oorspronkelijke
uitgevers van de topstukken.
Daartegenover staat dat er tientallen extreme
complimenten in het gastenboek te vinden: `one of the top five services
on the WWW', `een oase van bezinning', `fascinating reading', `the best
rare book stuff on the Web' en `superb exhibition. It illustrates the potential
of the World Wide Web. It's one world, person to person, we can bypass
the politicians', aldus een opgetogen William T. Smith jr. JD MD. Die verbroedering
door het Internet zie je overigens ook op een andere manier in het gastenboek.
Paco Tolson laat ons weten `my uncle has come here and looked up a different
piece every day after his discovery'. Het gastenboek wordt ook getekend
door groepjes mensen die samen op het Internet surfen, of elkaar op de
hoogte houden van hun vondsten: op 12 en 13 juni ging het nieuws over de
expositie als een lopend vuurtje onder onze collega's van de Overijsselse
Bibliotheek Dienst.
Volstrekt nietszeggend (of juist veelzeggend
over de personen?) zijn opmerkingen als `none yet, didn't look around'
en `I'm signing the guestbook before I've browsed'. Toppers vind ik: `I
don't know where I've been or how I got here', `Greetings to grandpa '
s wo men shi gongnung zidibing', getekend db.sm, priv. art, china &
great germ' en `er zijn helemaal geen remarks te bemerken, proficiat' van
WP, de staat, belgium. Nee, dan kan ik toch beter uit de voeten met een
intekening zonder commentaar van iemand als Umberto Eco. Heldere taal vind
ik ook Piet Wesselmans uitroep: `Fantastisch! Maak er duizend hoogtepunten
van!'
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr.7/8, p. 11
7. Ongewenst
`In ons bestaan kennen we slechts twee tragedies:
de ene is dat men niet krijgt wat men wil, de andere dat men het juist
wel krijgt', aldus beschavingsdeskundige Oscar Wilde. De materiële
welvaart heeft ons in het huidige fin de siècle een derde
tragedie opgeleverd: men krijgt wat men níet wil. Terwijl de Nederlandse
televisie hard op weg is één monotone (lawaaiige) reclameboodschap
te worden; terwijl de NS-stations langzamerhand wat stenen rondom reclameborden
worden, waar treinen hinderlijk voorlangs rijden; terwijl iedere culturele
uiting alleen nog gesponsord mogelijk lijkt, is de laatste protestmars
tegen commercie op het Internet ingezet.
Vol trots praten vroege Internet gebruikers over
de anarchistische ontwikkeling ervan: het net groeide niet dankzij een
vastomlijnd plan, maar dankzij de enthousiaste inzet van individuen. `Eén
voor allen, allen voor het Internet' was een toepasselijk slogan. Was,
want het Internet is inmiddels van een global village een global
market geworden: ieder voor zich. Vorig jaar werd een advocatenkantoor
afgestraft omdat het de euvele moed had gehad een vacature rond te sturen
via enkele discussielijsten. De anti-commerciële gelederen sloten
zich loyaal: de computer van het kantoor bezweek onder een bombardement
van boze reacties. Maar iedereen is inmiddels gewend geraakt aan de logo's
van sponsors op Internetdiensten. Elk zichzelf respecterend Amerikaans
bedrijf heeft een besteldienst op het Internet en de eerste virtuele winkelcentra
zijn al in gebruik.
Nu deze passieve vormen van commercie zijn geaccepteerd,
is het niet verwonderlijk dat er methoden worden ontwikkeld voor agressievere
computer-aan-computer-verkoop. Eén daarvan heet spamming:
een reclameboodschap wordt naar een centrale computer gestuurd die zorgt
voor distributie onder zoveel mogelijk Internetgebruikers. Het blijkt niet
mogelijk de digitale deur dicht te gooien in het gezicht van de verkoper,
omdat die steeds een ander Internetadres gebruikt. Soms wordt hier laconiek
op gereageerd. Deelnemers aan de discussielijst SHARP-L (gewijd aan boekgeschiedenis)
vonden de oorsprong van het woord spamming interessanter dan het
verschijnsel op zich (conclusie: het woord dankt zijn populariteit aan
een sketch van Monty Python). Maar toen de discussielijst voor Nederlandse
bibliotheekmedewerkers NEDBIB-L onlangs uit haar dufheid opschrok door
reclame voor een aantal Internetcursussen, werd dagenlang verontwaardigd
gemeld hoe ongewenst dit wel niet was. Dergelijke protesten, hoe terecht
ook, hebben iets tragisch. Evenals de boosheid over het negeren van het
NEE op je brievenbus nergens op afgereageerd kan worden (alhoewel terugsturen
zonder postzegel nog wel eens wil helpen), levert boosheid over misbruik
van de openheid van het Internet niets positiefs op. Een tragedie, niet?
