Virtualiter

Columns in: KB Centraal, Huisorgaan van de Koninklijke Bibliotheek
(jaargang 24, 1995)

Door: Marco de Niet

1. KB op de TV
2. Digitale wenskaarten
3. De Navorscher
4. Yahoo!
5. Arachne en andere 'webwanderers'
6. Gastenboek
7. Ongewenst
8. Oud en nieuw
9. Interactief
10. Virtuele apocalyps
1. KB op de TV
De KB op de computer op de televisie. Toegegeven, het duurde maar luttele seconden en de voice-over verkondigde `Bibliotheek van het Koninklijk Huisarchief' (NOS-journaal van 21 december 1994 om 18:00; in latere bulletins werd dit gecorrigeerd), maar toch. De Nederlandse overheid wil in Europees opzicht voorop lopen bij het aanleggen van een nationaal computernetwerk, en presenteerde als eerste in Europa een Nationaal Actieplan Electronische Snelwegen. Als een van de toepassingen op het Internet koos de redactie van het NOS-journaal Alexicon, de World Wide Web-dienst van de KB, uit. Als betrokkene ben je uiteraard verrast en trots, wanneer je door de strepen van het computer- en televisiescherm heen je werk ziet. Dat als eerste voorbeeld een Internetdienst van een bibliotheek wordt uitgezonden, is bovendien te beschouwen als een kleine compensatie voor het feit dat er in het hele beleidsplan van de overheid met geen woord gerept wordt over de rol van bibliotheken als verzamelaars en intermediairs van elektronische informatie. Verrast, trots en tevreden, maar toch...
Onze WWW-dienst omvat op dit moment nauwelijks meer dan een ingang naar onze gopher-dienst Alexicon en enkele fraaie foto's, geschoten tijdens de Ex Libris-vliegtochtjes in de zomer van 1994. Waarom wordt onze server dan uitgekozen voor uitzending? Uit eerbied voor de KB? Niet waarschijnlijk, gezien de foute begeleidende tekst. Vanwege de mooie foto van de KB, gemaakt door Lydia van Rijswijk? Niet waarschijnlijk, want zo fotogeniek is de KB niet van bovenaf. Het gevoel bekruipt je, dat iets niet helemaal klopt. Hoe kan een digitale afbeelding van de KB nu als representatief worden beschouwd voor de mogelijkheden van de elektronische snelweg? Voor het NOS-journaal waren er blijkbaar weinig aantrekkelijke alternatieven. Bij gebrek aan beter dus? Dat is koren op de molen voor de criticasters van het Internet. En helemaal ongelijk hebben ze niet: de eenoog mag dan koning zijn in het land der blinden, hij blijft een gehandicapte.
De KB op de computer op de televisie. Een mooi startschot om in KB-Centraal voortaan verslag te doen van de race op de elektronische snelweg: het wel en het wee, de winnaars en de verliezers, de spelregels en de overtreders. Het gejakker en gejaag, waar ook de KB zich aan overgeeft, kan niet iedereen bekoren; maar, zo wordt steeds gezegd, niemand kan eraan ontkomen. En als het aan mij ligt zàl ook niemand in de KB eraan ontkomen. Binnenkort wordt de eerste versie van de Alfa Informatie Werkplek geïnstalleerd in de cataloguszaal. Toegegeven, we zijn niet de eerste met dergelijke werkplekken, en echt geavanceerde toepassingen zullen er nog niet op geïnstalleerd worden. Maar toch!
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr. 1/2, p. 4


