Deze biografie van de Amsterdamse literator en "genootschapstijger" Arend Fokke Simonsz is gebaseerd op mijn doctoraalscriptie: '...En als hij begon, wist hij van geen uitscheiden. De verhandelingen van Arend Fokke Simonsz (1755-1812)'. Leiden, Vakgroep Nederlands, 1988. Voor opgave van gebruikte bronnen wordt u verwezen naar het exemplaar van deze scriptie in het (openbare) archief van de vakgroep, of naar de beknopte versie van de biografie, verschenen als "De neergang van een voordrachtskunstenaar. Over Arend Fokke Simonsz (1755-1812)" in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 13 (1990) 3, p. 73-80.
Jeugd
en leerjaren (1755-1774)
Zijn grootvader, Arend Fokke (ca 1680-1734), was een bekend Amsterdams
toneelspeler, als Thomasvaer uitblinkend in de klucht De bruiloft van
Kloris en Roosje, die jaarlijks op nieuwjaarsdag voorafgaand aan Vondels
Gijsbrecht van Aemstel werd opgevoerd; zijn tante Catharina Elisabeth
Fokke (1727-1793), gehuwd met de acteur en graveur Jan Punt, was een gevierd
tragédienne; ook enkele van zijn ooms waren toneelspelers en muzikanten;
maar zijn vader was wellicht het meest artistieke lid van de familie. Simon
Fokke (1712-1784) wordt tot op de dag van vandaag geprezen voor zijn fraaie
letterkundige, historische en politieke gravures.
Net als zijn vader is Simon Fokke twee maal getrouwd
geweest. In zijn huwelijk met Sara Belli, dat in 1740 werd voltrokken,
werden twee kinderen geboren. Hun oudste zoon, Arend, stierf als zuigeling.
Hun tweede zoon was Jan, die op 8 november 1742 gedoopt werd. Hoewel zijn
vader hem de mogelijkheid daartoe bood, legde Jan zich niet toe op een
beeldende kunst, maar op een beschouwende: de geschiedschrijving. Hij zette
onder andere het werk van de historicus Jan Wagenaar voort. Ook heeft hij
letterkundig werk geschreven, waaronder enkele toneelstukken. In 1747 stierf
Sara Belli. Na ruim vier jaar weduwnaar te zijn geweest hertrouwde Simon
Fokke met de tien jaar jongere Cornelia Siewertsz, een makelaarsdochter.
Bij haar verwekte Simon vijf kinderen, waarvan er vier binnen hun eerste
levensjaar stierven. Alleen Arend, hun tweede kind, zou hen overleven,
zij het met een zwakke gezondheid. Arend nam als tweede naam Simonszoon
aan om zich te onderscheiden van enkele neven die ook Arend Fokke heetten,
en die zich op hun beurt Willemszoon, Hendrikszoon en Franszoon hebben
genoemd.
Kort na de geboorte van Arend verhuisde het gezin
naar de Bergstraat, waar Arend in zijn 3e, 4e en 5e levensjaar een zusje
(Maria) en twee broertjes (Adrianus en Dirk) geboren zag worden. Geen van
deze kinderen leefde langer dan vier maanden. Van zowel Jan als Arend wordt
gezegd dat ze een zorgvuldige opleiding hebben gekregen, maar over een
eventuele schoolcarrière is niets bekend; wel is bekend dat Arend
al op jonge leeftijd taallessen kreeg van de Duitser C.J. Albrecht von
Pfortzheim, die zich permanent te Amsterdam gevestigd had. Arend kreeg
van Albrecht les in diens moedertaal, in Latijn, Grieks, Hebreeuws en diverse
andere talen en wetenschappen. Vader Simon zag in zijn beide zoons toekomstige
graveurs en leidde hen zelf in dat vak op.
Was Arend van jongs af aan geconfronteerd geweest
met de inhoud van boeken, vanaf zijn dertiende jaar kreeg hij dagelijks
te maken met de productie ervan. In 1768 werd hij namelijk leerjongen bij
de boekverkoper, drukker en uitgever Steven van Esveldt, gevestigd in de
Kalverstraat, naast de Rooms-katholieke kerk De Papegaai. Ondanks het ontbreken
van een wetenschappelijke opleiding kon hij zich door deze baan verder
ontwikkelen. Vanaf deze tijd kan hij dan ook een autodidact genoemd worden.