Een luxetragedie, dat wel.
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr.9, p. 5
8. Oud en nieuw
`Het is langer oud dan nieuw', zei mijn grootmoeder
vaak, en zij was een wijze vrouw. In minder dan twee jaar is academisch
Nederland het Internet gretig gaan gebruiken. De cijfers over de groei
van de elektronische snelweg in ons land zijn meer dan positief: inmiddels
zijn er aan wetenschappelijke en andere instellingen ongeveer 150.000 gebruikers
van Surfnet, veel meer dan werd verwacht. Dat betekent niet dat elke onderzoeker
al ervaring heeft met de nieuwe informatiediensten. Pas als op grote schaal
faciliteiten als de Alfa Informatie Werkplek geïnstalleerd zijn in
bibliotheken, zal het Internet voor hen van een intrigerend nieuw fenomeen
een alledaagse vertrouwdheid worden. Aangezien er ook steeds meer mogelijkheden
komen voor mensen thuis om op Internet te surfen, is het nog maar een kleine
sprong naar een brede acceptatie ervan. De kracht zit 'm in de veelzijdigheid:
het is een communicatiemiddel (zoals de `bakkies') én een informatiekanaal.
Televisiemakers realiseren zich die potentiële populariteit, want
ze zijn duidelijk zenuwachtig aan 't worden. Op krampachtige wijze proberen
ze deze concurrent in te palmen. Normaal gesproken worden de krant, het
weekblad of de radio gebruikt om mensen te verleiden TV te kijken, het
omgekeerde komt nauwelijks voor. Maar de omroepen maken inmiddels op TV
bekend, dat zij `nu ook op het Internet' zitten. Alsof de Internetgebruiker
niet allang genoeg heeft van de 30 kanalen troep die zij hem voorschotelen
en een goed alternatief heeft gevonden om te worden geïnformeerd én
vermaakt. Zielig zijn ook de pogingen om TV-kijkers een blik te gunnen
over de schouder van een Internetjunk. Gehannes met de camera en een slecht
leesbaar computerscherm zijn hun deel. Ik heb tot op heden slechts één
succesvolle poging gezien om de nieuwe media in te passen, en dat was een
kinderprogramma van de BBC. Wie een leuke mop wist, kon die live per fax
of email naar het programma sturen. Dat deden de `telekids' dus gretig!
Toch is het moeilijk te voorspellen hoe de TV
en de elektronische snelweg zich ten opzichte van elkaar gaan verhouden.
Mensen blijken uit gewenning nu eenmaal vasthoudender dan ze willen toegeven.
Vernieuwing vraagt niet alleen om rationeel begrip, maar ook emotionele
acceptatie. Hoeveel weerstand roepen doodgewone woorden als `kado' en `buro'
niet op, alleen omdat we op school hebben geleerd ze `op zijn Frans' te
spellen? Hoe lang al verkondigen mensen tegen beter weten in dat familiespelletjesavonden
veel gezelliger waren dan een avondje TV-kijken? Als alleen jongeren het
Internet oppikken, zullen hun ouders ooit nostalgisch terugdenken aan die
gezellige avonden rond een zak chips voor de buis. Waarna ze weer een paar
kanalen zappen, omdat het nog te vroeg is om naar bed te gaan.
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr.10, p. 14.
9. Interactief
Wij zijn in Nederland zo angelsaksich georiënteerd,
dat het vanzelfsprekend is dat reclameborden Engelse tekst bevatten, dat
oer-Hollandse TV-programma's Engelse titels hebben, dat sommige beroepen
alleen nog maar in het Engels te benoemen zijn, en dat we, in tegenstelling
tot andere Westerse talen, geen moeite meer doen om computertermen als
hardware, software, escape en enter te vertalen.
Was het decennia geleden nog gebruikelijk het woord computer met rekenmachine
te vertalen, nu is het zo ingeburgerd, dat er al diverse Nederlandse vervoegingen
en samenstellingen van bestaan. Sommigen vinden dit een verarming van de
taal, maar het is ook een bewijs van het vermogen tot assimilatie van onze
taal en haar levenskracht.
Grotere zorgen maak ik me om het gemak waarmee
we schijnbaar nieuwe betekenissen toekennen aan bestaande woorden ten koste
van de oude. `Interactief' is zo'n woord. Het is een toverwoord geworden
om te beschrijven hoe de nieuwe wereld er virtualiter uitziet. Tentoonstellingen,
muziekdragers en lesmethoden lijken alleen nog interessant als ze interactief
zijn. Alsof ze dat niet altijd al zijn geweest! Sterker nog, bij niet-virtuele
situaties is de interactie heel wat veelzijdiger dan bij 'n digitaal medium,
waarbij een simpele vingerbeweging volstaat. Mijn niet-virtuele interactieve
top 10 luidt:
-
Eenden die ogenschijnlijk nonchalant heen een weer
zwemmen terwijl je langs de waterkant iets zit te eten.
