VLEERMUIZEN IN FLEVOLAND
Rombout de Wijs
Vrijwel iedereen heeft wel eens een vleermuis gezien, meestal als een schim in de schemering. De meeste mensen zullen aan een vleermuis echter niet veel aandacht schenken, behalve dan die enkeling die er af en toe eentje in huis aantreft. Dat is jammer, want vleermuizen zijn intrigerende dieren, die ook in Flevoland vrij veel voorkomen en tegenwoordig prima te bestuderen zijn.
Vleermuizen
Vleermuizen zijn hoog ontwikkelde vliegende zoogdieren die 's nachts actief zijn; rond de schemering vliegen ze uit om op insekten te gaan jagen.
Vleermuizen vinden hun weg door de duisternis met geluiden die ze zelf maken. Deze geluiden zijn zo hoog dat de mens ze niet kan horen, ze worden daarom ultrasoon genoemd. Aan de hand van de teruggekaatste echo's van deze ultrasone geluiden kunnen vleermuizen horen in wat voor omgeving ze vliegen en of er ook insekten zijn. Met dit echolocatie-systeem, ook wel sonar genoemd, kunnen ze in het donker feilloos de weg vinden. Ontdekken ze een insekt, dan wordt razendsnel de koers aangepast en wordt de prooi door een knappe samenwerking van vleugels, staartvlieghuid en bek gevangen en opgegeten. Zo kan een vleermuis honderden insekten, zoals muggen, motjes en kevers, per nacht verorberen!
Een jaar uit het leven van een vleermuis verloopt volgens een vast patroon. In het voorjaar ontwaken de dieren uit hun winterslaap. De vrouwtjes verzamelen zich in zogeheten kraamkolonies, waar aan het begin van de zomer de jongen geboren worden. Meestal wordt maar één jong per moeder geboren. De mannetjes brengen de zomer alleen of in kleine groepjes door. Aan het eind van de zomer zijn de jongen al zelfstandig en vallen de kraamkolonies uiteen. Dan begint voor de volwassen dieren de paartijd. Als het najaar vordert en er steeds minder insekten vliegen, worden de winterverblijfplaatsen opgezocht. Hier verkeren ze tot het volgende voorjaar in diepe rust. In geschikte winterverblijven is het vorstvrij maar koel (4 tot 8° C), is de luchtvochtigheid hoog en is het donker en stil. Bekende overwinteringsplekken zijn de kalksteengroeven in Zuid-Limburg. Ook in bunkers, ijskelders, spouwmuren en holle bomen overwinteren vleermuizen, afhankelijk van de soort. Vleermuizen kunnen tamelijk oud worden. Door tijdens de winterslaap dieren te merken met een ring, heeft men ontdekt dat sommige dieren een leeftijd van meer dan 20 jaar kunnen bereiken.
Onze kennis van vleermuizen is de laatste tien jaar sterk toegenomen. Voordien konden vleermuizen alleen maar bestudeerd worden, door ze waar te nemen tijdens de winterslaap of bij sommige kraamkolonies. Maar wat de vleermuizen nu uitspookten tijdens de jacht op insekten was lange tijd een raadsel.
Inventarisaties in de zomer
In het midden van de jaren '80 is in deze situatie verandering gekomen. Het was al langer bekend dat de sonargeluiden hoorbaar gemaakt kunnen worden met een bepaald apparaat, een zgn. 'batdetector'. Nederlandse vertaalpogingen van deze benaming luiden onder meer 'vleermuisontvanger', maar wellicht dekt USO (ultrasoonontvanger) de lading beter. Deze apparaten waren aanvankelijk echter veel te duur voor de particulier en alleen bereikbaar voor universiteiten en andere instellingen. Begin jaren '80 echter werd bemerkt dat die dingen ook zelf te maken waren door een transistorradio om te bouwen en dan best betaalbaar waren. Ook konden er tamelijk betaalbare detectors in Engeland gekocht worden. Bovendien bleek dat de verschillende soorten vleermuizen hiermee in het veld ook daadwerkelijk van elkaar waren te onderscheiden. Dit bood mogelijkheden voor onderzoek.
