| Het kind |
|
|
|
| Wonderlijk is het kind verbonden met de dingen: |
| zachte schaduw van blaren op de grond, |
| een kleine tros seringen, |
| het vonkend water in de havenmond, |
|
|
|
| het lichte wiegen van sneeuwvlokken, het glijden |
| en smelten langs het warme vensterglas, |
| het dof-muziekend ijs waar schaatsers rijden |
| en hij terzij staat op't bevroren gras: |
|
|
|
| hij weet het niet, maar door zijn grote ogen |
| zinkt het als in een onvertroebeld meer |
| en, ouder geworden, over zichzelf gebogen, |
| vindt hij het alles op de bodem weer. |
|
|
|
|
|
|
| Het vers is van de dichter W. Hessels (pseudiniem
voor H.A. Mulder). Zijn vrij korte leven bracht hij grotendeels door in Zuidafrika. Hij
leefde van 1906-1949 |
|
|