-
Een trompe-l'oeil-schilderij, waarbij je drie
keer moet controleren of alles echt tweedimensionaal is.
-
Een antwoordapparaat dat je na 1 minuut afkapt, zodat
je opnieuw moet bellen om je boodschap af te maken.
-
Gasten in Amerikaanse talkshows die door het publiek
hun morele bankroet krijgen toegeschreeuwd, en dat schijnbaar onbewogen
naast zich neerleggen.
-
Een boek dat zo spannend/saai is dat je het niet
kan nalaten te kijken hoeveel bladzijden je nog te gaan hebt.
-
Een elpee waarbij je bij een bepaalde passage je
vinger tegen de arm van de draaitafel moet houden, zodat de kras erop zonder
haperingen genomen wordt.
-
De rij mensen achter je bij de kassa die moet terugwijken,
omdat je na het inpakken van je boodschappen nog moet afrekenen bij de
kassière.
-
Een krantenbox die zich in ruil voor wat kleingeld
laat ontsluiten.
-
Een maandkalender die je niet op tijd omslaat, zodat
je een vergeten verjaardag in het gezicht wordt geslagen.
-
De mestgeur van een varken die ons maanden nadat
we het gefokt en opgegeten hebben, bereikt.
Daar kan (voorlopig) geen Internet of CD-I tegenop.
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr.11, p. 7.
10. Virtuele apocalyps
'Er zal eene geheel wijsgeerige eeuw ontstaan, welke
ook in den smaak voor schoone kunsten en wetenschappen den toon geven zal;
maar deze groote verandering in zeden en denkwijzen moet noodzakelijk voorgegaan
worden, door eene boven de mogelijkheid van vervulling stijgende begeerte
van het menschdom.' Deze toekomstvisie is te vinden in een van de oudste
Nederlandse science fictionromans, Het toekomende jaar Drie duizend
van Arend Fokke uit 1792. Twee eeuwen later kunnen we niet anders dan beamen
dat onze begeerte grenzen van waanzin heeft bereikt. Overmatige verwendheid
en een dolgedraaide dierentechnologie zijn geen verworvenheden om trots
op te zijn. Maar in tegenstelling tot de optimist Fokke, die overtuigd
was van de vervolmaakbaarheid van de mens (wat voor hem onder andere inhield
dat iedereen vegetariër zou worden), weten wij dat de ontwikkeling
van de Westerse beschaving geen stijgende lijn is; dat is de les van deze
eeuw. Het eerste deel van Fokke's voorspelling hoeft niet uit het tweede
voort te komen; we zijn in staat om het te verknallen. Sinds het morele
bankroet van de Eerste Wereldoorlog waarschuwen creatieve geesten als Aldous
Huxley en Charlie Chaplin ons voor een koude, door machines geregeerde
samenleving, die we over ons zullen afroepen. Is onze overgave aan de computer
op het werk, op school, in huis, winkel en bibliotheek een voorbode van
een virtuele apocalyps? Zitten we daar mogelijk al midden in, zoals de
film The Net ons wil doen geloven? Deze film wil het gevaar van
computernetwerken voor individuele vrijheid blootleggen, maar faalt hierin,
omdat filmtrucage nodig is om de computer te laten doen wat hij niet kan.
U denkt wellicht: 'nog niet kan'? Mogelijk. Maar wat voor zin heeft een
dergelijk doemdenken, dat volgens mij meer zegt over hoe we nu zijn, dan
over hoe we zullen worden? Wat is fantasie immers anders dan op een andere
manier kijken naar de wereld om ons heen? Zoals Fokke in zijn fantasie
teruggreep op zijn 18e-eeuwse realiteit, zo blijven makers van moderne
toekomstverbeeldingen begrensd door hun 20e-eeuwse denkraam. Zowel de nulliteiten
van dhr. S. Stallone als een integere serie als Star Trek: The Next
Generation staan bol van verwijzingen naar de wereld waarin wij leven.
Hoe moeilijk het is de toekomst daadwerkelijk virtualiter voor te stellen,
blijkt uit de nergens op slaande voorspellingen over afnemend papiergebruik
na de grootschalige invoering van computers. De les van Huxley, Chaplin,
Fokke, ja zelfs Stallone is dat we de wereld krijgen die we verdienen.
En zei niet de grootste denker van de achttiende-eeuw, ook al zo'n optimist:
'Nergens ter wereld, ja trouwens ook niet daarbuiten, is er iets denkbaar,
dat onvoorwaardelijk als goed beschouwd kan worden, behalve alleen een
goede wil.'
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr.12, p. 10.