Met toestemming heb ik deze brochure overgenomen.
Deze is
samengesteld in het kader van het
Nationaal
Actieplan Seksueel Misbruik van Kinderen
van het
ministerie van Justitie.

Seksueel misbruik van kinderen
Seksueel misbruik van kinderen schokt mensen
zeer omdat het
slachtoffers betreft die weerloos zijn.
De meeste mensen krijgen hun
informatie over seksueel misbruik van
kinderen via de krant of de
televisie. De media richten zich vaak
op extreme gevallen en dat
vertekent het algemene beeld. In de
berichtgeving wordt zelden
gesproken over de achtergronden van het
misbruik, wat de gevolgen
zijn voor het slachtoffer en hoe je als
ouders kunt voorkomen dat je
kind seksueel misbruikt wordt.Nogal wat
ouders maken zich ongerust
en zitten met allerlei vragen.Waarom
maken sommige volwassenen
misbruik van kinderen? Hoe kunnen
ouders en school signalen
herkennen die mogelijk wijzen op
misbruik? Wat kan de hulpverlening
aan steun bieden aan slachtoffers? Wat
doen politie, justitie en
hulpverlening met de plegers?
U vindt in deze brochure antwoord op
deze en andere vragen op basis
van feiten die ons uit wetenschappelijk
onderzoek bekend zijn. De
brochure is geschreven voor volwassenen
die privé of via hun werk
met kinderen te maken hebben, maar
vooral ook voor ouders en jong
volwassenen.
Het is van belang dat u zo veel
mogelijk weet over het onderwerp, zodat u
niet onnodig ongerust hoeft te zijn en
tijdig risico’s kunt onderkennen.
Deze brochure is samengesteld in het
kader van het Nationaal
Actieplan Seksueel Misbruik van
Kinderen van het ministerie van
Justitie.
Inhoudsopgave
(klik op het desgewenste onderwerp)
Aard en omvang van seksueel misbruik
– Wat is seksueel misbruik van kinderen
– Welk seksueel misbruik van kinderen komt voor
– Hoe vaak komt seksueel misbruik van kinderen voor
– Wat zijn de gevolgen van seksueel misbruik voor kinderen
– Wat zijn de gevolgen van seksueel misbruik op
latere leeftijd
– Wie plegen seksueel misbruik van kinderen
– Hoe worden de seksuele contacten voorbereid
– Wat is bekend over jeugdigen die kinderen seksueel
misbruiken
Signaleren en voorkómen van seksueel misbruik
– Waaraan kunnen ouders of verzorgers merken dat een
kind seksueel
– Wat is typisch seksueel gedrag van kinderen en wat
niet
– Komen onbetrouwbare verhalen van kinderen vaak voor
– Wat kunnen ouders en leerkrachten doen als zij het
vermoeden hebben
dat een kind misbruikt is? En
wat kunnen zij beter niet doen
– Wat kan de hulpverlening aan steun bieden
– Wat kunnen ouders en school doen om seksueel misbruik
van een kind
De aanpak van plegers van seksueel misbruik
– Wat zijn de consequenties van het doen van aangifte
– Wat doet justitie met plegers van seksueel misbruik
– Hoeveel plegers vallen na hun straf weer terug
– Welke rol speelt behandeling van plegers van
seksueel misbruik van
– Waar bestaat de ambulante behandeling uit en wat is
het effect
– Wat is het effect van de tbs-behandeling
– Wat is het ‘recht in eigen handen nemen’; wat is
het effect
Aard en omvang van seksueel misbruik
Wat
is
seksueel misbruik van kinderen ?
Onder seksueel
misbruik van kinderen verstaan we seksuele contacten van (jong)
volwassenen met
kinderen jonger dan zestien jaar, die plaatsvinden tegen de zin
van het kind of zonder
dat het kind deze contacten kan weigeren. Daders zetten
het kind emotioneel
onder druk, dwingen het of weten door hun overwicht te
bereiken dat het zich
niet aan de seksuele toenaderingen kan onttrekken.
In Nederland is
seksueel contact met een kind beneden de twaalf jaar zonder
meer strafbaar. Ook
contact met een jongere tussen de twaalf en zestien jaar is
strafbaar maar de
politie komt volgens het geldende recht alleen in actie als
aangifte wordt gedaan
en een klacht wordt ingediend door de jongere, de
ouders of de Raad voor
de Kinderbescherming. Het is immers niet de bedoeling
dat een jongen van
zeventien die met zijn vriendinnetje van vijftien naar bed
gaat, wordt vervolgd.
In het belang van de bestrijding van seksueel misbruik is
wetgeving in
voorbereiding, waarbij zonder klacht tot vervolging kan worden
overgegaan. De
minderjarige krijgt dan de gelegenheid zijn mening te geven.
Ook strafbaar is de
volwassene die seksueel contact heeft met een minderjarige
(beneden de achttien
jaar) die afhankelijk van hem is: een vader met een dochter
of een leraar met een
leerling.
Welk
seksueel
misbruik van kinderen komt voor ?
Er is een grote
variatie in aard en ernst. De volgende indeling is te maken:
– Licht: een eenmalig incident
van relatief ‘onschuldig’ karakter zoals betasting
van de geslachtsdelen
boven of onder de kleding. De dader gebruikt geen
dwang, maar het kind
ervaart het wel als ongewenst.
– Matig: eenmalige of
meermalige betasting van de geslachtsdelen onder de
kleding of masturbatie
in bijzijn van het kind. Het kind is in geringe mate
afhankelijk van de
dader (bijvoorbeeld een jeugdleider). Die oefent geen
lichamelijke dwang
uit, maar zet het kind wel onder druk of vraagt het om
geheimhouding.
– Ernstig: (pogingen tot)
penetratie of wederzijdse masturbatie. Het kind is
afhankelijk van de
dader. Het misbruik houdt minimaal een jaar aan. De dader
gebruikt lichamelijke
dwang of psychische manipulatie.
– Zeer ernstig: meermalig, langdurig
seksueel misbruik (penetratie), dat minimaal
een jaar aanhoudt. Het
kind is afhankelijk van de dader. Die chanteert het kind
of gebruikt
lichamelijk geweld.
Bijna 40% van alle vrouwen heeft
vóór hun
zestiende levensjaar een of meer
negatieve
ervaringen met seksueel
misbruik.
Hoe vaak komt seksueel
misbruik van kinderen voor ?
Uit landelijk
Nederlands onderzoek blijkt dat ruim vijftien procent van de
vrouwen voor het
zestiende levensjaar een negatieve seksuele ervaring heeft
meegemaakt met een
familielid. Iets meer dan de helft van deze slachtoffers is
ernstig misbruikt: er
waren herhaalde (pogingen tot) verkrachting, er werden
andere ingrijpende
seksuele handelingen afgedwongen óf er was sprake van
verschillende daders.
In eenderde van de gevallen betrof het een eenmalige
gebeurtenis, bij
eenderde deel ging het om meer dan vijf keer en bij het
resterende deel om
veel voorkomende gebeurtenissen over een lange periode.
De daders waren
voornamelijk vaders, oudere broers en ooms.
Eén procent van de
(mede)plegers was vrouw. Daarnaast is 24 procent van de
vrouwen in hun jeugd
geconfronteerd met (meestal eenmalig) seksueel misbruik
door iemand die niet
tot de familiekring behoorde: een oudere jongen, een
onderwijzer, een
buurman, de vader van een vriendinnetje, een volwassen
vriend van het gezin
of een onbekende man. In bijna de helft van deze gevallen
deed de dader een
poging tot verkrachting of dwong het slachtoffer tot masturbatie.
De kans dat een kind dodelijk
slachtoffer wordt
van een psychopate pleger van
seksueel geweld
is heel klein.
Als we de
gebeurtenissen binnen en buiten de kring van verwanten combineren,
blijkt dat bijna 40%
van de vrouwen vóór het zestiende jaar een of meer
ervaringen met
seksueel misbruik heeft gehad. De meest voorkomende leeftijd
waarop misbruik vaak
voorkomt ligt tussen de acht en twaalf jaar.
Naar seksueel misbruik
van jongens is in ons land nog geen landelijk onderzoek
verricht. Buitenlandse
studies tonen aan dat drie tot negen procent van de
jongens
misbruikervaringen kent, meestal gepleegd door mannen buiten de
kring van
familieleden.