2. Digitale wenskaarten
`Veel plezier in de nieuwe woning'. `Veel geluk gewenst met de kleine'. Merkwaardig toch dat mensen massaal genoegen nemen met al die saaie, oncreatieve teksten op al die sterotiepe, quasi- humoristische wenskaarten om de vriendschapsbanden uit te drukken. De grootste creatieve daad die je verricht is het draaien aan het rek waar de kaarten in staan (keuze: naar links of naar rechts), terwijl je je ogen beweegt (keuze: van boven naar beneden of omgekeerd). Is het raar om een zelfgeschreven `Ik mis je' op een Post-it in een envelop op de bus te gooien in plaats van een niet-zelf bedachte spreuk op een niet- zelf ontworpen kaart? Een beetje wel.
Blijkbaar is de vorm (`intentie' noemen we dat in dit geval) belangrijker dan de persoonlijke inbreng. Dat komt wel vaker voor in persoonlijke contacten. Een slecht vormgegeven sollicitatiebrief roept een negatieve reactie op, nog voor één letter gelezen is over de capaciteiten van de persoon in kwestie. Iemand die een hekel heeft aan de telefoon, zal zeker geen lange telefoongesprekken voeren en dus nooit ervaren hoe ontboezemend het kan werken om met iemand te praten zonder in zijn/haar ogen te hoeven kijken. Om nog maar te zwijgen over e-mail: is er iets kouder en killer denkbaar dan je gevoelens via de computer kenbaar te maken?
Toch biedt juist dit nieuwe medium nieuwe kansen voor persoonlijke contacten. Bill Clinton heeft dat als een van de eersten ingezien. Die heeft voor iedere Internetgebruiker die hem wat te zeggen heeft, serieus of niet, een virtueel dankwoordje paraat. Denk eens aan de mogelijkheden: Prins Bernhard beterschap wensen in het ziekenhuis en dan ook nog een alleen aan jou geadresseerd berichtje terugkrijgen (in plaats van een onpersoonlijk bedankje via de TV). Veel sneller dan met een telegram kun je iemand succes wensen wanneer het erop aankomt. Of tussen de weeën door je blieb laten klinken in de verloskamer. Of die nieuwe collega in het buitenland complimenteren met haar uitstekende artikel in een vakblad. Allemaal wensen met een zelfbedachte en zelfgetypte inhoud.
En wat vind ik via de computer van de Universiteit van Stanford? Kant en klare elektronische wenskaarten in The Electronic Postcard! Mogelijkheden te over om (al)weer eens wat van je te laten horen, bijvoorbeeld met een Valentijnskaart. Is er niemand aan wie je een Valentijnswens kan sturen? Klik dan op de muis en je bent doorgeschakeld naar de rubriek persoonlijke contactadvertenties. `Attractive SBF seeks friend for romantic evenings in front of the fireplace'. Zo iemand stuur je toch een (zelfbedacht) mailtje?
O ja, morgen vier ik mijn virtuele verjaardag...
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr. 3, p. 6


3. De Navorscher
Bij de tiende verjaardag van De Boekenwereld in 1994 verscheen Geboekt in jaargangen, anderhalve eeuw boekentijdschriften in Nederland. In deze `lof der voorgangers' schreef de Haarlemse antiquaar A.G. van der Steur over De Navorscher (1852-1960), een tijdschrift `met vervolgartikelen die over meer dan tien jaargangen werden gespreid en vragen die soms na een halve eeuw werden beantwoord', zoals de ondertitel van zijn artikel leert. De Navorscher is vooral bekend gebleven om zijn vragenrubriek. Omdat de historische wetenschappen nog in de kinderschoenen stonden in de negentiende eeuw, liepen vele onderzoekers met onbeantwoorde vragen rond. De Navorscher bood hun de gelegenheid die vragen te stellen. Een greep uit jaargang 25 (1875): Waar stond het `Huis van Maes'? Waar komt de scheldnaam `weegluis' voor exercitie-genootschappen vandaan? Wie weet iets over het 17de-eeuwse spel `Lansquenet'? Een soort intellectuele Winkel van Sinkel dus.
Een enquête in de kennissenkring van Van der Steur leerde hem dat er vele onderzoekers zijn die zo'n vragenrubriek in ere hersteld zouden willen zien. `Zou dan de tijd niet rijp zijn voor een Nieuwe Navorscher [...]? Of zou het een idee zijn de vragen en antwoorden in een culturele weekendbijlage van een dagblad of in een algemeen weekblad op te nemen? Qua snelheid en lezerskring zou dit laatste natuurlijk te verkiezen zijn'.
Het moge duidelijk zijn dat Van der Steur nog geen email-gebruiker is. Wat hij hoopt weer nieuw leven in te kunnen blazen, bestaat immers al in de virtuele informatiestroom, en met succes! Met computernetwerken kan men dwars door alle kennisgebieden heen deelnemen aan vraag-en-antwoord-lijsten. Er zijn `babbelboxen' voor fietsers en sigarenrokers, maar ook discussielijsten over het chromosoom X en het reilen en zeilen in Nederlandse bibliotheken (NEDBIB-L). NEDER-L, het tweewekelijkse periodiek over Nederlandse taal- en letterkunde, is uitgegroeid tot een volwaardig tijdschrift met meer dan 500 abonnees en een eigen ISSN. Naast vragen en antwoorden vindt men columns, artikelen en boekbesprekingen. Een vakbibliografie als de Bibliografie van de Nederlandse taal- en literatuurwetenschap, waarin tijdschriften met veel kleinere ledenbestanden worden opgenomen, kan er mijns inziens niet meer omheen om ook dit tijdschrift te gaan ontsluiten.
Iedereen met een email-adres kan (gratis) abonnementen nemen op deze tijdschriften. In het blad (!) Surfnet Bulletin worden de nieuwste discussielijsten aangekondigd. Het is alleen te hopen, dat wanneer je een vraag stelt op zo'n lijst, je niet een halve eeuw hoeft te wachten op een reactie, zoals wel in De Navorscher gebeurde.
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr. 4, p. 9


