Scrollbar
close

EEN PRAKTIJK VAN ANTI-HELDEN

Het verband tussen ‘natuurlijke’ en methodische vormen van peersupport bij jongens met prostitutiecontacten.

 

Paul van Gelder

 

Ruw geschat telt Nederland op jaarbasis 3 tot 5 duizend ‘jongens’ met prosti­tutiecontacten (Van Gelder 1998). Het gaat zowel tieners en twintigers als dertigers en soms nog oudere mannen. Vergele­ken met de vrou­wen is jon­gens­prostitu­tie veel vluchtiger en minder geďnstitutio­nali­seerd. Jongens kampen met een dubbel stigma op zowel prosti­tutie als homosek­sualiteit. Dit geldt zeker voor jon­gens van etnische minderheden, zoals Marokkanen en Surinamers. Som­mi­ge jongens gaan in het prostitutiecircuit op, anderen laten zich enkel zien als ze zonder geld zitten. Sommige jongens zijn openlijk homo, anderen vallen vooral op vrouwen. Vooral ontmoetingsplaatsen buiten op straat, bij stations en in parken zijn veel sociaal-gemargi­naliseerde jongens te vinden, zoals hard­drug­verslaaf­den, en dak- en thuislo­zen, jongens met een problematische verblijfsstatus.

Zorginstellingen hebben een hoge drempel voor deze doelgroep. De zorg lukt meestal beter door jongens ter plekke (‘outrea­chend’) op te zoeken. Blijkens eigen veldonder­zoek hebben redelijk wat jongens in de prostitutie wel contact (gehad) met zorginstel­lingen, zoals de versla­vingszorg, de dak- en thuislozenop­vang, het maat­schappelijk werk, de GGD (Van Gelder 1998). In deze contacten staat vaak de materiële hulpverle­ning (het regelen van onderdak en uitkeringen) op de voorgrond. Binnen de reguliere hulpverlening bestaat gewoonlijk weinig of geen aandacht voor de prostitutie-achtergrond van deze jongens. Vanwe­ge het dubbele stigma ver­zwij­gen of ontken­nen jongens hun prostitutiecontacten nogal eens voor hulpverleners. Toch blijkt hun ­pros­titutie-achtergrond meer dan eens van invloed is op het verloop van de zorg. De prostitutie biedt jongens een snelle manier om aan geld te komen. Ook telt het circuit redelijk wat mannen die jongens informeel hulpverle­nen of in huis opvan­gen. Hierdoor komen de zorgverleners van de instel­lin­gen al snel terecht in een concur­rentiesi­tuatie. Daar komt bij dat jongens op straat het dikwijls ‘toffer’ vinden om zelf hun proble­men op te lossen. Als specifieke doelgroep zijn deze jongens bovendien niet goed in te passen binnen de bestaande hulpverle­ningska­ders, zoals de jeugd­hulp­verle­ning, de drug­hulpverlening en de dak- en thuislozen­zorg. Naast het dubbele stigma ligt dit ook aan de relatief kleine aantallen en de grote diversiteit tussen de jongens. In enkele grote steden is intussen wel het nodige bereikt vanuit het prostitutie maatschappelijk werk en GGD-en.

Toch valt er nog veel te verbete­ren in de aanslui­ting tussen de hulp­vraag van (gemargi­naliseerde) jongens met prosti­tutiecon­tacten en het zorgaan­bod vanuit de instellin­gen. Dit geldt ook voor de doelmatigheid en kwaliteit van de zorg en preventie. Dit was reden voor het uitproberen van de peersupport-werkwijze gericht jongens in de prostitutie. De gedachte achter deze methodiek is dat reeds ingewijde ‘peers’ de doelgroep eenvoudiger en beter weten te bereiken dan professionele maar niet-ingewijde intermediairen. Voor het uitvoeren van de pilot viel de keuze al snel op Amsterdam. In de hoofdstad telt het grootste aantal jongens in de prostitutie. Bovendien richten verschillende instellingen en organisaties (Stichting Street Corner Work veldwerk (SSCW), Werkgroep Jonathan, AMOC/DHV, en het Prostitutie en Passanten Project (PPP) van de GG&GD zich specifiek op deze doelgroep. Toch is ook bij deze instellingen de vraag actueel, in hoeverre de peersupport-formule kan bijdragen aan het verlagen van de drempel naar de instellingen. De werkers zijn wel gewend om ‘outreachend’ te werken. Toch blijkt het vinden van de jongens en de contactlegging, buiten de ‘bisnisbars’ en de clubs, ook hier problemen op te leveren.

De afgelopen jaren zijn er in Nederland overal peersupport-projecten uitgevoerd. Toch is de methodiek nooit gericht uitgeprobeerd onder jongens in de prostitutie. Het Engelse begrip `peersupport' verwijst algemeen naar een werkwijze of interventie waarbij een beroep wordt gedaan op ingewijden uit een beoogde doelgroep. Vooraf getrainde jongeren geven bijvoorbeeld voorlichting over drank en druggebruik aan andere jongeren (Blitterswijk 2000). Of vantevoren getrainde Noordafrikaanse druggebruikers doen aids/soa-preventie onder andere Noordafrikaanse druggebruikers (Van Doorninck 1999). In dit artikel staat de vraag centraal, welke mogelijkheden en beperkingen er zijn voor peersupport-interventies onder jongens met prostitutiecontacten. Bij het schrijven put ik deels uit mijn eigen ervaringen met een vanuit TransAct uitgevoerd eersupport-project onder jongens met prostitutiecontacten in Amsterdam.1 Daarnaast grijp ik terug op verschillende veldonderzoeken onder jongens met prostitutiecontacten in Den Haag, Rotterdam en Amsterdam (zie Van Gelder 1995 en 1998; Van Gelder & Lamur 1993).

