Kanalen n FrankrijkEnglish versionCanal de la Haute-Saône


Op een warme middag in juli 2004 rijdt ik samen met Marga op de fiets lang een deel van het Canal de la Haute-Saône of ook wel het Canal de Montbéliard à la Haute-Saône. Het bijzondere van dit kanaal is dat het nooit is afgemaakt en er, een kort deel van het kanaal uitgezonderd, nooit een schip door heeft gevaren. Zowel het besluit een kanaal te graven als het besluit het niet af te maken heeft te maken met de Frans-Duitse oorlogen. In 1882 is men met de aanleg van het kanaal begonnen nadat Elzas-Lotharingen in 1871 door de Duitsers was veroverd. Het kanaal was gepland van Montbéliard via Ronchamp naar Conflandey aan de Saône en zou zo’n 83 kilometer lang worden. Na de Eerste Wereldoorlog toen Elzas weer bij Frankrijk hoorde besloot men in 1926 met de bouw van het kanaal te stoppen. Het was min of meer overbodig.

Het moeilijkste deel van het kanaal is wel gerealiseerd: het hoogst gelegen deel vanaf het Canal du Rhône au Rhin tot in de buurt van Ronchamp, een kleine 30 kilometer. Hiermee werd wel de waterscheiding tussen Noordzee en Middellandse zee overbrugd. Het relatief makkelijk te realiseren gedeelte van Ronchamp tot aan Conflandey is nooit uitgevoerd.

 

Het kanaal begint 6 kilometer ten oosten van Montbéliard, slechts een viertal sluizen verwijderd van het scheidingspand van het Canal du Rhône au Rhin. De eerste 10 kilometer van het Canal de la Haute Saône zijn nog bevaarbaar. Dit heet nu Embranchement de Belfort.  
Wij beginnen onze verkenning van het Canal de la Haute-Saône bij de vijfde sluis (Bermont). Het kanaal is hier nog bevaarbaar. Er ligt hier een fraai metalen kanaalbrug over het riviertje Savoureuse. 
Vandaar fietsen we naar het noorden. Na 2 kilometer eindigt het nog te bevaren gedeelte van het kanaal bij Botans. De autoweg A36 kruist hier het kanaal. Er is een onderdoorgang voor fietsers gemaakt en we kunnen verder fietsen. We fietsen verder komen al snel langs een aantal sluizen die kort achter elkaar zijn gelegen. Ze zijn compleet ingericht inclusief sluiswachtershuis. Tot in de jaren 60 van de vorige eeuw kon hier nog worden gevaren.
Maar hoe verder we komen, hoe lager het waterpeil staat.
 De sluiswachtershuizen zijn bewoond maar de meeste hebben een hek of een hoge heg geplaatst tussen het huis en de sluis en keren zich wat af van het kanaal.

Een stel van de zware roestige sluisdeuren staat meestal open, het andere stel is gesloten. De bedieningsmechanieken zijn nog aanwezig. Ze staan als kostbaarheden beschermd achter een hekje.  

We fietsen verder over het fietspad: ‘la coulée verte’, de groene stroom. Het is een prima fietspad. We komen via een aantal sluizen steeds hoger. Soms staat het sluisnummer met grote letters op de gevel geschilderd. Sluis nummer 9 en 10 zijn zo ven verre herkenbaar. We fietsen verder. We zijn de vestingstad Belfort inmiddels voorbij en passeren een nauwe passage: une tranchée. Er ligt een feestelijk met bloemen versierde brug over het kanaal en het jaagpad.
Ik tel de sluizen naar het scheidingspand en kom tot nummer 13. Een aantal zijn alleen aan de sluiswanden te herkennen maar de laatste heeft weer een sluiswachtershuis. Nu is ook het goede fietspad geëindigd. Zo goed en kwaad als mogelijk volgen we het kanaal. Het water is allang weg en de kanaalbedding wordt langzamerhand door steeds meer groen aan het zicht onttrokken. Dan kunnen we met de fiets echt niet meer verder. Ik vermoed echter dat we dicht bij de eerste van twee tunnels in het hoogste pand zijn en loop verder over een klein wandelpaadje. Dan zie ik aan een rood bord dat ik echt in de buurt van de tunnelingang van het ‘souterain de la Forêt’ moet zijn: Danger, acces interdit à toute personne étrangère au service. Dit is het handelsmerk van de VNF. De tunnel moet zo’n 660 meter lang zijn. Van bovenaf kan ik iets van de tunnelingang door het groen heen zien maar ik kan er niet goed bij komen. Ik ga daarom weer terug.  
’s Middags proberen we het kanaal aan de andere zijde van het scheidingspand weer terug te vinden. We vinden een wandelroute die langs de overblijfselen van het kanaal voert. We bevinden ons in een bos met enorme bomen. We volgen de route en lopen door het bos steeds verder naar beneden. Na een flinke afdaling zie ik wat water glinsteren achter wat struiken. We vervolgen ons pad. Dan maakt het pad een draai naar links en komen we over een brug. Ik zie direct de overblijfselen van een sluis. Het is l’écluse de Beuveroux, de eerste sluis aan de kant van de Saône.

We lopen nu langs het scheidingspand van het kanaal. Na een poosje zien we aan de rechterkant een meertje dat diende voor de waterbevoorrading van het kanaal. Links is een verbreding van het kanaal dat als haventje zou hebben moeten dienen: Port de l’Etang “Déchaudé”. Hier konden de schepen wachten tot de tocht door de vernauwing en de tunnels van het kanaal konden maken.

We vervolgend onze weg en niet lang daarna zie ik aan een rood bord dat we dicht bij de tunnel ingang moeten zijn. Ik negeer het bord en loop over het jaagpad naar het begin van de tunnel. 

Het jaagpad is afgesloten maar ik kan toch een foto in de tunnel maken. Het is een kaarsrechte tunnel: le souterain de Chérimont. Ondanks dat de tunnel 1330 meter lang is kan ik licht aan het einde van de tunnel zien. Tussen beide tunnels in komt leiding ter bevoorrading van het kanaal vanaf een stuwmeer dat voor dit kanaal is gerealiseerd: Het reservoir de Champagney.
In de kanaalbedding staat een klein beetje water. Verder wordt de kanaalbedding gedomineerd door de natuur die dit stukje cultuur weer in bezit probeert te krijgen. Ik zie een trappetje langs de kademuren die geleidelijk in het groen verdwijnen.

We zijn nu vlak bij het Ronchamp. Op een heuvel naast het plaatsje staat een beroemd ontwerp van de architect Le Corbusier: de kerk Notre-Dame-du-Haut.

Het is een mooie afsluiting van onze verkenning.

Kanalen in Frankrijk