Het is niet onmogelijk dat hij voor enige uitgaven van Van Esveldt de gravures
verzorgd heeft. Zijn vader Simon heeft dat in ieder geval wel gedaan. Dat
Simon zijn zonen liet meewerken aan zijn opdrachten blijkt uit een brief
van januari 1768 aan de Leidse boekverkoper C. Hoogeveen jr. Hij meldt
over bepaalde gravures dat ze `door mijn Soon onder mijn correctie gemaakt
[zijn].' Het is niet duidelijk of Jan of Arend (die toen pas twaalf jaar
was) bedoeld wordt. Na het leren van de fijne kneepjes van het uitgeven
van boeken gedurende zes of zeven jaar besloot Arend zijn eigen weg te
gaan. Er wordt gesuggereerd dat hij uit de zaak van Van Esveldt verdreven
is door Willem Holtrop. Holtrop trouwde in 1776 met Van Esveldts dochter
en zette de zaak van zijn schoonvader, die kort voor dit huwelijk overleden
was, samen met diens weduwe voort. Hoe het ook zij, op 22 september 1774
werd Arend Fokke ingeschreven in het Poorter-register van Amsterdam, op
26 september in het Gildeboek van het Amsterdamse Boekverkopersgilde.
Kunsthandel en uitgeverij (1774-1793)
Volgens zijn biografen was Arend Fokke pas in 1778 in staat zich zelfstandig
in Amsterdam te vestigen en een boekwinkel te beginnen. In de Koninklijke
Bibliotheek in Den Haag bevindt zich echter een Vreugdezang die
door hem in 1774 is uitgegeven met als adres `in de Bergstraat'. De bibliotheek
van de Koninklijke Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels
bezit een aantal prospectussen van Arend Fokke, waaronder één
uit 1775 met als adres `op de hoek van de St. Luciensteeg en Weessluis'.
We mogen dus aannemen dat hij vlak na zijn inschrijving bij het gilde zijn
boek- en kunsthandel heeft opgezet, eerst nog in de Bergstraat (het ouderlijk
huis?) en kort daarna in de St. Luciensteeg.
Hij had van het begin af aan de steun van zijn vader: hij verzorgde
de uitgave van veel van diens gravures, onder andere de portretten die
bij de Vaderlandsche Historie van Jan Wagenaar hoorden. In de eerste
jaren van zijn boekhandel/uitgeverij gaf hij hoofdzakelijk werk van derden
uit, onder wie zijn leermeester C.J. Albrecht en Pieter Pijpers. Ook gaf
hij vertaalde werken uit en het is goed mogelijk dat hij zelf de vertalingen
heeft gemaakt. Toch duurde het nog enige jaren voor hij zich met naam en
toenaam als auteur zou manifesteren. H. Frijlink meent (in zijn Arend
Fokke Simonsz, zijn leven, denken en werken . Amsterdam 1884) dat hij
pas in 1783 debuteerde met zijn (Zede- en) Dichtlievende mengelingen
. Zijn werkelijke debuut was echter een paar jaar eerder. Al in zijn
Nieuwe vaderlandsche almanach , die hij vanaf 1777 uitgaf, vinden
we oorspronkelijk werk van zijn hand. De eerste publicatie met zijn naam
op de titelpagina is het lofdicht op zijn (aangetrouwde) oom Jan Punt,
die op 18 december 1779 was overleden. Ook Arends halfbroer Jan Fokke publiceerde
een grafschrift op Jan Punt.
In deze periode ontvielen hem nog enkele naaste
familieleden. In 1777 was zijn moeder gestorven en in 1780 overleed zijn
grootmoeder aan moederszijde, Maria Bruijkverstand, weduwe van A. Siewertsz.
Zij had een eigen pand en erf aan de Elandsgracht. Na de verkoop van het
huis en de vereffening van de schulden bleef er een batig saldo over van
Fl. 1590:15:-. Dit bedrag werd verdeeld onder de twee erfgenamen, Maria's
dochter Sara Siewertsz en haar (enige?) kleinzoon Arend Fokke. Uit handen
van zijn vader ontving hij Fl. 795:7:8.
Op 22 februari 1764, toen Arend 9 jaar oud was,
beviel zijn 25 jaar oudere nicht Margaretha, dochter van zijn oudste oom,
François Fokke, van een dochter, Catharina. Margaretha was getrouwd
met ene N. Brinkman. Toen Catharina twee jaar oud en één
broertje rijker was, overleed haar moeder. Haar vader hertrouwde op 15
januari 1768. Hoe lang hij daarna nog geleefd is, is niet bekend. Feit
is dat Catharina op haar zeventiende jaar wees was. Ze had toen twee voogden,
haar ooms Cornelis en Martinus Brinkman. Deze maakten op 31 augustus 1781
officieel bezwaar tegen het aanstaande huwelijk van Catharina met haar
achterneef Arend Fokke Simonsz. Catharina protesteerde er tegen bij de
`Commissarissen van de Huwelijkse zaaken'. De commissarissen zagen `geene
genoegzame reedene' om het huwelijk te beletten. Arend en Catharina, die
beide gereformeerd waren, traden op vrijdagmorgen 21 december 1781 in aanwezigheid
van Simon Fokke in ondertrouw. Het huwelijk werd op 6 januari 1782 voltrokken.
