Figuren en hoe ze getekend worden

van krabbelen naar dynamische beelden

 

 

In de wijze van uitbeelden van jonge kinderen zijn diverse fasen te onderkennen. De leeftijd waarop een bepaalde fase wordt bereikt kan per individueel kind sterk verschillen. Soms komen kenmerken uit meerdere fasen in één tekening voor, soms ook slaat een kind een fase helemaal over. Dit betekent niet dat er daardoor een gat in de ontwikkeling ontstaat, we krijgen er alleen geen getekende producten van te zien.

Op deze pagina worden de begrippen behandeld die te maken hebben met figuren en hoe ze getekend worden. Door op de link te klikken die je bij veel begrippen aantreft, ga je naar een tekening die als illustratie dient voor het desbetreffende begrip.

 

 

Krabbelfase (van circa 2 tot circa 5 jaar)

 

Krabbelen

De eerste krabbels van een kind zijn bewegingslijnen. Door de nog grove motoriek gaat de beweging in hoofdzaak uit van de schouder. Dit krabbelen is vooral manipuleren met materiaal. Het kind experimenteert en kan vaak heel geboeid en verrast zijn, over datgene wat op het papier is komen te staan.

 

Terugkerende figuren

Het kind wisselt het krabbelen in deze fase af met het neerzetten van kleine figuren die steeds worden herhaald, niet om de figuren zelf maar om de armbeweging die de figuren doet ontstaan.

 

Globale vormen

De krabbels verdwijnen en er verschijnen globale vormen, die vaak enkele malen herhaald worden door het kind. Soms worden de vormen benoemd. Zo gauw een kind de gemaakte vormen gaat benoemen, vooraf of achteraf, spreken we van tekenen: het kind heeft ontdekt dat het zelf iets kan uitbeelden. Een voorbeeld van een tekening uit deze fase is de tekening van Richenel (4 jaar).

 

 

Kopvoeterfase (van circa 3 tot circa 6 jaar)

 

De koppoter

De koppoter is een figuur dat het wezen van de mens weergeeft: het heeft een hoofd en het loopt. Als de kinderen in deze fase komen is voor volwassenen vaak voor het eerst goed te zien wat de kinderen willen uitbeelden.

 

Uitbreiding van de koppoter

De koppoter breidt zich uit. Het lichaam onderscheidt zich van de benen door een dwarse streep. De benen worden soms met twee lijnen getekend en er verschijnen twee armen, soms met handen en vingers. Het hoofd is zonder hals verbonden met de romp. De tekening van Max (5 jaar) laat deze fase zien.

 

Het poppetje

Zo rond het vijfde jaar wordt de koppoter verlaten om plaats te maken voor figuren die bestaan uit twee cirkels. Kleren worden nog niet aangegeven. Een detail uit de tekening van Badredinne (7 jaar) laat zo’n poppetje zien.

 

 

Schemafase (van circa 4 tot circa 10 jaar)

 

Schematiseren

Jonge kinderen leggen nog geen direct verband tussen hun tekening en de zichtbare buitenwereld. Ze tekenen op de meest eenvoudige en duidelijk manier dat wat ze kennen. Dit noemen we schematiseren. Deze verstarde herhaling kan op één tekening voorkomen, maar ook in een groot aantal tekeningen terugkomen of zich langdurig in werkstukken manifesteren. Kinderen tekenen bijvoorbeeld tijdenlang min of meer dezelfde schatkaart.

Een voorbeeld van het schematisch weergeven van een boom (rechte, dikke, bruine stam; bruine schuin omhoog wijzende takken bovenop de stam; groene losstaande blaadjes aan de takken) en een bloem (groene, rechte steel; aan elke kant van de steel een groen blaadje en een bloemetje met een hart in het midden) is te zien in de tekeningen van Brigitte (6 jaar) en Kaoutar (6 jaar).

 

Kleurgebruik

Kinderen gebruiken graag felle kleuren, omdat ze daarmee goed zichtbare lijnen kunnen tekenen en omdat het ene kleurenvlak goed moet afsteken bij het andere. Zie bijvoorbeeld de tekeningen van Asmaa (8 jaar) en Yoshua (7 jaar). Ook kleurgebruik kan geschematiseerd worden: een dak van een huis wordt bijvoorbeeld altijd rood gekleurd en water blauw.

