Scrollbar
close

Hoe om te gaan met werkplekken van jongens met prostitutiecontacten?

 

Paul van Gelder

 

Inleiding

Maatregelen tegen (drugs)overlast en sociale onveiligheid zijn tegenwoordig bijzonder populair in Nederland. Alle grotere gemeenten brengen regelmatig veiligheidsrapportages uit; ze komen met evaluaties van behaalde resultaten en overzichten van te nemen maatregelen. De aanleiding voor dit discussiestuk is het steeds dieper ingrijpen van overheidsmaatregelen in de werkplekken van jongens met prostitutiecontacten. Als jongens zich verplaatsen of moeilijker te vinden zijn, werkt dit direct door inde mogelijkheden voor het outreachende werk van maatschappelijk werkers, preventiewerkers en verpleegkundigen (hierna: werkers) die hen willen bereiken.

Behalve in clubs en escortbureaus heerst er in Nederland voornamelijk onduidelijkheid over de werkplekken van jongens. Vanwege het dubbel taboe op zowel homoseksualiteit als prostitutie zoeken heel veel jongens niet openlijk maar in schaduw naar klanten. Een aparte gedoogzone voor de jongens heeft er ook in Nederland eigenlijk nooit ingezeten. De (aanstaande) opheffing van gedoogzones voor straatprostitutie, waar vrouwen en transgenders/travestieten terecht konden, maakt die optie nog minder waarschijnlijk. Op homo-ontmoetingsplaatsen hebben jongens nog wel mogelijkheden maar vaak ook weer vooral als zij bedekt opereren, dus niet openlijk zeggen dat ze het alleen voor geld doen. Hetzelfde geldt voor veel homobars waarvan de eigenaars beslist niet met prostitutie geassocieerd willen worden. Flyers en folders gericht op jongens met prostitutiecontacten worden doorgaans uit de displays geweerd.       

 

(Drugs)overlast en sociale onveiligheid

(Drugs)overlast, sociale onveiligheid, openbare orde en leefbaarheid zijn diffuse begrippen. Daarom is het van belang stil te staan bij de definiëring en de vooropstelling of prioritering. Ook is het belangrijk om in beeld te krijgen van de maatregelen die hieraan worden verbonden. In de meest brede zin worden begrippen als “(drugs)overlast”, “sociale onveiligheid”, “openbare orde” en “leefbaarheid” gedefinieerd in termen van een breed scala van menselijke gedragingen, die volgens objectieve normen ontoelaatbaar zijn dan wel subjectief als overlastgevend worden ervaren. Wat voor gedragingen door mensen als overlastgevend of onveilig worden ervaren, wordt mede beïnvloed door de wisselende mate van tolerantie en bedreiging in de samenleving als geheel. In de praktijk blijkt het lastig om exact aan te geven welke groepen voor overlast of onveiligheid zorgen, en hoe groot die groepen zijn. Tussen de verschillende groepen is ook sprake van overlappingen. Zowel in de definiëring als in de aanpak van overlast en onveiligheid is in Nederland sprake van een globale tweedeling tussen:

a.  maatregelen gericht op de openbare ruimte;

b.  maatregelen gericht op sub eeroorzaaakt doordestrijdinggroepen;

Vanuit de nationale overheid wordt het grotendeels aan de gemeenten overgelaten om maatregelen op lokaal niveau vorm te geven. Lokaal moeten de maatregelen en voorzieningen uitgevoerd worden binnen de randvoorwaarden en de beoogde resultaten die door het landelijk beleid gesteld worden.

Tussen lokale gemeenten zijn de accentverschillen in de aanpak van overlast en onveiligheid het duidelijkst waarneembaar. Lokale verschillen hangen deels samen met een ongelijke bevolkingsgrootte. Ook de ligging van een stad is hierop van invloed. Globaal is een onderscheid te maken tussen:

  1. De vier grote steden: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, waar het meest uitgesproken sprake is van een grotestadsproblematiek;
  2. Middelgrote steden, zoals Groningen;
  3. Kleine gemeenten;
  4. Grensgemeenten, zoals Venlo, Maastricht en Roosendaal (en deels ook Rotterdam); waar bijvoorbeeld sprake is van een problematiek vanwege coffeeshop-toerisme en drugrunners.  

