INHOUDSOPGAVE



WOORD VOORAF V

ARCHIEFBRONNEN XV

BRONNENPUBLIKATIES EN LITERATUUR XX

LIJST VAN GRAFIEKEN EN TABELLEN XXXIII

LIJST VAN AFBEELDINGEN XXXV



INLEIDING 1

Een bedrijfsgeschiedenis, 1; van een familieonderneming, 3; geen typische Tilburgse wolfabriek, 4; opzet van de studie, 4.



Hoofdstuk I



BEDRIJFSGESCHIEDENIS 5



§ 1. Historiografie 6

Een definitie, 6; de kernvragen, 6; het theorietekort, 7; inspirerende Nederlandse studies, 8.



§ 2. Het bedrijfsarchief als historische bron 9

Betekenis voor historisch onderzoek, 9; inhoud van een bedrijfsarchief, 12; kennis van bedrijfseconomie, 12; de archiefinventaris van de firma 'Pieter van Dooren', 14; het kernarchief, 16; vooral handelscorrespondentie en boekhouding, 18.



§ 3. Aandachtsvelden en uitgangspunten 20

Bedrijfshistorische analyse met behulp van tijdreeksen, 20; de rol van de ondernemersfamilie centraal, 20.



Hoofdstuk II



THEORIE EN METHODE



§ 1. Familisme: de verstrengeling van bedrijfsbelang met familiebelang 22

Definitie van een maatschappelijk verschijnsel, 22; de kenmerken van een familieonderneming, 23; enkele vraagtekens, 24; spanningsveld tussen economische functie en sociale functie, 25; rentabiliteitswaarde als kern van een nieuwe definitie, 26.



§ 2. Financiële ratio-analyse: praktische toepasbaarheid

Het gebruik van de financiële administratie, 26; de balans en de resultatenrekening, 28; drie vragen: herkomst, besteding en rendement van het kapitaal, 30; mutaties in de SHBM, 32; ondernemersrisico's, 33; analyse van de jaarrekening, 33; ratio-analyse bij bedrijfshistorisch onderzoek, 34; een rekenschema voor 'Pieter van Dooren', 36; historisch inzicht door financieel overzicht, 37.



Hoofdstuk III



DE BEDRIJFSTAK



§ 1. Inleiding 39

De strijkgaren-wollenstoffennijverheid, 39; aspecten van de Tilburgse textielhistorie, 39.



§ 2. Opkomst van de stoomspinnerij en -vollerij 40

De lakennijverheid, 40; de markt voor Tilburgse grove wollenstoffen, 42; de mechanisering in de wolnijverheid, 43; arbeidsbesparende machines en krachtwerktuigen, 43; afgeleidde van de katoennijverheid, 44; mechanisatie van de spinnerij, 45; het spinassortiment rond 1830 algemeen in gebruik, 48; schaalvergroting van de garenproduktie in Tilburg, 49; de volmolen, van windkracht naar stoomkracht, 50; de introduktie van de stoommachine tussen 1825-1830 in de Nederlanden, 51; ondersteund grootschalige garenproduktie, 53; de fabrieksbouw naar Engels voorbeeld, 53; arbeid en kapitaal als factoren bij de mechanisatie, 54; de wolnijverheid in crisis (1830-1848) en via bloei (1848-1878) naar hernieuwde crisis (1878-1893), 56; openbaart structurele zwakte Tilburgse wolnijverheid, 57.



§ 3. Bloei van de wolweverij en wolspinnerij 58

Toenemende afhankelijkheid van de export, 58; een bewuste mechanisering: selfactors, 59; de rol van de zelfstandige spinnerijen, 60; teruggeworpen op de binnenlandse markt in het interbellum, 61; onderlinge Tilburgse concurrentie, 63; Fabrikantenbond regelt loonherzieningen, arbeidsvoorwaarden en prijsbepalingen, 63; de Tweede Wereldoorlog, 64.



