Leefwijze
Levenscyclus
De levenscyclus van de veldkrekel duurt 1 jaar. Na de paring, in mei of juni, legt het
vrouwtje zo'n 200 eieren in de grond. Hiervoor gebruikt ze haar lange legboor (foto).
Hieruit ontwikkelen zich in
enkele weken de jongen (nymfen). Eerst lopen die vrij rond tussen de planten en zitten dan
vaak in groepen bijelkaar op open plekken. Na ongeveer 6 vervellingen graven ze
met hun kaken een holletje. Soms ook kraken ze een al bestaand holletje. Ze verhuizen
regelmatig, om meer ruimte te hebben als ze groeien. Na de 9e of 10e vervelling gaan
ze overwinteren in hun holletje. Dat sluiten ze dan in oktober of november van de
buitenwereld af. Eind maart kunnen de jongen alweer zonnend of grazend voor de ingang
van hun hol worden gezien. Hierna volgen dan nog twee vervellingen in april en mei.
Daarna zijn ze volwassen geworden, zijn hun vleugels volgroeid en kunnen ze paren. De
volwassen dieren (imago's) leven dan nog zo'n 80-100 dagen. Ze zijn vooral te vinden in
mei, juni en juli, maar de eerste kunnen er soms al in april zijn en de laatste nog
in augustus of september.
Voedsel
Veldkrekels eten van alles (omnivoor). Ze eten vooral grassen, maar ook struikheide en
schapenzuring, maar ook wel allerlei dode dieren.
Vleugels en zang
Veldkrekels hebben wel vleugels, maar kunnen daar toch niet mee vliegen. Deze zijn daarvoor
te kort. Bij mannetjes zijn de voorvleugels speciaal gevormd om geluid mee te maken (foto). De
rechtervleugel heeft aan de onderkant een rij kleine tandjes, waarmee hij over
een richel van de onderliggende linkervleugel kan raspen. Hierdoor gaan de voorvleugels
trillen, maar op zo'n bijzondere manier dat hierdoor het mooie krekelgeluid ontstaat. Om
dat goed te laten horen, tilt hij bij het sjirpen de voorvleugels een beetje op. Zo
ontstaat een klankkast (net als bij een gitaar of viool) en klinkt
het geluid extra ver.
Om die geluiden te kunnen horen, hebben krekels natuurlijk ook een gehoororgaan. Dat zit vreemd genoeg
in hun voorpoten!
Kwetsbaar
Omdat krekels dus niet kunnen vliegen, moeten ze overal te voet naar toe. Dat maakt ze
kwetsbaar om ergens uit te sterven. Als een bepaald heideterreintje tijdelijk ongeschikt
is geworden, bijvoorbeeld omdat het onder water heeft gestaan of is dichtgegroeid met bomen, kunnen alle krekels daar
uitsterven. Als het terreintje daarna weer geschikt is geworden, kunnen krekels
daar dus niet meer zo makkelijk naar toe komen. Dat kan alleen als er nog ergens anders
in de buurt krekels voorkomen. Is dat verder weg en ligt daar bijv. een drukke weg
tussen of een groot bosgebied, dan kunnen krekels daar dus niet meer komen en blijven ze
uitgestorven.
Veel heideterreinen, waar vroeger veldkrekels voorkwamen, zijn minder geschikt
geworden, door bijv. vergrassing of verbossing, of zijn te veel afgezonderd geraakt van andere krekelgebieden. Daarom
zijn krekels in
Nederland zeldzaam geworden. Ze komen nog maar op enkele plaatsen voor (kaart). Daarom
staat de veldkrekel op de Rode Lijst van bedreigde dieren. De krekels in het Gooi zijn de
noordelijkste van Nederland.
Bron: De sprinkhanen en krekels van Nederland, Kleukers et al. 1997.
Laatste wijziging 4 oktober 2003
(c) Rombout de Wijs
Terug