Het aantal
misbruikzaken dat het openbaar ministerie behandelt is de laatste
jaren redelijk
stabiel. Het gaat om ongeveer 2.050 tot 2.350 zaken per jaar. Het
aantal zaken waarin de
rechter uiteindelijk een beslissing neemt schommelt
van 1997 tot en met
1999 tussen de 500 en 550 per jaar voor meerderjarige
verdachten en bedraagt
circa 135 per jaar voor minderjarige verdachten.
Het aantal zaken
waarbij moord en doodslag plaatsvindt is gemiddeld, hoe
ernstig ook, nog geen
drie per jaar (gerekend tussen 1992 en 2000).
Wat zijn de gevolgen van seksueel misbruik voor kinderen ?
De gevolgen op korte
termijn variëren in ernst en kunnen geestelijk of lichamelijk
van aard zijn:
symptomen. Datzelfde geldt voor kinderen die ernstiger zijn
misbruikt maar
de veerkracht hebben om zich te herstellen of die door ouders of
de niet misbruikende
ouder goed worden opgevangen. Van alle kinderen met
misbruikervaring vertoonde volgens verschillende onderzoeken
tussen de
21 en 49 procent geen opmerkelijk gedrag in de periode kort na
het bekend
worden van het misbruik. Maar bij sommigen van hen steken
nadelige gevolgen
pas vele jaren later de kop op.
meer of mindere mate van slag. Hun basisgevoel van veiligheid is
aangetast.
Zij zijn bang voor situaties die lijken op de misbruiksituaties.
Bijvoorbeeld, het
kind wil niet aangeraakt worden of durft zich tijdens de gymles
niet te verkleden.
Deze kinderen zijn somber en ontwikkelen zich sociaal gezien
langzamer dan
normaal.
letsels en vertonen soms seksueel gedrag dat niet past bij hun
leeftijd. Jongens
worden vaak brutaal, agressief of overactief. Meisjes
daarentegen worden
bang, klappen dicht, raken depressief en apathisch en hebben in
niemand
meer vertrouwen, ook niet in zichzelf. Ze vinden zichzelf
slecht, vies en voelen
zich schuldig.
Hoe ernstiger en hoe langer het
misbruik
hoe ernstiger de klachten.
gevolgen ook vaak last van een psychisch trauma. Het waren voor
hen immers
heel bedreigende ervaringen. Zij hebben nachtmerries,
slaapproblemen,
paniekaanvallen, problemen met lichaamsbeleving, geheugen- en
persoonlijkheidsproblemen.
Veel symptomen zijn
niet alleen het gevolg van de seksuele contacten, maar
hebben ook te maken
met andere problemen die het kind belasten: de druk tot
geheimhouding die door
de dader werd afgedwongen en het gevoel van medeplichtigheid
dat het kind werd
opgedrongen. Bij seksueel misbruik binnen het
gezin zijn er extra
nadelige gevolgen als het kind of de jongere misbruikt wordt
door de vader en als
er sprake is van langdurige en ernstig verstoorde relaties in
het gezin,
lichamelijke mishandeling, emotionele verwaarlozing door de
ouders of een crisis
die in het gezin ontstaat nadat het misbruik is uitgekomen.
De gevolgen zijn ook
ernstiger als:
– het slachtoffer een
meisje is
– de contacten op
jongere leeftijd (jonger dan twaalf jaar) hebben plaatsgevonden
– het kind zich
moeilijk kon onttrekken aan de seksuele contacten
– de pleger een
familielid was in plaats van een vreemde
– de seksuele
contacten vaak plaatsvonden
– het misbruik lang
aanhield
– dwang, chantage of
geweld werd gebruikt
– bij het misbruik
sprake was van penetratie
– de ouder(s) het kind
onvoldoende hebben gesteund toen het misbruik bekend werd.
Bij de helft tot
tweederde van alle kinderen verminderen de symptomen
aanzienlijk in het
eerste anderhalf jaar na het stoppen van het misbruik.
Bij 10 tot 24 procent
nemen de symptomen echter toe in die periode.
Wat zijn de gevolgen
van seksueel misbruik op latere leeftijd ?
Kinderen die zijn
misbruikt, kunnen daar ook op volwassen leeftijd nog gevolgen
van ondervinden,
vooral als er indertijd niet goed op werd gereageerd.
Volwassenen die in hun
jeugd als incident te maken kregen met licht misbruik
hebben geen grote kans
op latere problemen. Volwassenen die in hun jeugd
ernstig, langdurig
misbruikt zijn kunnen klachten krijgen op vier gebieden:
Psychische klachten. De angst die het kind als slachtoffer
heeft meegemaakt
kan zich later uiten
in angsten, paniekreacties, depressiviteit en slaapproblemen.
Die reacties treden vooral
op in situaties die lijken op de vroegere
gebeurtenissen.
Bijvoorbeeld, er niet tegen kunnen ergens alleen te zijn en
bang te zijn
achtervolgd te worden.
Relationele problemen. Een kind dat zich gebruikt en verraden
voelt door
iemand van wie het afhankelijk
was, kan op latere leeftijd anderen nog maar
moeilijk vertrouwen.
Dat gaat gepaard met gevoelens van machteloosheid,
onzekerheid,
nietswaardigheid en eenzaamheid. Soms kan dat leiden tot
problemen bij het
opvoeden van de eigen kinderen.
Seksuele problemen. Seksuele toenaderingspogingen van de partner
roepen
meteen onaangename
herinneringen op aan het misbruik. Bij sommigen is
sprake van afkeer van
partners en aanrakingsangst. Eigen kinderen worden
heel angstig gemaakt
voor mogelijk misbruik.
Gezondheidsklachten. Soms ontstaan lichamelijke problemen,
zoals hoofdpijn,
buikklachten, rugpijn,
maagklachten en hyperventilatie, zonder dat daar
een aanwijsbare
lichamelijke oorzaak voor is.
Wie plegen
seksueel misbruik van kinderen ?
Seksueel misbruik komt
voor in alle milieus, zowel bij de lagere als hogere
sociale klasse, bij
mensen van alle kerkelijke gezindten en bij autochtone en
allochtone
Nederlanders. Voor zover bekend uit onderzoek zijn plegers vrijwel
altijd mannen. Vrouwen
vormen één tot drie procent van alle plegers. Meestal
zijn hun slachtoffers
kinderen binnen het gezin, jongens even vaak als meisjes.
De helft tot driekwart
van deze vrouwen pleegt het misbruik onder druk van
een (hun) man die er
bij aanwezig is. De meeste vrouwelijke plegers zijn zelf in
hun jeugd seksueel
misbruikt of verwaarloosd.
In 80 tot 95 procent
van alle gevallen gaat het om bekenden van het kind.
De onbekende ‘man in
de bosjes’ of ‘kinderlokker’ komt maar zelden voor.
De kinderen zijn doorgaans
afhankelijk van de pleger of hebben vertrouwen in
hem: een vader, broer,
oom, de vriend van moeder, een tante, huisvriend,
buurman, leraar of
jeugdleider. Meisjes blijken vaker door gezins- of familieleden
misbruikt te worden
terwijl jongens vaker door mannen buiten de kring
van verwanten worden
misbruikt.
Seksueel misbruik wordt het
meest gepleegd
door bekenden of familieleden
van het kind.
Plegers van seksueel
misbruik van kinderen worden wel pedoseksuelen
genoemd. Binnen de
groep pedoseksuelen zijn drie typen te onderscheiden
die aanmerkelijk van
elkaar verschillen:
Pedofielen
Het gaat om volwassen
mannen die zich uitsluitend seksueel aangetrokken
voelen tot jongens (of
soms meisjes) die nog niet in de puberteit zijn gekomen.
Ze hebben steeds
terugkerende seksueel opwindende fantasieën en een intense
seksuele drang gericht
op kinderen. Naast de bijzondere seksuele gerichtheid
hebben deze mannen ook
in het algemeen een voorkeur voor kinderen: ze gaan
liever om met kinderen
dan met volwassenen, die ze als bedreigend ervaren. Ze
‘vallen’ op de
kinderlijke gestalte, houden van de belevingswereld van kinderen
en willen het liefst
‘kind met de kinderen’ zijn. Pedofilie wordt gezien als een
gestoorde seksuele
gerichtheid die gewoonlijk in de puberteit begint. Over de
oorzaak ervan is
weinig met zekerheid te zeggen. Pedofielen gebruiken hun
overredingskracht om
kinderen tot seksuele contacten over te halen. Eigenlijk
manipuleren ze hen
gewoon. Met deze kinderen hebben ze vaak een langdurige
relatie.
