Nieuw project: De tapijtnijverheid in Breda van 1775 - 1900

Samen met V. Muntjewerff-van den Hul.

 

Inleiding

Omstreeks 1775 gaat het economisch slecht. Om de economie een duwtje te geven ontstaat de tapijtnijverheid. Pieter van Son, directeur van het tuchthuis, richt in 1775 een tapijtfabriek op en krijgt in 1778 een octrooi voor 25 jaar.

Parallel hieraan ontstaan initiatieven vanuit de openbare armenzorg (de aalmoezenie) om de werkgelegenheid te vergroten. Ook het tuchthuis zit om werk verlegen. Het grote aantal armen vormt een bedreiging voor de openbare orde. Bedelaars worden in het tuchthuis aan het werk gezet. Bij alle besluiten over de tapijtnijverheid speelt het evenwicht bedrijfsontwikkeling - armenzorg een belangrijke rol. We zien dat de opeenvolgende directeuren van het tuchthuis zelf tapijtfabrikant worden.

Na 1830 stort de tapijtnijverheid in als gevolg van de Belgische afscheiding. De Bredase fabrikant Biesheuvel (uitvinder van een spinmachine) gaat naar Antwerpen om daar zijn geluk te beproeven. Hiernaar dient nog onderzoek te worden gedaan.

Een tweede cesuur ligt omstreeks 1860 als de mechanisatie zijn intrede doet. Slechts één Bredase fabriek transformeert tot een industriële onderneming. Deze weet zijn bestaan te rekken tot 1900 en verdwijnt dan na herhaaldelijk failliet te zijn gegaan. Dat is het einde van de Bredase koehaartapijtindustrie.

We stellen ons een studie voor vanuit de economische en de sociale invalshoek

 

Het economische deel door dr. H.A. Muntjewerff

Een beschrijving van het produktieproces op bedrijfstakniveau. Door het ontbreken van bedrijfsarchieven is dit voor Breda niet mogelijk op bedrijfsniveau. Maar door beschrijving van het productieproces en vergelijking voor wat betreft de bedrijfstakontwikkeling met Hilversum (het Nederlandse centrum van koehaartapijtindustrie) en plaatsen in Noord-Brabant komt toch een beeld tot stand hoe er in de Bredase fabrieken gewerkt werd.

Een industrieel-archeologische beschrijving van de verschillende bedrijfsgebouwen per bedrijf, enkele te documenteren met eigen fotomateriaal. Sommige gebouwen bestaan nog. Een ervan is een gemeentelijk monument. Voor de stadsgeschiedenis van Breda vinden we het van belang zowel een inzicht te geven in het nu vrijwel onbekende proces van het koehaar spinnen en weven als de gebouwen aan te duiden waarin dat gebeurde en die als zodanig niet meer herkenbaar zijn.

Onderzoek in de faillissementsdossiers. Over het belang van de tapijtindustrie voor de Bredase economie is weinig bekend. Deze dossiers, die honderd jaar gesloten bleven, zijn inmiddels openbaar. Ze kunnen inzicht geven in de bedrijfsvoering.

Relatie met aanverwante industrieën. Gedacht kan worden aan ververijen, leerlooierijen waar de grondstof vandaan kwam, en de paardenhaarindustrie die zich bezig hield met de fabricage van haardoek voor de meubelindustrie.

 

Het sociale deel door drs. V. Muntjewerff- van den Hul

Van den Eerenbeemt analyseerde in Armoede en arbeidsdwang de opvattingen over armoede en bedeling van de gezeten burgerij in de tweede helft van de achttiende eeuw. De veel te ruime bedeling werd beschouwd als oorzaak van het groeiend aantal 'onnutte' Nederlanders die een bedreiging vormden voor de openbare orde. Overal in het land ontstonden initiatieven voor pauperfabrieken om de armen aan het werk te zetten. Zo ook in Breda. Was de meeste fabrieken maar een kort leven beschoren, die in Breda springt eruit voor wat betreft de levensvatbaarheid. Maar over de verwevenheid van de Bredase aalmoezenie en de werkhuizen is niet veel bekend. Nader onderzocht zal worden:

De rol van de aalmoezenie. Hoe gebruikten de ondernemers de armenzorg voor hun bedrijfsvoering? Al vóór 1830 begint de samenwerking met de bedrijven sleetse plekken te vertonen. Welke factoren speelden daarbij een rol? Volgens Van den Eerenbeemt nam in Breda het aantal bedeelden af door de werkhuizen. Behoeft dat beeld misschien enige nuancering?

De rol van de ondernemers. Zij behoorden tot de Bredase elite die de regentencolleges van de liefdadige instellingen bevolkte. Voor de eerste periode is sprake van twee fabrikantengroepen, een locale katholieke groep en een protestantse, van buiten komende groep. In beide groepen gaat het om familiebedrijven. Zijn hier overeenkomsten en verschillen aan te wijzen voor wat betreft hun opvattingen en bedrijfsvoering? In de tijd van de status-quo ( 1830 - 1840) begint de selectie. Slechts één fabriek overleeft en deze mechaniseert na 1860. Speelt familisme een rol in het selectieproces? De ondernemers laten zich niets meer aan werkverschaffing gelegen liggen. Het betekent het einde van de werkhuizen maar waren de ondernemers de enige factor ?

De rol van de wevers. Tapijtwever was een apart beroep. Hele familiegroepen zijn met name bekend en lenen zich voor een vergelijking (op bescheiden schaal) met de bevindingen van Angelique Janssens voor de Tilburgse wolnijverheid. In Family and Social Change concludeert zij dat de eerste periode van industrialisatie het pre-industriële patroon van sterke familiebanden en -verplichtingen niet vernietigt. Gaat dat ook op voor Breda? Aandachtspunten op groepsniveau zijn verder: spinners, thuiswerkers, vrouwen- en kinderarbeid.