In 1783 of 1784 verhuisde het echtpaar Fokke naar
de Kalverstraat, bij de Jonge Roelofstraat, waar Arend zijn boek- en kunsthandel
voortzette. In deze periode begon Arend regelmatig eigen werk uit te geven.
In 1782 nam zijn `carrière' bij de Amsterdamse genootschappen een
aanvang, en veel van zijn gedrukte werken waren zijn eigen verhandelingen
en aanspraken. Wel bleef hij werk van derden uitgeven, bijvoorbeeld van
bevriende genootschapsleden als Petronella Moens, Adriana van Overstraten
en Gerrit Brender à Brandis. Ook werd hij door enkele genootschappen
benaderd om het drukwerk voor hen te verzorgen. In 1786 drukte hij bijvoorbeeld
de wetten van het Amsterdamse departement van de Maatschappij Tot nut van
't algemeen. Vanaf ongeveer 1790 vormde hij met C. de Vries en H. Keyzer
een vast driemanschap dat een groot deel van de werken van deze Maatschappij
uitgaf. Toen Fokke zijn boekhandel in 1793 aan de kant deed, werd zijn
plaats in dit driemanschap overgenomen door H. van Munster.
Een blad waarin Fokke regelmatig adverteerde was
de vanaf 1788 verschijnende Algemene konst- en letterbode . In zijn
eerste advertentie in dit tijdschrift (1788, dl. I, p. 128) lezen we wie
zijn `correspondenten in de Buitensteden' waren:
Er wordt algemeen van uitgegaan dat Fokke zijn uitgeverij op heeft gegeven
om financiële redenen. De slechte verkoop van zijn ambitieuze project
de Catechismus der weetenschappen , gestart in 1784, wordt als de
doodsteek voor zijn zaak beschouwd. Toch kreeg het werk goede kritieken
en meldde Fokke in het berichtblad van 7 januari 1791 van de Algemene
konst- en letterbode dat er `nog slegts weinige exemplaren compleet
voorhanden' waren. Bovendien zorgden de uitgevers Hendrik Gartman en Willem
Vermandel voor een nieuwe uitgave, uitgebreid met nog twee delen. Een echte
flop kan dit werk dus niet genoemd worden, maar wellicht was de uitgave
toch te kostbaar voor een kleine uitgever als Fokke.
De precieze datum van de beëindiging van zijn
activiteiten als uitgever en boekhandelaar is mij niet bekend. Er zijn
mij geen werken uit 1794 met zijn naam in het impressum bekend. Op 25 februari
1794 liet de genoemde uitgever H. Gartman op een vergadering van het tweede
Amsterdamse departement van de Maatschappij Tot nut van 't algemeen briefjes
verspreiden met de mededeling dat hij en Vermandel het kopijrecht van de
Catechismus der weetenschappen hadden opgekocht. Uit een brief van
4 januari van datzelfde jaar blijkt dat de Haarlemse uitgever A. Loosjes
al bezig was met een werkje van Fokke over Parijs, dat overigens anoniem
verscheen. Dit is waarschijnlijk zijn eerste publicatie die hij niet zelf
heeft uitgegeven. Vreemd is het dat hij in 1802 een rekwest indiende bij
het gemelde departement van Maatschappij Tot nut van 't algemeen om in
aanmerking te komen voor de functie van `Leverancier der boeken, papieren
&c'. Die functie zou hij krijgen als hij kon aantonen dat hij nog steeds
boekhandelaar was: dat was de voorwaarde die eraan gekoppeld was. Op 1
augustus 1804 heeft Fokke dat nog niet gedaan. Op die dag werd door het
bestuur van het departement besloten Fokke weer te benaderen met het verzoek
de nieuwe leverancier te worden, mits hij `blijk konde geeven niet opgehouden
te hebben, Boekverkoper te zijn'. Het antwoord op dit verzoek is niet in
de notulen van het departement terug te vinden. Wel werd er op 4 maart
1807 door de penningmeester een rekening van de boekverkopers Leeneman
en Van der Kroe voor A. Fokke Simonsz ingeleverd `wegens ten behoeve van
dit departement gedane Leverantiën, belopende Fl. 187:3:-.' De kwestie
wordt nog gecompliceerder, als we weten dat Fokke in 1810-1811 mee heeft
gedaan aan een enquête onder de boekhandelaren in het Franse keizerrijk,
maar dat zijn naam op de lijst ook weer is doorgeschrapt. Het lijkt mij
te voorbarig om op grond van deze summiere en onduidelijke gegevens te
concluderen dat hij tot 1811 boek- en kunsthandelaar is geweest.
Ook de berichten over de datum van de verhuizing
van de Kalverstraat (alwaar Simon Fokke in april 1784 was overleden) naar
de Zwanenburgwal zijn verwarrend. Het ligt voor de hand te veronderstellen
dat het echtpaar Fokke is verhuisd na de verkoop van de winkel in 1793.