Tijdens een studentenonderzoek in de bossen tussen Nijmegen en Groesbeek werd ontdekt dat er een methode ontwikkeld kon worden om kolonies en andere verblijfplaatsen van vleermuizen te ontdekken, onder meer door vliegroutes op te sporen en te volgen, en dat de verschillende soorten duidelijk verschillend jaaggedrag vertoonden. Toen werd duidelijk dat hiermee een hele nieuwe vorm van vleermuisonderzoek kon worden uitgevoerd.
Ik kocht zelf een batdetector (een Engelse QMC-mini) in 1985. Ik vond het fascinerend dat ik nu overal vleermuizen kon waarnemen op plaatsen waar ik ze niet had vermoed! Omdat ik aanvankelijk nog in Amsterdam woonde (een gevolg van mijn studie) kon ik nog niet zoveel interessant onderzoek aan vleermuizen doen. Wel kon ik elders wat ervaring opdoen. Eind 1987 kwam ik naar Almere en het leek er aanvankelijk op dat ook hier maar weinig vleermuizen voorkwamen. Maar aan het eind van 1988 begon het er toch op te lijken dat dit nog wel eens mee kon vallen, omdat ik inmiddels al vijf soorten had waargenomen, alleen al in en rond Almere.
Inventarisatieproject
Als gevolg van de ontwikkelingen met batdetector-onderzoek was inmiddels een landelijk project opgestart, om te proberen om met een groot aantal medewerkers de zomerverspreiding van vleermuizen in heel Nederland in kaart te brengen. Dit werd mogelijk omdat de middelen werden gevonden om vele tientallen batdetectors aan te schaffen en deze voor een luttel bedrag aan medewerkers te verhuren. Het project, het Vleermuis Atlas Project (VAP), werd provinciegewijs opgezet, met voor elke provincie een Provinciaal Coördinator (Proco). Omdat ik aanvankelijk de enige medewerker in Flevoland was, werd ik tot proco voor Flevoland gebombardeerd, aanvankelijk tegen wil en dank! Maar al spoedig diende zich een tweede medewerker aan, toen een vroegere studiegenoot (Robert Luttik) ook in Almere kwam wonen en graag wilde meedoen.
Omdat spoedig bleek dat het mogelijk was om ook per langzaam rijdende auto vleermuizen te inventariseren, begon ik er heil in te zien om mijn taak als proco serieus op te vatten en de hele provincie Flevoland te gaan karteren.
In 1989 waren we eerst bezig om te ontdekken waar die vleermuizen bij Almere vandaan kwamen. Dat bleek voor de meeste soorten moeilijk, maar de Rosse Vleermuizen en Laatvliegers kwamen duidelijk van elders. We begonnen te vermoeden dat die van het 'oude land' kwamen en zijn daar eens op gaan letten. Het bleek dat de Laatvliegers vooral via de Hollandse Brug naar de omgeving van Almere vlogen en de Rosse Vleermuizen dat ook wel deden, maar meestal niet de moeite namen om ver om te vliegen en dan dwars over het Gooimeer uit het Gooi kwamen aanvliegen. Dat is overigens nog steeds zo en het is vooral in de (na)zomer goed waar te nemen vanaf de dijk ten zuiden en zuidwesten van Almere tegen het licht van de ondergaande zon.
1990: Zuidelijk Flevoland
In 1990 werd begonnen met het inventariseren van Zuidelijk Flevoland. Al spoedig bleek dat die Rosse Vleermuizen niet alleen over het Gooimeer vlogen, maar ook over een groot deel van het zuiden van Zuidelijk Flevoland en dat zij vervolgens gingen foerageren boven vaarten, randen van het Markermeer, verkeerskruispunten met veel lantaarns (die insekten aanlokken) en de Oostvaardersplassen, althans de delen die onder water stonden. De Laatvliegers konden we op vergelijkbare plaatsen aantreffen, maar minder talrijk. Bovendien vonden we die ook geregeld jagend langs wegen met een bomenrij erlangs. Watervleermuizen en enkele Meervleermuizen namen we waar boven grachten, vaarten en vijvers. Vrijwel overal kwamen we ook Dwergvleermuizen tegen en in het najaar Ruige Dwergvleermuizen.
Op een tweetal telroutes in en om Almere begonnen we op een standaard manier met het regelmatig tellen van vleermuizen. De bedoeling hiervan was om inzicht te krijgen in de betrouwbaarheid van onze inventarisatietochten en om te proberen om te kunnen volgen of de aantallen vleermuizen van jaar tot jaar verschillen (monitoring).