Jongens in de prostitutie verschillen nogal met de doelgroepen op wie de peersupport-methodiek is uitgeprobeerd. Daarom belicht ik eerst de belangrijkste kenmerken van jongensprostitutie als circuit en als subcultuur. Dan vertel ik in het kort over het peersupport-project waarbij ik samen met mijn collega Xander de Visser betrokken was. Een belangrijke uitkomst van het uitgevoerde project is de cruciale betekenis van ‘natuurlijke’ vormen van peersupport tussen de jongens voor het uitvoeren van activiteiten en interventies. Dat is reden om uitvoerig stil te staan bij de ‘van nature’ aanwezige manieren van peersupport die ikzelf de afgelopen jaren onder de jongens in het circuit ben tegengekomen. Daarna bespreek ik, tot slot, het bijzondere verband van ‘natuurlijke’ vormen met methodische vormen van peersupport bij interventies onder jongens met prostitutiecontacten.   

 

Een apart circuit

‘Het rosse leven’ heet licht te wegen maar gebeurt niet in het luchtledi­ge. In de maatschappelijke uitzondering van het jongensprostitutie-circuit geeft het dubbele stigma op prostitutie en op homoseksualiteit meestal de doorslag. Afgaande op oudere jongens en op klanten heerst er in Neder­land sinds de jaren zestig wel een trend naar meer openheid. Deze grotere bewe­gingsvrijheid ervaren zijzčlf niet enkel als positief. Meer publieke aandacht betekent ook meer risico op vervelende reacties, zoals van actievoerende buurtbewoners of potenrammers. Ook jongens die liever in de anonimi­teit werken, zijn hier weinig geluk­kig mee. Een Haagse call-boy die ruim twintig jaar in het vak zat, stelde vast:

Tuurlijk is d’r veel veranderd. Kijk, het was na­tuur­lijk hele­maal in het begin, was het echt heel erg stiekem en discreet en zo. En wat ik dan zelf moei­lijk vond, was dat, zeg maar, die mensen die dan eh... ja, toch wel discreet met een bepaalde stijl behan­deld wer­den, op gegeven moment meer naar buiten gingen optre­den. Van eh... hč schat, slet eh... Meer in het openbaar gin­gen brengen en zo. Dat vond ikzelf gewoon jammer. Ik bedoel het was toch een soort geheimpje wat je hebt met hun. Dat was het avon­tuur. Ik weet­ niet... En vroe­ger waren we na­tuurlijk ook veel banger voor de buitenwereld om in elkaar gesla­gen te worden of wat dan ook. Het zal d’r echt nog wel zijn maar het is natuurlijk nu bijna niet meer. En agres­siever zijn de prostitués zelf ook gewor­den. Vind ik.”

In de buitenlucht en op stati­ons leggen jon­gens en klan­ten gewoonlijk niet opval­lend maar wel voor ieder­een zicht­baar con­tact. In bars en disco­theken kunnen mensen ook zó in- en uitlo­pen. Tus­sen­perso­nen, zoals bedrijfs­leiders, kunnen -mede uit eigen belang- wel een scherm op­trekken, maar in een club kom je nog steeds andere klanten of jon­gens tegen­. Bij escortjongens en call-boys en in een huise­lijke omgeving is de afscherming het grootst.

Veel jongens schrijven de sociale afzondering van het circuit ook nog op andere manieren aan het stigma toe. Het prostitutiebedrijf is dan wel legaal geworden maar als mannelijke prosti­tué kun je dit deel van je ar­beids­verleden nog steeds beter verzwijgen op het ar­beids­bu­reau of bij een reguliere werk­gever. Vergeleken met Nederlandse jongens voelen migrantenjongens zich verhoudingsgewijs veel meer bezwaard door het taboe op homo­seksua­li­teit. Zo oordeelde een Marok­kaan (M) die al jaren in het leven zat:

M:        Nee, dit is geen bisnis, dat is eh... hoe moet ik het zeg­gen. Dit is gewoon aparte leven. Aparte leven dat helemaal niet in de wereld hoort. Toch zijn d’r zoveel mensen, weet je. Het groeit ge­woon maar verder in de wereld. Het blijft maar groeien. Van de ene gaat het naar de ander en zo blijft het gewoon. Net als met ziekte, weet je wel.   

V:         (V grinnikt) Goh ja. Je vindt het niet zo goed.

M:        Serieus. Echt. Ik denk dat de homo altijd gaat blijven groei­en.

V:         Ja. Maar zoals vrouwen achter de ramen zitten, dan kleden ze zich speciaal aan toch?

M:        Ja, hoerevrouwen is anders. Vrouwen dat kan wel, weet je.

V:         Dat kan wel. Maar met jongens is dat niet moge­lijk?

M:        Nee, nee, ik zie het anders met jongens. Ik zie het anders.

V:         Mm, mm.

M:        Je bent in de wereld geboren om vrouwen te neu­ken, om kinderen te krijgen.

V:         Ja.

M:        Van een jongen neuken krijg je geen kinderen. Als ik geld had, weet je, ik had werk, mooie baan, geld en zo, dan... ŕls ik flikker zou zijn dan zou ik nooit met jongens gaan voor seks. Zo zie ik dat nu gewoon. Zo bekijk ik dat nu.