Als er een veiling- of fondscatalogus van zijn boekhandel zou zijn, zouden
wellicht niet alleen de vraag naar zijn laatste adres, maar ook enkele
andere vragen beantwoord kunnen worden: hoe groot was zijn fonds en/of
zijn magazijnvoorraad in 1793? Aan wie heeft hij zijn zaak overgedaan?
Wat voor materiaal had hij staan? Kon hij de vele platen die hij heeft
uitgegeven zelf afdrukken, of moest hij dat uitbesteden? Dat hij het drukken
van zijn boeken uitbesteedde, lijkt waarschijnlijk; ik heb geen aanwijzingen
gevonden voor de aanwezigheid van een eigen drukkerij. Meer zekerheid is
er over de functie die hij in augustus 1795, het eerste jaar van de Bataafsche
Vrijheid, heeft aanvaard.
"Ter mairie" (1795-1810)
De strijd tussen de patriotten en de Oranje-gezinden werd in 1787 tijdelijk
beslist door de tussenkomst van de Pruisen na het incident bij Goejanverwellesluis.
De positie van de met Pruisen gelieerde stadhouder Willem V werd veilig
gesteld, de pogingen van de patriotten tot vernieuwing werden een halt
toegeroepen. Frankrijk kon (wilde) ondanks hun sympathie voor de patriotten
niet te hulp snellen wegens interne malaise. Zes jaar later, toen de situatie
in Frankrijk revolutionair veranderd was, verklaarde Frankrijk de oorlog
aan Engeland en daarmee aan de Engels-gezinde Willem V. In januari 1795
trokken de Franse legers noordwaarts en vluchtte Willem V westwaarts, naar
Engeland. De patriotten zagen hun kans schoon om hun revolutionaire ideeën
in daden om te zetten. Zowel op landelijk als op regionaal/stedelijk nivo
werden de besturen gereorganiseerd.
In Amsterdam moest de municipaliteit orde op zaken
stellen. Met name de financiële problemen en de oorzaken van de enorme
schulden moesten bestudeerd worden. Geheel in overeenstemming met de leus
"Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap" werden de vergaderingen van de municipaliteit
door een journalist bijgewoond, die er in een dagblad verslag van deed.
Van 19 januari tot 10 juni 1795 heette dit blad Handelingen van de Municipaliteit
der stad Amsterdam . Daarna werd het herdoopt en genoemd naar de 60
Burgers die de Amsterdamse bevolking vertegenwoordigden: Dagblad van
de vergaderingen der Representanten van het volk van Amsterdam . De
redactie van de krant werd toen nog gevormd door de secretarissen van dit
`Comité Revolutionair', onder wie burger G. Brender à Brandis.
Door het toenemend aantal bezigheden van deze secretarissen werd besloten
een full time redacteur aan te stellen, tegen een tractement van
Fl. 2000:0:0 per jaar. Op maandag 10 augustus werd in de ochtendvergadering
voorgesteld deze betrekking toe te vertrouwen aan burger A. Fokke Simonsz.
Nog diezelfde middag berichtte burger A. Vereul dat burger Fokke de post
van redacteur van het Dagblad had aanvaard.
Het is niet gemakkelijk Fokkes positie in de patriots-orangistische
strijd precies vast te stellen. Dat hij met de patriotten sympathiseerde,
lijkt me gezien zijn aanstelling als redacteur wel duidelijk. Maar daar
mag niet uit geconcludeerd worden dat hij een (fel) patriot was: evenmin
als op religieus terrein heeft Fokke zich op politiek terrein geprofileerd
in zijn werken. Slechts weinige geschriften van hem zijn aan een actuele
(politieke) gebeurtenis gebonden, en zelfs dan nog meestal in een jasje
van beeldspraak verpakt. Zijn meest `actuele' werk was het toneelstuk Het
vredefeest , een `landspel met zang en dans', geschreven naar aanleiding
van de Vrede van Amiens, dat op de nationale viering van 2 juni 1802 werd
opgevoerd. Na 1805 ging Fokke wel openlijker kritiek leveren op het Franse
bewind - hij was niet de enige -, wat hem uiteindelijk in aanraking bracht
met de Franse politie, zoals later uiteengezet wordt. Die kritiek van hem
kan voor een deel verklaard worden uit teleurstelling: onder andere uit
het gedicht bij het titelvignet van het Dagblad blijkt dat Fokke
hoopte dat het nieuwe stadsbestuur de koophandel voldoende ruimte zou geven
om Amsterdam weer te laten bloeien. De nationale Verlichting, de werkelijke
Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, hingen voor een groot deel van die
bloei af. In die zin zal Fokke in 1795 zeker grote verwachtingen hebben
gehad.