4. Yahoo!
In 1710 begint kapitein Lemuel Gulliver vol goede moed aan zijn vierde ontdekkingsreis, `to boldly go where no man has gone before'. Het zit hem niet mee. Nadat veel van zijn mannen aan tropische koorts zijn overleden, moet hij noodgedwongen onbetrouwbare manschappen inhuren om zijn avontuur voort te kunnen zetten. Wat hij vreest, gebeurt: het schip wordt gekaapt, de bemanning vervalt tot piraterij en Gulliver wordt gedumpt. Hij belandt op een eilandje, waar hij oog in oog komt te staan met zeer hoffelijke en wijze paarden, de Houyhnhnms. Tot zijn schaamte herkent hij in de stinkende en stomme Yahoos een iets hariger evenbeeld van zichzelf. Krampachtig probeert hij aansluiting te zoeken bij de Houyhnhnms, die hun bestaan baseren op de rede. Jonathan Swift, de auteur van Gulliver's travels, laat er geen twijfel over bestaan: de mens, de Yahoo, met zijn hoogmoedige aard en zijn kleingeestige zucht tot oorlog voeren, is geen wezen om jaloers op te zijn. Wie anno 1995 als een moderne Gulliver over de zeven zeeën van Internet navigeert, loopt grote kans een Yahoo tegen het lijf te lopen. Sterker nog, je moet moeite doen om dé Yahoo te ontwijken: het is namelijk de populairste Internetdienst. Maar vrees niet: de digitale Yahoo is geen vunzige aap die van grote hoogte op je hoofd schijt, zoals bij Gulliver gebeurde, maar een keurige classificatie-dienst. Yahoo is opgezet door de Universiteit van Stanford, maar wordt inmiddels gesponsord door computerbedrijven. Degene die iets interessants wil melden via Internet, kan zijn informatiedienst bij Yahoo laten plaatsen in een van de hoofdrubrieken, zoals Government, Education of News, of in een van de vele subrubrieken - wie verzot is op classificatiesystemen kan hier zijn hart ophalen -. Wekelijks gebruiken vele tienduizenden mensen Yahoo, waarin zo'n 40.000 Internetdiensten zijn gerubriceerd. Er wordt een (a-sexuele) top 50 bijgehouden. De top 5: Entertainment, Computers, Society and culture, Art en Business. Internet slaat dus aan bij een zeer brede groep: muziekliefhebbers, computerfreaks, cultuurliefhebbers, onderzoekers, zakenlieden! Je kunt vraagtekens zetten bij het maatschappelijk belang van Internet op korte termijn, maar om het een hype te noemen die alweer bijna passé is, zoals Kees van Kooten onlangs deed (Humo, 27 april jl.), is nonsens. Het zegt meer over het falen van televisiemakers om Internet toe te voegen aan hun oppervlakkig geworden medium. Maar dit terzijde.
Yahoo is te bereiken op het volgende Internetadres: `http://www.yahoo.com/'. De digitale Honderd Hoogtepunten uit de KB, sinds kort toegankelijk via Internet, zijn ingedeeld in de rubriek `Art/exhibits', onder de A van `A Hundred Highlights'. Toch maar goed dat ze de dienst niet `Houyhnhnm' hebben genoemd.
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr. 5, p. 17