Bij de vrou­wen­prosti­tutie en de homosubcul­tuur zien we een verge­lijkbare verwijdering te­gen­over de gevestigde samenle­ving. Beide circuits vertonen een zekere over­lapping met het jongensprostitutie-­circuit. Op tippelzones en in raambordelen werken bijvoorbeeld allerhande jon­gens in traves­tie. Sommi­ge clubs en escortbu­reaus hebben zowel jongens als meis­jes voor zich werken. Amsterdam kent enkele bisnisbars, maar bisnisjongens blijken in zo'n beetje het hele homo-uit­gaansle­ven op zoek te gaan naar klan­ten. Toch brengen zowel homo-jongens als klan­ten wel vaak een scheidslijn aan tussen ‘het circuit’ en daarbuiten. Homo-jongens buiten de prostitutie vinden geld-betalen meestal moeilijk te rijmen met een romantische relatie of met geil sekscontact. ‘Klanten’ hechten vaak sterk aan het vriend­schap­pelijke van het contact en aan het vaak spontanere gedrag van jongens buiten ‘de prostitu­tie’. De jon­gens­prostitutie heeft bovendien heel wat gemeen met het hard­drug­cir­cuit. Met name buiten en bij stations lopen nogal wat jongens rond die de prostutitie gebruiken om -op een niet-strafbare manier- hun verslaving te bekostigen.

Al met al vertoont de jongensprostitutie allerlei overlappingen met de homo­subcul­tuur, de vrou­wenpros­titu­tie, en ook wel de dopescene. On­danks deze overeen­kom­sten vormt de jongens­prostitu­tie een eigen­soor­tig circuit. In de praktijk blijken veel jongens in de prostitu­tie zich te richten naar de bakens, dat ze géén `hoer', géén `homo, en géén `junk' zijn. 

 

Het dubbele stigma  

Jongensprostitutie staat in het teken van het dubbele stigma dat erop rust. In zijn -in 1963 verschenen- boek Stigma onder­scheidt de Amerikaanse socioloog Erving Goffman drie typen van stigma:

a. lichame­lijke gebreken en misvormingen, zoals handi­caps, blind­heid of doof­heid;

b. onvolkomenheden in het indi­vi­dueel karakter van mensen. Deze bestaan bijvoor­beeld uit een crimi­neel verle­den, homosek­sua­liteit, prostitutie, en geestelij­ke gestoordheid;

c. tribale stig­ma's op grond van ras, nationa­li­teit en reli­gie (Goffman 1990:14).

De aanduiding `indi­vidueel karak­ter' doet tegenwoordig ou­derwets aan. Dat doet niets af aan de waarde van Goffm­ans driede­ling waarbinnen jongensprostitutie gevoeglijk is te rekenen tot het tweede type van stigma. Goffman vervolgt dat er voor de direct betrokkenen een dramatisch ver­schil is, of de socia­le omgeving wčl of géén weet heeft van zijn ‘onvolkomenheid’. Is dit wčl zo, dan moet hij weten om te gaan met de aan­hou­dende spannin­gen waarvan zijn con­tac­ten met ‘nor­male’ mensen verge­zeld gaan. Goffman spreekt van ‘iden­ti­teits-manage­ment’. Is de ‘onvolkomenheid’ (nog) niet bij ieder­een bekend dan is het optreden van de direct betrokkene ge­richt op het contro­leren of manipuleren van sociaal-gevoe­lige infor­ma­tie. Volgens Goffman houdt iemand zich dan bezig met ‘infor­ma­tie-manage­ment’. Dit verschil in twee soorten van sociaal `management' komen we ook tegen onder jongens in de prostitutie. Zo is manipuleren van informatie een beproefde handelwijze, zowel binnen het jongensprostitutie-circuit als tegenover de buiten­wacht. Veel jongens werken bijvoorbeeld onder een schuilnaam. Toch zal ik Goffmans tweedeling niet klakkeloos over­nemen.

De term ‘mana­ge­ment’ geeft verwar­ring. Bij de exploitatie van clubs en privéhui­zen met jongens is immers ook sprake van ‘manage­ment’ maar dan gaat het om de be­drijfs­lei­ding. Daarom spreek ik eenvoudig van ‘manie­ren’. ­

­­­­­Het dubbel-karakter van het stig­ma op jongens­pros­titutie vormt een extra com­plica­tie in Goffmans onderscheid. Het taboe op pros­ti­tutie hoeft name­lijk niet even zwaar te wegen als dat op homoseksu­ali­teit. De volgen­de vier varian­ten kunnen voor­ko­men:

a. het stigma op homo­seksu­aliteit en op pros­titutie wegen even zwaar­;

b. het stigma op homo­sek­suali­teit geeft de door­slag;

c. het stigma op prostitu­tie geeft de doorslag;

d. géén van beide stigma's weegt zwaar.

Variant twee geldt bij­voor­beeld voor de jongen die geld vraagt voor mannenseks om niet voor ‘homo’ te worden uitgemaakt. Variant drie be­treft onder andere de jongen die zijn ouders wčl ver­telt dat hij met mannen naar bed gaat maar voor hen ver­zwijgt dat hij hiervoor geld vraagt.

Een laatste moeilijkheid hangt samen met intercultu­re­le ver­schillen in de omgang met homoseksuali­teit en prosti­tu­tie. Bij homosek­sua­liteit wordt weleens onder­scheid gemaakt tussen man­nen met een homoseksu­ele iden­titeit, en mannen die zich ho­mosek­su­eel gedra­gen maar zich­zelf beslist geen ‘homo’ noe­men. Bij prostitutie blijkt dit verschil tussen ‘zijn’ en ‘doen’ minder pregnant. Vooral Neder­land­se en Caraďbische jon­gens zeggen hooguit `de hoer te spe­len'. “Ik bčn geen hoer,” be­klem­toonde de Afro-Suri­naamse jongen, met wie ik in een club een praatje maakte. Jon­gens buiten blijken zich over het algemeen afstand te nemen van hun bemoeienis met jongens­pros­ti­tu­tie. Zo wilden enkele door mij geďnterviewde Marokkaanse straatjongens ook niet van `spelen' spreken; zij vroegen zich af, of ‘jon­gens wel hoer kunnen zijn’. Vooral in het buitencircuit regeert onder jongens ook de ereco­de dat een echte man geen homo is. Dragen jongens deze code zelf niet uit­ dan gebeurt het wel door jon­gens van buiten:

Den Haag: Donderdagmiddag 09-10-1997:

Ik praat met een Nederlandse en Hindostaanse jongen langs een weg in een be­kend bos. Er komen twee Ma­rokkaanse jon­gens op een scoo­ter voor­bijgere­den. De jongen achterop weet precies, wat voor jongens daar lopen. Hij schreeuwt: “Kan­kerflik­kers! Ga je moe­der neu­ken!” Als ze even later weer terugrijden roept de­zelfde jon­gen: “Heb­ben jul­lie nou nog nie­mand ge­had?”

Het hardvochtigst werkt deze erecode wanneer ­andere jon­gens overgaan tot beroven of potenrammen. Inter­cultu­reel gezien blijken zowel het ‘zijn’ als het ‘doen’ van beteke­nis voor het omgaan met het stigma op jon­gens­pros­ti­tutie. Dit komt onvol­doende tot uiting als we van ‘iden­ti­teit’ spreken. ‘Image’ of ‘imago’ is hiervoor een neutralere aandui­ding. Uit mijn eerdere veldonderzoek zijn allerlei verschillende manieren naar voren gekomen, waarop jongens (en ook klan­ten) zich bezighouden met:

a. gevoelige infor­matie, -ingeval de buitenwacht geen weet heeft van hun prostitutiegedrag

b. hun ima­go, -ingeval de buitenwacht hier wel van heeft.

Het dubbele stigma betekent dat jongens niet alleen een manier moeten vinden om het werk praktisch uit te voeren maar zich ook moeten leren verhouden tot jongensprostitutie als sociaal-cultureel verschijnsel. Deze spanningsverhouding tussen sociaal-culturele distantie en betrokkenheid verschilt naar gelang zijn werk-situatie. In een club zijn jongens beter beschermd tegen ongewenste reacties van toevallige voorbijgangers. Toch speelt ook hier het informatie-probleem tegenover de eigen familie, tegenover vrienden en -sinds de legalisering van het prostitutiebedrijf- tegenover de belastingdienst, het arbeidsbureau en de sociale dienst. Het buitencircuit biedt jongens over het algemeen de minste mogelijkheden om informatie te manipuleren tegenover de buitenwacht. Stations verschaffen volop ‘neutrale’ redenen om rond te hangen: ‘Ik wacht op iemand.’ Een andere beproefde manier is dat jongens zich op een bekende ontmoetingslokatie achteraf opstellen. Ook heb ik op de bekende lokaties menig jongen zien wegduiken als zij in de verte mogelijk bekenden zagen aankomen. Maar als jongens met klanten contact willen komen, zullen zij hen toch op enigerlei wijze duidelijk moeten maken dat ze ergens voor in zijn. Eenmaal in het gezelschap van een klant lopen jongens opnieuw het risico dat de buitenwacht hen herkend. De verst gaande informatie-manieren ben ik bij Marok­kaanse jon­gens tegengekomen. Sommige jongens willen absoluut niet in gezelschap van Neder­landse klanten gezien wor­den. Op straat lopen ze apart van hen. Of ze duiken achter het dashboard als ze met een klant in de auto meerij­den naar een afwerkplek.

Imago-manieren zijn gericht op ‘wetende’, dus ‘wijze’ buiten­staanders. Deze manieren komen tevens voor tussen jongens binnen het prostitutie­cir­cuit (Van Gelder 1998). Hiervan zijn twee hoofdvari­an­ten te onderscheiden:

a. het aan­brengen van een rangor­de

b. grens­be­waking

Ad a. Het aanbrengen van een rangorde. Volgens Erving Goffman hebben `lotgenoten' algemeen de neiging om elkaar in te delen naar de mate waarin het stigma opvalt en voor ieder­een zicht­baar is (Goffman 1990:130). Jongens in de prostitutie maken deze rangordening vooral volgens de driesprong van het ‘géén homo’, ‘géén hoer’ en ‘géén junk’ zijn. Zo zetten niet-ver­slaafde jongens zich af tegen ‘jun­kies’ want ‘die zien er niet uit en doen alles voor een geel­tje’. In het buiten-circuit kijken de uitge­sproken hete­ro-jon­gens neer op homo-jongens want: ‘Die zich laten neu­ken.’ Veel jongens in het buiten-circuit verbinden ‘hoerig gedrag’ met vrou­we­lijkheid of nichterigheid. Deze rangor­dening onder jon­gens in het circuit is vooral inge­geven door erecodes die in de samen­leving gang­baar zijn. Relatief weinig jongens vinden genoeg trots in het vak om zich van anderen te onderscheiden. Waarschijn­lijk speelt mee dat veel klanten jonge, onervaren jon­gens zoeken of beroepsjon­gens te com­mercieel vinden. 

Ad b. Grensbewaking. Aan de rand van het jongenscircuit bewegen zich allerhande jon­gens en mannen die hun contactlegging beslist niet als ‘pros­titu­tie’ zien. Vooral onder jongens buiten speelt ook hier weer mee, dat zij `prosti­tutie' iets van vrouwen vinden of anders associëren met de nichtenscene: “Ik vind dit geen prosti­tu­tie, ik neuk niet.” Deze jongens spreken bijvoorbeeld liever van ‘bijverdienen’ of anders van ‘bisnis’. De noemer ‘prostitutie’ ondergraaft hun reputatie als man. Overigens zijn er ook veel ‘klanten’ bij wie betaling voor seks onlustge­voe­lens oproept (zie Van Gelder 1998).