1991: Oostelijk Flevoland
In 1991 was Oostelijk Flevoland aan de beurt. Ook deze polder werd zo goed mogelijk geïnventariseerd, maar dat jaar waren de weersomstandigheden in het voorjaar erg slecht geweest en uit onze routetellingen bleek dat de aantallen vleermuizen toen wat lager waren dan daarvoor. Dat was misschien de reden dat we enkele soorten niet zo talrijk aantroffen.
In een poging om te proberen toch wat meer medewerkers aan het Atlasproject te krijgen werd contact gezocht met alle Flevolandse natuur- en milieuorganisaties en de diverse media. In de meeste kranten kwamen artikeltjes over vleermuizen en een oproep voor medewerking. Inderdaad kwamen hier reacties op, meestal van mensen die af en toe een vleermuis zagen vliegen, maar ook van mensen die daadwerkelijk vleermuizen in huis hadden. Een echte kraamkolonie, een verblijfplaats waar vrouwtjes hun jongen krijgen, werd echter niet aangemeld. Ook meldden zich een viertal nieuwe medewerkers. De acties via de radio, eerst een reportage en geruime tijd later een interview, leverden geen enkele reactie op.
Tot slot werden Urk en Schokland in de Noordoostpolder eenmalig bezocht, tenslotte staan daar de oudste huizen in onze provincie en zou je verwachten dat daar dus ook de grootste kans op vleermuizen bestond. Dit bezoek leverde hier echter geen enkele vleermuis op!
1992: Noordoostpolder
Ook een jaar later werden deze plaatsen bezocht. Weliswaar werden toen wel kleine aantallen vleermuizen waargenomen, maar pas tijdens mijn vierde bezoek aan Urk hoorde ik hier de eerste Dwergvleermuis, de talrijkste soort in Nederland!
Dit jaar werd ook de rest van de Noordoostpolder bezocht, met onverwacht grote aantallen Laatvliegers tot gevolg. Vooral in de westelijke helft van deze polder werden deze waargenomen en het zou mij niets verbazen als zou blijken dat zich hier één of meer kolonies van deze soort bevinden.
Enkele soorten
Eén van de interessantste soorten in Flevoland is de Meervleermuis. Eerst hadden we wat moeite met de herkenning ervan, maar dat kwam omdat de toenmalige cassette met voorbeeldgeluiden deze soort niet goed weergaf. Dat moesten we zelf ontdekken. Nu hadden we al een paar keer rare geluiden gehoord die we niet direct konden thuisbrengen, maar rondschijnen met een halogeenlamp leverde dan steeds geen vleermuizen op. Tot het een keer raak was en we een wat grotere soort met hoge snelheid laag over het water zagen vliegen. Toen begrepen we direct dat het om de Meervleermuis moest gaan en dat we die dus vaker hadden waargenomen, maar steeds met de lamp hadden gemist vanwege zijn grote snelheid. Daarop nu voorbereid reageerden we sneller en toen kregen we ze wel goed te zien.
Aangezien we het geluid nu goed kenden en steeds meer over het dier te weten kwamen, bleek dat we ze feitelijk overal boven wat bredere wateren konden waarnemen. Bovendien bleek dat we ze ook overal langs de Randmeren konden waarnemen, maar vooral met aflandige wind, want dan vlogen ze in de luwte aan de dijkvoet. Langs de westkust van de Noordoostpolder heb ik waargenomen, dat er onder zulke omstandigheden op elk moment dat ik daar begon waar te nemen steeds tientallen waren te zien, waar ik die kust ook aandeed. Het moet dus om flinke aantallen gaan.
Dat is des te interessanter als we bedenken dat enkele jaren terug nog werd gedacht dat deze soort in Nederland op het punt van uitsterven stond. Dat kwam omdat al in de jaren '50 en '60 werd aangetoond (met ringonderzoek) dat er Meervleermuizen waren die 's zomers in kolonies in Friesland en Noord-Holland vertoefden, en overwinterden in de Zuid-Limburgse kalksteengroeven. In de jaren daarna namen zowel de aantallen in de zomerkolonies als in de kalksteengroeven af. Er werd dus aangenomen dat ze sterk in aantal afnamen. Door een batdetector-onderzoek eind jaren '80 in Noordwest Overijssel bleek echter dat Meervleermuizen vaak ook gewoon in rijtjeshuizen en zelfs in nieuwbouwwijken hun kolonies hadden en dat het hierbij vaak om hele grote kolonies ging. Het verbazingwekkende was hierbij dat de menselijke medebewoners van die huizen daar vaak niets van in de gaten hadden! Dat was echter niet overal zo. In Kuinre bijvoorbeeld, net op de grens met Flevoland, zit zo'n grote kolonie en daar hebben de bewoners het duidelijk wèl gemerkt.
