Deze studie over de wolspinnerij 'Pieter van Dooren' behandelt de bedrijfsgeschiedenis van een familieonderneming gedurende de 150 jaar van zijn bestaan. Het bedrijf was geen typische Tilburgse wollenstoffenfabriek omdat het zich specialiseerde in spinnen en vollen. Het was de eerste stoomfabriek in Tilburg en geniet als zodanig enige algemene bekendheid in de historie van het Nederlandse industrialisatieproces. Tot nu toe moesten we een gedegen bedrijfshistorische studie van een Tilburgse wollenstoffenfabriek ontberen, alhoewel veel gepubliceerd is over deze belangrijke bedrijfstak. Het feit dat het gemeentearchief, dat diverse bedrijfsarchieven bewaart, en het textielmuseum, dat de roerende goederen exposeert, sinds enkele jaren opnieuw gehuisvest zijn heeft veel bijgedragen aan een bredere belangstelling en bereikbaarheid van het industrieel erfgoed.
In het eerste hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de bedrijfsgeschiedenis in Nederland. Het theorietekort dat wordt gesignaleerd geeft aanleiding tot het analyseren van tijdreeksen. Vervolgens vind een bespreking plaats van het bedrijfsarchief als historische bron. Daarbij is kennis van de bedrijfseconomie onontbeerlijk om tot een juiste interpretatie te komen. Vandaar ook dat de hier gebruikte archiefinventaris van de firma 'Pieter van Dooren' behept is met fouten. Een bespreking van de inhoud van het bedrijfsarchief laat zien dat vooral handelscorrespondentie en boekhouding bewaard zijn gebleven. Daarnaast bevat het nog een belangrijk technisch archief. Uitgangspunt in deze studie is dat de ondernemersfamilie centraal staat.
In het tweede hoofdstuk worden de gebruikte theorie en methode nader besproken. Het familisme is de benaming van een maatschappelijk verschijnsel dat de kenmerken van een familieonderneming als spanningsveld tussen de economische functie en de sociale functie van het familiebedrijf omschrijft. Onder familisme versta ik: het streven van de familie der kapitaalbezitters naar een zodanige rentabiliteitswaarde van de eigen onderneming dat daarmee het inkomen, het aanzien en de duurzame sociale positie van de familie behouden blijft en zo mogelijk versterkt kan worden. Op deze wijze kunnen niet alleen opkomst en bloei maar ook de neergang en opheffing van het bedrijf begrepen worden. Wanneer namelijk de onderneming minder oplevert in een tijd van toenemende alternatieve mogelijkheden van inkomensverwerving, en zelfs een gevaar oplevert voor het behoud van het familieinkomen, dan verliest de continuïteit van de onderneming het van de continuïteit van de familiepositie.
De methode van de financiële ratio-analyse is erop gericht een maximaal gebruik te maken van de jaarrekening, bestaande uit balans en resultatenrekening door middel van kengetallen. Daarbij staan de vragen naar de herkomst, de besteding en het rendement van het kapitaal voorop. Een rekenschema afgeleid van het Dupontschema is opgesteld om door financieel overzicht een historisch inzicht te verkrijgen. In bijlagen 4 en 5 staan de gebruikte ratio's verklaard en berekend.
In het derde hoofdstuk wordt uitvoerig stilgestaan bij de ontwikkelingen in de bedrijfstak, de wolnijverheid. De introduktie van het spinassortiment, de stoommachine, de volkommen, de fabrieksbouw en de daarmee gepaard gaande schaalvergroting in de Tilburgse wollengarenproduktie vonden hun oorsprong in de Engelse wolnijverheid van Yorkshire. Vooral in het laatste kwart van de negentiende eeuw bestond er een intensieve handel op Engeland. Vanaf 1914 waren de wollenstoffenfabrieken echter aangewezen op de binnenlandse markt. Dankzij de aanwezigheid van het statistisch materiaal van het CBS beschikken we voor de Nederlandse wolnijverheid vanaf 1921 over de mogelijkheid te komen tot een vergelijking van het bedrijf 'Pieter van Dooren' met de bedrijfstak. Over het algemeen volgde de wolspinnerij de ontwikkelingen in de bedrijfstak, met een uitzondering: stoom bleef tot op het laatst de voornaamste krachtbron. Door middel van de opgenomen grafieken is een en ander te volgen.