Ze vinden dat seks met
kinderen moet kunnen en ze voelen zich er dus niet
schuldig over. Vaak
verzamelen ze kinderpornografie, soms maken ze dat zelf
voor eigen gebruik. De
relatie met het kind eindigt als het in de puberteit komt:
de geslachtskenmerken
die zich dan ontwikkelen, maken het kind
onaantrekkelijk voor
de pedofiel. Er zijn pedofielen die geen uiting geven aan
hun seksuele
gerichtheid. Zij hebben geen seksuele contacten met kinderen.
Gelegenheidsplegers
Het betreft mannen
(soms vrouwen) die weliswaar een seksuele voorkeur
hebben voor een
volwassen partner maar die onder invloed van tijdelijke,
ingrijpende
gebeurtenissen in hun leven seksuele contacten aangaan met
(eigen) kinderen of
afhankelijke jongeren. Hun leven is uit balans doordat ze
bijvoorbeeld een
partner moeten missen, huwelijksproblemen hebben of zijn
ontslagen. Met die
stress-situaties kunnen ze niet omgaan.
De seksuele contacten
zijn een compensatie. Zij zijn zelden eerder veroordeeld
voor seksuele of
andere delicten. Hun slachtoffers zijn veel vaker oudere meisjes
dan jongens. Vaak gaat
het om incestplegers, bijvoorbeeld (stief )vaders, oudere
broers of ooms of om
mannen die door hun beroep vaak in contact komen met
meisjes. Ze
manipuleren het slachtoffer (zie hieronder) en wachten geschikte
gelegenheden af voor
het misbruik. Soms duren deze situaties jarenlang.
Achteraf schamen ze
zich en voelen zich schuldig. In gevallen van incest gaat
het seksueel misbruik
soms samen met ander huiselijk geweld: vrouwenmishandeling
en verwaarlozing van
de kinderen.
Antisociale plegers
Het gaat om mannen die
niet in staat zijn om (duurzame) liefdesrelaties aan te
gaan, zich niet kunnen
inleven in de gevoelens van anderen en meestal
gewetenloos zijn. Ze
zijn vaak al eerder veroordeeld voor seksuele delicten
jegens vrouwen en voor
andere misdrijven. Vaak willen zij met het misbruik
hun boosheid op de
maatschappij uitdrukken of wraak nemen op een vrouw
die hen heeft verlaten
of op alle vrouwen. Ze hebben geen seksuele voorkeur
voor kinderen maar misbruiken
ze omdat ze een gemakkelijke prooi vormen.
Ze zoeken een onbekend
slachtoffer, misbruiken het eenmaal en gebruiken bij
weerstand veel dwang
en geweld. Psychopaten, de extreemste plegers, gaan
over tot ernstige
wreedheden of doden het kind.
De recente
maatschappelijke verontwaardiging over plegers van seksueel
misbruik is vooral
ontstaan na een aantal ernstige misbruikzaken met doding
van een kind die door
deze daders zijn gepleegd. Dat type dader komt gelukkig
heel weinig voor.
Het komt vaak voor dat
plegers kenmerken bezitten van meerdere typen.
Totnogtoe is er geen
biologische oorzaak gevonden voor de neiging om kinderen
seksueel te
misbruiken. Wel wordt vaak geconstateerd dat zij in hun jeugd in de
steek zijn gelaten,
een gebrek aan warmte hebben ervaren in het gezin,
mishandeld zijn door
ouders en zich nooit veilig hebben gevoeld. 40 tot 50
procent van alle
plegers is zelf in de jeugd seksueel misbruikt. Later durven zij
dan ook geen hechte
relaties aan te gaan of blijven zij emotioneel eenzaam,
ook al hebben zij een
partner.
Hoe worden
de seksuele contacten voorbereid ?
Plegers bereiden het
seksueel misbruik op subtiele wijze voor. Kinderen zijn
volgens pedofiele
plegers het meest kwetsbaar voor misbruik als ze zich ergens
alleen ophouden, nieuwsgierig
en goedgelovig zijn, problemen in het gezin
hebben, weinig
zelfvertrouwen en assertiviteit bezitten, knap zijn en ‘uitdagend’
gekleed. Misbruikers
van kinderen buiten het gezin zoeken contact met hun
slachtoffers bij
scholen, speelplaatsen, amusementsparken, winkelcentra,
sportvelden, strand en
zwembaden. Zij proberen het kind afhankelijk van hen
te maken. Later zorgen
ze ervoor welkom te zijn bij het kind thuis.
Plegers hanteren
speciale strategieën om het kind en zijn ouders te benaderen.
Ze bieden het kind aan
samen computerspelletjes te spelen. Ze geven het
cadeautjes, nemen het
mee uit of bieden het een lift aan naar huis. Ze vleien
het kind door het
aandacht en genegenheid te geven of ze bouwen een
vertrouwensrelatie op
met de ouders om zo oppas te kunnen worden. Zo winnen
ze ook het vertrouwen
van het kind.
Het misbruik begint
vaak met het betasten of kussen van de geslachtsdelen.
Daders voeren daarna
heel voorzichtig en subtiel de aanrakingen op en testen
op die manier de
reactie van het kind op seks. Dwang komt bij vier op de tien
meisjes voor en bij
twee op de tien jongens. Daders praten het kind soms
geleidelijk naar
seksuele activiteiten toe of vragen het kind hen ‘ergens mee te
helpen’, bijvoorbeeld
met uitkleden. Soms proberen daders kinderen meegaand
te krijgen door ze om
te kopen, ‘toevallige’ aanrakingen als truc te gebruiken, te
praten over seks of
naar porno te kijken. Plegers die als oppas fungeren, beginnen
met praten over seks,
bieden het kind aan samen in bad te gaan of manipuleren
het door voor te
wenden dat ze met seks het kind willen voorlichten of hun liefde
willen tonen. Als het
kind niet wil of angstig is, houden de meeste daders op en
proberen het kind
later opnieuw te overreden. Bij de seksuele contacten die
uiteindelijk lukken,
gaat het vaak om streling en wederzijdse masturbatie. Bij
ongeveer veertig
procent van de kinderen of jongeren is sprake van (poging tot)
penetratie of orale
seks.
De meerderheid van de
misbruikers houdt de contacten met een kind in stand
door een combinatie
van methoden: ze bieden het kind vriendschap, ze drukken
het kind op het hart
er niet met anderen over te praten, ze stellen het misbruik
voor als spel of
voorlichting, ze dreigen zich van het kind af te keren als het erover
praat of ze zeggen dat
het kind medeplichtig is aan het misbruik. Een kleine
minderheid van de
mannen misbruikt een kind één keer om daarna een ander
kind te zoeken. De
meeste plegers blijken tijdens het misbruik bang te zijn dat
hun gedrag uitkomt. Ondanks
die angst gaat de helft van hen gewoon door.
Wat is bekend over jeugdigen die kinderen seksueel misbruiken ?
Minderjarige
verdachten zijn bijna altijd jongens. Als meisjes dader zijn, worden
ze meestal verdacht
van medeplichtigheid aan het gedrag van jongens.
Deskundigen maken
onderscheid tussen minderjarige jongens die leeftijdgenoten
aanranden en jongens
die kleine kinderen misbruiken.
Minderjarigen die
leeftijdsgenoten aanranden, komen vaak uit probleemgezinnen
en hebben te maken
gehad met mishandeling, gebrekkig ouderlijk
toezicht en emotionele
verwaarlozing. De frustraties, boosheid en onlustgevoelens
die daaruit
voortvloeien leiden tot antisociaal gedrag zoals zedendelicten.
Vaak worden die in
groepsverband gepleegd. Maar ook temperament,
aangeboren
eigenschappen en culturele verschillen spelen een rol in het
ontstaan van
antisociaal (seksueel) gedrag. Ze beginnen hun ‘criminele’ carrière
vaak als basisscholier
met pesten en kleine winkeldiefstallen. In hun puberteit
vechten ze met andere
jongens en vallen meisjes van dezelfde leeftijd seksueel
lastig. Ze komen in
aanraking met de kinderrechter vanwege vermogens-,
gewelds- en
zedendelicten. Als niet wordt ingegrepen, zet dat gedrag zich op
volwassen leeftijd
voort.