5. Arachne en andere 'webwanderers'
Het hoog gelegen koninklijk paleis van de Zon rustte op rijzige kolommen. Hel schitterde het van het goud en van de vlammen die op goudbrons leken.
Ongetwijfeld is Ovidius' Metamorphoses één van de mooiste verhalenbundels ooit geschreven. In zo'n 250 verhalen over liefde en gedaanteverwisselingen verklaart de Romeinse dichter het ontstaan van het heelal, de aarde, de natuur en het mensengeslacht. De poëtische kracht van het werk is zo sterk dat wij nog steeds sterrenstelsels, bergen, rivieren, bloemen en insecten associëren met deze verhalen, zoals de vertelling over de overmoedige spinster Arachne, die de godin Minerva uitdaagde tot een weefwedstrijd en, uiteraard, verloor. Als straf moest ze haar leven als spin voortzetten. Ovidius weet de verbeelding van de lezer sterk te stimuleren. En een mens kan nu eenmaal makkelijker met beelden uit de voeten, dan met woorden of abstracties. Wie zich nu, na een werkdag achter een computerscherm overgeeft aan Morpheus, droomt in beelden, niet in letters. De levensduur van volkswijsheden hangt veelal af van de aantrekkelijkheid van hun beeldspraak. En de doorbraak van de computer naar het alledaagse leven is ongetwijfeld te danken aan de beeldspraak, die heer en meester is in de virtuele wereld.
Ontwikkelaars gebruiken beelden om een technisch concept begrijpelijk te maken voor gewone mensen. Wie achter een moderne computer gaat zitten, hoeft niet te piekeren over de formule die moet worden ingetypt. Men opent en sluit vensters, of drukt op knoppen die driedimensionaal lijken, bewaart e-mailtjes in virtuele ordners of `dieliet' een bestand door het in een prullenmand te gooien. Internet blijft niet achter: daar is `biologische beeldspraak' inmiddels een gekte van wereldformaat geworden.
De Universteit van Minnesota heeft een belangrijke aanzet gegeven door hun informatiesysteem te vernoemen naar de plaatselijke grondeekhoorn, `gopher', waarmee je van computer naar computer kunt `wroeten'. Maar de verbeelding werd pas goed geprikkeld met de komst van het World Wide Web. Met name het woord `Web' stimuleerde de creativiteit. Als de Zwitserse bedenker zijn communicatienetwerk `World Wide Network' had genoemd, hadden we heel wat natuurlijke beeldspraak moeten missen. Inmiddels beschikken we over webspiders, webwanderers, webcrawlers en informatiediensten met namen als Lycos (kort voor Lycosidae, een spinnenfamilie), World Wide Web Worm en The Internet Sleuth (bloedhond). Er is ook een server over kantklossen, die heel toepasselijk naar Arachne, de spin der spinnen, genoemd is. Wie weet zijn het juist digitale verwijzingen als deze die ervoor zorgen dat er over twintig eeuwen nog steeds mensen zijn bij wie de mooie verhalen van Ovidius tot de verbeelding blijven spreken.
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr. 6, p. 6


6. Gastenboek
De virtuele versie van Honderd Hoogtepunten uit de Koninklijke Bibliotheek ging in april van dit jaar de glasvezelkabel op. Vanaf het begin liep het storm. In mei en juni werd deze `tentoonstelling' ruim 10.000 maal bezocht, dat is meer dan 350 keer per dag. Inmiddels hebben ruim 400 bezoekers uit 25 landen de moeite genomen het gastenboek te tekenen. De meeste gasten zijn Amerikanen, op de voet gevolgd door Nederlanders. Canada en België volgen op ruime afstand. Het is aardig om temidden van deze westerse overdaad ook een enkele Hongaar, Egyptenaar, Taiwanees of Nieuwzeelander aan te treffen.