Bedrijfstakvergelijking 1921-1943 64

Gestage groei van de personeelsbezetting, 65; een fundamentele wijziging in het grondstoffenverbruik, 66; scherpe prijsdaling, 69; het Rijksbureau voor Wol en Lompen heeft zorg voor grondstoffenvoorziening (1939-1950), 69; zelfstandige spincapaciteit neemt toe, 70; toenemende vraag naar industriegarens, 72; stroom in plaats van stoom, 73; indexcijfers en een sterk verhoogde arbeidsproduktiviteit, 75; relatief hoge toegevoegde waarde bij 'Pieter van Dooren', 77.



§ 4. Neergang van de Nederlandse wolnijverheid 79

Toenemende internationale concurrentie, 79; de Koreacrisis van 1951 en de krimpende wolmarkt, 80; verlaging van de produktiekosten, 81; factoren die de ondergang van de Tilburgse wolnijverheid kunnen verklaren, 81; kansen voor één zelfstandige wolspinnerij, 82.



Bedrijfstakvergelijking 1946-1968 83

Een toenemend aandeel van de spinnerijen in de werkgelegenheid, 83; halvering van het personeelsbestand van 1963 op 1968, 85; slechts geleidelijk gebruik van alternatieve grondstoffen, 85; verbruik en produktie van industriegarens pakt gunstig uit voor zelfstandige spinnerijen, 89; Van Dooren blijft onder stoom, 91; de garenbalans, 91; indexcijfers en stijgende arbeidsproduktiviteit, 93; de toegevoegde waarde bij 'Pieter van Dooren' blijft hoog, 95.



§ 5. Samenvatting 97



Hoofdstuk IV



OPKOMST (1825-1880)



§ 1. Inleiding een juist begrip van de stoomfabriek. 99



§ 2. Een modern opgezet bedrijf 99

De vestigingsplaats, 99; de installatie van de stoommachine, 100; beschrijvingen van de fabriek in opbouw met spinmachines en volkommen, 102.



§ 3. De oorsprong van de firma Pieter van Dooren 107

De firma Van Dooren & Dams,107; de roem van 1809,109; een familieonderneming,109; de start van het bedrijf in 1825,110; naar Engels model,111; de rol van Thomas van Dooren,112.



§ 4. Financiering door de overheid 112

Een risicovolle onderneming,112; naast familieleden weinig geïnteresseerde particuliere beleggers,113; verzoek tot voorschot uit het nijverheidsfonds (1828),114; ondersteund door B & W van Tilburg,115; en de Raad,116; en de Tilburgse wollenstoffenfabrikanten,117; bewilliging door Willem I ondanks twijfel bij topambtenaar,118; een tweede voorschot (1828) door voldoende waarborg,118; een derde voorschot (1834) heeft de tijd mee,119.



§ 5. Zoeken naar alternatieve afzet en produktie 120

Leveranties aan het leger blijven uit,120; toch start van een weverij,121.



§ 6. Van Staatsvoorschot naar particuliere vermogensvoorziening 122

Aflossingsverplichtingen nagekomen,122; nieuw voorschot (1843) nodig,123; vervroegde aflossing middels afbetaling ineens,124; de notaris zoekt een particuliere vermogensverschaffer,126; het RK Jongensweeshuis verstrekt een hypothecaire lening,127.



§ 7. De ondernemer Pieter van Dooren 128

Vergelijking met Vervierse lakenfabrikanten,128; hoofd van een familiebedrijf,128; politiek geïnteresseerd,129; zorg voor de bedrijfsadministratie,129; immer innovatief zonder risico's uit het oog te verliezen,132; aanzien van de familie versterkt,132; maatschappelijke erkenning,132; de oprichter van de Philharmonie,133.



§ 8. De financieringsmogelijkheden 134

Familieinbreng veruit belangrijkste vermogensbron,134; lenen onder hypothecair verband,135; bankkrediet,136; anonieme compagnie niet mogelijk,136; hoge sociale status (1844) voor Pieter van Dooren,137.



§ 9. De firma 'de weduwe Pieter van Dooren' 138

Sophie van Dooren,138; en haar zonen,139; de boedelscheiding van 1850,139.



