|
|
Mesolithicum, de oude steentijd Het Mesolithicum duurde van circa 8000 v.Chr. tot 3000 v.Chr. Er waren twee klimaatfasen, het Boreaal en het Atlanticum. De bevolking leefde van de jacht, de visserij en van het verzamelen van natuurproducten. De Veluwe was in die tijd meer of minder bebost. De mensen leefden in een open boslandschap aan de rand van veentjes en gelegen tussen de stuwwallen. Later zijn deze terreinen onderstoven. Ze vormen de ondergrond van de zandverstuivingen. De mensen leefden waarschijnlijk in hutkommen. Deze kuilen hadden een dak in tentvorm. In het Roekelse Zand zijn 25 van deze woonkuilen bij elkaar gevonden. Sommige kuilen hadden een vuurhaard en een stenen vloer. Neolithicum, de jonge steentijd Het Neolithicum, de jonge steentijd duurde van circa 3000 v.Chr, tot circa 1500 v. Chr. De Veluwe had toe een zeer samengestelde bevolking van diverse culturen. Het was bovendien een doortrekgebied. De stuwwal van Wageningen naar Lunteren is smal en verheft zich tot 54,3 meter boven het zeeniveau en wordt in het zuiden begrensd door de Rijn. De jong-steentijdmensen hadden hun nederzettingen op de hellingen der stuwwallen, vooral op de 20 meter hoogtelijn. Hier was de overgang tussen lichter en zwaarder bos. Lichter bos kan men gemakkelijker afbranden voor de landbouw. Het zwaardere bos gaf voedsel en dekking aan het wild. Klokbekers en touwbekers Vanaf circa 1500 v. chr. wordt de Veluwe bewoond door het zogenaamde klokbekervolk. Zij worden genoemd naar de potten die op diverse plaatsen gevonden zijn en die de vorm hadden van een omgekeerde kerkklok. De bewoners hadden hier een relatief stabiele woonomgeving. Het waren waarschijnlijk jagers en verzamelaars. De mannen jaagden, terwijl de vrouwen bessen, vruchten en aren van diverse graansoorten verzamelden. Later worden het meer boeren die ook jagen. De hutten worden dan vlakbij elkaar gebouwd. De klokbeker heeft zich in deze omgeving tot een geheel eigen Veluws type kunnen ontwikkelen, een bewijs van een langdurige ongestoorde bewoning van een bevolkingsgroep. Daarnaast zijn er diverse zogenaamde touwbekers gevonden. Er is een grote verscheidenheid aan vormen en versieringen van zowel klok- als touwbekers. Op de touwbekers komen ruwe gerst en tarwekorrelmotieven voor. Dit duidt op eerste vormen van landbouw. Het volk van de klokbekers is waarschijnlijk afkomstig uit Midden Spanje. Het volk van de touwbekers is waarschijnlijk afkomstig uit Saksen en Thuringen.
Bronstijd De bronstijd was van circa 1500 v.Chr tot 500 v.Chr. De grafheuvels worden dan afgedekt met heideplaggen. De heidevegetatie is dan uitgebreid als gevolg van klimaatverandering en van de groeiende bevolking. Het vee wordt dan gebruikt voor de mestwinning. Van de Kelten zijn nog sporen tussen Lunteren en Wekerom gevonden. Zij legden kleine rechthoekige stukjes akker aan met aarden wallen tegen het stuifzand. De weilanden kenden een soort houten omheining. Bij Lunteren is een reconstructie van deze "celtic fields "te bekijken.
Romeinen De Romeinse bezetting van de Veluwe was niet groot. Er zijn weinig sporen van gevonden. Een Romeinse handmolen is gevonden in Bennekom (1860) en scherven van aardewerk uit de 2e eeuw op het landgoed Quadenoord bij Renkum. Uit de Rijn zijn wel diverse voorwerpen opgebaggerd. Bij Doorwerth zijn in 1895 bronzen schalen, kannen en versierselen van vijf paarden uit de Rijn opgevist. Dit waren bezittingen van de Romeinse officier. Zijn boot is waarschijnlijk vergaan bij een tocht over de rivier. De Romeinen hadden diverse wachttorens langs de hoge Rijnoever. Van hieruit maakten zij waarschijnlijk jachtritten naar de Veluwe. Dit zou de verspreid voorkomende vondsten kunnen verklaren.
|
||||||||
|