Misbruikers van kleine
kinderen zijn vaak ernstig gestoord in hun seksuele
ontwikkeling. Zij
hebben als kind geen band opgebouwd met hun ouders en
missen de sociale
vaardigheden om persoonlijke, intieme relaties aan te gaan
met leeftijdgenoten.
Het zijn sociaal geïsoleerde jongens die daarom hun toevlucht
zoeken tot contacten
met kleine kinderen. Dan kunnen ze gemakkelijk
de baas spelen, voelen
ze zich veilig en worden ze niet afgewezen. Pas na enige
tijd gaan ze
experimenteren met seksuele handelingen. Zij maken zich niet of
nauwelijks schuldig
aan andere delicten. Bij een deel van deze jongens openbaart
zich op die leeftijd
een pedofiele oriëntatie. In hun kindertijd hebben zij
soms seksueel
misbruikervaringen meegemaakt.
Zedenvandalisten, die af en toe lichte seksuele
grensoverschrijdingen plegen
jegens
leeftijdgenoten, moeten niet als zedendelinquenten worden
beschouwd. Ze plagen
meisjes, trekken zwembroekjes omlaag in het recreatiebad
en proberen borsten en
billen aan te raken. Ze doen dat vooral in groepsverband.
Meisjes ervaren dit
als irritant, maar ondervinden er verder geen
nadelige gevolgen van.
Het machogedrag van de jongens hoort bij de
experimenteerfase op
weg naar de volwassenheid. De kans op herhaling is
gering na een
berisping door volwassenen of de politie.
Ook bij seksuele
verkenningen tussen kinderen van min of meer gelijke leeftijd
is het woord
‘misbruik’ niet op zijn plaats. Door ouders en leerkrachten wordt
wel eens
overgereageerd op aanwijzingen van seksspelletjes. De schade
(Strafrechtelijk) ingrijpen op jeugdige leeftijd
bij ernstig seksueel grensoverschrijdend
gedrag voorkomt erger.
die ontstaat door de
vaak heftige en aanhoudende reacties van volwassenen is
vaak groter dan die
van de gebeurtenis zelf.
Kinderrechters vinden
over het algemeen dat jeugdige daders behandeld moeten
worden; uitsluitend
straffen helpt niet. Ondersteuning van de ouders bij de
opvoeding kan helpen
herhaling te voorkomen. Hierbij hebben ook de Raad
voor de
Kinderbescherming en de jeugdreclassering een taak. Jonge zedendelinquenten
kunnen bijvoorbeeld
een ‘Taakstraf Seksualiteit’ krijgen bij de
Rutgers-Nisso Groep,
een ambulante behandeling bij een hulpverleningsinstelling
of een veroordeling
tot een Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen
(PIJ). Vroeger heette
dit laatste jeugd-tbs. Veel jeugdige zedendelinquenten
krijgen echter alleen
maar een gevangenisstraf (jeugddetentie) of een geldboete
en worden daardoor
niet met hun eigen gedrag geconfronteerd. Dat kan
negatieve gevolgen hebben.
Een kwart van de volwassen plegers is al op jonge
leeftijd begonnen met
seksueel grensoverschrijdend gedrag. Vroegtijdig ingrijpen
is nodig om later
erger te voorkomen.
Signaleren en
voorkómen van seksueel misbruik
Waaraan kunnen ouders of
verzorgers merken dat een
kind seksueel
misbruikt is?
Kinderen zwijgen vaak
over seksueel misbruik. Ze schamen zich, voelen zich
schuldig of zijn bang
dat de pleger en zijzelf het nog moeilijker krijgen als het
misbruik naar buiten
komt. Meestal krijgen ouders argwaan door terloopse
opmerkingen van het
kind dat er iemand aan hem of haar heeft gezeten of door
blauwe plekken en
klachten rond vagina, penis en anus. De meest betrouwbare
signalen zijn letsel
rondom de genitale streken – maar gebruik van geweld komt
weinig voor – en een
geloofwaardig verhaal van het kind.
Het verhaal van een
kind wordt geloofwaardiger als het een duidelijk verhaal
vertelt over ‘wat’,
‘wanneer’ en ‘waar’ het gebeurde, met ‘wie’ het was en ‘hoe’
hij het kind
overhaalde. Als het kind steeds hetzelfde verhaal vertelt, daarbij
iedere keer overstuur
raakt en als het zegt dat het geheim moet blijven, dan zijn
dat aanwijzingen voor
een geloofwaardig verhaal. Er bestaan wel lijstjes met
klachten, symptomen en
opvallende gedragingen van kinderen die kunnen
wijzen op misbruik.
Maar die signalen zijn niet specifiek voor seksueel misbruik
en kunnen ook het
gevolg zijn van andere problemen van het kind, zoals
echtscheiding van de
ouders, het overlijden van een familielid, klasgenootje of
huisdier of problemen
op school. Hieronder staat zo’n lijstje.
Kinderen die seksueel misbruikt zijn geven
daarover lichamelijk en geestelijk signalen af.
Elk signaal op zich
betekent niet dat het kind misbruikt is maar bij meerdere
signalen moeten ouders
en andere opvoeders vragen stellen aan het kind of
advies vragen aan een
hulpverlener. Het gaat hier om plotselinge gedragsveranderingen
van jonge kinderen tot
ongeveer tien jaar.
–Slaapproblemen, bang
zijn in het donker, nachtmerries, extreme vrees voor
‘monsters’.
–Verlies van eetlust, eetproblemen, voortdurend buikpijn
zonder aanwijsbare
reden.
–Plotselinge wisselingen in de stemming van het kind:
ongelukkig zijn, boos,
teruggetrokken gedrag bij een voorheen
opgeruimd kind.
–Vrees voor bepaalde mensen of plekken, bijvoorbeeld: het
kind wil niet alleen
gelaten worden met een oppas, huisvriend of
familielid.
–Een ouder kind dat doet zoals een jong kind: weer
bedplassen, duimzuigen of
heel eenkennig worden.
–Weigeren om over een ‘geheimpje’ te praten dat het kind
met een andere
volwassene heeft.
–Praten over een nieuwe, oudere vriend en daar vaak over de
vloer komen.
–Plotseling over veel zakgeld beschikken.
–Niet bij de leeftijd passend seksueel gedrag vertonen (zie
verder).
Wat is typisch seksueel gedrag van kinderen en wat niet ?
Eerst beschrijven we
normale gedragingen van kinderen die niet duiden op
misbruik.
Peuters en kleuters
(twee tot vijf jaar) zijn nieuwsgierig naar hun eigen lichaam
en vooral naar dat van
anderen. Ze spelen met hun geslachtsdelen en zijn
gefascineerd door
bloot, kijken en bekeken worden. Ze vinden het heerlijk om
overal – en ook dáár –
gestreeld te worden. Dit is de tijd voor stereotype seksspelletjes:
doktertje spelen
(uitkleden), vadertje en moedertje spelen. Ook
‘vieze’ woorden (poep,
pies, pik, kut) zijn leuk. Basisschoolkinderen (zes tot
twaalf )
experimenteren ook met seks en met hun lichaam maar meer in het
verborgene. Ze gaan
zich schamen. De meeste jongens en meisjes masturberen
voor het twaalfde
jaar, dat wil zeggen dat ze hun eigen geslachtsdelen aanraken
en strelen. De helft
van alle kinderen doet vóór het twaalfde jaar seksuele
spelletjes met een
ander kind. Het gaat daarbij om doktertje spelen, elkaars
genitaliën bekijken of
betasten, ‘vrijen’, of ‘vrijen nadoen’. Deze spelletjes worden
meestal positief of
neutraal beleefd. Ouders reageren echter meestal afkeurend
of verontrust
voorzover ze ervan op de hoogte zijn.