§ 10. Consolidering van het familie-eigendom 140

De strijd om de bedrijfsleiding (1853),140; weduwe legt familiale zekerheid vast in deposito,141; evenals de kinderen,142; de langlopende schuld wordt ondernemend vermogen,143; regeling van eigendom en beheer door de gebroeders,143; de gezusters vangen het overlijden van hun moeder financieel op,145; de verdeling tussen de weduwen van de gebroeders,145.



§ 11. Bedrijfsexploitatie door de twee gebroeders 146

De taak en beloning van de directie,146; de spin- en volfabriek in 1860 belangrijk uitgebreid,148; de wollenstoffenproduktie in compagnie met J.L. Donders,150; de winstvoet van de wollenstoffenfabriek,151.



§ 12. Kapitaalbestemming en liquiditeit 151

De kapitaalstructuur,151; overheersing vaste activa bevestigd industrieel karakter,153; de waarde van het machinepark,155; de vlottende activa,157; vooral handelsdebiteuren,158; de spinnerij is een typische kredietverschaffer,158; het nettowerkkapitaal,159; meestal een ruime liquiditeit,159.



§ 13. Winstdeling en vermogensvoorziening 160

De nettowinst en de zorg voor interne financiering,160; de solide vermogensstructuur,161; afhankelijkheid van familiedeposito's tot 1875,162; een voldoende rentabiliteit,164.



§ 14. Samenvatting 165



Hoofdstuk V



BLOEI (1881-1948)



§ 1. Inleiding grote uitdagingen. 167



§ 2. Continuering in eigendom en beheer 167

François passeert erfopvolger,167; eerst beheer,168; vervolgens eigendom overgedragen door de weduwe,169.



§ 3. Vermogensvoorziening en rentabiliteit, 1881-1916

Het bankkrediet wint aan belang,170; alleen kortlopende schulden,172; geleidelijke aflossing van de deposito's,173; bij gunstige rentabiliteit,174; de bedrijfsverzekering,175.



§ 4. Winstdeling en familie-inkomen, 1881-1916 176

Winstdeling firmanten,176; het inkomen van François,177; interne financiering door winstinhouding,179.



§ 5. De ondernemer François van Dooren 179

In hoog aanzien,179; welvaren familiebedrijf staat bij hem voorop,180.



§ 6. Bedrijfsvoering onder François van Dooren 181

Enig directeur,181; het hoger personeel,182; de boekhouder C. Overing,183.



§ 7. De afdeling Wollen Stoffen 184

De meesterknecht L. Fuyat,184; de handelsreiziger J. Brüning,184; sinds 1891 geïntegreerde wollenstoffenfabriek,185; de Engelse markt veroverd,185; opheffing weverij in 1909 door uitblijven orders,187.



§ 8. De spinnerij 188

Het produktieproces,188; investeringen sinds 1887,188; houden het bedrijf vooruitstrevend,190; de omschakeling van wollenstoffenfabriek naar spinnerij,191; de uitbreidingen van 1912-1915,192.



§ 9. Omzet en bedrijfsresultaat, 1881-1916 193

Onvolledige bronnen,193; het loonspinnen verliest aan betekenis,193; geleidelijke overgang in 1909,194; constante omzetgroei,195.



§ 10. Kapitaalbestemming en liquiditeit, 1881-1916 195

De kapitaalstructuur,195 ; netto-investeringen,197; de vlottende activa,198; groei van de beleggingen,199; het nettowerkkapitaal,200.



§ 11. Bedrijfsexploitatie onder de zonen 201

De commanditaire vennootschap (1923),201; de vermogensonttrekking door François van Dooren,202; bescherming van het familiekarakter,203; de winstdeling,204.



§ 12. De spinnerij rond 1929 204

De grote uitbreiding van 1928-1929,204; ontwikkelingen bij de spinmachines,206; nieuwe en oude systemen naast elkaar in gebruik,206.



§ 13. Het aanzien van de familie 208

De fabrikantenwoningen,208; de vervoermiddelen,209; de sociale contacten,210; in de Philharmonie,210; in de Fabrikantenbond,211.



§ 14. Rentabiliteit van de onderneming, 1917-1948 211

Een hoog rendement,211; de vermogensstructuur: eigen vermogen overheerst,213; omzetdaling in de jaren dertig,215; zorgt voor slechte bedrijfsresultaten,215; ondanks prijsverlagingen en kostenbeheersing,215.