De aanstelling van Fokke als redacteur van het Dagblad
gebeurde achter gesloten deuren. Pas na aandringen van een aantal medeburgers
op 11 november 1795 werden de identiteit, de taken en de hoogte van het
salaris van de redacteur bekend gemaakt. De taken en verplichtingen van
Fokke als redacteur waren vastgelegd in een tien artikelen omvattende instructie,
daterend van 10 augustus. Samengevat hielden deze artikelen in, dat Fokke
niet bij de vergaderingen aanwezig mocht zijn, maar in die tijd in de kamer
van de secretarissen (op het Stadhuis) moest wachten tot de vergadering
afgelopen was. De notulen en eventuele bijlagen moesten hem dan zo snel
mogelijk ter hand gesteld worden door de secretarissen. Zowel voor als
na het drukken was controle door een lid van de speciaal daartoe benoemde
commissie verplicht. Zolang het Dagblad nog niet uitgegeven werd,
mocht de inhoud ervan niet openbaar gemaakt worden. Als door toedoen van
de redacteur het Dagblad zes zittingen ten achter zou komen, zou
hij uit zijn functie worden ontheven. Fokke aanvaardde deze post met de
volgende belofte, die door burger Bicker in de vergadering van 21 augustus
1795 werd voorgelezen:
Ik belove, als een man van eer, en op de plegtigste wijze, in plaatse van eede, dat ik mij, als redacteur van het Dagblad, overeenkomstig de ten dien opzigte aan mij, van wegen de Representanten van het Volk van Amsterdam gegeven, en door mij met plegtige belofte bevestigde instructie, zal gedragen, en specialijk, dat ik aan den inhoud van het Dagblad geen publiciteit zal geven, direct noch indirect, vóór dat hetzelve Dagblad zal zijn afgedrukt, en alzo word uitgegeven; en voorts zal observeren en naarkomen alle zodanige orders, als mij, in qualiteit als redacteur van het Dagblad, door of vanwegen hen, Representanten, zullen worden gegeven.Naast redacteur was Fokke ook corrector van het Dagblad . Alle redactionele opmerkingen en rectificaties kunnen we dus als van zijn hand beschouwen. Vanaf 1796 bouwde Fokke, tesamen met zijn klerk en diens assistent, die de taak hadden de notulen in het net uit te werken, een kleine traditie binnen de vergaderingen van de volksvertegenwoordigers op. Op iedere eerste vergadering van het nieuwe jaar lieten de Representanten hen toe in de vergadering om hun nieuwjaarswens aan te horen. Deze nieuwjaarswensen, van de hand van en uitgesproken door Fokke, zijn vanaf 1798 integraal opgenomen in het Dagblad . Bij de wisseling van het gemeentebestuur op 31 oktober 1801, het 7e (en laatste) jaar van de Bataafsche Vrijheid, werd door de voorzitter van de vergadering een dankwoord van Fokke uitgesproken, gericht tot de aftredende leden.
Letterkundige activiteiten (1794-1810)
Een centrale activiteit
in zijn vrije tijd was Fokkes letterkundige arbeid. Omdat hij na 1793 zijn
eigen werken niet meer op de markt kon brengen, moest hij andere uitgevers
vinden die bereid waren zijn boeken uit te geven. Aanvankelijk vond hij
ze in Haarlem in de personen van A. Loosjes Pz en F. Bohn, maar hij wist
zich kort daarna ook te verbinden aan enkele Amsterdamse uitgevers, onder
wie A.B. Saakes, H. van Kesteren en J. van der Hey. In de eerste jaren
na 1793 lag de nadruk op `populair wetenschappelijke' historische en aardrijkskundige
uitgaven. Daarna nam het aantal uitgaven van zijn lezingen uit diverse
genootschappen sterk toe.
De Maatschappij der Verdiensten, beter bekend onder
de spreuk Felix Meritis, was het eerste genootschap dat hem balloteerde
en als lid verwelkomde: dat was op 14 oktober 1782. Andere volgden spoedig.
Al in de beginjaren van zijn `genootschapscarrière' was hij op zoek
naar een eigen stijl van voordragen. Hij wist dat hij een goed spreker
was - hij kwam uit een familie van acteurs - maar hij had geen vrede met
de manier waarop hij zich tot het publiek richtte. Om een wezenlijke bijdrage
te leveren aan de zelfontplooiing en kennisverwerving van de leden - een
van de belangrijkste doelstellingen van de laat-achttiende-eeuwse genootschappen
- dacht hij meer rekening te moeten houden met de smaak van zijn publiek,
of, zoals hijzelf later schreef:
Een schrijver, die eenigzins zijne moeite beloond wil zien, en zijn doel, om gelezen te worden, tracht te bereiken, moet zich voegen naar den smaak des volks, voor hetwelk hij schrijft, dewijl het volk zich niet altijd naar zijn' bijzonderen smaak, waarin hij anders veel liever zou schrijven, voegen wil of kan.Omdat de genootschapsleden lering én ontspanning wilden, besloot hij zijn teksten in een luchtig jasje te steken. Humor en vlotte dialogen werden de kenmerken van zijn verhandelingen- nieuwe-stijl. Het bleek een gouden greep. Zijn publiek reageerde positief op de komische vertogen - men kwam van heinde en verre naar Amsterdam om hem te horen - en hij kreeg een breed lezerspubliek. Zijn bekendste en meest herdrukte werken, zoals De Moderne Helicon, Een droom (1792), de Boertige reis door Europa (1794-1806) en het Ironisch-comisch woordenboek (1797-1805) werden alle als verhandelingen geschreven.