Nederlanders overzee
In het oog springend is het grote aantal Nederlanders overzee dat getekend heeft. Kayla en André Janssen en anderen uit good ol' US of A zijn blij verrast iets van Nederlandse cultuur op het Internet aan te treffen. David A. Hoekema van het Calvin College laat ons weten dat zijn vader in Drachten is geboren. Deborah Elliott Davis uit New York meldt een "Van Slyke descendent" te zijn. Bert Mullemeister uit Australië vond het interessant te kijken naar `my old countries Web pages'. Sommigen vragen om hulp bij het onderzoek naar hun roots: `Ik zoek info over Popkensburg en meerdere connecties naar de laatste koning of hertog der friezen Poppo of Bobba', aldus Pieter Popken en Peter JM van Schaik uit Canada zoekt een plattegrond van westelijk Noord-Brabant van voor 1800. Het gastenboek is gelijk een goede gelegenheid weer eens iets in het Nederlands te schrijven, wat soms curieuze formuleringen oplevert: `Het is blijkbaar dat Nederland aan andere Europese landen voorafgaat wat de informatiesnelweg betreft. Uw bibliotheek is zeer merkwaardig', aldus John W. Barker. Dirk de Vos van Purdue University stelt: `erg mooi zou ik Uw titel pagina durven noemen!'.
De Honderd Hoogtepunten worden ook gebruikt om andere relaties met Nederland of de KB aan de orde te stellen. Digitale groeten zijn er voor `Patricia van het Gymnasium Haganum', en ook Eveline Berghuis en Theda (!) Vermeulen krijgen een digitale groet uit het buitenland. Chris Kelley schrijft: `My family may be moving to the Netherlands for a work assignment... this is a great way to learn about your country'. Margot Lindsay van de University of London zoekt informatie over de medisch-historische collectie in de Universiteit van Leiden. Geen enkele relatie met Nederland (voor zover ik kan overzien) heeft de vraag van William Tranmer uit Georgia: `I am looking for a copy of The American Anthem'. Er zijn ook bezoekers die zichzelf al bediend hebben: `ik vond zomaar een stuk informatie voor de scriptie van een vriendin'.

Kritiek en complimenten
Van geheel andere aard zijn de opmerkingen over de online verbinding. Het is wellicht een schrale troost voor een ieder die wel eens moedeloos naar het scherm zit te staren, in afwachting van wat (van ver) komen gaat, dat ook het omgekeerde voorkomt. Met name Amerikanen klagen over de tijd die nodig is om een plaatje over te halen. Maar ook Nederlanders zijn niet altijd tevreden. Wie inlogt via een modem moet geduld hebben om de afbeeldingen, gemiddeld 150.000 bytes groot, op het scherm te krijgen. Er zijn wel tegenstrijdige geluiden. Wingelaar van het ministerie van Verkeer & Waterstaat laat weten `voor de gemiddelde burger gaan de tikken naar de PTT', maar zijn collega Mout van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer & Visserij vindt het `mooi! en snel...'. Het is bekend dat je het nooit iedereen naar zijn zin kunt maken, maar wat moet je nu denken bij klachten als `More technical stuff please...' en `Er is niks voor kinderen van 6 tot 15 jaar'. Merkwaardig vind ik ook de reactie van een groep BDI-studenten uit Groningen die aanstoot neemt aan ons copyright-teken op de afbeeldingen, en stelt dat het copyright ligt (lag) bij de oorspronkelijke uitgevers van de topstukken.
Daartegenover staat dat er tientallen extreme complimenten in het gastenboek te vinden: `one of the top five services on the WWW', `een oase van bezinning', `fascinating reading', `the best rare book stuff on the Web' en `superb exhibition. It illustrates the potential of the World Wide Web. It's one world, person to person, we can bypass the politicians', aldus een opgetogen William T. Smith jr. JD MD. Die verbroedering door het Internet zie je overigens ook op een andere manier in het gastenboek. Paco Tolson laat ons weten `my uncle has come here and looked up a different piece every day after his discovery'. Het gastenboek wordt ook getekend door groepjes mensen die samen op het Internet surfen, of elkaar op de hoogte houden van hun vondsten: op 12 en 13 juni ging het nieuws over de expositie als een lopend vuurtje onder onze collega's van de Overijsselse Bibliotheek Dienst.
Volstrekt nietszeggend (of juist veelzeggend over de personen?) zijn opmerkingen als `none yet, didn't look around' en `I'm signing the guestbook before I've browsed'. Toppers vind ik: `I don't know where I've been or how I got here', `Greetings to grandpa ' s wo men shi gongnung zidibing', getekend db.sm, priv. art, china & great germ' en `er zijn helemaal geen remarks te bemerken, proficiat' van WP, de staat, belgium. Nee, dan kan ik toch beter uit de voeten met een intekening zonder commentaar van iemand als Umberto Eco. Heldere taal vind ik ook Piet Wesselmans uitroep: `Fantastisch! Maak er duizend hoogtepunten van!'