§ 15. Kapitaalbestemming en liquiditeit, 1917-1948 216

Kapitaalstructuur heeft weer industrieel karakter (na 1929),216; vlottende activa,218; geen beleggingen na 1923,218; lage voorraden,219; het nettowerkkapitaal,219.



§ 16. Winstdeling en familie-inkomen, 1917-1948 220

Interne financiering,220; inkomens achteruitgang in de jaren dertig,222; de opname van gelden per firmant,222; de Tweede Wereldoorlog: hoge winsten gevolgd door grote verliezen,223; vermogensonttrekking door de familie in relatie met de nettowinst,225.



§ 17. Samenvatting 225



Hoofdstuk VI



NEERGANG (1949-1975)



§ 1. Inleiding de bronnen. 230



§ 2. De Naamloze Vennootschap 230

Fiscale en economische overwegingen,230 ; de vermogensinbreng van de familie,231; het beheer door drie directeuren,233; de aandeelhoudersvergadering het hoogste orgaan,234.



§ 3. Veranderende perspectieven voor de familie 235

De mannelijke nakomelingen,235; de bedrijfsleiding,235; werkkring buiten de familieonderneming voor velen,236; een geschikte opvolger ontbreekt,237; de rol van de accountant,237.



§ 4. De strijkgarenspinnerij 238

Herstel van de oorlogsschade,238; de tapijtnijverheid een steunpilaar,239; wolnijverheid blijft belangrijkste afzetmarkt,240; afhankelijkheid van grote klanten,240; technische vernieuwing (1960),241; ontslagen in de jaren zestig,242; de voornaamste bedrijfsbeëindigingen in Tilburg,243; produktiestop in 1968,244.



§ 5. De holdingmaatschappij 244

Reorganisatie om grote reserves veilig te stellen,244; de wolspinnerij verliest aan betekenis,245; het familiebelang,246; verkoop van de fabriek in 1975,246.



§ 6. Rentabiliteit van de onderneming 247

De rentabiliteit daalt na 1963,247; de invloed van het vreemd vermogen,249; de omzet hersteld zich onvoldoende van de Koreacrisis,250; produktiekosten constant,250; wijzigingen in het grondstoffenpakket,251.



§ 7. Kapitaalbestemming en liquiditeit 252

Belang vaste activa neemt af,252; het karakter van een handelsonderneming,252; dalende voorraden,254; liquide middelen en beleggingen nemen sterk toe,255; het nettowerkkapitaal,255.



§ 8. Winstdeling en familie-inkomen 256

De winstinhouding statutair vastgelegd,256; het samengestelde inkomen van Frans van Dooren,256; de reserves,257; de inkomensontwikkeling van de directieleden,258; de vermogensonttrekking,259.



§ 9. Samenvatting 260





SAMENVATTING EN SLOTBESCHOUWING



§ 1. Bedrijfsontwikkeling 264

Familie en bedrijf als economische eenheid.



§ 2. Functioneren van de familie 265

Het familiebelang en het bedrijfsbelang,265; de ondernemers Van Dooren,266; het familisme,267.



§ 3. Slotbeschouwing 268

Financiële ratio-analyse en familisme vullen elkaar aan.



SUMMARY 270



BIJLAGEN

1. Genealogie familie Van Dooren 281

2. Fabriek 1826 298

3. Investeringen firma 'Pieter van Dooren', 1845-1909 300

4. De gehanteerde ratio's nader verklaard 306

5. Kengetallen financieringsanalyse, 1845-1967 310

6. De Staat van Herkomst en Besteding der Middelen, 1887-1967 336

7. De Jaarrekening, 1845-1967 356

8. Stilering van de jaarrekeningen 432

9. De kapitaalrekeningen, 1883-1948 435

10. Gegevens CBS, 1921-1943, 1946-1968 454

11. Opgaven PvD aan CBS, 1921-1967 485





INDEX VAN GEOGRAFISCHE 508

INDEX VAN PERSOONSNAMEN EN ONDERNEMINGEN 511