Zijn letterkundige vaardigheden wendde Fokke niet alleen aan voor de
voordrachten in de genootschappen. Na 1803 leverde hij steeds meer vertalingen
af. Het betreft hier voornamelijk toneelstukken van diverse auteurs. Eén
springt er uit: August von Kotzebue. Van hem vertaalde Fokke niet minder
dan 14 oorspronkelijke en drie bewerkte toneelstukken. Gezien het aantal
vertalingen in die jaren is de opmerking dat Fokke een broodschrijver was
geworden, gerechtvaardigd.
Regelmatig leverde hij ook bijdragen aan enkele
grote tijdschriften. In de Algemeene vaderlandsche letteroefeningen
, de Recensent, ook der recensenten en de Algemene konst-
en letterbode vinden we vanaf 1803 veel artikelen van hem, soms gebaseerd
op lezingen, soms speciaal voor deze tijdschriften geschreven. B.K. vermeldt
in zijn `Korte schets' dat Fokke `meearbeider' van de Algemeene vaderlandsche
letteroefeningen is geweest. Of dit ook inhield dat Fokke boekbesprekingen
leverde, die in principe anoniem waren, is niet bekend. Het is niet waarschijnlijk
dat hij redacteur is geweest. Er werden vaak recensies van werken van Fokke,
`dezen geleerden grappenmaker', in opgenomen, die behoorlijk kritisch of
zelfs negatief waren. Op één van deze recensies (over Leven
van [...] Lucifer) schreef Fokke een weerwoord, dat gepubliceerd werd
in de Recensent, ook der recensenten . Ik vraag me af of dergelijke
recensies zouden zijn opgenomen als Fokke zelf mede-redacteur was geweest.
Opvallend bij de Recensent, ook der recensenten is dat er zeer weinig
werken van Fokke besproken werden. Tijdens Fokkes leven werden er slechts
twee uitgebreide recensies opgenomen, nota bene ook nog van werken die
bij J. van der Hey, de uitgever van de Recensent , verschenen waren.
Toch was dit tijdschrift Fokke niet slecht gezind. Dit blijkt onder andere
uit de besprekingen van de postume werken. Zo spreken zij in 1814, twee
jaar na zijn dood, van zijn `zonderlinge talenten, wijdreikende kundigheden,
uitgestrekte werklust en werkkracht, milde medewerking tot nut en vermaak
zijner Land- en Stadgenooten, in de beschaafdste kringen, door mond en
pen, gepaard met eene beminnelijke zedigheid.' Een jaar later, in 1815,
werd zelfs nog uitzonderlijk positief gesproken over uitgerekend een almanak
van Fokke, Ernst en boert , die in oorspronkelijke vorm van 1801
tot en met 1803 was verschenen en in een iets gewijzigde vorm van 1805
tot en met 1807 opnieuw was uitgegeven. Dit is toch wel zeer opmerkelijk,
aangezien een almanak een erg tijdgebonden en vergankelijk type boek is.
Een laatste letterkundige activiteit van Fokke die
ik hier wil noemen is het helpen van een ander met haar literaire werk:
de in haar tijd geroemde dichteres Anna Catharina van Streek-Brinkman,
een nicht van de vrouw van Fokke. Zij heeft diverse malen een beroep op
Fokke gedaan, met name vanwege zijn grote talenkennis. Hij heeft haar onder
andere geholpen met haar vertaling van de Aeneas van Vergilius,
zoals blijkt uit het voorwoord van de uitgave van 1806. Na zijn dood heeft
ze hem in een gedicht herdacht.
Gezien zijn drukke bestaan zal Arend Fokke niet
veel rust hebben gehad, ondanks het buitenleven. Toch zou er nog genoeg
te genieten zijn geweest, als er niet twee grote spelbrekers waren: een
krappe kas en een zwakke gezondheid. Fokke was regelmatig ernstig ziek.
