Godsbewijzen van Thomas van Aquino
Thomas van Aquino wil met zijn
godsbewijs laten zien, dat het mogelijk is om via de gewone wegen
van de wetenschap (via de ratio) tot een bewijs voor het bestaan
van God te komen. Hij geeft vijf verschillende a-posteriori godsbewijzen;
allen hebben hun basis in de zintuiglijk waarneembare wereld.
Thomas gebruikt in zijn bewijzen veel aristotelische begrippen;
de aristotelische terminologie is echter slechts terminologie.
Thomas gebruikt en definieert de termen op een andere wijze dan
Aristoteles; hij doet er zelf iets mee, wat je bij Aristoteles
niet vindt. Zo is de Eerste Onbewogen Beweger bij Thomas iets
anders dan bij Aristoteles (bij hem was de Onbewogen Beweger het
doel waarop de hemellichamen gericht zijn).
De eerste drie godsbewijzen
Het eerste godsbewijs gaat uit
van het empirisch gegeven dat er dingen zijn die in beweging (verandering)
zijn; voor onze zintuigen is het evident dat er beweging is. De
beweging hebben de dingen echter niet van zichzelf, dus van iets
anders; van dat laatste geldt hetzelfde, enz., enz.; omdat een
oneindige reeks onmogelijk is, moet er een Eerste Onbewogen Beweger
zijn; en daaronder verstaan allen God.
Het eerste godsbewijs is opgebouwd als een aristotelisch syllogisme;
uit twee premissen volgt een conclusie. De eerste premisse is
evident; er zijn dingen die bewegen. De tweede premisse (alles
wat bewogen wordt, moet door iets anders bewogen worden) is niet
evident en die moet Thomas nog gaan bewijzen; dat doet hij ook
weer door middel van een syllogisme. De conclusie van Thomas luidt,
dat het noodzakelijk is om bij een Eerste Beweger uit te komen
(die door niets anders wordt bewogen) en die noemen we God.
Aangezien Thomas van Aquino
als argument tegen het godsbewijs van Anselmus gebruikt, dat de
ongelovige niet overtuigd wordt, mag je er van uit gaan, dat Thomas
de bedoeling heeft, dat hij het bestaan van God alleen met behulp
van de ratio wil bewijzen. Zijn bewijs is echter niet sluitend.
Ten eerste hoef je niet perse bij één Eerste Onbewogen
Beweger uit te komen; volgens de regels van de logica hoeft de
redenering van Thomas niet tot één Onbewogen Beweger
te leiden; er zouden er best meer kunnen zijn. Verder hoeft de
Eerste Onbewogen Beweger dus niet perse God te zijn.
Ten tweede is het syllogisme niet geldig (zie voor commentaar
Opmerking II); in de conclusie wordt de tweede premisse
tegengesproken. 'God beweegt, maar wordt niet bewogen' spreekt
'alles wat beweegt, moet bewogen worden' tegen. Verder kan je
nog zeggen, dat het syllogisme niet geldig is, omdat het een cirkelredenering
is; Thomas gebruikt een Eerste Beweger om het bestaan van een
Eerste Beweger aan te tonen. Hij zegt o.a. dat er geen oneindige
reeks kan zijn, omdat er anders geen Eerste Beweger zou zijn.
Opmerking I: Thomas van Aquino
gebruikt in dit bewijs (en in de twee volgende) het argument,
dat het niet mogelijk dat het in het oneindige door kan gaan (regressus
ad infinitum); in de bewijsvoering wordt oneindigheid namelijk
niet geaccepteerd. Bij Thomas is het ook logisch dat het niet
kan, omdat er sprake is van een hiërarchisch systeem (zoals
in elke christelijke en platoonse filosofie); binnen een hiërarchie
kan geen oneindigheid bestaan (inzake concrete gevallen).
Opmerking II: De tweede premisse hoeft niet tegengesproken
te worden, omdat er letterlijk staat, dat wat bewogen wordt, door
iets anders wordt bewogen; de Eerste Beweger beweegt zelf niet,
maar beweegt andere dingen; deze worden dus bewogen, door iets
dat zelf niet beweegt of bewogen wordt. Als dit is wat Thomas
bedoelt (en dat lijkt me waarschijnlijk) is het syllogisme niet
in tegenspraak en dus geldig.
Het tweede godsbewijs gaat uit van de orde van efficiënte zijnsoorzaken; het bewijs verloopt parallel aan het eerste.
Het derde bewijs is het zogenaamde
contingentiebewijs; het gaat uit van het contingent ( = niet-noodzakelijke)
zijnskarakter van een aantal dingen in de zintuiglijke wereld.
De ratio van deze dingen moet een Noodzakelijk Zijnde zijn; en
dat noemen allen God.
Het is afgeleid van noodzakelijkheid en mogelijkheid; er zijn
in de natuur dingen die mogelijk kunnen zijn en niet-zijn (het
ontstaan en vergaan van dingen). Thomas van Aquino gebruikt de
term 'mogelijkheid' in de zin van 'tijdelijk, vergankelijk'; dit
zijn dus niet noodzakelijke dingen (de noodzakelijkheid is equivalent
met 'eeuwig'); zie ook Weinberg, pag. 192.
Opmerking III: 'Therefore, if everything can not-be, then at one time there was nothing in existence'. Thomas gaat er van uit, dat iets wat kan niet-zijn, op een bepaald moment ook niet is én dat alles wat mogelijk is, ook een keer moet zijn (bestaan). Zijn redenatie dat er 'ooit een keer niets was' is een mogelijke, maar is een conclusie die niet logisch uit zijn argumenten volgt.