Op lokaal/regionaal niveau is het handhaven van openbare orde en de hulpverlening/zorg een verantwoordelijkheid van de burgemeester(s). De verantwoordelijkheid bij het opsporen van strafbare feiten berust bij het Openbaar Ministerie. Omdat de Nederlandse politie bestaat uit 25 korpsen is één burgemeester uit een regio korpsbeheerder. Deze burgemeester is samen met de hoofdofficier van justitie verantwoordelijk voor het beheer van het regionale politiekorps. Elke regio kent een ‘driehoeksoverleg’ waarin de korpsbeheerder, de hoofdofficier van justitie en de korpschef van de politie overleggen over ontwikkelingen, beleid en resultaten.

Een veel voorkomende maatregel tegen onveiligheid en drugsgerelateerde overlast in openbare ruimten bestaat uit het instellen van vormen van toezicht of bewaking, waaronder het ophangen van videocamera’s. Op stations van het openbaar vervoer zoals trein en metro, is sprake van extra toegangscontroles. In aangewezen probleemgebieden hebben gemeenten via Algemeen Plaatselijke Verordeningen (APV) de mogelijkheid om overlastveroorzakers voor acht uur tot veertien dagen weg te sturen (straatverbod). Andere gangbare APV’n behelzen een samenscholingsverbod en een messenverbod voor straatlokaties waar sprake is van een concentratie van drugsdealers en gebruikers.

In de veiligheidsmaatregelen gericht op doelgroepen zijn met name de volgende doelgroepen actueel:

-         Delictplegers ongeacht de ernst van het delict. In de prioritering wordt tegenwoordig onderscheid gemaakt tussen de veelplegers (meer dan 10 delicten in de loop van iemands leven) en de meerplegers (2-10 delicten in de loop van iemands leven);

-         Problematische druggebruikers;  

-         Dak- en thuislozen al dan niet verslaafd of met een psychiatrische problematiek;

-         Problematische jongeren en risicojongeren die veelal in groepsverband rondhangen en zo meer; 

-         (Criminele) illegalen.

 

De betekenis voor outreachende werkers

In verschillende grote steden in Nederland is het overheidsoptreden tegen (drugs)overlast en sociale onveiligheid van invloed geweest op de werkplekken van jongens met prostitutiecontacten. Het duidelijkste voorbeeld is de contactplaats naast het Centraal station in Rotterdam. Eind jaren negentig werd deze contactplaats nog goed bezocht door jongens en klanten maar sinds de plaatsing van videocamera’s tegen drugsoverlast en sociale onveiligheid laat hier amper nog een jongen of klant zien. In Amsterdam was het Centraal station vanouds een contactplaats maar ook daar is de spoeling, vooral door ingrepen van autoriteiten, zo dun geworden dat SSCW/Werkgroep Jonathan besloten tot sluiting van de vrijdagavondinloop voor jongens met prostitutiecontacten. In Amsterdam vormen ook de twee nog overgebleven bisnisbars nabij het Rembrandtsplein geen beschermde werkplekken. Om de zoveel tijd vindt hier een inval door de politie plaats, waarbij de bars door het optreden van de politiewoordvoerder bovendien negatief in de media komen. Sinds de legalisering van het prostitutiebedrijf in Nederland is er overigens nog een ander probleempunt ontstaan omdat gemeenten geen vergunningen afgeven voor nieuwe clubs terwijl de jongensclubs toch al zeer gering in aantal zijn.

Een technologische uitweg vinden de jongens en hun klanten deels op het internet. Outreachende werkers zijn hierin de jongens tot op zekere hoogte gevolgd. Met name Nederlandse jongens en beroepsjongens blijken deze weg te volgen. Daarnaast biedt een GSM  of mobiele telefoon jongens de mogelijkheid om het contact met klanten contact vast te houden. Voor outreachende werkers is het probleem dat zij dan eerst de telefoonnummers van jongens moeten zien te achterhalen. De ervaring leert dat telefoonnummers snel veranderen. Voor de jongens speelt daarnaast dat zij klanten eerst ergens moeten zijn tegengekomen. Als het niet via het internet gebeurt dan waarschijnlijk in een bar of ergens buiten.

In mijn eigen waarneming heeft de gemiddelde jongen eerder de beschikking over een GSM dan dat hij actief wordt op het internet. De outreachende werkpraktijk wijst verder uit dat diverse subgroepen van jongens nog steeds uitsluitend bereikbaar zijn via de “ouderwetse” directe persoonlijke benadering. Ik noem enkele subgroepen:

-         jongens met verslavingsproblemen

-         migrantenjongens met verblijfsproblemen

-         thuis- en dakloze jongens

Voor een deel gaat het om de ‘meer gemarginaliseerde’ groepen jongens. In mijn waarneming kiezen bepaalde subgroepen van migrantenjongens over het algemeen eerder voor een benadering van klanten op een contactplaats buiten of anders in een bar.