 

Een praktijk zonder helden

Jongensprostitutie vormt zoals gezegd een apart circuit. Toch gaat het te ver om van een kenmerkende ‘subcultuur’ te spreken. Daarvoor doet de druk van dubbele stigma vanuit de gevestigde samenleving zich te zeer gevoelen. Zo er al sprake is groepssolidariteit tussen jongens is deze doorgaans situatie-gebonden en tijdelijk van aard. Jongens verschillen en rivaliseren onderling zo zeer, dat een eigensoortige subcultuur nauwelijks of niet tot ontwikkeling kan komen. Daar komt bij dat het circuit behalve jongens ook uit klanten is samengesteld. Zonder jongens geen klanten en andersom. Naast het verschil in leeftijd zijn jongens en klanten vaak afkomstig uit ongelijksoortige sociale milieus. Ook zijn er nogal wat jongens seksueel sterker gericht op vrouwen dan op mannen, -terwijl hun mannelijke klanten in de eerst plaats komen voor sociaal-seksueel contact met een jongen.

In de praktische uitvoering van hun interactie volgen jongens en klanten wel allerlei ongeschreven, algemene re­gels. Zelfs al voltrekt het contact tussen jongens en klanten zich ergens tussen de struiken, ze zijn zelden ‘in het wilde weg’ bezig. Deze informele omgangsregels komen gewoonlijk pas ter sprake als er iets misgaat.

Dat er geen sprake is van een aparte subcultuur blijkt bijvoorbeeld uit het ontbreken van een eigen groepstaal. Zo'n eigen argot ontwik­kelt zich typisch in een kleine geslo­ten kliek met een sterk gevoel voor kame­raad­schap of binnen een beroepsgroep met een sterke groeps­soli­dari­teit (zie Lerman 1967; Maurer 1939). Voorzover jongens uitdrukking geven aan subculturele normen en waarden, doen zij dit dikwijls op een ontsnappende of ontwijkende manier. Exemplarisch is het verhoogde normaliteitsbesef waarvan veel jongens blijk geven. In gesprekken met jongens (en met klanten) valt op, hoe vaak zij ge­neigd zijn om hun betaalde seksuele contac­ten zo gewoon mogelijk voor te stellen. Zo sprak Neder­landse jongen met een treffende dubbelheid van “een beetje gek doen ge­woon”. In de prostitutie lijken het gekke en het gewone op een origi­nele manier aaneen te smelten. Heel veel jongens blijken het prostitu­tiewerk uit te zonderen van het normale burgerleven. Slechts een enkeling vindt het werk rede­lijk normaal, zoals deze Neder­landse twintiger:

“Vroeger was het niet normaal. Nou begint het aardig te ko­men. ­Het is goed werk dus eh... En alles is safe. Alles ge­beurt goed als het normale be­drijven zijn. 't Is alleen maar een voor­deel dat het blijft dan. Als die mensen d'r niet zijn, wat gebeurt er dan op straat? Dan is het vol­gens mij een hoop soep, hoor. En daar­om is het een doodnor­male baan in prin­ci­pe. Ze be­staan al langer dan gemid­deld andere banen. Want ja, hoeren die zijn d'r al sinds? Tig jaren!”

Ook binnen het jon­gensprostitutie-­cir­cuit staat het normaliteitsbesef, kort­om, in het teken van de gevestigde burgermaat­schappij. Veel jongens hech­ten eraan om in die zin ‘nor­maal’ te worden of te blij­ven. “Ik ben gewoon nor­maal, ik houd van meis­jes, ik houd niet van mannen, ik heb geld nodig,” vormt een typerende uitspraak van een Marokkaanse twinti­ger. Ook binnen het circuit willen de ‘normale’ jon­gens zich graag onder­schei­den van de ande­ren, zoals nichten en junks. Zo stelde een Neder­landse twin­ti­ger die op het stati­on klan­ten zocht:

“Piet en ik, wij zijn de enigste normalen vergele­ken met sommi­ge gasten die d’r rondlo­pen. Zo zie ik dat. We nemen het niet zo nauw. Nou, dan hebben we een keer niks gehad. Nou en? Dat is geen enkel pro­bleem. Een andere gozer die gaat helemaal dwars­tisch wor­den, weet je wel. Die loopt acuut om klanten heen te springen. Die maakt zo'n klant zenuw­achtig, klant bang mis­schien wel. En wat schiet je d’r mee op? Klant gaat weg en die zie je twee weken, drie weken niet meer komen.”

Een tweede aangrijpingspunt voor jongens die het normale in prostitu­tie benadrukken, is het kunnen voeren van een `normale conver­satie'. Een Afro-Caraďbische jongen vertel­de over wat hij ‘de omgang met mensen’ noemde:

“Als ik ermee bezig ben, dan wil ik het wel goed doen. Dat ik een normale conver­satie met iemand kan beginnen. Omdat ik vind, als ik te commercieel word, de anderen mij dus kopen ja. Dan is mijn gevoel dat ze dat niet prettig vinden. Maar eigenlijk slaat het nergens op want de meeste mensen die hier naartoe komen die weten dat ervoor be­taald wordt. Dus com­mercieel is het sowieso. Maar als ik me op de norma­le manier gedraag, dan heb ik toch altijd mensen die dat prettig vinden. Dat merk ik gewoon.”

Over het geheel genomen zijn er maar weinig jongens die zich in hun identiteitsvorming positief verbinden met jongensprostitutie. Jongens die hieruit een of andere kracht weten te putten zoals jongens bijvoorbeeld kunnen doen uit een bepaald soort muziek, het werken in een ‘normaal’ bedrijf of in de sport. Jongensprostitutie kent geen helden.

