Over de hoogste passen ter wereld.
3 Augustus 1996, vertrek voor wat later zal blijken de reis van mijn leven.
Wat was er aan vooraf gegaan. Ik had al vele jaren diverse fietsvakanties gedaan in diverse delen van de wereld maar meestal op een niet al te zwaar niveau. Toen ik in het nieuwe programma van Cycletours de reis zag, over de hoogste passen ter wereld, was ik gelijk verkocht. Het probleem was echter dat deze tocht als zeer zwaar te boek stond en slechts met mountainbikes te berijden was. Ik was nog nooit op grote hoogte geweest, zodat ik ook niet wist hoe mijn lichaam zou reageren. Het artikel van Marcel de Paauw in het maandblad Fiets over de pionierstocht wakkerde mijn enthousiasme nog meer aan. Na een diapresentatie en een gesprek met Marcel in het tropisch museum in Amsterdam wist ik het zeker: ik moest deze tocht rijden. Als eerste kocht ik bij Klamer in Hoogezand een mountainbike, een GT.
De volgende dag fietste ik mijn eerste veldtoertocht vanuit Zuidlaren. Dat viel tegen, iedereen fietste mij voorbij. Na een paar valpartijen en met kramp in de benen kwam ik uitgeput aan de finish. Ik wist nu dat er nog veel getraind moest worden. Elke zaterdag die winter reed ik een tocht en toen dat afgelopen was weer op de wegfiets. Na vele duizenden trainingskilometers was het zover, het vertrek naar India. Op Schiphol maakte ik kennis met mijn medereizigers. Het bleek dat we met 15 man, waaronder 3 Belgen en 2 vrouwen de tocht zouden wagen.
Na een lange vliegtocht met de KLM kwamen we midden in de nacht in Delhi aan. Eerst werd er geld gewisseld. Voor mijn travellercheque van honderd dollar werd van een groot pakket bankbiljetten, bij elkaar gehouden door grote nieten, 70 biljetten van 50 rupee afgetrokken. Bij het verlaten van het vliegveld worden we overvallen door een verstikkende deken van vochtige warmte en uitlaatgassen. Direct ben ik doornat van het zweet. Gelukkig worden we opgewacht door enkele Indiërs die onze bagage en de fietsen in een oude vrachtwagen laden. Ook maken we kennis met Bahwani de leider van de Indische begeleidingsploeg. Na een bustocht door nachtelijk New Delhi komen we aan in het voorname Ambassador hotel.
De
volgende dag is de binnenlandse vlucht naar Kulu gepland. Op het
afgesproken tijdstip is iedereen present maar van de begeleiding
is niemand te zien. Net als we besluiten zelf maar taxi's te gaan
regelen komt iemand zich melden. Wij hoeven ons blijkbaar niet
druk te maken want het vliegtuig zal niet zonder ons vertrekken.
Bij aankomst op het vliegveld komt het personeel in volle actie om alles te controleren en de bagage in te checken. Als iedereen
de controle gepasseerd is laten de ambtenaren zich weer op de
banken voor een TV zakken om met verveelde gezichten een
plaatselijke soap te volgen. Wij gaan er ook maar bij zitten want
van vertrek lijkt nog geen sprake. In India moet je blijkbaar
veel geduld hebben en niet teveel waarde hechten aan eerder
gemaakte afspraken. Enkelen maken van de gelegenheid gebruik om
het gebrek aan slaap ontstaan door de lange vliegreis en het
tijdsverschil op de banken van de vertrekhal in te halen. Ook de
honger slaat toe want niemand had rekening gehouden dat we zo
lang moesten wachten. Eindelijk na vele uren komt een bus
voorrijden. Als iedereen is ingestapt stevenen we rechtstreeks op
een oude DC3 af. We zouden toch niet in dit museumstuk de reis
ondernemen? Gelukkig rijdt de bus door en komt een ander
vliegtuig in zicht waar enkele mannen druk zijn met wat
onduidelijke bezigheden. Als we vlakbij zijn zwaait een van de
mannen dat we door moeten rijden wat vervolgens ook gebeurt. Na
een rondje over het vliegveld arriveren we voor de tweede
keer bij hetzelfde vliegtuig. Ditmaal mogen we wel uitstappen en
mogen we in het toestel. Het blijkt een klein
tweemotorig vliegtuig te
zijn Van Jagson Airlines voor ongeveer 20 personen. Ik zit
helemaal vooraan met de rug naar de piloten. Zo heb ik een mooi
uitzicht naar buiten en over het vliegtuig. Het is bloedheet in
het vliegtuig en een prachtige Indische stewardess met een Indisch
gewaad aan deelt watjes en snoepjes uit. Dit blijkt er voor te
zijn de druk op de oren bij het opstijgen te verminderen. Weldra
zitten we in de lucht en daalt de temperatuur. Even later komt de stewardess langs met een pallet met warm eten. Met het bord op de
knieën zit even later iedereen zijn honger te stillen. Weldra komen de bergen in
zicht. Het lijkt alsof we er zo tegen aan vliegen maar er is toch
een opening. Terwijl aan weerskanten van het vliegtuig de bergen
oprijzen komt het vliegveld van Kulu in zicht. In de aankomsthal
van het vliegveld worden we verwelkomt door de Chef d'Equipe
Karl Spiegel en zijn assistent Max Coerver. De bus staat al klaar
voor de laatste etappe naar Manali. Onderweg kunnen we al een
beetje zien wat ons te wachten staat. De weg verkeert in een
erbarmelijke staat door verzakkingen ten gevolge van
overstromingen van de rivier. Veel werk wordt met handkracht
gedaan. Als we in onze eindbestemming arriveren worden we in ons onderkomen van
de komende dagen beleeft begroet met fris drankje. Het Banon Resort ligt even
boven Manali en bestaat uit verschillende appartementen. Ik word samen
met Fred ingedeeld op de benedenverdieping van een van de appartementen met
uitzicht op Manali. Na de avondmaaltijd gaan we vroeg slapen want we zijn
allemaal erg moe van de lange reis en het tijdsverschil.