 

Discussie

Tot slot geef ik enkele aandachtspunten die mogelijk van belang zijn voor de discussie over de manier waarop outreachende werkers het beste kunnen omgaan met (de directe en indirecte gevolgen) van het overheidsoptreden gericht op werkplekken van jongens met prostitutiecontacten:

  1. Het is van belang om zo nu en dan te inventariseren welke soorten jongens eerder of vooral op een outreachende manier op werkplekken buiten en/of in bars te vinden zijn. Vervolgens is het zinvol om na te gaan wat de uitkomst van deze inventarisatie betekent voor het outreachende werk. Wat voor kennis van migrantenjongens is bijvoorbeeld van belang? Wat voor kennis over verslavingsproblemen? Wat voor kennis over soa? En zo meer. Welke outreachende manieren van benaderen van jongens en strategisch rondhangen op vindplaatsen werken wel en welke niet? Is er op een werkplek sprake van  seizoensinvloeden en zo ja waar worden die door veroorzaakt en wat betekent dat voor het outreachende werk?
  2. Ingeval werkplekken buiten door maatregelen onder druk komen te staan of compleet (dreigen) verdwijnen is het wellicht zinvol om samen met een of meer jongens te zoeken naar alternatieve mogelijkheden. Als een optie valt bijvoorbeeld te denken aan het contact opnemen met de eigenaar van een geschikte bar als contactplaats voor jongens en klanten. Outreachende werkers zouden op dezelfde plek voor zichzelf vervolgens meer mogelijkheden kunnen hebben om jongens tegen te komen. Van belang zijn daarbij vragen als:

-         Moeten werkers zich uitsluitend en alleen op jongens richten of heeft hun werk een bredere reikwijdte, zoals het scheppen van een goede sfeer tussen de jongens op een werkplek. In dat geval zou het goed zijn om de deskundigheid van werkers hierop aan te passen.  

-         Moeten outreachende werkers zich überhaupt met werkplekken van jongens inlaten? Zo ja, waar ligt dan de grens? In hoeverre is er verschil tussen clubs, bars, en werkplekken buiten?

-         Zijn werkers voor wat hun vakgebied enkel betrokken op jongens als individuele cliënten omdat die werkhouding professioneler overkomt? Of  opereren werkers vanuit een bredere gezichtskring?

  1. De praktijk van het veldwerk onder jongens buiten leert dat er globaal onderscheid gemaakt kan worden tussen jongens uit de “ingroup” en jongens uit de “outgroup”. Jongens van het eerste type (van de “ingroup”) vinden het doorgaans belangrijk om betrouwbaar op klanten over te komen, klanten aan zich te binden en opnieuw terug te zien. Zij verbinden zich over het algemeen eerder met andere jongens voorzover die daar ook belang in stellen. Jongens van de “outgroup” zijn veel opportunistischer bezig. Zij zijn typisch gelegenheidszoekers, ze komen een keertje kijken of er wat te verdienen valt, het taboe op jongensprostitutie drukt op hen heel zwaar, of ze vinden het geen probleem om klanten te bestelen (onder het motto ‘pakken wat je pakken kan’) met als gevolg dat klanten wegblijven.  

In zoverre werkers ook oog hebben voor de belangen van jongens, waaronder hun werkplek, komen de belangen van de jongens uit de ingroup (zie c.) het eerst in aanmerking.     

  1. Bij veegacties of invallen van de politie of bij aangekondigde maatregelen, zoals het plaatsen van videocamera’s, het aanbrengen van extra verlichting, omheiningen om parken en zo meer, op bekende werkplekken van jongens is het ten eerste van belang dat werkers zich goed informeren over het verloop van een actie of de uitvoering van de maatregelen. Ten tweede is het van belang een strategie te bepalen tegenover:

-         de autoriteiten

-         de jongens

-         de bar-eigenaren e.a.

-         journalisten/media.

Daarbij is een onderscheid te maken tussen de korte termijn en de lange termijn. Direct na een politie-optreden  kan de sfeer op de werkplek onrustig of ontregeld zijn. Het is van belang om oog te hebben voor mogelijke veranderingen zoals argwaan of  ondergedoken jongens en reacties van klanten. Op de lange termijn kan het van belang zijn de gebeurtenissen of ontwikkelingen die de aanleiding waren voor het politie- of overheidsoptreden in de gaten te blijven houden.

 

Amsterdam, 01-11-2004