Jongens in clubs waarderen meer dan eens de omgang met klanten uit de hogere sociale kringen. Of anders kicken ze op het luxe leventje dat rijke suikeroompjes hen kunnen bieden. Toch blijkt slechts een kleine minderheid van de jongens erop prat te gaan dat hij prostitué of hoerejongen is. En ŕls hij dat al doet is het maar de vraag of zijn directe omgeving en de samenleving daaraan toe zijn. De verscheidenheid tussen jongens en de verschillen tussen jongens en klanten zorgen ervoor dat jongensprostitutie in subcultureel opzicht sterk verbrokkeld is. Deze versplintering werkt direct door in de toepasbaarheid van de peersupport-formule bij interventies onder de jongens.

 

De toepasbaarheid van de peersupport-formule

In de meest gebruikelijke opzet van de peersupport-aanpak worden één of meer groepjes jongens geworven om na een korte training als ‘peer’ op zoek te gaan naar andere jongens (Ten Holt e.a. 2000). Tijdens deze periode krijgen de ‘peers’ begeleiding vanuit de instelling. Daarnaast worden er regelmatig terugkom-bijeenkomsten gehouden waarin jongens onderling positieve en negatieve ervaringen kunnen uitwisselen en eventueel een aanvul­lende trainingen ontvan­gen. Deze inmiddels ingeburgerde werkwijze hebben mijn collega Xander de Visser en ik in 2001 uitgeprobeerd onder uiteenlopende soorten jongens met prostitutiecontacten in Amsterdam. Daarbij merkten we dat de gangbare aanpak niet op dezelfde manier toepasbaar is. Dat ondervonden we eigenlijk al gelijk bij de werving. Het is ons amper of niet gelukt een groepje jongens voor dit doel bij elkaar te brengen. Deze uitvoeringsproblemen zijn deels toe te schrijven aan toevallige ontwikkelingen binnen de Amsterdamse situatie. Vergeleken met het midden van de jaren negentig is er, ten eerste, sprake van een verscherpt politie optreden op belangrijke vindplaatsen als het Centraal Station in Amsterdam. (Druggebruikende) jongens kennen geen gedoogzone zoals straatprostituées en blijken ook eerder dan hun vrouwelijke collega's door de politie te worden aangepakt als zij op het station op zoek zijn naar klanten. Ten tweede kende Amsterdam een laagdrempelige bar vlakbij het Rembrandtsplein, Festival, die een belangrijke vindplaats van jongens vormde. Deze bar is in juli 1999 gesloten. De overgebleven bars hebben deze functie van vindplaats slechts beperkt overgenomen. Ten derde is de samenstelling van doelgroep sterk gewijzigd. Zo was er eind jaren negentig nog sprake van een redelijk samenhangende groep Nederlandse jongens. Deze subgroep was in 2001 inmiddels ouder geworden en uiteengevallen. Ten vierde werken steeds meer jongens tegenwoordig met mobiele telefoons en, in mindere mate, via internet, waardoor ze minder zijn aangewezen op de bekende vindplaatsen. Ten vijfde heeft de legalisering van het prostitutiebedrijf per 1 oktober 2000 er mede toe geleid dat binnen één jaar tijd drie van de vijf bekende jongensclubs in Amsterdam hun deuren gesloten hebben.

Behalve deze actuele ontwikkelingen verschilt het jongensprostitutie-circuit ook structureel van de sociale omgevingen waarin de peersupport-methode gewoonlijk wordt ingezet. Het taboe op prostitutie en op homoseksualiteit maakt het circuit zoals gezegd dubbel beladen. Vergeleken met de vrouwen in de prostitutie zijn jongens veel geringer in aantal. Voor het toepassen van de peersupport-aanpak is ook een probleem dat het jongensprostitutie-circuit niet homogeen is samengesteld. Behalve jongens en klanten zijn er ook nog allerlei andere personen, organisaties en instellingen in het circuit actief, zoals clubeigenaren, bar-eigenaren, maatschappelijk werkers en de politie.

Een belangrijke uitkomst van het in Amsterdam uitgevoerde peersupport-project is dat de peersupport-werkwijze zoals deze inmiddels ingang gevonden heeft, nog te top-down is voor jongens met prostitutiecontacten. Binnen de jongensprostitutie blijkt deze formule pas vruchten af te werpen als direct wordt aangesloten bij de ‘van nature’ aanwezige vormen van peersupport tussen jongens. Deze ‘natuurlijke’ varianten van peersupport zijn echter een nogal verwaarloosd aspect in de peersupport-methodiek, zoals deze de afgelopen jaren ontwikkeld is. Voor ons was dit reden om deze ‘natuurlijke’ vormen van peersupport nader te onderzoeken om van daaruit de methodische inzetbaarheid te onderzoeken. Ten eerste probeerden wij zo het inzicht te verbeteren in de ‘natuurlijke’ manieren van peersupport tussen jongens met prostitutiecontacten. Ten tweede hebben wij verkend op welke wijze deze ‘natuurlijk’ aanwezige varianten van peersupport kunnen bijdragen aan het welslagen van gerichte interventies. 

 

‘Natuurlijke’ vormen van peersupport 

Hoe gemarginaliseerd ook, geen enkele vindplaats van jongens hangt volledig als los zand aan elkaar. Hun ‘natuurlijke’ manieren van ondersteunen, verbinden en uitwisselen komen deels bij gelegenheid tot stand, bijvoorbeeld in een acute noodsituatie of bij een ongeluk. Voor een ander deel houden deze ‘natuurlijke’ vormen van peersupport langer stand als een sociaal netwerk en mogelijk in groepsvorming. Het dubbele stigma legt jongens in de prostitutie extra beperkingen op in hun mogelijkheden om zich onderling te verbinden.

