Er was eens een koning, die ontzettend graag kersen at. Het koninklijke park stond vol met kersebomen, zodat de koning altijd genoeg sappige kersen kon krijgen. Maar de heerlijke zoete vruchten smaakten niet alleen hem, maar ook de merels, de spreeuwen, de mezen en alle andere vogels. Dat ergerde de koning en hij beval, dat alle vogels in zijn land moesten worden gedood. En dat gebeurde. Al gauw hoorde men in het hele koninkrijk geen merel meer tjilpen, geen nachtegaal meer zingen. De onderdanen van de koning waren daar zeer bedroefd over, maar hij vond het fijn, omdat nu alle kersen voor hem waren. Maar het duurde niet lang, of er kwam een vreselijke insectenplaag, het wemelde van de vliegen en muggen, slakken en rupsen, kakkerlakken en ke-vers, die alles kaal vraten. Spoedig heerste in het land een grote hongersnood, want het on-gedierte had de hele oogst opgegeten en de voorraden ook nog. Toen gingen de mensen naar de koning en zeiden: ,,Majesteit, laat de vogels weer in het land wonen, zij eten het ongedierte op en bewaren ons voor het ver-hongeren." De onnozele koning zag in, dat hij slechts aan zijn kersen gedacht had, en hij stuurde boodschappers naar andere landen, om jonge vogels te gaan halen. Het duurde niet lang of de ongedierteplaag was voorbij en natuurlijk at menig vogeltje in het koninklijk park een kersje, maar er bleven nog genoeg vruchten voor de koning over.
Sprookjes verhalen |