De hoofdstukken opkomst, bloei en neergang vormen de eigenlijke bedrijfsgeschiedenis en deze periodisering volgt de bedrijfscyclus. Als modern opgezet bedrijf vond de wolspinnerij en volmolen een gunstige vestigingsplaats aan de Ley even buiten Tilburg. Van de inrichting met stoommachine, spinmachines en engelse volkommen zijn enkele beschrijvingen bewaard gebleven. De firma is ontstaan uit de firma Van Dooren en Dams, die rond 1809 al een grote naam had op het gebied van technische innovatie in de wollenstoffen. In 1825 werd naar Engels model door Pieter van Dooren de wolspinnerij opgericht. Voor de financiering van zijn onderneming was hij in de eerste plaats afhankelijk van familie, daarnaast kon hij drie voorschotten bemachtigen uit het nijverheidsfonds. Hierbij ondervond hij de steun van de politieke en economische bovenlaag in Tilburg. Door het ontbreken van een volmolen in Tilburg hadden de wolfabrikanten er belang bij dat het bedrijf van Pieter van Dooren van de grond kwam. Later kon ook van een particuliere belegger kapitaal worden geleend.
De ondernemer Pieter van Dooren was als hoofd van een familiebedrijf geïnteresseerd in de politieke ontwikkelingen, droeg zelf de zorg voor de bedrijfsadministratie en was immer innovatief zonder de risico's uit het oog te verliezen. Op die manier versterkte hij het aanzien van de familie en verkreeg maatschappelijke erkenning. Hij was oprichter van de herensocieteit De Philharmonie, en in 1844 behoorde Pieter van Dooren tot de vier fabrikanten met de hoogste sociale status in Tilburg. In 1845 nam zijn weduwe de zaak over, die het in 1853 overdroeg aan haar zonen. De zonen hadden de bedrijfsleiding na enige strijd kunnen bemachtigen door de zorg voor de familiale zekerheid, van de zusters, te garanderen middels het opnemen van deposito's. Consolidering van het familiebezit werd daarmee een van de voornaamste aspecten van het familiebedrijf. Tot 1875 was de firma voor haar vermogen afhankelijk van deze deposito's.
Onder leiding van de zonen van Pieter werd de wolspinnerij in 1860 belangrijk uitgebreid en werd een compagnie aangegaan met de wollenstoffenfabrikant J.L.Donders om samen een weverij te exploiteren. In 1882 werd deze voor Tilburgse begrippen uitzonderlijke samenwerking gestopt door tegenvallende resultaten. Van Dooren begon nu met een eigen weverij, eerst via thuiswevers en vanaf 1891 vanuit de fabriek. De kapitaalstructuur van het bedrijf had door de overheersing van de vaste activa een duidelijk industrieel karakter. Als spinnerij was de onderneming een typische kredietverschaffer geworden, zodat vele handelsdebiteuren op de balans voorkwamen. Een ruime liquiditeit zorgde ervoor dat de firma altijd over voldoende werkkapitaal bezat. De nettowinst kon voor een voldoende rentabiliteit zorgen en maakte interne financiering tot bedrijfsbeleid.
In 1881 trad François van Dooren aan als directeur, daarmee de ongeschikt gebleken erfopvolger passerend. Vanaf 1891 bezat hij ook de volle eigendom van het familiebedrijf. Aanvullende financiering vond nu plaats door kortlopende schulden aan te gaan, verder volstond de winstinhouding als investeringsbron en inkomensbron voor de fabrikantenfamilie. François stond in hoog aanzien en stelde het welvaren van het bedrijf steeds voorop, maatschappelijke functies moesten voor hem zinvolle arbeid zijn en geen erebaantjes. In zijn bedrijf had hij de ondersteuning van een hooggekwalificeerde boekhouder, een meesterknecht van de weverij en een handelsreiziger.