Het dubbele stigma is ten eerste van invloed op mate waarin jongens zich met zoiets als mannenseks willen inlaten. Hetero-jongens die zich louter uit opportunistische overwegingen in het circuit begeven, denken doorgaans op de korte termijn. Voor hen geldt het devies ‘pakken wat je pakken kan’. Als de gelegenheid zich voordoet zullen zij klanten -misschien nog wel gemakkelijker- beroven. Voor hen past betaalde seks in een veel bredere overlevingsstrategie. Jongensprostitutie heeft als voordeel -boven drughandel of criminaliteit- dat het niet strafbaar is. Dit soort ‘opportunistische’ straatjongens beschouwt jongensprostitutie gewoonlijk als schadelijk voor hun reputatie. Dat is dan ook reden om hun betrokkenheid bij het prostitutiecircuit te beperken tot het minimum. Dit minimaliseren van de eigen betrokkenheid komen we ook tegen onder meer respectabelere jongens die de prostitutie enkel benutten als ze in geldnood verkeren. Dit zijn bijvoorbeeld jongens die niet kunnen rondkomen van hun uitkering of er deze maand geen ontvangen hebben. Of anders gaat het om jongens met verblijfsproblemen die zich beslist niet willen inlaten met zoiets als drughandel of criminaliteit. Jongens die hun betrokkenheid bij het circuit minimaliseren, zijn meestal niet geneigd om zich langdurig met andere jongens te verbinden. Vaak willen zij dat ook niet met klanten doen. Dit soort jongens blijft zich bewegen in de buitencirkel van het jongensprostitutie-circuit.

De belangrijkste ‘natuurlijke’ vorm van peersupport die ik in deze buitencirkel ben tegenkomen, bestaat eruit dat de ene jongen de ander introduceert of wegwijs maakt in het circuit. Dit meenemen van een andere jongen is niet altijd positief te noemen. Zo komt het voor dat de ene jongen de andere naar een bekende ontmoetingsplaats meeneemt maar zich te zeer schaamt voor het geven van een nadere uitleg. Binnen de Marokkaanse context zijn jongens overigens veel algemener gewend om `seksualiteit' zelf uit te zoeken (Van Gelder & Lamur 1993).

Behalve een buitencirkel kent het jongensprostitutie-circuit ook een binnencirkel. In deze binnenring doen jongens over het algemeen wel moeite om hun klanten te behouden. Hierin komen we ook de jongens tegen die van de prostitutie hun vak of beroep maken. Door het opbouwen van een vaste klantenkring proberen deze jongens op een langere termijn verzekerd te zijn van een geldinkomen. In de binnencirkel van het circuit hebben jongen daarom weinig of geen belang bij om klanten te bestelen. Als zij meer geld nodig hebben zullen klanten eerder met een zielig verhaal proberen te vermurwen. Jongens in de binnenring zullen zich ook eerder te weer stellen tegen ‘opportunistische’ jongens in de buitencirkel. Want eenmaal beroofd blijven klanten weg en lichten zij dikwijls ook andere klanten hierover in.

Begeven jongens zich in de binnencirkel van het circuit dan betekent dit nog niet vanzelf dat zij zich met elkaar verbinden. Het totstandkomen van deze saamhorigheid hangt mede af van de heersende situatie op een prostitutielokatie. Tussen jongens buiten en in bars is er nogal eens sprake van een onderlinge machtsstrijd. Doorgewinterde jongens zien jonger ogende nieuwkomers bijvoorbeeld als hun concurrenten. Jongens die geen drugs gebruiken houden zich op afstand van ‘junkies’. Deze verschillen zijn meer dan eens moeilijk te overbruggen. Zo jongens zich al openlijk ‘prostitué’ of ‘hoerejongen’ noemen, gaat het meestal om Nederlandse of ‘westerse’ jongens. Onder jongens in de binnencirkel ben ik bij elkaar de volgende ‘natuurlijke’ vormen van peersupport tegengekomen:  

a. het samen rondhangen

Het komt veel voor dat jongens met elkaar afspreken op een bekende ontmoetingsplek. Het gebeurt ook geregeld dat jongens samen rondhangen en met elkaar kletsen op momenten dat er weinig te doen is.

b. het delen van sigaretten, drankjes, eten en -in voorkomende situaties- drugs.

Op de bekende ontmoetingsplaatsen buiten en in bars komt het geregeld voor dat jongens sigaretten, drankjes of eten met elkaar delen. Als een drugverslaafde jongens net een klant heeft gehad deelt hij soms een deel van de gekochte dope met een andere druggebruiker zonder zit.  

d. het elkaar geld of spullen lenen.

Nog een ‘natuurlijke’ vorm van peersupport is het lenen van geld, spullen of kleren door de ene aan de andere jongen.

c. het meenemen van een andere jongen naar de inloop, de hulpverlening of de soa-poli

Het komt ook voor dat de ene jongen met goede ervaringen bij de hulpverlening of de soa-poli een ander meeneemt.

e. een andere jongen in huis nemen

Hoewel klanten dit in het algemeen eerder doen, zijn er ook op zichzelf wonende jongens die een andere jongen zonder onderdak tijdelijk in huis opnemen. Tussen jongens onderling kan er bovendien sprake zijn van een seksuele relatie of twee samenwonende jongens kunnen elkaars vaste partner zijn.