In het begin van de
puberteit (elf tot dertien) spelen bij jongeren vooral de
lichaamsveranderingen
een rol. Het overgrote deel van de jongeren heeft op
deze leeftijd seksuele
fantasieën, jongens meer dan meisjes. Meisjes masturberen
minder vaak en minder
meisjes hebben ervaring met tongzoenen en strelen
dan jongens. Pas
later, rond veertien, vijftien jaar, zoeken jongens en meisjes
persoonlijker contact
met elkaar. Een op de drie zestienjarigen heeft ervaring
met
geslachtsgemeenschap. Vlak voor hun achttiende verjaardag heeft ongeveer
de helft van de
jongeren hun eerste geslachtsgemeenschap. Een klein deel van
de jongeren geeft te
kennen dat zij homoseksuele verlangens hebben of heeft
al eens met een
seksegenoot gevreeën.
De hier beschreven
seksuele uitingen zijn normaal en duiden niet op seksueel
misbruik. Alleen seksueel
gedrag dat in het geheel niet past bij het ontwikkelingsstadium
van het kind, kan een
aanwijzing zijn dat er misbruik in het spel is.
Voorbeelden hiervan
zijn: niet bij de leeftijd passend ‘seksueel’ spel,
dwangmatig seksueel gedrag,
extreem veel masturberen, erg vaak tonen van
geslachtsdelen, bij
herhaling praten over seks, niet bij de leeftijd passende
kennis over seks en
seks in tekeningen.
Komen onbetrouwbare verhalen van kinderen vaak voor ?
Nee, verreweg de
meeste kinderen kunnen betrouwbaar vertellen wat hun is
overkomen, als ze de
goede vragen krijgen. Neem ze dus serieus. Onder bepaalde
omstandigheden
vertellen kinderen echter verhalen over seksueel misbruik
die niet of slechts
voor een deel kloppen. Dat kan het gevolg zijn van:
–het onder druk zetten van het kind door de opvoeder
(bijvoorbeeld in de strijd
om het ouderlijk gezag in
echtscheidingszaken)
–een verkeerde uitleg van een onschuldig incident door het
kind of de opvoeder
–liegen van het kind vanwege schaamte- en schuldgevoelens,
angst voor straf of
bedreiging, onwil een geheim prijs te geven,
hoop op een beloning of de wens
de werkelijke dader te beschermen
–fantasieën van het kind, uit eigen initiatief, uit wraak
of omdat andere kinderen
ook fantaseren
–het verwarren van fantasie en werkelijkheid (bij
zwakbegaafde kinderen)
gebrekkige geestelijke vermogens: een slecht
geheugen, een lage intelligentie
en gevoeligheid voor suggestie.
Neem verhalen van kinderen over
seksueel gedrag serieus.
Wat kunnen ouders en leerkrachten doen als zij het vermoeden
hebben dat een kind
misbruikt is? En wat kunnen zij beter niet doen ?
–Luister naar wat het kind uit zichzelf wil vertellen. Stel
open vragen en geen
sturende of suggestieve vragen. Vraag naar het
wat, wanneer en wie en niet
naar het waarom. Vraag hoe het kind zich
voelde bij lichamelijke aanrakingen.
–stel geen vragen op een beschuldigende of veroordelende
manier
–zeg dat het kind er zelf niets aan kon doen
–concludeer echter niet overhaast dat het kind misbruikt is
op basis van weinig
of onduidelijke informatie van het kind
–raak niet overstuur en als dat toch gebeurt, belast het
kind daar dan niet mee:
er hoeft bij nader inzien niets gebeurd te
zijn of het gaat om iets onschuldigs
dat u, uw kind of een ander verkeerd
begrijpt
–ondervraag het kind niet voortdurend: kleine kinderen zijn
ontvankelijk voor
suggestie en voelen op den duur aan wat je
wilt of denkt te gaan horen
–vertel het kind dat je gaat helpen om er iets aan te doen
en dat je hiervoor zelf
ook hulp gaat vragen aan iemand die er
verstand van heeft (het komt immers
vaker voor)
–bespreek je vermoeden niet meteen met buren, vrienden of
kennissen; dan
ontstaat al snel een beschuldigende roddel
–vraag advies bij een Advies- en Meldpunt
Kindermishandeling (AMK), de
zedenpolitie of een Bureau Jeugdzorg waarvan
de Raad voor de
Kinderbescherming deel uit maakt (zie
rubriek Waar hulp en informatie?).
Zij kunnen u advies geven en kunnen ook een
onderzoek instellen waarin zij
nagaan of er inderdaad sprake is van
seksueel misbruik.
–Deze aanwijzingen gelden natuurlijk ook voor
vertrouwenspersonen van het
kind buiten het gezin: de huisarts, de
buurvrouw of de mentor van school.
Wat kan de hulpverlening aan steun bieden?
Allereerst kan de
huisarts, de psycholoog of de pedagoog nagaan of het kind
schade heeft
ondervonden. Bij eenmalige, lichte misbruikervaringen is geen
sprake van
lichamelijke en emotionele schade en hoeven ouders niet ongerust
te zijn. Bij ernstig
misbruik praat bijvoorbeeld een hulpverleenster van het
Bureau Jeugdzorg of de
RIAGG met het kind over de misbruikervaringen en
over de angsten,
onzekerheden, verwarring en eventuele schuld die het kind
daarbij – uiteraard
onterecht – voelt. Het uiten van die gevoelens onder
deskundige begeleiding
kan helpen bij het verwerken van de ervaringen en de
schade beperken.
Uiteraard betrekt de hulpverlener een of beide ouders bij de
behandeling en
adviseert hoe deze het beste kan omgaan met het kind. Het
kind moet weer
vertrouwen in volwassenen krijgen.
Bij misbruik door de
vader krijgen naast het kind vaak beide ouders hulp. De
moeder krijgt steun
omdat ze zich in een moeilijke positie bevindt: ze wil haar
dochter steunen maar
haar man misschien niet kwijt. De vader kan door de
rechter een
behandeling opgelegd krijgen. Tijdens die behandeling leert hij om
openlijk de volle
verantwoording voor het misbruik op zich te nemen. Dat is
zeer belangrijk voor
het verwerkingsproces van het kind.
Wat kunnen ouders en school doen om seksueel misbruik
van een kind te
voorkomen?
Seksuele vorming en
voorlichting kunnen het beste thuis én op school gegeven
worden. Dit kan
misbruik helpen voorkomen. Door goede informatie over
seksualiteit en
seksueel misbruik zal een kind hopelijk eerder een misbruiksituatie
herkennen en
inschatten. De toegenomen aandacht voor seksueel
misbruik heeft het
voorlichtingsverhaal van ouders en leerkrachten sterk
beïnvloed: zij leren
kinderen om ‘nee’ te zeggen tegen ongewenst (seksueel)
contact. Maar een al
te eenzijdige nadruk op de negatieve en gevaarlijke kanten
van seks draagt niet
bij aan een gezonde, positieve seksuele ontwikkeling.
Natuurlijk is het goed
dat kinderen en jongeren leren om in seksueel contact de
grenzen van zichzelf
en anderen te respecteren.
Leer jonge kinderen regels over
seksueel gedrag.
Het is ook belangrijk
dat kinderen eigen keuzes leren maken op seksueel
gebied. Je kunt met
hen praten over relaties en seks in het algemeen en de
prettige kanten van lichamelijkheid
en intimiteit. Kinderen mogen immers ook
‘ja’ zeggen tegen de
dingen die ze zelf lekker en spannend vinden. Zo zullen ze
hun eigen verlangens
en gedrag op seksueel gebied als normaal en vanzelfsprekend
leren accepteren.
Leer kinderen die nog
te jong zijn voor uitgebreide voorlichting een paar
gedragsregels: “Als
iemand je aanraakt waar jij dat niet wilt, moet je echt
gewoon ‘nee’ zeggen en
weglopen. Je kunt dan het beste iemand om hulp vragen.”
“Er zijn maar een paar
mensen die je bloot mogen aanraken.” “Eerst thuis
vertellen waar je naar
toe gaat.” “Als je er niet over praat, kan niemand je helpen.”
Leer kinderen dat ze
nooit iets geheim hoeven te houden als ze daar in de war
of verdrietig van
raken. Leer kinderen ook de meest gangbare woorden voor
geslachtsdelen, anders
kunnen ze – indien nodig – niet onder woorden brengen
wat ze hebben
meegemaakt. Ouders zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor het
beschermen van hun
kinderen en het melden van misbruik.
Aanpak van plegers van
seksueel misbruik
Wat zijn de consequenties van het doen van aangifte ?