Uit: KB Centraal 24 (1995), nr.7/8, p. 11



 

7. Ongewenst

`In ons bestaan kennen we slechts twee tragedies: de ene is dat men niet krijgt wat men wil, de andere dat men het juist wel krijgt', aldus beschavingsdeskundige Oscar Wilde. De materiële welvaart heeft ons in het huidige fin de siècle een derde tragedie opgeleverd: men krijgt wat men níet wil. Terwijl de Nederlandse televisie hard op weg is één monotone (lawaaiige) reclameboodschap te worden; terwijl de NS-stations langzamerhand wat stenen rondom reclameborden worden, waar treinen hinderlijk voorlangs rijden; terwijl iedere culturele uiting alleen nog gesponsord mogelijk lijkt, is de laatste protestmars tegen commercie op het Internet ingezet.
Vol trots praten vroege Internet gebruikers over de anarchistische ontwikkeling ervan: het net groeide niet dankzij een vastomlijnd plan, maar dankzij de enthousiaste inzet van individuen. `Eén voor allen, allen voor het Internet' was een toepasselijk slogan. Was, want het Internet is inmiddels van een global village een global market geworden: ieder voor zich. Vorig jaar werd een advocatenkantoor afgestraft omdat het de euvele moed had gehad een vacature rond te sturen via enkele discussielijsten. De anti-commerciële gelederen sloten zich loyaal: de computer van het kantoor bezweek onder een bombardement van boze reacties. Maar iedereen is inmiddels gewend geraakt aan de logo's van sponsors op Internetdiensten. Elk zichzelf respecterend Amerikaans bedrijf heeft een besteldienst op het Internet en de eerste virtuele winkelcentra zijn al in gebruik.
Nu deze passieve vormen van commercie zijn geaccepteerd, is het niet verwonderlijk dat er methoden worden ontwikkeld voor agressievere computer-aan-computer-verkoop. Eén daarvan heet spamming: een reclameboodschap wordt naar een centrale computer gestuurd die zorgt voor distributie onder zoveel mogelijk Internetgebruikers. Het blijkt niet mogelijk de digitale deur dicht te gooien in het gezicht van de verkoper, omdat die steeds een ander Internetadres gebruikt. Soms wordt hier laconiek op gereageerd. Deelnemers aan de discussielijst SHARP-L (gewijd aan boekgeschiedenis) vonden de oorsprong van het woord spamming interessanter dan het verschijnsel op zich (conclusie: het woord dankt zijn populariteit aan een sketch van Monty Python). Maar toen de discussielijst voor Nederlandse bibliotheekmedewerkers NEDBIB-L onlangs uit haar dufheid opschrok door reclame voor een aantal Internetcursussen, werd dagenlang verontwaardigd gemeld hoe ongewenst dit wel niet was. Dergelijke protesten, hoe terecht ook, hebben iets tragisch. Evenals de boosheid over het negeren van het NEE op je brievenbus nergens op afgereageerd kan worden (alhoewel terugsturen zonder postzegel nog wel eens wil helpen), levert boosheid over misbruik van de openheid van het Internet niets positiefs op. Een tragedie, niet? Een luxetragedie, dat wel.
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr.9, p. 5