In de eerste drie maanden van 1808 bijvoorbeeld werd hij geveld door een
`hevige galkoorts'. Hij doet hiervan verslag in Dorus of het wonderkind
. Het regelmatig reizen van en naar de stad was niet bevorderlijk voor
zijn gezondheid. Dat hij zo vaak ziek was, had direct gevolgen voor zijn
regelmatige inkomsten. De belangrijkste oorzaak van het verlaten van de
landwoning was dan ook gebrek aan geld. Hoewel hij vele schnabbels had
in de genootschappen en ook wel wat verdiend zal hebben met zijn vertalingen,
verdiende hij toch niet voldoende naast zijn salaris om zijn `buiten' aan
te kunnen houden.
In 1810 waren Arend en Catharina Fokke gedwongen
terug te keren naar de stad, naar `eene ellendige woning, in eene zeer
onaanzienlijke buurt van Amsterdam'. Bedoeld is hier de Prinsengracht,
bij de Leidse gracht, vlakbij het toenmalige Aalmoezeniers-weeshuis. Voor
zijn bewezen diensten hadden Felix Meritis en de Maatschappij Tot nut van
't algemeen Fokke wel beloond met het erelidmaatschap. Dat hield onder
andere in, dat hij geen contributie meer hoefde te betalen. Sociaal gezien
behoorde hij als lagere ambtenaar tot de bevolkingsgroep die zich een lidmaatschap
met moeite kon veroorloven. De genootschappen sloten met opzet het grootste
deel van de bevolking buiten door de instelling van ballotagecommissies,
hoge contributiegelden en een uitgebreid boetesysteem. Het erelidmaatschap
leek Fokke te verzekeren van blijvende deelname aan activiteiten in de
genootschappen en van omgang met de kooplieden, de (hogere) ambtenaren,
de predikanten en andere leden uit de `middengroepen'. Het pakte echter
anders uit.
Gevangenschap en dood (1810-1812)
In 1811 bracht keizer Napoleon een bezoek aan Nederland, dat een jaar
tevoren was ingelijfd bij het Franse Rijk. Op 9 oktober werd Amsterdam
aangedaan. Het veiligheidsapparaat van de Franse politie draaide kort na
de bekendmaking van het bezoek op volle toeren. Sommige `verdachte' burgers
kregen huisarrest, anderen werden tijdelijk uit de stad verbannen of werden
gevangen gezet tot na het vertrek van Napoleon. Tot deze laatste groep
behoorde Arend Fokke.
Over de aanleiding tot zijn gevangenschap is al
heel wat gespeculeerd. De aandacht wordt vooral gericht op de persoon van
Willem Holtrop, het `brein' achter de gevangenneming, en op twee teksten
van Fokke, Het psycho-chemisch geheim om van den nood eene deugd te
maken (Amsterdam 1810) en Het horoskoop der statistische,
politieke en oeconomische wereld (in 1810 geschreven, maar pas in 1814
uitgegeven door A.B. Saakes te Amsterdam). Zonder al te veel af te willen
doen aan de spitsvondigheden van met name L.W.R. van Deventer in diens
artikel 'Arend Fokke Simonsz en zijn werken, gezien in het verband van
hun tijd' (TTL 13 (1925), p. 172-205), wil ik er op wijzen dat het
volgens mij niet een kwestie van het een of het ander was, maar een combinatie
van meerdere factoren. Allereerst wat Willem Holtrop betreft: Fokkes latere
biografen vermoedden dat het gevangen zetten van Fokke een gevolg was van
een vete tussen hem en Holtrop, die 35 jaar eerder de plaats van Fokke
in de uitgeverij van Van Esveldt had overgenomen, na met diens dochter
te zijn getrouwd. In de Napoleontische tijd was Holtrop onder andere `Commissair
Général' te Amsterdam, en samen met B.A. Fallée belast
met de gevangenneming van Fokke. G. van Rijn beschrijft in het Amsterdamsch
jaarboekje voor geschiedenis en letteren voor 1889 een bijna-gevangenneming
van de uitgever H. Moolenijzer door hetzelfde duo. Van Rijn zegt dat zij
in opdracht van C.A. van Raij handelden, die keurmeester was en censuur
toepaste op anti-franse geschriften. Moolenijzer had een boek uitgegeven
dat beschouwd werd als beledigend voor de Fransen in het algemeen en Napoleon
in het bijzonder. Holtrop en Fallée schijnen zich bij Moolenijzer
zeer humaan te hebben opgesteld. Belangrijk hier is te zien dat ook Holtrop
in opdracht van hoger geplaatsten handelde. En van enige rivaliteit of
zelfs vijandschap tussen Fokke en Holtrop heb ik geen sporen gevonden.
Om de aanleiding tot de gevangenneming te achterhalen moeten we ons dus
niet laten leiden door een roddelverhaaltje rond de schone Helena van Esveldt,
maar onder andere kijken naar geschriften van Fokke.