Slachtoffers doen heel
vaak geen aangifte van seksueel misbruik. Ze worden
daarvan weerhouden
omdat ze zich schamen, bang zijn voor bedreigingen,
een band hebben met de
dader of omdat hun ervaringen niet zo ernstig zijn.
Voor een kind kan een
aangifte belangrijk zijn omdat daarmee duidelijk wordt
dat het niets fout
heeft gedaan, dat de dader de enige schuldige is en er maatregelen
worden genomen om
herhaling te voorkomen. Gevoelens van wraak
en boosheid van een
ouder zouden echter bij een aangifte nooit de overhand
mogen hebben want dat
is niet in het belang van het kind.
Een aangifte kan
echter ook nadelen hebben. Een kind moet verhoord worden
door de zedenpolitie
en hoewel zo’n verhoor zorgvuldig en ‘kindvriendelijk’
wordt afgenomen, is
het belastend om tegen een vreemde te moeten vertellen
over het misbruik,
zeker als de dader iemand is op wie het kind gesteld is: een
vader, oom of oudste
broer. De hele rechtsgang is tijdrovend en de uitkomst
onzeker. Het is vaak
lastig voor de politie en de officier van justitie om het
bewijs rond te krijgen
want het is het woord van de verdachte tegen dat van het
slachtoffer en er is
vrijwel nooit een getuige bij het misbruik aanwezig geweest.
Als er te weinig
bewijs is, zal de officier van justitie van vervolging afzien of
wordt de verdachte
door de rechtbank vrijgesproken. Dat is teleurstellend voor
het slachtoffer en de
ouder(s). Als ouders twijfelen of ze aangifte moeten doen,
kunnen ze zich laten
adviseren door de zedenpolitie of een AMK (Advies- en
Meldpunt
Kindermishandeling; zie rubriek Waar hulp en informatie?). Een
gesprek met de
zedenpolitie betekent niet dat ouders de zaak uit handen
geven. Aangifte is
daarna niet verplicht.
Met de zedenpolitie of
het AMK kan ook worden gesproken over hulp,
begeleiding en
behandeling en over de manier waarop het slachtoffer materiële
en immateriële schade
van de dader vergoed kan krijgen.
Wat doet justitie met plegers van seksueel misbruik ?
Als de officier van justitie
het misbruik niet zo ernstig vindt of onvoldoende
bewijs heeft, kan hij
de zaak seponeren, dat wil zeggen: de verdachte niet verder
vervolgen. Bij
ernstige feiten legt de rechtbank een boete, een taakstraf of een
gevangenisstraf op. De
gemiddelde duur van de gevangenisstraf is, na een forse
toename tussen 1985 en
1995, nadien in totaal vrij constant gebleven, te weten
ongeveer 530 dagen. De
duur van straffen voor incest/ ontucht met kinderen
‘onder gezagsverhouding’
is sinds 1994 fors toegenomen, namelijk van
367 dagen naar 583
dagen, terwijl de gemiddelde duur van gevangenisstraf
voor overige
zedendelicten met minderjarigen afnam.
Soms legt de rechter
een voorwaardelijke gevangenisstraf op, maar verbindt
daar een voorwaarde
aan, bijvoorbeeld een contactverbod, een psychotherapeutische
behandeling of
begeleiding door de reclassering. Bij zeer ernstige
vormen van misbruik
waar een straf van minimaal vier jaar voor staat, kan de
rechter tbs
(terbeschikkingstelling) opleggen. Dat doet hij als blijkt dat de pleger
vanwege een psychische
stoornis niet of verminderd toerekeningsvatbaar was
en als de kans op
herhaling groot is. Tbs houdt in dat de dader wordt behandeld
in een beveiligde
psychiatrische (tbs)kliniek net zo lang totdat hij weer veilig in
de samenleving kan
terugkeren. Het gaat meestal om pedoseksuelen met een
persoonlijkheidsstoornis.
Als de behandeling aanslaat zal de dader zijn vrijheid
stukje bij beetje
terugkrijgen: eerst wandelverlof dan weekendverlof, later
proefverlof en
uiteindelijk voorwaardelijk en definitief ontslag. Berucht zijn de
berichten over
terbeschikkinggestelden die tijdens hun proefverlof weer een
ernstig misdrijf
pleegden. Het zijn uitzonderingsgevallen maar dat risico valt
niet geheel uit te
sluiten. De terbeschikkinggestelden moeten immers, indien
verantwoord, weer
worden voorbereid op de terugkeer in de maatschappij. De
meesten plegen na hun
vrijlating niet opnieuw seksuele delicten.
Hoeveel plegers vallen
na hun straf weer terug ?
Veel mensen denken dat
de daders van seksueel misbruik na hun straf vrijwel
altijd en meteen
terugvallen in hun oude fout. Dat is niet waar. Nederlandse
cijfers over de
recidive ontbreken, maar uit buitenlandse onderzoeken kan
worden afgeleid hoe
vaak daders die niet worden behandeld hun oude gedrag
weer oppakken:
Binnen vijf jaar na
detentie valt vier procent van de incestplegers terug in de oude
fout. Van de
pedoseksuelen, gericht op meisjes buiten het gezin, recidiveert
dertien procent en van
de pedoseksuelen die jongens buiten het gezin misbruiken
21 procent. Vijftien
jaar na de detentie zijn die recidivepercentages verdubbeld.
De percentages geven
een ondergrens aan, omdat lang niet al het misbruik bij de
politie wordt
aangegeven. Plegers recidiveren eerder en vaker als ze:
–uitsluitend seksuele interesse in kinderen tonen
(pedofielen)
–als minderjarige al afwijkend seksueel gedrag hebben
vertoond
–voorheen niet-seksuele misdrijven hebben gepleegd
–onbekende slachtoffers kiezen
–jongens als slachtoffer kiezen
–een antisociale persoonlijkheid hebben of psychopathisch
zijn
–problemen hebben met het aangaan van liefdesrelaties met
volwassenen
–met leeftijdgenoten omgaan die hun afwijkende levensstijl
steunen
–vinden dat seksueel contact tussen volwassenen en kinderen
niet schadelijk is
–gemakkelijk toegang hebben tot potentiële slachtoffers.
Hoe meer van deze kenmerken een pleger
bezit, hoe groter de kans op recidive.
Plegers van seksueel misbruik
recidiveren na
gevangenisstraf minder dan over
het algemeen
wordt gedacht.
Welke rol speelt behandeling van plegers van
seksueel misbruik van
kinderen?
De samenleving heeft
er belang bij dat de pleger niet meer terugvalt in zijn
oude fout.
Gevangenisstraf helpt daarbij, zo lang als die duurt. Maar hoe lang
de straf ook is, eens
komt de pleger vrij en vormt dan weer een risico voor de
samenleving. Daarom is
behandeling tijdens of na de detentie of in plaats van
detentie zinvol als
daardoor terugval wordt voorkomen of de kans erop wordt
verkleind. Probleem is
echter dat veel plegers van seksueel misbruik hun
misdrijf ontkennen of
minder ernstig voorstellen, zodat ze weinig trek hebben
in een behandeling.
Veel van hen hebben een duwtje in de rug nodig om in
behandeling te gaan.
Wanneer deze mannen worden opgepakt, kan de rechter
dat duwtje geven.
Daarvoor bestaan een aantal wettelijke mogelijkheden. Zo
kan de man de keuze
worden voorgelegd om een ambulante behandeling te
volgen in ruil voor
een (gedeeltelijke) voorwaardelijke veroordeling.
Daderbehandeling houdt
in dat iemand zich laat behandelen door bijvoorbeeld
een psycholoog of een
psychiater.
Daderbehandeling is
voor een slachtoffer zeer belangrijk, vooral als de pleger
een bekende is en na
een eventueel uitgezeten straf weer terugkomt in het
gezin of de
kennissenkring van het slachtoffer. Van veel incestslachtoffers
hoeft de dader niet zo
nodig gestraft te worden, zolang het misbruik maar
ophoudt. Ze houden ook
meestal van hun vader, oudere broer of oom en zitten
niet te wachten op
gevangenisstraf voor een familielid. In die gevallen zou een
daderbehandeling heel
zinvol kunnen zijn. Maar hoe is de praktijk? Nu wordt
slechts eenderde van
alle daders behandeld: 30 procent van de veroordeelden
krijgt een ambulante
daderbehandeling, 5 procent wordt binnen een tbsinrichting
behandeld. De
resterende 65 procent krijgt een gevangenisstraf of
een andere straf
opgelegd zonder te worden behandeld.