De twee laatste godsbewijzen
In het vierde godsbewijs gaat Thomas uit van de constatering dat er graden van volmaaktheid zijn; sommige dingen zijn méér goed, enz. dan andere (c.q. eenzelfde ding is op een gegeven ogenblik méér goed, enz. dan op een ander). De gradatie in dingen is het minst aristotelische godsbewijs; hij vertoont nog het neoplatoonse gedachtegoed van de hiërarchie der dingen (denk aan de Idee van het Goede, etc).
Het vijfde godsbewijs heet ook
wel het teleologische godsbewijs (telos = doel); het argumenteert
vanuit de doelgerichtheid van de natuur. De Bouwmeester van dat
geordend geheel is God; Hij is de architect van het geheel en
zorgt ervoor dat ook 'natural bodies' zich bijna altijd op dezelfde
manier gedragen om zo tot het beste resultaat te komen. Ze proberen
zo goed mogelijk te zijn, zoals ze moeten zijn (platoons gezegd:
ze proberen zo veel mogelijk overeenkomstig de Idee te zijn).
De dingen die dus geen kennis hebben bewegen toch naar een bepaald
doel toe; deze doelgerichtheid is voor hem een zintuiglijk gegeven
(evident).
Volgens Thomas moet er een ontwerper van een wereld, die zo duidelijk
doelgericht is, bestaan; deze ontwerper (dat zijnde waardoor alle
dingen een doel hebben) noemen we God.
Opmerking IV: Dit bewijs is
ook een aristotelisch bewijs: ten eerste is het een a-posteriori
bewijs en ten tweede gaat het er van uit dat alles naar een doel
beweegt. Een ander aristotelisch kenmerk is de opmerking dat de
dingen die geen ratio hebben ook naar een bepaald doel toe bewegen.
Opmerking V: Het teleologisch godsbewijs wordt over het algemeen
als het sterkste godsbewijs gezien. Een objectie die je kan maken
is, of het inderdaad wel zo evident is, dat alles naar een doel
toe beweegt.
Willem van Ockham
Van Willem van Ockham bestaat geen godsbewijs; volgens Ockham kan je niet op wetenschappelijke (filosofische) wijze bewijzen dat God bestaat. Als filosoof heeft hij zich echter wel bezig gehouden met de godsbewijzen o.a. van Anselmus, Thomas en Duns Scotus.
De kritiek van Ockham op de
a-posteriori bewijzen:
Ockham is van mening dat het wel mogelijk is om a-posteriori bewijzen
te geven, maar kan je niet meer concluderen dan dat er een Eerste
Beweger, etc. moet zijn; daarmee is nog niet bewezen dat God bestaat
(dat God de Eerste Beweger zou zijn). Volgens Ockham zouden er
ook meerdere Eerste Bewegers kunnen bestaan of er zou een 'in-stand-houder'
kunnen zijn (dit is namelijk op een filosofische manier te bewijzen).
De Joods-christelijke God, kan je daarentegen niet op een wetenschappelijke
wijze bewijzen; er is dus reden om - wetenschappelijk gezien -
te twijfelen aan het bestaan van God.
De kritiek van Ockham op de
a-priori bewijzen:
Duns Scotus heeft een a-priori bewijs van het bestaan van God
gegeven; Ockham heeft daar kritiek op. De redenering van Ockham
komt op het volgende neer; als we uit gaan van het begrip IQM
(het hoogst denkbare), dan kan je dat begrip op twee manieren
opvatten:
1. Je kan het opvatten als uitgaande van iets in de werkelijkheid
waarmee je in vergelijking niets groters kan denken. Het IQM is
dan echter niet het grootst denkbare, omdat je altijd in staat
bent iets groters te denken dan wat in de werkelijkheid bestaat.
2. Je kan het opvatten als een begrip dat geen contradictie toelaat
(zoals Anselmus doet); als je IQM op deze manier opvat, dan kan
het per definitie niet bestaan. Volgens Ockham zit een begrip
vast aan het begrijpen; een begrip is niets anders dan wat zich
in het denken afspeelt; het begrip IQM bestaat dus alleen in het
denken. Ockham maakt dus niet de stap van de binnenwereld (de
gedachte) naar de buitenwereld. Hij erkent overigens wel de existentietoevoeging;
als iets als bestaande gedacht wordt, is het groter dan iets wat
nog zonder existentie gedacht wordt. Zie ook argument (1) waarom
het dus per definitie niet kan bestaan.
Willem van Ockham is te beschouwen
als een zuinigheidsdenker; volgens hem bestaan er alleen maar
dingen in de actualiteit en bestaan begrippen alleen maar in het
denken (het denken over de actualiteit).
Het nominalisme (waaronder de filosofie van Ockham valt) maakt
alleen maar gebruik van de meest elementaire dingen om de dingen
te verklaren (namelijk de werkelijkheid en het denken).
Scheiding filosofie en theologie
Bij Ockham zijn de filosofie
en de theologie strikt gescheiden vakgebieden. Voor het geloof
is het zeker dat God bestaat, maar als filosoof moet je erkennen,
dat het niet mogelijk is om te bewijzen dat God bestaat. Zowel
de filosofie als de theologie heeft zijn eigen domein.
Een consequentie van de scheiding tussen filosofie en theologie
is o.a. dat je je als theoloog niet aan de wetten van de logica
hoeft te houden; als je het echter wel doet, ben je wel verplicht
je er aan te houden. Een voordeel van de scheiding is, dat zowel
de logica als de theologie veel minder kwetsbaar zijn geworden.
Opmerking VI: Ockham zegt dat theologie geen wetenschap is; de theologie kan zich niet bedienen van wetenschappelijke uitgangspunten (namelijk de zintuiglijk waarneembare wereld).
© 1999 Jeroen Vink
| |