Het is dus waarschijnlijk dat er zich in ieder geval rond, maar mogelijk ook in, Flevoland één of meer kolonies van die soort bevinden. Vooral Lelystad lijkt me een goede kanshebber, daar zien we al vroeg in de avond enige aantallen Meervleermuizen verschijnen. In Lelystad is overigens in 1992 de eerste echte vleermuizenkolonie van Flevoland gevonden, een grote kolonie Dwergvleermuizen.
Ook wil ik vermelden dat nog een andere intrigerende soort in Flevoland talrijk voorkomt, de Ruige Dwergvleermuis. Deze soort vertoont een nog veel sterker trekgedrag, wat recentelijk onder meer door ringonderzoek ontrafeld begint te worden. 's Winters verblijven deze dieren in onze streken (tot in Noord-Frankrijk), maar in het voorjaar trekken met name de volwassen vrouwtjes naar de landen rond de Oostzee, vooral de Baltische staten en oostelijk daarvan in Rusland. Daar vestigen ze kraamkolonies waar ze hun jongen grootbrengen. Nadat de jongen zijn uitgevlogen (nazomer, herfst) trekken de meeste dieren naar het zuiden, onder meer naar onze streken, waar ze zich vermengen met de hier achtergebleven mannetjes. Dan breekt de paartijd aan, waarin de mannetjes een territorium afbakenen door luid te roepen. Voor jonge mensen met een goed gehoor is dat zonder elektronische hulpmiddelen vrij goed te horen. Tevens proberen de mannetjes hiermee zo veel mogelijk vrouwtjes te lokken, waarmee dan gepaard wordt. In de trektijd in het najaar kan deze soort vrijwel overal in Flevoland (en Nederland) trekkend of jagend worden aangetroffen, zelfs langs de Houtribdijk van Lelystad naar Enkhuizen!
Plannen
Onlangs werd bekend dat het VAP nog een jaar langer kan doorgaan. (Inmiddels is het project afgerond met de uitgave van de Atlas van de Nederlandse Vleermuizen in 1997). Dat is prettig omdat de inventarisatie van Oostelijk Flevoland voor een deel plaatsvond in een, achteraf gezien, vrij slecht vleermuis-seizoen, zodat hier nu nog wat meer aandacht aan kan worden geschonken. Ook zouden er nu eens wat meer echte kolonies moeten worden opgespoord in geheel Flevoland.
Boombewonende vleermuizen kunnen in de meeste bossen van Flevoland nog niet goed terecht, omdat het aantal geschikte boomholten hiervoor nog te gering is. Daarom zou het ophangen van flinke aantallen vleermuiskasten hierin verbetering kunnen brengen, tot het aantal natuurlijke holten wel voldoende is.
Vleermuizen die elders in Nederland voor een deel in onderaardse bouwwerken overwinteren (forten, kelders) kunnen hiervoor in Flevoland vrijwel nergens terecht. Kelders zijn hier vrijwel nergens gebouwd en als dat wel het geval is zijn deze nog niet buiten (menselijk) gebruik geraakt en daarmee beschikbaar geworden voor vleermuizen. Flevoland neemt wat dat betreft een uitzonderingspositie in. Aanleg van dergelijke onderaardse objecten, speciaal voor vleermuizen, zou hier dan ook zeer nuttig kunnen zijn, te meer daar de soorten die hiervan gebruik kunnen maken hier 's zomers al wel voorkomen.
Voor de uitvoering van deze plannen is echter medewerking nodig, met de huidige mankracht is dit nauwelijks te realiseren. Daarom zou ik een ieder die hieraan een bijdrage wil en kan leveren willen verzoeken hierover met mij contact op te nemen. De vleermuizen verdienen uw steun, ook in Flevoland!
Rombout de Wijs
maart 1993
terug