 

Doorzichtigheid

Kinderen tekenen in deze fase onderdelen van de tekening doorzichtig. Een bekend voorbeeld is het ‘open huis’. De binnenruimte is zichtbaar alsof de muren doorzichtig zijn, want: er zijn toch mensen, trappetjes en kamers in het huis? Ook doorzichtige auto’s, fruitschalen, ruiters met twee benen aan de zijde van het paard zijn voorbeelden van doorzichtig tekenen. Doorgaans komt dit verschijnsel na het 9e jaar niet meer voor.

 

Uitvergroten en weglaten

De verhoudingen die kinderen in hun tekeningen verwerken komen niet overeen met de werkelijkheid. Datgene wat op dat moment voor het kind het belangrijkst is, wordt naar verhouding veel groter afgebeeld. Bekijk bijvoorbeeld eens de roodomrande blauwe vlinder in de tekening van Kaoutar (6 jaar) of de bek en de klauwen van het monster in de tekening van Sam (4 jaar). Dat wat niet van belang is, hoeft ook niet te worden getekend: een visser heeft een arm nodig om de hengel vast te houden, de andere arm wordt weggelaten.

 

De best herkenbare vorm

Het kind tekent de voorstelling in de voor hem of haar best herkenbare vorm. Daarvoor wordt nu eens een bovenaanzicht gebruikt, dan weer een zij- of vooraanzicht. Zie voor een voorbeeld de tekening van Floor (10 jaar) met de zeer karakteristieke auto’s.

Soms worden de verschillende aanzichten in één figuur tegelijkertijd gebruikt, bijvoorbeeld het hoofd en profil, mond en ogen van voren, voeten van opzij. Hierbij wordt dus een combinatie van kenmerkende aangezichten gebruikt. We noemen deze wijze, waarop bijvoorbeeld ook Picasso een bepaalde periode werkte, kubistisch.

 

Haaks contrast

In vroege kindertekeningen worden de richtingen tussen lijnen zo duidelijk mogelijk van elkaar onderscheiden: armen steken haaks uit het lijf, takken staan loodrecht op de stam van de boom. Bekijk bijvoorbeeld het detail uit de tekening van Badredinne (7 jaar).

 

Afzonderlijke plaatsing

Het kind tekent elk figuur in zijn geheel, naast de andere figuren, vanuit het standpunt dat waar één ding is niet tegelijkertijd iets anders kan zijn. Bovendien druist het in tegen zijn gevoel van duidelijkheid om van een figuur delen weg te laten omdat die toevallig achter iets anders verborgen zijn. Het is net als woordtaal: een half woord is geen woord. Zie voor een voorbeeld de tekening van Brigitte (6 jaar).

 

 

Tekenen naar waarneming (vanaf circa 8 jaar)

 

Detaillering

In deze fase gaat het kind zich steeds meer op de buitenwereld richten. In de tekeningen zien we dat terug: ze krijgen een realistischer aanzien en bevatten veel meer details.

 

Afsnijding en overlapping

Bij afsnijding laten kinderen een deel van het te tekenen figuur weg omdat het aan de rand van het papier staat. De tekening loopt als het ware door buiten de randen van het papier.  Als figuren slechts ten dele zichtbaar zijn, omdat er een ander figuur voor staat, spreken we van overlapping. Deze wijze van tekenen treffen we meestal pas aan vanaf het 8e jaar, terwijl ook oudere kinderen nog lang door kunnen gaan met het naast elkaar plaatsen van de figuren. Zie het detail uit de tekening van Muriël (10 jaar) voor een voorbeeld van overlapping: de shirts en tassen in het rek hangen deels achter elkaar.

 

Het dynamische beeld

De eerst nog statische figuren worden dynamisch. Deze overgang vindt plaats rond de 8 jaar, soms iets vroeger, soms iets later. De tekeningen gaan ook meer details bevatten. Een voorbeeld van zo’n dynamische tekening, waar wat op aan het gebeuren is, is de tekening van Thije (6 jaar). Een ander voorbeeld is de tekening van Joris (10 jaar): let eens op de dynamiek in het getekende gezicht.