Dat laatste gaat
veranderen: binnenkort kunnen in een aantal gevangenissen
misbruikplegers worden
behandeld.
Daderbehandeling is essentieel
bij plegers van
seksueel misbruik en is ook voor
slachtoffers
zeer belangrijk.
Waar bestaat de ambulante behandeling uit en wat is het effect ?
Zedendelinquenten die
zich van de rechter moeten laten behandelen, kunnen
terecht bij
poliklinieken van tbs-instellingen, sommige reclasseringsinstellingen,
enkele RIAGG’s en een
paar andere instellingen.
Volledige ‘genezing’
van pedofilie is echter meestal niet haalbaar: vaak blijft
het verlangen naar seks
met kinderen bestaan.
Tijdens de behandeling
leren ze herhaling te voorkómen door controle over het
eigen gedrag aan te
leren. Daarom wordt deze behandeling terugvalpreventietraining
genoemd. Besproken
wordt hoe ze risicovolle situaties kunnen
herkennen die voorheen
tot misbruik leidden, wat voor smoezen en goedpraterij
ze gebruikten voor het
misbruik en hoe ze voortaan moeten reageren
op stress en
tegenslag. Ze leren zich in te leven in het slachtoffer en de
verantwoordelijkheid
voor het misbruik op zich te nemen. Ook de risicofactoren
die kenmerkend zijn
voor een bepaalde pleger worden doorgenomen: zijn
seksuele voorliefde
voor kinderen, zijn onvermogen om een relatie met een
volwassene aan te gaan
of het ontbreken van innerlijke remmingen om seksueel
contact met kinderen
te hebben. De behandeling duurt meestal tussen de zes
maanden en een jaar.
In die tijd wordt twintig tot veertig keer met de dader
gesproken. Uit
ervaring is gebleken dat veel mannen vroegtijdig met de
behandeling stoppen
als ze daartoe niet verplicht worden. Daarom is er een
stok achter de deur:
wie voorwaardelijk is veroordeeld en voortijdig met de
behandeling stopt,
moet alsnog zijn straf uitzitten. In geval van incest worden
in het ideale geval de
dader (vader), het slachtoffer en de moeder apart
behandeld. Als de
behandeling van de dader aanslaat, kan hij met zijn vrouw
en zijn kind worden
geconfronteerd. Als dat mogelijk en gewenst is, kunnen ze
met elkaar worden
verzoend. Buitenlands onderzoek toont aan dat een
behandeling het aantal
mannen dat weer terugvalt verlaagt. Het effect van de
behandeling is het
grootst bij incestplegers, minder groot bij pedofielen en
kleiner bij
antisociale plegers.
Wat is het effect van de tbs-behandeling ?
Ruim een kwart van
alle ex-terbeschikkinggestelde zedendelinquenten pleegt
binnen vijf jaar na de
behandeling opnieuw een seksueel delict. Bij elf procent
gaat het om een
ernstig seksueel delict, waarvoor een straf langer dan zes
maanden wordt opgelegd.
De recidivepercentages voor seksueel geweld tegen
kinderen zijn echter
zeer klein, zelfs 0% bij de groep waarvan de tbs is beëindigd
in de jaren 1989 -
1993. Ook hier geldt dat de percentages in werkelijkheid
hoger zullen zijn
omdat lang niet alle delicten worden aangegeven of omdat de
dader onbekend blijft.
Behandeling kan het
recidivepercentage
aanzienlijk verlagen.
Ongeveer twintig
terbeschikkinggestelde zedendelinquenten zitten levenslang
vast in een
tbs-kliniek omdat hun agressieve seksuele gedrag volgens
behandelaars
onveranderlijk is en zij een hoog recidivegevaar vormen.
Helpt ‘chemische
castratie’? Er zijn hormonen en medicijnen die de seksuele
fantasieën kunnen
verminderen. Het toedienen van deze geneesmiddelen
wordt chemische
castratie genoemd. Lustremmende medicatie is slechts zinvol
bij een klein deel van
de plegers van seksueel misbruik van kinderen. Het gaat
dan om pedofiele
mannen die geobsedeerd zijn door seks met kinderen en
daar last van hebben.
De medicatie dempt hun allesoverheersende fantasieën
en maakt hen beter
toegankelijk voor de behandeling. Chemische castratie
pakt echter de
achterliggende oorzaken van het misbruik niet aan; de medicijnen
vormen dus slechts een
hulpmiddel bij de behandeling. Voor de meeste pedoseksuele
plegers is chemische
castratie ongeschikt: zij vervallen niet in hun
oude fout omdat ze
afwijkende seksuele fantasieën hebben maar vooral omdat
hun leven opnieuw uit
balans raakt en ze niet weten hoe ze daarmee moeten
omgaan.
Wat is het ‘recht in eigen handen nemen’; wat is het effect ?
Seksueel misbruik van
kinderen maakt bij de betrokken ouders en buurtbewoners
sterke emoties los. De
boosheid van sommigen richt zich op de pleger
en de overheid die –
naar hun mening – de kinderen onvoldoende bescherming
biedt tegen herhaling.
Deze burgers hebben hun vertrouwen in de effectiviteit
van justitie en
reclassering verloren. Ze nemen daarom het recht in eigen handen
door mensen die
veroordeeld zijn voor seksueel misbruik van kinderen, of die
daarvan worden verdacht,
op hardhandige wijze duidelijk te maken dat de
buurt hen liever kwijt
dan rijk is. Het maakt veel buurtbewoners daarbij niet uit
of het om seksueel
getinte aanrakingen ging of om een brute verkrachting:
“ze moeten van onze
kinderen afblijven.”
De reacties van het
publiek, soms gevoed door diverse media, staan lang niet
altijd in verhouding
tot de mate waarin de belangen van het kind zijn geschaad.
Volkswoede tegen plegers – hoe
begrijpelijk ook –
werkt averechts en verhoogt
juist de kans op recidive.
Sinds 1996 zijn 26
gevallen van eigenrichting geregistreerd. Het gaat om vernieling
van de woning of de
auto of mishandeling van de pleger of verdachte.
Er zijn daarbij twee
doden gevallen. De huidige volkswoede tegen plegers van
seksueel misbruik – hoe
begrijpelijk die ook is – werkt averechts en leidt juist
niet tot het
verminderen van herhaling. Als iets recidive in de hand werkt dan is
het wel de massale
afkeer die pedoseksuelen momenteel ten deel valt.
Daardoor raken plegers
in een isolement, waardoor hun gedrag vaak alleen
maar extremer wordt.
Voorkomen moet worden
dat slachtoffers onverhoeds met ‘hun’ dader worden
geconfronteerd. Daarom
worden slachtoffers of hun ouders door het openbaar
ministerie
geïnformeerd wanneer de dader van een ernstig pedoseksueel
delict met proefverlof
gaat of in vrijheid wordt gesteld. Die informatie wordt
alleen verstrekt als
het slachtoffer daarom heeft gevraagd. Ook bij de politie is
bekend wanneer een
pedoseksuele dader weer vrijkomt. Als dat nodig is,
bijvoorbeeld omdat
onrust in de buurt wordt verwacht, stelt het openbaar
ministerie de
burgemeester in kennis van de vrijlating.
Deze informatie wordt
alleen verstrekt over daders van ernstige pedoseksuele
en gewelddadige
delicten. Men gaat ervan uit dat een gestrafte die weet dat de
politie op de hoogte
is van zijn vrijlating, minder snel in herhaling zal vervallen.
Het openbaar
ministerie en het Buro Slachtofferhulp zijn beschikbaar om vragen
van het slachtoffer of
de ouders te beantwoorden en hulp te bieden. In 2000
openden in veel
arrondissementen politie en het openbaar ministerie een
gezamenlijk loket,
waar slachtoffers informatie kunnen krijgen over het verloop
van een strafzaak. Als
politie, gemeente, hulpverlening en reclassering contact
houden met elkaar, met
de ex-gedetineerde en met de ouders van de slachtoffers,
zullen buurtbewoners
waarschijnlijk veel minder snel tot eigenrichting
overgaan.
