English versionAndere kanalen in FrankrijkCanal de Saint-Quentin

In juli 2003 verken ik het Canal de Saint-Quentin. Zoals wel vaker begin ik mijn verkenning op het hoogste punt, een plek waar meestal wat bijzonders te vinden is. Zo ook hier. In het hoogste kanaalpand bevinden zich twee tunnels. Ik kijk eerst bij de lange tunnel, het 'souterrain de Riqueval'. De tunnel wordt slecht geventileerd en is 5.670 meter lang. Alle schepen worden er door een oude elektrische kettingsleper met een gangetje van 3 kilometer per uur doorheen getrokken. De kettingsleper kan wel dertig spitsen achter zich aantrekken. De tocht door de tunnel duurt twee uur.
Ik heb echter geen gunstig moment gekozen om er te kijken. De kettingsleper ligt werkeloos aan de kant en zal pas een paar uur later vertrekken. Hij vertrekt elke dag om 7.10 en 15.10 uur in noordelijke richting en om 9.30 en 17.30 in zuidelijke richting. Ook het museum boven de zuidelijke entree van de tunnel, het Musée de Touage, is nu gesloten. Het is middagpauze.
Ik besluit het kanaal met de fiets te verkennen en rij een stukje noordelijker. Ik parkeer bij het plaatsje Vendhuile aan een oude kanaal arm. Hier maakte het kanaal vroeger een flinke bocht om een heuvel. Er ligt een schip graan te laden bij een grote silo.
Ik fiets erlangs en kom spoedig bij het werkelijke Canal de St-Quentin. Het kanaal er door een heuvel gegraven en zo ontstond de Tranchée de Vendhuile. Ik fiets door het hoge gras. Het is zwaar. Af en toe is er een spoor waar ik wat soepeler kan fietsen maar meestal is het zwaar trappen. Soms moet ik ook door grof grind fietsen dat in de kuilen van het jaagpad in ruime mate is neergelegd.
Ik fiets zo langs een viertal sluizen. De sluizen zijn dubbel uitgevoerd. Vroeger was dit een erg drukke route. Het is de lang de enige en belangrijkste verbinding tussen Noord-Frankrijk en Parijs geweest. Het kanaal verbindt de Schelde met het stroomgebied van de Seine. Halverwege is er verbinding met de rivier de Somme. Het Canal de St-Quentin begint in het noorden bij Cambrai en eindigt bij Chauny. In totaal is het kanaal 92 kilometer lang.
Sinds het Canal du Nord in 1965 is geopend heeft het kanaal veel van haar betekenis verloren. Ik kan dat nu ook goed zien. Er vaart een enkele spits en wat pleziervaartuigen. Na de vierde sluis keer ik terug. Ik vind het wat link worden om door te fietsen op die stukken grof grind waar ik soms over moet. Ik ben bang voor een lekke band. De sluizen hebben een bepaalde allure die langzaam aan het verdwijnen is doordat de remmingswerken slecht worden onderhouden en één van de twee sluizen steeds niet wordt gebruikt. Maar sommige zijn toch prachtig versierd met bloemen.
Ik laad de fiets weer op de auto en rij terug naar het Musée de Touage. Het hele museum bevindt zich in een oude kettingsleper die er op de kant ligt. Het gaat voornamelijk over de kettingsleper en niet zo zeer over het kanaal. Opmerkelijk vind ik dat er een slaapkamertje is ingericht. Ik lees dat de sleper vroeger dag en nacht in gebruik was en dat de bemanning zo even kon uitrusten.
Dan rijd ik weer naar de andere kant van de tunnel om te kijken hoe de sleper er doorvaart. Ik ben ruim op tijd. Ik kijk in de tunnelbuis maar zie niets bijzonders. In de verte hoor ik een gerommel. Naarmate de tijd verstrijkt wordt het lawaai steeds erger. Het moet geen pretje voor je oren zijn om achter zo'n kettingsleper te hangen.
Dan zie ik de sleper eindelijk uit de tunnel komen. Hij trekt een volle spits achter zich aan. Het is een mooi gezicht. De stroom komt van elektrische bovenleidingen waar de sleper mee verbonden is. Een leiding met een koperen wieltje wordt over de draad getrokken en bij elk bevestigingspunt van de bovenleiding moet hij door een bemanningslid even over het hoogste punt heen worden geholpen.
De spits maakt buiten de tunnel de lijn los waarmee hij aan de sleper verbonden is een vaart op eigen kracht verder. De sleper stopt om een bocht waar de retourvracht al te wachten ligt: een lege spits en een pleziervaartuig.
Ik maak een praatje met een Nederlander die morgen door de tunnel zaal varen. Het is geen pretje volgens hem. Hij was een aantal jaren gelden de eerste in een rij van tien pleziervaartuigen en zijn schip werd stevig langs de wanden van het kanaal geschuurd. Hij kon helemaal niets beginnen en kon slechts afwachten of de schade aan het einde van de tunnel mee zou vallen. Ondertussen maak ik een foto van de sleep die de tunnel in wordt getrokken.

Canal de Saint-Quentin

 

 

De kettingsleper trekt zich voort

met veel lawaai en weinig gang

naar 't lichtje dat mijlenver gloort

aan 't einde van de duistere gang.

 

De schepen, weerloos aangelijnd,

stuiten soms stevig op de wanden.

De galm van schurend ijzer schrijnt

terwijl de schippers knarsetanden.

 

In 't donker flitst de bovenleiding,

hier is het erger dan de hel,

maar eindelijk daagt toch de bevrijding

en schijnt de zon ongekend fel.

 

Er is weldra weer blauwe lucht,

een schipper slaakt een diepe zucht.

 

Als de sleep in de tunnel is verdwenen, rij ik naar de tweede tunnel, het 'souterrain de Tronquoy'. Vandaar fiets ik een aantal sluizen naar beneden. Vlak boven de eerste sluis zie ik het bevoorradingskanaaltje. Van ruim 20 kilometer ver wordt uit de riviertjes Noirieux en Oise voortdurend water aangevoerd.

Andere kanalen