De hierboven genoemde ‘natuurlijke’ manieren van peersupport komen deels ook weer bij gelegenheid tot stand. Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in het onophoudelijke bietsen van sigaretten, drankjes, etenswaren en eventueel drugs waarvan met name jongens buiten en in bisnisbars blijk geven. Uiteraard is dit anders in een club maar daar is de eigenaar of bedrijfsleider dominant aanwezig. Op een prostitutielokatie waar niemand zich verantwoordelijk voelt overheerst vaak een mentaliteit van overleven of voordeeltjes te halen. Op de bekende ontmoetingsplaatsen buiten en op stations lopen er vaak maar weinig jongens rond die zich verantwoordelijk voelen voor de goede sfeer. Hiervoor zijn er meestal te veel verstorende invloeden van buitenaf. Toch is het dit gemeenschappelijk gevoel van verantwoordelijkheid bij de jongens, dat zich bij uitstek leent voor het methodisch inzetten van peersupport.  

 

Conclusie   

De ervaringen van mijn collega Xander de Visser en mijzelf in een Amsterdams proef-project wijzen uit dat het jongensprostitutie-circuit heel weinig mogelijkheden biedt voor de meest gangbare toepassing van de peersupport-formule. Een eerste reden voor deze beperking is gelegen in het dubbele stigma op prostitutie en op homoseksualiteit, dat nog steeds zwaar drukt op de persoonlijke betrokkenheid van de jongens bij zoiets als jongensprostitutie. Een andere, minder zwaarwegende reden is de kenmerkende samenstelling van het circuit waarin behalve jongens ook klanten en allerlei soorten personen rondlopen. Binnen de Amsterdamse situatie was er in 2001, het jaar dat we het proef-project uitvoerden, bovendien sprake van diverse andere ontwikkelingen die extra beperkingen oplegden aan de toepassing van de peersupport-methodiek op de manier die in Nederland inmiddels is ingeburgerd. Bij jongens in de prostitutie is over het algemeen meer te verwachten van een flexibelere aanpak: het ‘peersupportive werken’. Hiermee bedoel ik een benadering ‘op maat’, waarin veldwerkers en hulpverleners zich invoegen in de reeds aanwezige ‘natuurlijke’ peersupport-verbanden tussen jongens. Hoewel de werkwijze van peersupport oorspronkelijk opkwam vanuit een bottom-up visie, blijken de in de Nederlandse literatuur beschreven werkwijzen nog steeds te top-down van karakter voor het daadwerkelijk bereiken van jongens in de buiten- en barprostitutie. Het informele en vluchtige karakter van de jongensprostitutie vraagt bovenal om een (methodisch verantwoorde) betrokkenheid waarmee intermediairen zich op het juiste moment en voldoende gevoelig invoegen in de ‘natuurlijke’ verbanden, verschillen en conflicten tussen jongens. Een grotere betrokkenheid van intermediairen kan er mede toe leiden dat zij minder in het nadeel zijn vergeleken met klanten en met exploitanten die langdurig in het circuit verkeren.

Voor de invoeging van intermediairen geldt in het algemeen dat ze aan een bepaalde persoon is gebonden. Hiervoor is het noodzakelijk dat intermediairen op z’n minst regelmatig rondhangen ‘in het veld’. Het winnen van vertrouwen, het opbouwen van een sociaal netwerk -kortom: het verwerven van een positie in de binnencirkel van het jongensprostitutie-circuit- vragen tijd. Deze vereisten sporen helaas niet met de huidige tijdgeest waarin productfinanciering en resultaat-gericht werken de toon zetten. Dus komt het nog meer aan op de individuele betrokkenheid van intermediairen.

 

Noten

 

(1)        De officiële projecttitel is: ‘Peersupport: Sociale risico's en kansen van (gemarginaliseerde) jongens met prostitutie contacten in Amsterdam’. Het project is financieel mogelijk gemaakt door ZonMW, te Den Haag (projectnummer 3630.0003). Het project is uitgevoerd door TransAct, Utrecht, in samenwerking met Werkgroep Jonathan en Stichting Street Cornerwork (SSCW-Binnenstadsteam), Amsterdam. Het gaat om een pilot waarvan de looptijd is uitgesmeerd over dertien maanden. Ik dank Ton van Elst en Xander de Visser voor hun waardevol advies en commentaar.

 

 

Literatuurverwijzing

 

Doorninck, Maarten van

1999    Aids en Soa Preventie voor Noordafrikaanse druggebruikers in Rotterdam. Procesverslag van het proefproject. Utrecht: Trimbos-Instituut.

Gelder, Paul van

1995    Tussen `bisnis' en taboe. Amsterdam: Spinhuis.

1998    Kwetsbaar, kleurig en schaduwrijk. Jongens in de prostitutie: een verschijnsel in meervoud. Amsterdam: Thela-Thesis.

Gelder, Paul van & Humphrey E. Lamur

1993    Tussen schaam­te en mannelijkheid. Seksuele relaties en be­schermingsgedrag van Marokkaanse mannen. Amsterdam: Het Spinhuis.

Goffman, Erving

1990    Stigma. Har­monds­worth: Penguin Books, Eerste druk: 1963.

Holt, Saskia ten, Arjaan Hijmans van den Bergh, Petra van Mechelen & Glenn Uiterloo

2000    Peerpreventie en allochtone jongeren. Utrecht: Forum.

Lerman, Paul

1967    Argot, Symbolic Deviance and Subcultural Delinquen­cy. American Sociolo­gical Review, 32 (2): 209-224.

Maurer, David W.

1939       Prostitutes and Criminal Argots. American Journal of Sociolo­gy, 44 (4): 546-550.

 

Bron:

Paul van Gelder & Xander de Visser. (2003) Een praktijk van anti-helden. Peersupport en empowerment onder jongens met prostitutiecontacten. Utrecht: TransAct.