Hoe zien wij?
Onder 'zien' verstaan we het ontvangen van lichtprikkels via het oog en het interpreteren van deze prikkels in onze hersenen. In dit hoofdstuk wordt alleen ingegaan op het ontvangen en ververken van lichtprikkels door het oog.
Om te kunnen zien is licht nodig. De voorwerpen uit onze omgeving weerkaatsen het licht naar onze ogen. Het valt door het hoornvlies, waar het gebroken wordt, passeert de voorste oogkamer en bereikt via de pupil de lens. Daar wordt het nogmaals gebroken en valt via het glasachtig lichaam op het netvlies.

Afbeelding 3: Breking van het licht in hoornvlies en lens.
De lens wordt boller als we kijken naar voorwerpen dichtbij, en platter als we kijken naar voorwerpen veraf. Als de lens daartoe onvoldoende in staat is, dan wordt de waarneming onscherp, er is ter compensatie een bril nodig. De oogspieren houden het oog in een zodanige stand, dat het invallend licht van het voorwerp waarnaar we kijken terecht komt op een bepaald stukje van het netvlies: de gele vlek (de macula lutea). Met dit gedeelte van het netvlies, ongeveer 1,5 mm groot, zien we het scherpst. In het hele netvlies, en vooral in de gele vlek, zitten lichtgevoelige cellen, die via een groot aantal zenuwtjes hun impulsen door geven aan de oogzenuw. Deze vervoert de lichtprikkels naar een speciaal centrum in de hersenen, waar wij ons het voorwerp bewust worden dat we 'zien', zie afbeelding 4.

Afbeelding 4: Transport van lichtprikkels naar de visuele schors achter in de hersenen.