In 1890 werd een begin gemaakt met het openleggen van de Engelse markt voor wollenstoffen. Via de handelsagent Stanley Foss werden de mantelfabrikanten in Londen bediend. In het begin van de twintigste eeuw liepen de orders echter terug en besloot Van Dooren de weverij in 1909 te sluiten en zich weer te specialiseren op de wolspinnerij. In de spinnerij was sinds 1887 door investeringen het produktieproces op peil gebleven, het bedrijf beschikte nu ook over selfactors. Uitbreidingen in 1912-1915 plaatsen het bedrijf op stoomgebied en krachtoverbrenging weer op de voorgrond. Het loonspinnen, vanouds de basis onder het bedrijf, droeg nu voor ten hoogste 10% bij aan het bedrijfsresultaat. Er werden vooral eigen garens gefabriceerd, al of niet op verzoek van de wollenstoffennijverheid en de tapijtnijverheid.
In 1923 droeg François het beheer van de firma over aan zijn drie zonen, daartoe werd een commanditaire vennootschap opgericht, die het familiekarakter van het bedrijf moest beschermen. De effectenportefeuille die hij had opgebouwd werd zijn persoonlijk eigendom, op die manier werd bijna 1 miljoen gulden aan de firma onttrokken. Dankzij de grote uitbreidingen van 1929 beschikte de wolspinnerij aan de vooravond van de crisisjaren over een moderne fabriek. Daarin werden nog steeds oude en nieuwe systemen naast elkaar gebruikt. De omzetdaling in de jaren dertig zorgde voor slechte bedrijfsresultaten ondanks prijsverlagingen en kostenbeheersing door Van Dooren. Afzien van hoge inkomens en interen op het eigen vermogen was nodig om de continuïteit te waarborgen. De Tweede Wereldoorlog bracht in eerste instantie hoge winsten, maar eindigde met grote financiële verliezen.
De gewijzigde maatschappelijke en economische omstandigheden leidde tot de oprichting van een Naamloze Vennootschap in 1949, waarin Frans van Dooren de scepter zwaaide. De familie bleef de vermogensverschaffer van het bedrijf, zodat de aandeelhoudersvergadering een familieoverleg was. De winstinhouding was nu statutair vastgelegd, op die manier groeiden de reserves snel. De wolspinnerij herstelde zich snel van de oorlog, maar de Koreacrisis van 1951 kwam hard aan. De omzet halveerde en kon daarna maar langzaam groeien, terwijl de produktiekosten constant bleven. Wel vonden er wijzigingen plaats in het produktiepakket door het gebruik van kunststoffen, maar deze ontwikkeling verliep te traag. In 1960 werd een holdingmaatschappij gevormd met daarin de wolspinnerij als werkmaatschappij naast een belegingsmaatschappij. De spinnerij werd afhankelijk van grote klanten en door de achteruitgang van de wolnijverheid slonken de bedrijfsresultaten. Het van oudsher industriële bedrijf kreeg het karakter van een handelsonderneming. Vooral na 1963 daalde de rentabiliteit.
Alhoewel er voldoende mannelijke nakomelingen waren, ontbrak het aan een geschikte opvolger in de jaren zestig. De meesten zochten buiten het bedrijf met succes een bestaan. Tijdig werden in 1968 de bakens verzet. De produktie werd stopgezet en met het familiekapitaal werd in rendabelere beleggingen geinvesteerd. Het familiebelang eiste dat de wolspinnerij werd gesloten, in 1975 volgde de sloop van de monumentale fabriek.
In deze studie zijn familie en bedrijf als een economische eenheid behandeld. Daardoor was het familiebelang verstrengeld met het bedrijfsbelang. De ondernemersfamilie Van Dooren koos uiteindelijk rationeel voor bedrijfssluiting. Dit verkregen historisch inzicht was mogelijk door de combinatie van de methode van de financiële ratio-analyse en het theoretisch kader van het familisme.