8. Oud en nieuw
`Het is langer oud dan nieuw', zei mijn grootmoeder vaak, en zij was een wijze vrouw. In minder dan twee jaar is academisch Nederland het Internet gretig gaan gebruiken. De cijfers over de groei van de elektronische snelweg in ons land zijn meer dan positief: inmiddels zijn er aan wetenschappelijke en andere instellingen ongeveer 150.000 gebruikers van Surfnet, veel meer dan werd verwacht. Dat betekent niet dat elke onderzoeker al ervaring heeft met de nieuwe informatiediensten. Pas als op grote schaal faciliteiten als de Alfa Informatie Werkplek geïnstalleerd zijn in bibliotheken, zal het Internet voor hen van een intrigerend nieuw fenomeen een alledaagse vertrouwdheid worden. Aangezien er ook steeds meer mogelijkheden komen voor mensen thuis om op Internet te surfen, is het nog maar een kleine sprong naar een brede acceptatie ervan. De kracht zit 'm in de veelzijdigheid: het is een communicatiemiddel (zoals de `bakkies') én een informatiekanaal. Televisiemakers realiseren zich die potentiële populariteit, want ze zijn duidelijk zenuwachtig aan 't worden. Op krampachtige wijze proberen ze deze concurrent in te palmen. Normaal gesproken worden de krant, het weekblad of de radio gebruikt om mensen te verleiden TV te kijken, het omgekeerde komt nauwelijks voor. Maar de omroepen maken inmiddels op TV bekend, dat zij `nu ook op het Internet' zitten. Alsof de Internetgebruiker niet allang genoeg heeft van de 30 kanalen troep die zij hem voorschotelen en een goed alternatief heeft gevonden om te worden geïnformeerd én vermaakt. Zielig zijn ook de pogingen om TV-kijkers een blik te gunnen over de schouder van een Internetjunk. Gehannes met de camera en een slecht leesbaar computerscherm zijn hun deel. Ik heb tot op heden slechts één succesvolle poging gezien om de nieuwe media in te passen, en dat was een kinderprogramma van de BBC. Wie een leuke mop wist, kon die live per fax of email naar het programma sturen. Dat deden de `telekids' dus gretig!
Toch is het moeilijk te voorspellen hoe de TV en de elektronische snelweg zich ten opzichte van elkaar gaan verhouden. Mensen blijken uit gewenning nu eenmaal vasthoudender dan ze willen toegeven. Vernieuwing vraagt niet alleen om rationeel begrip, maar ook emotionele acceptatie. Hoeveel weerstand roepen doodgewone woorden als `kado' en `buro' niet op, alleen omdat we op school hebben geleerd ze `op zijn Frans' te spellen? Hoe lang al verkondigen mensen tegen beter weten in dat familiespelletjesavonden veel gezelliger waren dan een avondje TV-kijken? Als alleen jongeren het Internet oppikken, zullen hun ouders ooit nostalgisch terugdenken aan die gezellige avonden rond een zak chips voor de buis. Waarna ze weer een paar kanalen zappen, omdat het nog te vroeg is om naar bed te gaan.
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr.10, p. 14.


9. Interactief
Wij zijn in Nederland zo angelsaksich georiënteerd, dat het vanzelfsprekend is dat reclameborden Engelse tekst bevatten, dat oer-Hollandse TV-programma's Engelse titels hebben, dat sommige beroepen alleen nog maar in het Engels te benoemen zijn, en dat we, in tegenstelling tot andere Westerse talen, geen moeite meer doen om computertermen als hardware, software, escape en enter te vertalen. Was het decennia geleden nog gebruikelijk het woord computer met rekenmachine te vertalen, nu is het zo ingeburgerd, dat er al diverse Nederlandse vervoegingen en samenstellingen van bestaan. Sommigen vinden dit een verarming van de taal, maar het is ook een bewijs van het vermogen tot assimilatie van onze taal en haar levenskracht.
Grotere zorgen maak ik me om het gemak waarmee we schijnbaar nieuwe betekenissen toekennen aan bestaande woorden ten koste van de oude. `Interactief' is zo'n woord. Het is een toverwoord geworden om te beschrijven hoe de nieuwe wereld er virtualiter uitziet. Tentoonstellingen, muziekdragers en lesmethoden lijken alleen nog interessant als ze interactief zijn. Alsof ze dat niet altijd al zijn geweest! Sterker nog, bij niet-virtuele situaties is de interactie heel wat veelzijdiger dan bij 'n digitaal medium, waarbij een simpele vingerbeweging volstaat. Mijn niet-virtuele interactieve top 10 luidt:
  1. Eenden die ogenschijnlijk nonchalant heen een weer zwemmen terwijl je langs de waterkant iets zit te eten.
  2. Een trompe-l'oeil-schilderij, waarbij je drie keer moet controleren of alles echt tweedimensionaal is.
  3. Een antwoordapparaat dat je na 1 minuut afkapt, zodat je opnieuw moet bellen om je boodschap af te maken.
  4. Gasten in Amerikaanse talkshows die door het publiek hun morele bankroet krijgen toegeschreeuwd, en dat schijnbaar onbewogen naast zich neerleggen.
  5. Een boek dat zo spannend/saai is dat je het niet kan nalaten te kijken hoeveel bladzijden je nog te gaan hebt.
  6. Een elpee waarbij je bij een bepaalde passage je vinger tegen de arm van de draaitafel moet houden, zodat de kras erop zonder haperingen genomen wordt.
  7. De rij mensen achter je bij de kassa die moet terugwijken, omdat je na het inpakken van je boodschappen nog moet afrekenen bij de kassière.
  8. Een krantenbox die zich in ruil voor wat kleingeld laat ontsluiten.
  9. Een maandkalender die je niet op tijd omslaat, zodat je een vergeten verjaardag in het gezicht wordt geslagen.
  10. De mestgeur van een varken die ons maanden nadat we het gefokt en opgegeten hebben, bereikt.
Daar kan (voorlopig) geen Internet of CD-I tegenop.
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr.11, p. 7.