Bakker, Hilde. Voorzichtig
met angst. Over seksueel misbruik van kinderen.
Utrecht: Nederlands
Instituut voor Zorg en Welzijn/NIZW, 2002, 2e dr. 56 pag.
ISBN: 9050508510, A
6,-. Verkrijgbaar bij NIZW Uitgeverij, telefoon
- .
Voorlichting gericht
op volwassenen die dagelijks met kinderen te maken
hebben, zoals leerkrachten,
sportdocenten of begeleiders van kinderclubs.
Commissie Seksueel
Misbruik Jeugdigen. Handelen bij vermoeden van seksueel
misbruik van kinderen
en jeugdigen. Assen: Van Gorcum/Dekker & Van de
Vegt, 1994.
Verkrijgbaar via boekhandel. Richtlijnen over het handelen bij (het
vermoeden) van
seksueel misbruik met onder meer belangrijke instanties,
voor zowel opvang als
contactpunten jeugdigen.
Delfos, M. Dat
nare gevoel: seksuele voorlichting over seksueel misbruik.
Bussum: Trude van Waarden
Produkties, 1999. 34 pag. ISBN: 9075564260, A 8,50.
Verkrijgbaar via de
boekhandel. Voorlichting over seksueel misbruik gericht op
meisjes en jongens uit
de bovenbouw van de basisschool en aan het begin van
de middelbare school.
Achterin is informatie opgenomen die meer gericht is
op volwassenen.
Delfos, M. Blijf
van me af! Over seksueel misbruik bij meisjes. Bussum: Trude
van Waarden
Produkties, 1999. ISBN 9063861133, A 11,50 en Blijf van me af!
Over seksueel misbruik
bij jongens. Bussum: Trude van Waarden Produkties,
1996. ISBN 9063861141,
A 11,50. Voor kinderen van 6 - 10 jaar. Verkrijgbaar via
de boekhandel.
Doef, S. van der. Kleine
mensen, grote gevoelens: kinderen en hun seksualiteit.
Amsterdam: Ploegsma,
1994. 95 pag. ISBN: 9021671611, A 13,50. Verkrijgbaar
via de boekhandel.
Geschreven in
samenwerking met de Rutgers Stichting. Per leeftijdscategorie
wordt de seksuele
ontwikkeling beschreven. Er wordt verteld wat je als opvoeder
kunt verwachten en hoe
je er het beste mee om kunt gaan.
Moerings, M. van en B.
Swier. Recht rond zedendelicten. Handboek voor de
(juridische)
hulpverlening. Alphen aan den Rijn: Samsom, 1997. 368 pag.
ISBN: 9042201703, A
26,85.
Verkrijgbaar via de
boekhandel. Dit boek geeft antwoord op juridische vragen
waar (hulpverleners
van) slachtoffers van zedendelicten tegen aanlopen. Het
boek is voor
niet-juridisch geschoolden heel toegankelijk geschreven.
Waar hulp en informatie?
De Advies- en
Meldpunten Kindermishandeling (AMK’s) zijn centrale instanties
waar kindermishandeling
kan worden gemeld of advies kan worden ingewonnen.
Er zijn veertien
regionale kantoren. Zoek voor de adressen in het telefoonboek
onder: Noord-Holland:
Alkmaar, Amsterdam; Friesland: Leeuwarden;
Groningen: Groningen;
Drenthe: Assen; Overijssel: Almelo; Gelderland: Arnhem;
Flevoland: Lelystad;
Utrecht: Utrecht; West- en Midden-Brabant: Breda;
Oost-Brabant: Helmond;
Zuid-Holland en Zeeland: Rotterdam; Limburg Zuid:
Maastricht; Noord- en
Midden-Limburg: Venlo.
Of bel het Infocentrum
Kindermishandeling van het Nederlands Instituut voor
Zorg en Welzijn
(NIZW): telefoon
- . Ook voor adressen en
telefoonnummers van de
Advies- en Meldpunten Kindermishandeling.
De Bureaus
Jeugd- en Zedenpolitie van de regiopolitie. Zie telefoonboek voor
adres en
telefoonnummer in uw regio.
Bureaus Jeugdzorg
De nieuwe Bureaus
Jeugdzorg hebben verschillende vormen van jeugdhulpverlening
in huis: de
geestelijke gezondheidszorgvoor jeugdigen (jeugd-GGZ),
de zorg voor jeugdige
licht verstandelijk gehandicapten (jeugd-LVG) en de
jeugdbescherming
(gezinsvoogdij en jeugdreclassering). Per provincie is er
één Bureau Jeugdzorg.
De RIAGG’s (Regionale Instelling voor Ambulante
Geestelijke
Gezondheidszorg) hebben een afdeling jeugdhulpverlening, die
ook in sommige Bureaus
Jeugdzorg deelneemt.
Bij de Stichting
Ambulante Fiom (individuele hulpverlening en preventie van
seksueel geweld):
telefoon 073 -6128821 zijn de adressen van de lokale vestigingen
van de Fiom
verkrijgbaar.
Telefonische meld- en hulplijnen:
Kindertelefoon: 0800-0432
(elke
dag, ook op zon- en feestdagen:
van 14.00 - 20.00
uur).
Korrelatie: 0900-1450
(hulplijn)
(teksttelefoon voor doven: 030 -2763030).
Meldpunt seksueel
misbruik: 0900 -8998411 (10 eurocent per minuut) .
Landelijk Buro
Slachtofferhulp: 030 -2340116, geeft de adressen van de lokale
vestigingen van de
Buro’s Slachtofferhulp.
Kinder- en
jongerenrechtswinkel: landelijk bureau 020
-6260067,
geeft
adressen van lokale
vestigingen.
Overzichten van
regionale hulpverleningsinstanties voor slachtoffers en plegers
zijn verkrijgbaar bij
de Landelijke Stichting Korrelatie en bij de informatielijn
van TransAct.
Korrelatie is op werkdagen van 9.00 tot 22.00 uur bereikbaar op
nummer 0900 -1450.
De informatielijn van
TransAct is dagelijks tussen 9.00 en 12.30 uur geopend op
nummer 030 -2300666.
Rutgers-Nisso Groep
Met ingang van januari
2002 is de Rutgers Stichting ondergebracht in de
Rutgers-Nisso Groep.
De Rutgers-Nisso Groep voert onder meer de Taakstraffen
Seksualiteit uit voor
jeugdige seksuele delinquenten, maar biedt zelf geen
medisch-seksuologische
hulpverlening zoals die werd geboden in de Rutgers
Huizen.
Deze hulpverlening
wordt aangeboden in Rutgers huizen/Centra voor geboorteregeling
en seksualiteit in
Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Eindhoven, Goes,
Groningen, Utrecht en
Rotterdam.
Tekst: Prof.Dr.J. Frenken
Rutgers-Nisso Groep,
Postbus 9022, 3506 GA Utrecht
De titels van de
wetenschappelijke publicaties waarop deze brochure is
gebaseerd, zijn te
vinden op de Internetsite: www.rutgersnisso.nl
of verkrijgbaar
bij het Informatie- en
Documentatiecentrum van de Rutgers-Nisso Groep,
Oudenoord 1176-1768,
3513 EV Utrecht
telefoon: 030 -2313431; fax: 030 -2319387; e-mail: rng@rng.nl
Cijfers in deze
brochure zijn afkomstig van: WODC/OMDATA
Dank aan de collega’s
uit verschillende beroepsgroepen die informatie aandroegen
en verbeteringen van
de tekst voorstelden.
Algemene informatie
Voor algemene
informatie en het aanvragen van brochures:
Postbus 51 Infolijn
Telefoon 0800 -8051 (gratis)
Openingstijden:
maandag t/m vrijdag van 09.00 tot 21.00 uur
Internet: www.postbus51.nl
E-mail: vragen@postbus51.nl
Ministerie van
Justitie
Directie Voorlichting
Afdeling in- en
externe communicatie
Postbus 20301
2500 EH Den Haag
Telefoon 070 -3706850
Openingstijden:
maandag t/m vrijdag van 09.00 tot 17.00 uur
Internet: www.justitie.nl
E-mail: voorlichting@minjus.nl
Uitgave: Ministerie
van Justitie, Directie Jeugd en Criminaliteitspreventie.
Gewijzigde herdruk,
augustus 2003.