Van Deventer geeft een uitgebreid overzicht van
argumenten pro en contra de twee eerder genoemde werken. Ik vraag me af
of het zinvol is naar één werk te zoeken. Niet alleen Fokkes
geschriften konden gecontroleerd worden, ook zijn redevoeringen in de genootschappen
werden door de censuurcommissie gevolgd en daar had hij zelf voldoende
aanleiding toe gegeven. In maart 1808 had hij de gemoederen in het genootschap
Doctrina & Amicitia in beweging gebracht door beledigende opmerkingen
in een lezing over diverse preekstijlen; in april 1810 haalde hij de woede
van het Eerste Departement van de Maatschappij Tot nut van 't algemeen
op zijn hals door een lezing over het spreekwoord `Elk meent zijn uil een
valk te zijn'. Hij had in bepaalde bewoordingen over de politieke situatie
in het land gesproken die in strijd waren met de wetten van de Maatschappij.
Beide keren was Fokke verrast door de woede van de genootschapsleden en
hij heeft de teksten van de lezingen voor de publicatie ervan herzien,
wat voor ons het vinden van de stenen des aanstoots niet gemakkelijk maakt.
De censuurcommissie was ongetwijfeld op de hoogte van de woede van de genootschapsleden
en had die teksten niet meer nodig.
Eerder is al gezegd dat Fokke zijn politieke opvattingen
zelden expliciet onder woorden heeft gebracht in zijn publicaties. Wellicht
in tegenstelling tot zijn tijdgenoten is het voor ons moeilijk door zijn
vaak mythologische beeldspraak heen te prikken. Van Deventer geeft een
interpretatie van het Psycho-chemisch geheim en vervangt de mythologische
personen door politieke kopstukken met aanhang. Zolang er echter geen duidelijkere
uitlatingen van Fokke bekend zijn, moeten we toch voorzichtig omgaan met
dergelijke interpretaties. Hoewel we niet beschikken over precieze uitlatingen
over de Fransen en Napoleon in zijn verhandelingen of overige geschriften,
kan wel afgeleid worden waaróm hij kritiek op het Franse bewind
leverde. In 1802 had hij, in de roes van de Vrede van Amiens, Napoleon
bejubeld als de stoutmoedigste en dapperste van alle helden, de Vredestichter.
Wat hij verlangde was vrede en vrijheid voor de koophandel, noodzakelijk
voor de bloei van de Nederlandse samenleving. Toen bleek dat Napoleon meer
nam dan gaf, sloegen bij velen de gevoelens van hoop om in teleurstelling.
Fokke gaf voorzichtig uiting aan die teleurstelling in de nieuwjaarswensen
die hij enkele jaren schreef voor de opvoering van De bruiloft van Kloris
en Roosje en die door de personage Thomasvaer werden uitgesproken.
Met de jaren groeide de teleurstelling en daarmee de (mondelinge) kritiek,
getuige ook de voorvallen in de genootschappen. Mijns inziens was zijn
langzamerhand dubieuze reputatie reden genoeg om hem te arresteren en ongeveer
veertien dagen gevangen te zetten in het Verbeterhuis `aan den schans bij
de Weteringpoort'.
Hoewel hij binnen een maand na zijn vrijlating weer
lezingen hield in Felix Meritis heeft Fokke er toch een flinke klap aan
over gehouden. Erger was nog dat de uitgevers voorzichtig geworden waren
en voorlopig geen werk van hem uit wilden brengen, waardoor een bron van
inkomsten wegviel. Het jaar 1812, zijn laatste levensjaar, bracht geen
verbeteringen meer, financieel noch fysiek. Hij was regelmatig ziek of
sukkelende. In juni overleed zijn `eenigen en dierbaren' halfbroer Jan,
ongehuwd en kinderloos. Enkele maanden later overleed Arend. Op 15 november
1812 stierf een artistieke tak van de familie Fokke uit.
Herdenkingen (1812-1835)
De begrafenis vond plaats op 21 november in de Zuiderkerk, waar al
veel leden van de familie Fokke begraven lagen, en werd verzorgd door de
genootschappen V.W. (waar Fokke geen lid van was) en Tot nut en beschaving.
De lijkrede werd uitgesproken door H. Somerhausen namens Tot nut en beschaving.
Namens V.W. vervaardigde M. Westerman een huldezang, die voorgedragen werd
door C. van Hulst. Deze laatste zat in de `Commissie van Toevoorzigt',
tesamen met G.A. van Raij én B.A. Fallée, die Fokke een jaar
tevoren nog gevangen had(den) genomen. De treurmuziek tijdens de begrafenis
was gecomponeerd door P. Greive, eveneens lid van V.W.
De weduwe Catharina Fokke-Brinkman verhuisde naar
het Zuidelijk Zaagmolenpad bij de molen De Sparreboom. Daar bleef ze wonen
tot haar dood op 13 augustus 1826. Somerhausen zegt over haar dat ze