10. Virtuele apocalyps
'Er zal eene geheel wijsgeerige eeuw ontstaan, welke ook in den smaak voor schoone kunsten en wetenschappen den toon geven zal; maar deze groote verandering in zeden en denkwijzen moet noodzakelijk voorgegaan worden, door eene boven de mogelijkheid van vervulling stijgende begeerte van het menschdom.' Deze toekomstvisie is te vinden in een van de oudste Nederlandse science fictionromans, Het toekomende jaar Drie duizend van Arend Fokke uit 1792. Twee eeuwen later kunnen we niet anders dan beamen dat onze begeerte grenzen van waanzin heeft bereikt. Overmatige verwendheid en een dolgedraaide dierentechnologie zijn geen verworvenheden om trots op te zijn. Maar in tegenstelling tot de optimist Fokke, die overtuigd was van de vervolmaakbaarheid van de mens (wat voor hem onder andere inhield dat iedereen vegetariër zou worden), weten wij dat de ontwikkeling van de Westerse beschaving geen stijgende lijn is; dat is de les van deze eeuw. Het eerste deel van Fokke's voorspelling hoeft niet uit het tweede voort te komen; we zijn in staat om het te verknallen. Sinds het morele bankroet van de Eerste Wereldoorlog waarschuwen creatieve geesten als Aldous Huxley en Charlie Chaplin ons voor een koude, door machines geregeerde samenleving, die we over ons zullen afroepen. Is onze overgave aan de computer op het werk, op school, in huis, winkel en bibliotheek een voorbode van een virtuele apocalyps? Zitten we daar mogelijk al midden in, zoals de film The Net ons wil doen geloven? Deze film wil het gevaar van computernetwerken voor individuele vrijheid blootleggen, maar faalt hierin, omdat filmtrucage nodig is om de computer te laten doen wat hij niet kan. U denkt wellicht: 'nog niet kan'? Mogelijk. Maar wat voor zin heeft een dergelijk doemdenken, dat volgens mij meer zegt over hoe we nu zijn, dan over hoe we zullen worden? Wat is fantasie immers anders dan op een andere manier kijken naar de wereld om ons heen? Zoals Fokke in zijn fantasie teruggreep op zijn 18e-eeuwse realiteit, zo blijven makers van moderne toekomstverbeeldingen begrensd door hun 20e-eeuwse denkraam. Zowel de nulliteiten van dhr. S. Stallone als een integere serie als Star Trek: The Next Generation staan bol van verwijzingen naar de wereld waarin wij leven. Hoe moeilijk het is de toekomst daadwerkelijk virtualiter voor te stellen, blijkt uit de nergens op slaande voorspellingen over afnemend papiergebruik na de grootschalige invoering van computers. De les van Huxley, Chaplin, Fokke, ja zelfs Stallone is dat we de wereld krijgen die we verdienen. En zei niet de grootste denker van de achttiende-eeuw, ook al zo'n optimist: 'Nergens ter wereld, ja trouwens ook niet daarbuiten, is er iets denkbaar, dat onvoorwaardelijk als goed beschouwd kan worden, behalve alleen een goede wil.'
Uit: KB Centraal 24 (1995), nr.12, p. 10.